← Table of contents
Drie blyspelen

DE WISKUNSTENAARS, OF ’T GEVLUGTE JUFFERTJE.

Reading edition

Kluchtspel.

OPDRACHT aan den Heere Mr. EVERHARD KRAAIVANGER.

Uw geest, mijn Heer, die steeds vol yvers haakt, Naar weetenschap, die elk doorluchtig maakt, Vermeit zig in de schriften der Latynen; Die sterren, die aan Pindus hemel schynen, En schitt’ren al de mind’re lichten blind; Of zo hy lust in Duitschen maatzang vind, Vermaakt hy zig alleen in zuiv’re toonen, En nette taal van Febus grootste zoonen; Of paart vol krachts, en zuiverheids, en zwier, Met hun gezang de klanken van zyn’ lier; Zou myn Thalye uw keurig oor verveelen, Wanneer zy treedt op Neêrlands schouwtooneelen, En redentwist of zon of waereld draaijt? O Neen; uw Geest, die nutte vruchten maaijt, Van ’t geen uw jeugd zaaijde in een vruchtbaare aarde, Eert boven al de Wiskunst nâ haar waarde. Hy zal best zien wat aan dit Werkje ontbreekt; Waar deez’ te veel, of die te weinig spreekt, ’t Gemeen zal zig slechts met de schors vermaaken De kenner ziet op ’t nut, en ’t pit der zaaken. Hij merk’ dan aan, dat kunst noch kunstenaar Geroskamd wordt; maar ’t ydele gebaar, En waanwysheid van winderige zotten, Die ’t Schouwtooneel met reden mag bespotten. Behaagt myn Nimf uw schrand’ren geest alleen, Als ge afgesloofd in ’t Nederlandsche Atheên, Door ’t yveren in Rechtsgeleerde boeken, Genootzaakt zyt uitspanningen te zoeken; Dan acht zy reeds met vreugd haar wensch voldaan; Dan wrijv’ men haar geen’ reukeloosheid aan; Dan lacht ze als haar de haat en nyd begrimmen, En poogt allengs ten Zangberge op te klimmen; Op dat ze uw’ geest leer’ roemen nâ waardy, Door klanken van een eed’ler Poëzy, Wen Themis u, als een van haare zoonen, ’t Vernuftig hoofd met lauweren zal kroonen. Uw geest strekk’ dan der Maatschappy ten nut, Uw maagschap, en Vrouwmoeder steets ten stut Die u vast wenkt na huis, met harte en oogen, Verlangende, van eed’le zucht bewogen, (Vast schrikkende voor stormen, wind en zee) Dat ze u eerlang omhelze op Javaas ree. De hemel geeve u beide dat genoegen; Waar by myn hart zyn’ wenschen steets zal voegen.

Terwyl ik de eer hebbe, myn Heer,

My te noemen

UE. Ds. Dienaar en Vrind

Pr. LANGENDYK.

VERTOONERS

Filipyn, Knecht van Eelhart.

Griet, Dienstmeid van den Waard.

Eelhart, een Amsterdams Heer, Minnaar van Izabel.

Izabel, een Utrechtse Juffer.

Katryn, Dienstmeid van Izabel.

Een Waard.

Fop, Tys, Voerluiden.

Anzelmus, Oom en Voogd van Izabel.

Dokter Raasbollius, Neef van Anzelmus, en Medeminnaar van Eelhart.

Dokter Urinaal.

Het tooneel verbeeldt eene kamer, in een herberg te Loene; de Geschiedenis gebeurt laat in den Avond.

EERSTE TOONEEL.

Filipyn. Hei holla hei! Tryn, Griet, Neel, Klaar, holla! kanalje. Hei holla! hoor je niet! waar steekt nou al ’t rapalje? Piet, Joost, Hein, Klaas, holla! daar komt geen mensch! wat’s dat? De droes is met al ’t vee ligt op het haazepad. Nog eens. Hei holla hei!

TWEEDE TOONEEL.

Griet, Filipyn.

Griet. Wel kaerel is dat raazen? Je zoudt een eerlyk mensch op die manier verbaazen. Fi. Een eerlyk mensch? Griet. Wel ja, ’k ben eerlyk. Fi. ’t Heeft geen schyn! Zo’n mooije meid zou in een herberg eerlyk zijn! Griet. Myn goeije vlasbaard, wel wat of je al uit zult stooten, Wel kei’ren dat’s een biest! ’t ken loopen op twie pooten. Beslab je bef maar niet. ’k Ben jou licht goed genoeg. Fi. Heb jy wel ooit gezien twie biesten voor één ploeg? Griet. Hoe zo? Fi. Ik ben verliefd, en zo wy t’zamen trouwen, Zei jy ’t, al zie je scheel, met veel vermaaks aanschouwen. Griet. Al weer wat nieuws, wel wis, wy zyn terstond gereed. Een mosterdhaaler, een lakkei, een kaale neet Praat mê van trouwen. Wel! men zou zyn reuzel scheuren! Wie of verlieven zou op zo’n hansop met kleuren? Fi. Geen mensch dat weet ik wel: want daarom vraag ik ’t jou, Op hoop dat jy nog zoo barmhartig weezen zou. Griet. ’k Wil uit barmhartigheid die liefde wel verjaagen, Door hulp van onzen knecht, al was ’t met knuppelslagen. Fi. Ik dankje meisje voor je gunst, je bent te plat: Vind ik een spyker jy vindt altyd weêr een gat. Griet. Ik heb geen tyd om meer te luist’ren naar je snappen. Wat is er van je dienst? Fi. Je moet vooreerst eens tappen, Of scheppen, zo je wilt, een glaasje brandewyn; Het moet geen kooren, maar oprecht konjakke zyn.

DERDE TOONEEL.

Filipyn. Bloed! was dat draaven! bei myn billen zyn aan stukken. ’k Ry niet nâ Amsterdam by avond, ’t zou niet lukken, Ik quam niet in de poort. ’t Is hier te Loene goed. ’k Wou dat myn heer hier was.

VIERDE TOONEEL.

Eelhart, Filipyn.

Fi. Daar is hy zelf, gansch bloed! Dat is op ’t onvoorzienst. Eel. Wie dacht u hier te vinden! Myn Filipyn, hebt gy iets kunnen onderwinden? Zeg, is myn schoone reets de brief ter hand gesteld? Hoe staat het met myn min? ik bid dat gy ’t my meldt. Fi. Heel slecht. Myn heer heeft meer te vreezen als te hoopen. Eel. Hoe dat? Fi. Beloof me eerst dat ge u zelf niet op zult knoopen, Veel min verzuipen, uit standvastigheid van min: ’k Zal dan de heele zaak verhaalen, naar je zin. Eel. Hoe naar myn zin? Fi. ’k Verspreek me, ik meende nâ de waarheid. Net zo als ’t is gebeurd. Eel. Spreek op. Geef meerder klaarheid. Fi. Na dat gy gist’ren my expresse hadt gemaakt, Ben ik gezwind te paerd uit Amsterdam geraakt, ’k Heb ’t op de botermarkt van Jean Pikeur bedongen Voor twee dukaaten. Bloed! wat heeft dat beest gesprongen! Het is een appelgrauw. Eel. Wat bruid me dat? ryd voort. Fi. ’k Was in drie uuren tyds al te Utrecht voor de poort. ’k Loof dat het paerd mê van je liefde heeft geweeten; Want ’t arme beestje docht om drinken noch om eeten. Eel. Zwyg van het beest, en zeg hoe dat je verder voer. Fi. ’k Ontmoette juist op straat myn nichtjes bestemoer; Zy is een groenwyf, zeer verstandig nâ haar jaaren. Na heel veel vraagens hoe de vrinden hier al vaaren... Eel. Die praat van ’t groenwyf, van je vrinden, en het paerd, Slaa die maar over: want ze is my geen oortje waard. Fi. ’k Vroeg aan dat groenwyf waar de heer Anzelmus woonde. Het welk die goeije sloof my zeer gewillig toonde; Zy kon dien heer wel: want zyn huis staat in haar buurt, En dat nog meerder klemt, haar eige dochter schuurt En schrobt juist in zyn huis, schier alle Zaturdagen. Die dochter zei my iets het welk u zal mishaagen. Eel. Wat was dat? Fi. Dat de heer Anzelmus hadt gehoord, Hoe gy, dien hy niet kent, zijn nichtje hebt bekoord, Toen zy korts te Amsterdam by iemand van haar vrinden Is t’huis geweest; en hy wil haar perfors verbinden Aan zeek’ren neef, een gek in quarto, die de meid Nooit heeft gesproken als met veel afkeerigheid; Die zotte vlaagen krygt door ’t al te veel studeeren; In ’t kort bequaam om met de kap te promoveeren. Nu hoort myn heer dat hy een medeminnaar heeft. Bedenk in welk een angst uw Izabella leeft: Wyl zy gedwongen wordt om met een gek te trouwen. Eel. Geen nood; Flippyn, zy is niet van die laffe vrouwen, Die ligt te dwingen zyn door voogde dwing’landy. Ook is haar zuiver hart te dier verpand aan my. Ik ben gerust dat zy haar eeden niet zal breeken: Myn min is haar, en my haar min, te wel gebleeken. Fi. ’k Vat wat je zeggen wilt. Je kent malkander. Maar... Eel. Wat voor een maar? Fi. Helaas! Eel. Gij zucht. Fi. Och! och! Eel. Verklaar My wat’er gaans is. Fi. Och! ik durf het naauwlyks zeggen. Eel. Spreek! of die zweep zal ik u op de ribben leggen! Fi. Ach! als ’t dan weezen moet, en wil je ’t weeten heer? Helaas! uw Izabel, die schoonheid is niet meer... Eel. Is ’t mooglyk! wat gy zegt, ach! is dat vriend’lyk weezen, Dat zuiver aanschyn, zoo bekoorelyk voor dezen, Die zon, die held’re zon met al haar glans verdoofd! ô Wreede dood! die my van allen troost berooft, Doe my het levens licht op deeze tyding derven! ô Droefheid! ik wil met myn Izabella sterven! Ze is dan niet meer Filipyn. Fi. Ze is niet meer in haar huis. Maar ’k weet niet van haar’ dood. Eel. ô Schelm! Fi. Je hebt abuis. ’t Is jou schult; want je valt zo schielyk in myn’ woorden, En wilt je zelven, eer je ’t end hoort, al vermoorden. Als jy me op myn manier de zaak verhaalen liet, Dan hadden wy gestaag die harrewarring niet. Eel. Flippyn gy hebt een quaa manier in uw vertellen. Zo dat zo voort gaat zult gy nog een uur staan lellen, Eer ik begryp hoe dat het met myn zaak nu staat. Verhaal my alles kort, en maak my niet meer quaad. Fi. Ik zeg je dan myn heer, jou lief was opgesloten: En die gevangkenis heeft haar, na ’t schynt, verdroten: Ze is uitgebroken, en enfin op ’t haazepat. Haar oom heeft haar alom doen zoeken door de stadt, En aanstonds opgemaakt haar’ vrinden en haar’ maagen. Die haar alom, van man en maagd, na laaten vraagen. Anzelmus en die neef zyn licht al te Amsterdam. Eel. Zo ik haar daar had, wenschte ik dat hy by me quam: Die voogd zou reden van zyn dwinglandyë geeven; ’k Zou haar beschermen in haar eer, of niet meer leeven. ’k Kan niet bedenken wat’er voor my dient gedaan... Zal ik naar Amsterdam, of liefst nâ Utrecht gaan? Ik heb besloten om haar overal te zoeken. Zo ik haar vind, zal ik dien voogd zeer wel verkloeken. Fi. Gy hebt haar al te wel gewend, hou u maar stil; Dat duifje zal van zelf wel vliegen op je til. Eel. ’k Gaa weêr nâ Amsterdam. Fi. Hoe zyt gy hier gekomen? Eel. Ik heb myn rytuig tot uitspanning eens genomen, En reed al voort, tot hier in Loene, zo gy ziet. Fi. Maar heer, ’t is avond, en al laat, hoe! wist je niet Dat, als je zo ver reed, je hier te nacht moest blyven? Eel. Ach weeten minnaars wel, Flippyn, wat zy bedryven? Daar is de waard.

VYFDE TOONEEL.

Waard, Filipyn, Eelhart.

Waard. Wie heeft dat zoopje van de meid Daar flus gekommandeerd? Fi. Ik, tot je dienst bereid. Eel. Is hier gelegenheid voor ons te nacht te slaapen? Waard. Dat weet ik niet. Fi. Hy is grootshartig in zyn wapen; Hoewel hy woont ook op de zelfkant van het Sticht. Waard. Neen, broertje, neen, je zyt na ’k merk nog niet verlicht. ’k Heb nog een bed, het welk ik graag uw’ heer wil gunnen; Maar weet ik juist of hy te nacht zal slaapen kunnen? Fi. Zorg daar niet voor, zoo ’t met geen keyen is gevuld, En dat de muggen ons niet steeken. Waard. Goed, gy zult Te vreên zyn. Voor uw’ heer heb ik een bed met veeren, En jy kunt op die kist wel slaapen in jou kleêren. Fi. Dat’s my te hart kompeer. Maak maar een kermisbed. Waard. Ik kan niet vriendschap; al myn bedden zyn bezet. ’k Dien met myn wyf zelf op een kermisbed te leggen. Fi. Dat wil ook weezen broer, dan heb ik niet te zeggen. Eel. Wat menschen zyn het die je hier te nacht logeert? Waard. De heer Anzelmus, en een ander heer; geleerd In veele kunsten en verheven’ weetenschappen, Die als een advokaat zes zeven weet te klappen. Eel. Ei! deeze Anzelmus, zeg wat is dat voor een man? Waard. Een heer van Utrecht, die ik specialyk van Naby gekend heb, meer als vyf en twintig jaaren; Die and’re, naar ik merk, zal met zyn nichtje paaren, Een schoone juffer, blank en poezeltjes van vel. Eel. Hoe is haar naam? Waard. Haar naam? laat zien, is Izabel. Fi. „Voorzeker ’t zal de voogd van jou beminde weezen. Eel. „Anzelmus kent my niet; voor hem is niet te vreezen. Hebt gy geen gasten meer? Waard. ô Ja, den heer doktoor, Hans Urinalibus; die flus myn linker oor, Heit doof geraast; en met de jongste van die heeren, Die ook een dokter lykt, kyft over ’t voltizeeren, Van ’t vaste lichaam, ’k loof zoo wel van man als vrouw. Hy is die dokter, die graag zilver maaken wou Uit keijen, maar hy heeft zich zelven korts bedrogen; Want al zyn keijen zyn de schoorsteen uitgevlogen, Behalven één, die blyft hem zitten in den kop. Fi. Jy hospes, dunkt me, houdt je gasten voor de fop; Dat is je schaad’lyk, broêr, je moet wat leeren vleijen. Eel. Wat heb je te eeten? Waard. ’k Kan je een slaatje doen bereijen. ’k Heb ook een ham, heel fraaij en exelent, En wyn, myn heer, zo goed als ergens is bekend. Eel. ’t Is wel, gy kunt dan flus de tafel laaten dekken; Maar morgen ochtent wil ik met den dag vertrekken; Dies moet ik voort, als ik gegeeten heb, te bed. Waard. ’k Zal zorgen dat de kost je flus word’ voorgezet.

ZESDE TOONEEL.

Eelhart, Filipyn.

Eelhart. Wat staat ons nu te doen, F’lipyn, hoe zal men ’t maaken? Fi. Je kunt je zelf gerust vertoonen voor die snaaken: Want naar je zeggen kent jou d’een of d’ander niet, Dit geeft okkazie dat gy al hun doen bespied; Ten minste leer je de aart uws medeminnaars kennen.

ZEVENDE TOONEEL.

Filipyn, Eelhart, Fop, Tys.

Filipyn. Daar ’s volk. ’t Zyn voerlui! wel de pikken moet ze schennen! Fop. Hoe vaart het al, myn heer. Eel. Gelyk je ziet myn vriend. Tys. F’lipyn, wel maatje lief. Fi. „Dat is zo erg als ’t dient, ’k Vrees dat het zaakje door die kaerels uit zal lekken. Eel. Hoort mannen, ’k heb je lui een zek’re zaak te ontdekken. ’k Verzoek dat gy myn naam, veel min die van F’lipyn Hier noemt, dat ’t iemand hoort, ’t zal u niet schaad’lyk zyn. Daar is een daalder, en indien je lui kunt zwygen, Zult gy op morgen weer een daalder van me krygen. Fop. Goed, heerschop, ’k dankje zeer. Tys hebje ’t wel verstaan? Tys. Dat’s elk een daalder Fop: maar ’t komt op ’t zwygen aan. Fi. Kom je allebei zo laat in Loenen met je wagen? Fop. Dat’s waar F’lipyn, dat magje nog wel eensjes vraagen. Fi. Geef hier de daalder: want je kent je les nog niet. Fop. Waarom? Fi. Je noemt me by myn’ naam, zo als ik hiet. Tys. Nou, nou, F’lipyn, ’t is fout, hy zal ’er wel op passen. Fi. Die gek praat mê! geef weer, geef weer. Maak geen grimassen. Je lui zoudt zwygen, en je opent pas je smoel Of aanstonds noem je me. Hiet my veel liever Roel, Of alles wat je wilt. Je kunt de daalder houwen; Maar zwyg je niet, zo zel ’t de drommel haalt je rouwen. Hoe kom je hier? Tys. Ik kom van Utrecht zonder vracht. Fop. Ik heb twee heeren die hier beiden deezen nacht Logeeren willen, zy zyn nobele gezellen. Fi. Hoe heeten ze. Fop. Dat kan ik juist niet net vertellen, Nâ dat ze zeggen zyn ze Geldersche edellui En officiers, voor my het scheelt my niet een brui Wie dat ze zyn, als zy my rykelyk betaalen, Gelyk ze doen. Kom Tys, we moeten haver haalen. De hospes denk ik zit te smooken aan den haard, Die vent zit eeuwig met een pypjen in zyn’ baard.

ACHTSTE TOONEEL.

Eelhart, Filipyn, Izabel, en Katryn, beide in mans gewaad.

Eelhart. Het spyt my dat ons nu die heeren komen stooren. Ach! hoe zweemt de eene naar myn lief, myn uitverkooren Is ’t moog’lyk ’t geen ik zie! zyt gy ’t myn Izabel? Iza. Zyt gy ’t myn Eelhart? ach! Fi. Zo, dat gaat wonder wel. Iza. Wat goed geluk, myn heer, heeft u doen herwaart koomen? Eel. En u, myn lief? wiens min myn hart heeft ingenomen. Iza. Het noodlot; dat my heeft ontrukt de dwing’landy Van myn gehaaten voogd, die door zyn baatzucht my Verkocht had aan een dwaas; die woedende en verbolgen, My ongelukkige zal overal vervolgen; Zo gy die ik verkoos tot hulp en toeverlaat, My door uw’ macht niet redt uit myn benaauwden staat. Eel. Die liefde, die ik u voor altoos heb gezworen, Zal u behoeden voor zyn felle haat en tooren. Wees vry gerust, gy weet hoe ik u heb bezind. Eisch alles van een hart dat u zoo teêr bemint, Laat ons veréénen door de vaste huwelyksbanden. Iza. Myn heer, ik stel myn lot geheel in uwe handen; ’k Zal met u deelen in geluk en ongeluk. Eel. Myn lief ’k zie haast het eind van onzen ramp en druk. Wy moeten deeze plaats vooral terstond ontvluchten; ’t Is hier niet veilig. Iza. Hoe, wat heeft men dan te duchten? Eel. Myn medeminnaar, en uw Oom zyn in dit huis. Iza. Myn voogd? wat zegt ge! Fi. Ja juffrouw, ’t is geen abuis. Eelhart wyzende op Katryn. Wie is die heer, myn lief? Iza. Laat ons hier niet meer spreeken, Het is Katryn myn meid, wiens trouw my is gebleken. Eel. Vlieg heen Flippyn, en maak gezwind myn rytuig klaar. Wy kunnen hier niet zyn dan met het grootst gevaar. Haar voogd mocht ons hier op het onvoorzienst betrappen, Als hy haar zag, men kon ’t onmogelyk ontsnappen. Fi. Myn heer, je kunt toch niet voor morgen in de poort. Eel. Dat zy zo ’t wil, Flippyn, span in, wy moeten voort. Iza. Ach! ach! ik hoor daar volk, waar zal ik my versteeken? Fi. Vlieg t’samen op het bed, en dekje met de deken. Eel. Kom ’k zal u helpen, zo Flippyn, dat’s wel bedacht. Filipyn terwyl Izabel en Katryn zich op ’t bed verschuilen. Ik wensch je beiden een gerustelyken nacht.

NEGENDE TOONEEL.

Raasbollius, Anzelmus, Eelhart, Filipyn, Izabel, en Katryn op ’t bed.

Raasbollius, raazende en tierende tegen dokter Urinaal, die binnen is. Gy zyt een botterik! wat zoudt gy disputeeren! Gy zyt een ezel, slegs vercierd met dokters kleêren! Deeze ideoot beeldt zich al wond’ren zaaken in! Maar ’k zwyg, ik weet niet wat ik met den zot begin. Izabel tegen Eelhart. „Ja, ’t is myn neef, ik ken zyn stem, wy zyn verlooren! Eel. „Bedenk u wel, ik moet zyn’ zotterny eens hooren. Raas. Die lompe botmuil weet van alles niet een brui! An. Foei! foei! ’t is schande: wat! gy zyt geleerde lui. Hou op met twisten, om een beuzeling. Raas. De starren! En zon en maan! zal hy zoo onderéén verwarren, Dat alles wederom een Chaos worden zal! An. Zwyg stil kozyn, wy zien ’t nu wel, die vent is mal. Raas. Al die zo rezoneert behoort men op te sluiten! Die halfgeleerden doen meer quaad als duizend guiten! An. Maar ’k bid.... Raas. ’t Is kettery. An. Ai hoor. Raas. Jy plattert, weet Van hemelkringen noch gestarntes niet een beet! An. Hy’s gek. Raas. Een botmuil! An. Ja. Raas. Men hoorde in alle landen Al die zo redeneert maar levendig te branden! An. Gewis. Eel. Myn heer, gy schynt wat moeijelyk naar ’k zie. Raas. Myn heer, verstaat gy u ook op de Astronomie? Eel. Een weinig. Raas. Och myn heer, ik moet het u dan klaagen! De heele waereld zal van deze zaak nog waagen! Ik ben thans in dispuut met dokter Urinaal, Een ketter in de kunst, die nar voert hier een taal, Die onverdraaglyk is! en zo je ons niet kunt scheijen, Mag al ’t gestarnte, en zon en maan zich voort bereijen Om heel een and’re koers te loopen als voorheen! Eel. Wat zegt hy dan myn heer! het dunkt my ongemeen! Raas. Myn braave heer. Wie kan ’t verhaalen zonder beeven! Hy volgt Kopernikus, een vent die heeft geschreven Dat de aardkloot zeilt en draaijt, door kringen van de lucht.

TIENDE TOONEEL.

Urinaal, Filipyn, Eelhart, Anzelmus, Raasbollius. Izabel, Katryn op ’t bed.

Urinaal. Ja, ja, dat zeg ik! en ik ben niet eens beducht Dat gy myn argument kontrarie zult bewyzen; En al wie kennis heeft moet myn gedachten pryzen. Raas. De zon zou stil staan? Uri. Ja. En al begryp jy ’t niet, Ik hou het staande dat het evenwel geschied. ’t Lust my niet langer met een dwaas te disputeeren. Eel. Behandel tog malkaâr met wat meer achting, heeren. De Waard en Griet dekken de tafel, brengen daar een ham op, een schotel slaa, en andere spys, mitsgaaders drie of vier boeteljes wyn, terwyl de andere voort spreken. Raas. ’k Loof dat gy nooit geen spheer of globus hebt gezien! Weet gy wat sinus is, of tangens? Uri. Ja. Raas. Misschien. Den klootsen driehoek vriend, weet jy die te berekenen? Uri. Jy weet van de Algebra, zoo min als hemeltekenen! An. Maar heeren, weest gerust. Uri. Die lompe botmuil praat Met my, en weet niet van triangel nog quadraat! Eel. Myn heeren heb ik de eer, dat gy met my zult eeten? An. De eer zou aan ons zyn: maar myn heer geliev’ te weten Wy hebben flusjes al ons avondmaal gedaan. Raasbollius, ziende op zyn horologie. Laat zien hoe laat is ’t?.... ’t is eklipsis in de maan! Koom dokter Urinaal, koom buiten ’k zal u toonen Dat uw’ koncepten zyn onmoog’lyk te verschoonen! Myn heeren zyt gy ook nieuwsgierig om te zien? De eklipsis van de maan zal datelyk geschiên; Drie vierde parten zal zy heden zyn verduisterd. Eel. Ik heb het meer gezien. Raas. Het is de kunst ontluisterd Zoo gy ’t niet observeert; geen één Astrogolist Heeft ooit zyn tyd, wanneer ’t eklipsis was, verquist. Eel. Myn heer, ’k vertrouw my op uw oordeel, gaa maar kyken, Ik zal van uw dispuut daar na wel vonnis stryken.

ELFDE TOONEEL.

Anzelmus, Eelhart, Filipyn. Izabel, en Katryn op ’t bed.

Anzelmus. ’k Merk dat dit voorval u verwonderd maakt mynheer. Ik bid u, zet myn neefs oploopendheid wat neêr. Eel. Dat zal ik doen. Ik denk hem maar gelyk te geeven: Want anders heeft men hier te nacht een schrikk’lyk leeven. An. Dan zal die dokter op u raazen als ontzind. Fi. Ja, of hy raast of niet, wy achten dat voor wind. An. ’k Merk dat myn heer mede in de wiskunst gestudeerd heeft. Eel. ’k Weet iets, door iemant die al lang met my verkeerd heeft: Maar ’k ben een Rechtsgeleerde. An. Hoe zyt ge een advokaat? ’k Zie u ter goeder uur, myn heer, ’k bid geef my raad In zek’re zwaarigheid, die me over is gekoomen. Fi. Daar komt hy by den droes te biegt, wie zou dat droomen? Eel. ’k Wil u wel dienen in die zaak zo goed ik kan; Maar onderrecht my wel. An. Ik ben een edelman, Woonachtig te Utrecht, uit een braaf geslacht gesproten, Ik ben zo edel als de aanzienelijkste grooten, Ik heb geen kind’ren; maar ’k ben voogd van zek’re nicht, Die t’ eenemaal ontaard van haaren stam en plicht, Zich zelve te Amsterdam aan iemand dorst verbinden, Eer dat zy wist of ik die zaak ook goed zou vinden. Toen ik dat merkte, gaf ik aan haar te verstaan, Dat zy terstond zich van dien minnaar moest ontslaan, En aanstonds met myn neef in ’t huwelyk begeeven; ’t Welk zy zo obstinaat en fors dorst tegenstreeven, Dat ik haar opsloot; maar zy is my juist ontvlucht, Benevens onze meid, ’k ben op ’t hoogst beducht, Dat zy reets te Amsterdam zal by haar minnaar weezen. Nu is de vraag, myn heer, of ik iets heb te vreezen, Zo ik haar minnaar, als zy zich by hem onthoudt, Gelyk een schaaker mogte aanklaagen by den schout? Eel. Hebt gy bewys dat hy de schaaker van uw nicht is? Wat is ’t voor een? An. Men zegt dat hy al vry wat licht is, Ik heb hem nooit gezien. Eel. Myn heer, dat dunkt my slecht. ’t Kon licht’lyk zyn dat gy niet wel waar onderrecht. An. Hy’s te Amsterdam bekend byna in alle kroegen; Hy is genegen by lichtmissen zich te voegen; Hy dobbelt, en hy schikt de winkels op, myn heer; Hy zuipt zich vol, en vraagt naar schaamte noch naar eer, Eel. Is daar bewys van, heer? An. Hoe? zou ik iets bewyzen, Dat al de waerelt zegt? Fi. „Je hoort je daar braaf pryzen. Eel. Als gy getuigen hebt, myn heer, van ’t geen gy zegt, Zal ik die zaak voor u bepleiten voor ’t gerecht: Maar, ’k vindt één zwaarigheid, die alles om kon stooten: Dat’s, dat gy met geweld uw nicht hebt opgesloten; Zulks neemt den rechter voor een soort van dwinglandy, In deeze landen leeft een ieder vrank en vry. Een voogd mag van zyn huis in ’t minst geen kerker maaken. An. Dus kan een juffer, als zy wil, zich laaten schaaken! Eel. De straf volgt eerst, wanneer de misdaad is begaan; Men kan den schaaker en haar dan in boeijens slaan, Hoewel niet anders als met kennis van de heeren Der stad, alwaar een voogd het paar mochte attrapeeren Dan onderzoekt men of ’t is met haar wil geschied; Indien ’t zo is, men neemt de zaak zo zwaar dan niet, Men laat gemeenelyk de jonge luidjes trouwen; Dan kan een voogd haar niet wel van malkander houwen. An. ’t Is nochtans menigmaal in tegendeel gegaan. Eel. ’t Is waar, een voogd kan zulks met reden tegenstaan, Zo zyn Pupil niet is gekomen tot haar jaaren, Of zo hy voor ’t gerecht bewyst, en kan verklaaren Als dat haar minnaar zich niet wel gedraagen heeft. Zo gy het zeker weet, dat uw party zo leeft, En gy uw nicht by hem in Amsterdam mogt vinden; ’k Neem aan om deezen knoop geheel en al te ontwinden. An. Myn heer ik dank u voor uw goê genegenheid. Hy is een schelm. Eel. Dan hebt gy reden dat gy pleit: Maar zo ’t nu anders waar? An. ’k Zou ’t evenwel beletten. Eel. Ik zal my met myn kunst daar wakker tegen zetten, ’k Neem ’t aan te winnen, als een eerlyk advokaat. An. Ik ben u dankbaar, heer, voor uw’ getrouwen raad. Daar is zes schellingen. Eel. ’t Proces is niet begonnen. Betaal my alles maar, als ik het heb gewonnen. An. Neen, ’t moet ten eerste zyn. Eel. Wel, als ’t u zo behaagt. An. Daar jongman, dat’s voor u. Fi. Ik zal heel onversaagt, In Amsterdam, door al de winkelen en hoeken, Den heer Anzelmus nâ zyn nichtje helpen zoeken. An. Gy zyt een eerlyk knecht! Ik zal myn neef terstond Den raad verhaalen, die ’k gehoord heb uit uw’ mond.

TWAALFDE TOONEEL.

Eelhart, Izabel, Katryn, Filipyn.

Eelhart. Hy is al weg, myn lief. Iza. Ach! hoe was hy verbolgen! Eel. Geen nood myn lief, geen nood, laat hy u maar vervolgen; ’k Verzeker u, dat hy bedrogen weezen zal. Flippyn haal met ’er haast myn rytuig uit de stal. Iza. Myn lief, ik vrees dat zy dien toeleg zullen merken; Behalven dat, ik dien myn hart wel wat te sterken. ’k Ben flaauw en machteloos, vermoeid van angst en schrik. ’k Denk dat de hospes wel een kamer heeft, daar ik Een weinig rusten kan, en ook my zelf verschuilen. Kat. Ja, juffrouw dat waar goed! Fi. Nou meisje niet te huilen, Het gaat hoe dat het gaat, jy zelt ’er winst me doen; Ik zal jou minnaar zyn. Kat. Jy met jou mal fatsoen. Fi. Ik hoor daar iemant, spring weer op het bed mejuffers.

DERTIENDE TOONEEL.

Waard, Eelhart, Filipyn. Izabel en Katryn op ’t bed.

Waard. Dat zyn eerst gekken van geleerden! rechte suffers! Zy staan daar allebei te tuuren naar de maan, En brabb’len taal, die hond of kat niet kan verstaan. Eel. Hoor hospes! heb jy lust om die pistool te winnen? Waard. Ja, waarom niet? zeg maar hoe ik het moet beginnen? Eel. Niet, als dat je in ’t geheim twee juffertjes logeert. Waard. ’k Logeer geen hoeren: neen: ik merk wat jy begeert. Eel. Zy zyn geen hoeren, maar twee juffers van myn kennis, Die ik verbergen moet om reden; zek’re schennis Haar aangedaan.... maar zeg of gy ’t wil doen of niet? Waard. Ik wil wel, als het maar in eer en deugd geschied. Eel. ’k Verzeker u daar van; maar gy moet niets ontdekken Aan heer Anzelmus. Wa. Neen: ik zal ’t niet uit doen lekken, Wees daar verzekerd van: ’k beloof ’t je by myn eer. Zeg wanneer dat ik haar te wachten heb, myn heer? Eel. Zo aanstonds hospes, zoo ik u maar mag vertrouwen. Waard. Ja, wees gerust, ’k beloof dat ik myn woord zal houwen. Eel. Daar ’s uw pistool. Waard. Ik zel je helpen waar ik mag. Eel. De baan is klaar, juffrouw, kom nu vry voor den dag. Waard. Hoe leggen ze op het bed? wel dat zyn wond’re zaaken. Iza. Ach! hospes gaa terstond een kamer open maaken, Daar we ons verschuilen. Wa. Wel’ dat’s vreemd ze zyn verkleed! Loop in die kamer. Iza. Maak my ook wat spys gereed. Waard. Ja treê maar in, ik zel je wel akkomoderen.

VEERTIENDE TOONEEL.

Waard, Filipyn.

Waard. Nou ken ’er niet een mensch meer in myn huis logeeren. Fi. Je hadt niet anders als die kist, niet waar sinjoor? Daar ik op slaapen kon. Waard. Nou zel jy met jou oor, Indien je slaapen wilt, gints leggen op de planken. Fi. Wel ik heb reeden om jou hartelyk te danken. Waard. Ik had jou evenwel een kermisbed gemaakt; Nu kan ik niet: myn goed is juist bezet geraakt.

VYFTIENDE TOONEEL.

Waard, Fop, Tys, Filipyn.

Fop. Hoe hospes, staa je daar? je moest wat helpen scheijen; Die maanbekykers zyn geen kleintje aan ’t bakkelijen. Waard. Wie wint? Fop. Ik weet het niet, ik moei’ er me niet mê. Waard. Jy laat maar vechten! wel je bent een drommels vee!

ZESTIENDE TOONEEL.

Fop, Tys.

Fop. Nou Tysje hy is weg, pas nu den ham te villen. Tys. Ik zel ’er eerst ’t zwoort eens met ’er haast afschillen. Fop. Nou repje wat; het hoeft zoo net niet kameraad. Tys. Maar al te haastig, broer, is al zyn leeven quaad. ’k Moet maaken dat hy in ’t oog lykt heel te weezen. Maar zo de vent het wist wy mochten zeker vreezen. Fop. Maak zo veel praats maar niet, en repje, malle gek. Tys. Nou blyft ’er niets als ’t been, en ’t zwoort; wy hebben ’t spek. Fop. De drommel ’k hoor daar volk! waar zullen we ’t nou laaten? Tys. Wel steek het in je zak. Fop. Neen, neen, wat meug je praaten, ’t Is veel te groot. Ik brui ’t zo lang in deeze kist. Hoe zel hy vloeken als de vent den ham strak mist.

ZEVENTIENDE TOONEEL.

Eelhart, Fop, Tys.

Eelhart. Waar is myn knecht. Tys. Die is geloopen om het vechten Van dokter Urinaal en d’ ander te beslechten. Daar komt hy al weêrom, benevens onzen waard. Is nou de eklips al door het vechten opgeklaard?

ACHTIENDE TOONEEL.

Waard, Filipyn, Fop, Tys, Eelhart.

Waard. Daar ’s niet gevochten, wat kom jy lui me al vertellen? Fop. Maar dan begonnen ze de pypen eerst te stellen. Waard. ’t Is geen kanalje: maar ’t zyn eerelyke lui. Fi. Kom laat ons eeten: want wat raakt ons dat gebrui. Eelhart en Filipyn gaan aan de tafel zitten.

NEGENTIENDE TOONEEL.

Urinaal, Raasbollius, Anzelmus, Eelhart, Filipyn, Waard.

Urinaal. Zwyg van de eklipsen! want gy weet niets van die zaaken! Raas. Wel dokter ezelskop! ’k zal myn defenzie maaken. Uw zotheid zal ik elk doen weeten, in geschrift. Uri. Ja vloek en raas maar. ’k Heb uw stelling zoo gezift En uitgepluist, dat gy zoudt als een dwaas staan kyken, Indien ik schryven wou: maar ’t zou me niet gelyken: Zoo ik ’t dispuut al won; ik won ’t maar van een zot! Raas. ô Starren! zon! en maan! hoe deerlyk is uw lot! Zo gy uw loop voortaan zult moeten reguleeren, Zo als die man ’t verstaat! Eel. Ik bid u, braave heeren, Dat gy bezadigd my den grond van uwe zaak Eens voorlegt. Uri. Dat is ’t geen, myn heer, daar ik nâ haak. Eel. Nu, gaat dan zitten, valt malkaâr niet in de reden, En laat die dokter eerst zyn argument ontleeden. Eelhart en Filipyn beginnen te eeten. Uri. Myn stelling is aldus: de zon staat vast en stil; De waereld zeilt haar rond, en draaijt eens op haar spil, Of doet een ommekeer in vier en twintig uuren; Dat maakt den dag en nacht. Raas. Zwyg! ’t moet niet langer duuren! Hoe draaijt de waereld dan, en zeiltze te gelyk? Waar zeilt ze heen? Uri. Rondom de zon. Raas. Goed; toon dan blyk. Uri. Ze zeilt allengskens door de twaalef hemeltekenen Net in een jaar, als wy Astrologisten rekenen; In ’t punt van Ariës begint ze, omtrent de maart; Zo als ’t Kopernikus, die groote man, verklaart. Raas. Dan was Kopernikus de gekste gek der gekken. En om uw botheid aan deez’ wyzen heer te ontdekken, Zo zeg ik, dat de kloot der aarde vast moet staan: Dewyl ze een lichaam is. Uri. Wel botmuil, is de maan Dan ook een lichaam, dat men in zyn kring ziet loopen? Raas. Ja, maar geen aarde, vriend, hoor, ’k zal ’t u eens ontknoopen: Zy is een lichaam, doof en licht, gelyk een veer: Dies doet ze makk’lyk in een maand haar ommekeer; Daar ’t aardryk door zyn zwaarte in ’t middelpunt moet blyven, Terwijl de zon en maan in hunne kringen drijven. Gooij eens een steen om hoog, die valt weer naar om laag Op de aarde, ’t middelpunt. Nu, gekskap, is de vraag, Of deeze steen niet naar de zon zou moeten vliegen, Indien zy ’t punt waar? Uri. Neen: je zult me in slaap niet wiegen. De lucht dryft zulken steen weêr nâ zyn oorspronk, de aard; Wyl hy een deel is van zyn lichaam; ja hy vaart Met al de kringen van de lucht, die de aarde draagen, Terwyl zy zeilt mê voort. Raas. Nog heb ik van myn dagen Geen botter beest gezien! nou zeit hy zeilt de lucht, Zelfs, met den maankring en de waereld in één vlucht. Vent, ’t geen gy van den loop der waereld hebt gesproken Doet juist de zon. Nu is uw argument gebroken. Gelooft gy niet het geen wy voor onze oogen zien? Uri. De zon loopt wel zo ’t schynt; nochtans kan ’t niet geschiên Let daar maar op! wanneer wy in de trekschuit vaaren, ’t Schynt dat het land dan vaart, en wy in stilstand waaren, En nochtans is ’t zoo niet; wy vaaren immers voort? Raas. Wie heeft zyn leeven zulk een kettery gehoord! Uri. Dat is geen antwoord; dat repliek staat niet op pooten. Raas. Wel om jou stelling dan in één reis om te stooten, Zo schryf ik hier een mathematische figuur. Raasbollius schryft met een groot stuk kryt een cirkel op het tooneel. Daar staat een cirkel; en ’t is vaster dan een muur, Dat alle kunstenaars het punt in ’t midden stellen. Bekent gy dat niet? Uri. Ja. Raas. Wie zoudt gy dan vertellen, ô Domme botmuil! dat de waereld zeilen kon? Hy neemt de schotel met slaa van de tafel, en zet die op het eind van den cirkel. ’t Punt is de waereld. En zie daar, daar staat de zon Vlak op den cirkel. Zie zoo moet men ’t u doen weeten. Fi. Och! och! zy denken wis, de zon straks op te vreeten! Urinaal schryft ook een cirkel en zet den ham in ’t midden. Geef hier het kryt. Daar staat myn zon in ’t punt van ’t rond. Fi. De duvel haal je met je zonnen. Urinaal zet de boetelje op ’t eind van zyn cirkel. Hou uw mond! Daar staat myn waereld. Raasbollius zet een boetelje in ’t midden van zyn cirkel. Daar de myne. Fi. Watte dingen! Ur. Waar stelt gy nu de maan? Raas. Dan moet ik wat verspringen, ’k Maak deezen cirkel om myn waereld; ’t middelpunt. Fi. „Ik docht wel dat hy ’t op dien schotel had gemunt! Raasbollius zet een klein schoteltje met spys op den cirkel die hy om de boetelje heeft gemaakt. Daar staat de maan. Urinaal trekt een’ cirkel rondom de boetelje, en zet ’er een klein schoteltje met spys op. En daar zou zy my best behaagen. Raas. Nu loopt myn maan haar koers, om ’t punt, in dartig dagen. Uri. Nu zeilt myn waereld voort, en neemt den maankring meê, Beginnende haar loop in die Sodiaks snê. Fi. Och! zo de loop begon van de andere planeeten, Hier ik hier niet een brui te drinken of te vreeten! Met je permissie, dat ik deez’ planeet eens spreek. Filipyn drinkt uit één van de boeteljes. Raas. Myn stelling is bedacht van hem, die niemand week In kunst, hy was één van de wyzen van Egipte. Uri. Ja, Ptolomeus. Maar de vriend, dien ik uitkipte, Was held Kopernikus, een wonderbaarlyk man! Fi. ’k Drink hun gezondheid, schoon ik geen van beide kan. Raas. Zeg, wysneus, hoe gy my zult kunnen overtuigen? Uri. Wel, Raasbol, met d’eklips legt voort uw zon in duigen. Filipyn zet alles weer op de tafel. Raas. Doe my de eklipses van uw maanlicht dan verstaan. Uri. Dan zeilt myn waereldkloot vlak tussen zon en maan. Myn maan is in zich zelf een lichaam zonder luister, Het is, wanneer de zon het niet bestraalt, gants duister. Als nu de zon de streek der Antipoôn beschynt, En hier de maan op is, gelyk gy weet! verdwynt Haar wereldglans, zo ver als haar de zonnestraalen Niet kunnen vatten. ’k Zou ’t wel weeten af te maalen In deezen kring: maar ’k denk dat gy het wel verstaat. Zeg nu hoe ’t met de eklips van uwe zonne gaat. An. Maar zonder schelden: want gy zyt geen appelwyven, Foei! ’t staat zo lelyk als geleerde lui zo kyven. Raas. Dan neemt myn maan haar plaats ten deele voor de zon, Die stil staat; als men ’t flus in ’t punt bewyzen kon. Uri. Zo plaatst myn maan zich ook. Raas. En de andere planeeten? Fi. Ik bidje blyf daar af, dan houwen wy ons eeten. Raas. Maar dat bewyst nog niet, hoe dat de waereld draaijt. Uri. Wel, met dit argument zyt gy terstond bekaaijd: De zon, die grooter is dan de and’re hemeltekenen, En zo veel duizend myl van ’t aardryk, als wy rekenen, Vloog tienmaal sneller dan een pyl vliegt uit een boog, Ja kogel door de lucht, indien zy zich bewoog; Het welk onmoog’lyk is, en daarom moet zy blyven In ’t middelpunt. Raas. ô Neen: zy kan gemaklyk dryven; Haar lichaam is niet vast, als dat van ’t aardryk is: Maar geest uit geest van vuur: dies is uw stelling mis. Maar waant gy dat de zon zo schrikk’lyk groot zou weezen, En ook zo ver van de aarde, als we in de boeken leezen? Uri. Ja heer Raasbollius, dat’s vast. Raas. ’k Geloof het niet: De zon is net zoo groot gelyk men ze altyd ziet, En ze is zo ver niet van de waereld als wy meenen. Uri. Geef daar bewys van; ik zal graag myn ooren leenen. Raas. Hebt gy wel ooit gezien hoe dat by avond ’t licht Meer als een myl ver zich vertoont voor ons gezicht? En hoe de vlam der kaars vergroot, schoon and’re zaaken Verschieten door de verte, en uit onze oogen raaken? Uri. Ja. Raas. ’k Stel dan dat de zon veel kleiner is dan de aard. Dewyl ze een licht is. Uri. Wel, dat is opmerkens waard. Raas. Goed. Zo zy ’t edelst deel van ’t vuur is, zyn haar’ straalen Bequaam om op de maan en ’t aardryk neêr te dalen; Al is ze net zo groot als zy van verre schynt; Zo dat uw’ stelling door dit argument verdwynt. Zy kan zo klein, ten dienst der waereld, licht’lyk loopen. Uri. ô Nieuwe kettery! wat wegen zet gy open Tot harrewarring, en dispuuten zonder end! Raas. Daar legt uw heele zon nu glad in duigen, vent. Uri. ô Ketter in de kunst, ik zal ’er op studeeren. Of ’t licht zo wel niet als iets anders kan verveeren! Raas. Waar koomt het door dat zich een baak vertoont in zee Aan schepen, schoon zy zyn veel mylen van de ree? Uri. Daar heeft Kopernikus geen regel van geschreven. Och! zulk een ketter hoorde op aarde niet te leeven. Raas. Weg botmuil, al je kunst haal je uit den almenak. Uri. Hou daar, quaadspreeker! Zy gooijen malkaâr de boeken naar ’t hooft. An. Och! ik bid u, hou gemak. Uri. Ik stel het aan dien heer, laat hy het vonnis stryken. Raas. Ja ezel, ja, wie dat gelyk heeft, zal dan blyken. Eel. Myn heeren, dit dispuut is waarlyk van gewicht, En ik ben in die kunst zo ver nog niet verlicht, Om vonnis op een zaak van die natuur te geeven. Fi. Ik wel. Raas. Spreek op dan; zyt gy in de kunst bedreeven. Fi. De een zeit de waereld draeijt; en de ander: ze blyft staan. Hoor, zuip je pens vol wyn; dan zullen zon, en maan, En waereld draeijen, dat je lui zult suizebollen. Uri. Hoe! spot gy met de kunst? Fi. ô Neen: ’k vertel geen grollen. Eel. Zwyg. Mogt ik uw dispuut in ’t net beschreven zien; Dan wist ik raad om u te helpen. Uri. ’t Zal geschiên. Raas. En ’t myne zal ik, als het af is, laaten drukken By and’re dingen. ô Ik heb nog duizend stukken; Het vierkant tegen ’t rond des cirkels heb ik wis, Beneven ’t oost en west. Uri. Iets dat ’er nog niet is Heeft deeze snappert. Vent, dat kan men nimmer vinden. Raas. Ik weet nu de oorsprongk ook van alderhande winden. Uri. Het laatste zy zo: maar het eerste weet gy niet; ’t Getal is surdiesch, en dat’s altyd in ’t verdriet. An. Ik bid u laat dien twist tog met malkander vaaren. Ei drinkt de questie af. Uri. Dat doe ik altyd gaeren. Myn heer ik merk gy zyt een zeer verstandig man; Maar wat oploopend. Zo ’k u ergens dienen kan, Ik ben uw dienaar. Ik verzoek u, wees te vreeden. Raas. ’k Dacht niet dat Urinaal zo gaauw was; maar zyn reden Behaagt my, schoon ik die somtyds wat zwak bevind. Doktoor vergeef my tog myn gramschap, ’k ben uw vrind. Uri. ’k Zal al myn’ vindingen u graag kommuniceeren, Al woudt gy zelf met my in poortaard laboreeren, Of vette beemster klei gemengd met geest van zout, Waar mê men keijen kan veranderen in goud. Raas. Doktoor, dan zal ik u een stuk fortificatie Doen zien, verdienende op het hoogst elks admiratie Ik zal u toonen hoe men steeden defendeert. Uri. Gy hebt de wiskunst dan geheel en al geleerd? Raas. Weg met die ezels die een bort uit durven hangen! Zwyg, zwyg kolegies der Mathezis: ’k zou je vangen Door propozities, en door demonstraatzies van Myn prins Euklides, dien wiskunstelyken man! En vind ik eens het geen ik byna heb begrepen, Zult gy de huizen voort zien zeilen, puur als schepen. Ik maak machienen, die heel fors zyn van geweld: Daar een man duizend mê kan jaagen over ’t veld. Weg brandspuit! en kameel! lantaarens! moddermolen! ’k Heb beter dingen; maar ik hou ze nog verholen; ’t Is waar gy zyt bedacht tot nut van stadt en land. Maar wat’s een brandspuit? ’k heb een blaasbalg, die den brand, Al was hy nog zo groot, ten eersten uit zal blaazen. In ’t kort: ’k heb dingen daar zich elk om zal verbaazen. Fi. Geleerde heer, ik bid, betoon me zoo veel gunst, En leer me uit liefde mê een beetje van je kunst! Al zou het maar alleen die fraaije blaasbalg weezen: Want had ik die, ik zou nooit voor geen armoe vreezen. Raas. Verstaat ge iets van de kunst? Fi. Och neen ik, niet een beet. Maar ’k weet een kunsje dat jy zekerlyk niet weet. Raas. Wat kunst? Fi. De beenen al zo murw als ’t vleisch te kooken. Uri. Wat zegt gy! deeze kunst kon dienen in myn stooken! Leer my die. ’k Wys u dan hoe dat men kalcineert, En poortaard van een hond tot zilver laboreert: Hoe ’t vuur het zilver uit de keijen weet te dwingen. Fi. De keijen mogten me dan voor de harsens springen: De blaasbalg van dien heer gelykt my beter, vriend. Raas. Ik leer die kunst niet dan aan iemand, die my dient. Wat zoudt ge ’er ook mê doen? Fi. Twee gekken, die hier raazen, ’k Meen dien Doktoor, en jou, voort uit de kamer blaazen; Opdat ik met gemak zou eeten van dien ham. Raas. Was ik uw heer, ik sloeg u ’t lichaam blaauw en lam. Filipyn willende van den ham snyden. ô Starren! zon en maan! dat is een slecht spectakel. Al ’t ingewand is uit den ham! dat’s een mirakel! Eel. Wat is ’t? Fi. Och! och! de loop der starren is verkeerd! Daar zie je ’t zwoort en ’t been, al ’t spek is geëklipseerd! Waard. Het swoord en ’t been! wie droes heit dan het spek gestolen? Fi. Dat draaijt al met de zon en waereld als een molen. Raasbollius ontkleedt zich, en gaat te bedt in zyn onderkleeren. Ik moei me met geen spek, ’k gaa slaapen, ik heb vaak. Waard. Waar pikken is het spek? Fi. Loop heen, en zoek het, snaak. Waard. ’k Kan niet bedenken hoe dat komt; het schynen droomen; ’t Is of de duvel daar den ham heit weggenomen! Fi. Hoor hospes, weet je wat? gaa in dien kring eens staan, Vraag waar de ham is, aan de starren en de maan. Waard. Jy bruid je moer wel; ’k moet den ham nu al vast missen. Eel. Patientie hospes, ’t is een pots, men kan ’t wel gissen. Uri. Ik wensch de heeren wel te slaapen, goeden nacht. Eel. „Loop jy nu nâ de stal, span ’t rytuig in: maar zagt; „Op dat het niemant merk’. Fi. „Dat zal niet nodig weezen, „Het staat al reed. Ik heb den Waard daar flus beleezen „Dat hy het doen zou. Eel. Goed. Waard. Zoo ik het word gewaar, Wie dat die potsen bakt, zoo zellenwe malkaêr Gevoelig spreeken! Anzelmus tegen Eelhart. Wil de zaak wel overdenken. Opdat my dat proces niet hind ’ren kan of krenken. Eel. Myn heer, ’k zal pleiten dat gy u verwond’ren zult. Ik zal het winnen met de kosten, heb geduld. An. Ik wensch u goeden nacht. Eel. En u gerust te slaapen.

TWINTIGSTE TOONEEL.

Eelhart, Filipyn, Waard. Raasbollius op ’t bed.

Filipyn. Nu zyn wy eindelyk ontslagen van die aapen. Eel. Hoe is het hospes, is myn rytuig klaar of niet? Waard. ô Ja. Myn knecht blyft op, hy zal op uw gebied U aanstonds helpen: maar je moet een fooitje geeven. Eel. Wat hebben we verteert? Waard. „Dat’s vyf.... en twee maakt zeven, Neen, ja... neen... vyf en twee maakt zeven, niet goê lien? En tien maakt zeventien, en drie maakt twintig gulden. Fi. Hier hangt de schaar uit. Eel. Ik moet dat voor deez’ tyd dulden. Daar ’s acht rijksdaalders, en een gulden voor den knecht. Waard. Ik dankje, heer, voor goê betaaling, ’t is zo recht. Ik gaa nâ bed. Gy zult wel uit het huis geraaken, ’k Moet slaapen: want ik heb twee nachten moeten waaken. Ik wensch myn’ heeren en de juffers goeje reis.

EENENTWINTIGSTE TOONEEL.

Eelhart, Filipyn. Raasbollius op ’t bed.

Filipyn. Wat drommel, geefje zo den vent zyn’ vollen eisch? Eel. ’k Wou dat heer Raasbol sliep; ik zou myn lief gaan haalen. Fi. Ik hoor hem snorken. Eelhart gaat na de kamerdeur van Izabel. Ik zal dan niet langer draalen. Wy zyn al veilig lief! myn lief, myn medeminnaar slaapt!

TWEE-ENTWINTIGSTE TOONEEL.

Izabel, Katryn, Eelhart, Filipyn. Raasbollius op ’t bed.

Izabel. Kom vluchten wy dan ras! wat’s dat! Fi. ’t Is niets, hy gaapt. Iza. Hebt gy myn goed, Katryn? kom, rasjes rep uw’ voeten. Och! hy ryst op! ik zal weer in myn’ kamer moeten? Izabel en Katryn loopen weer in haar kamer.

DRIE-ENTWINTIGSTE TOONEEL.

Raasbollius, Eelhart, Filipyn.

Raasbollius springende in zyn onderkleêren van ’t bed. Waar’s dokter Urinaal? myn zeer geleerde vriend? Zyt gy ’t heer advokaat! dat komt zoo wel als ’t dient! Ik ben genegen nog een uur drie vier te praaten. Eel. Ik moet nâ bed myn heer. Raas. Ik zal u niet verlaaten, Voor dat ik u een zaak, die ik daar heb gedroomd, Of liever die my nu zo in de zinnen koomt, Eens klaar vertoond heb. Eel. Maar myn heer, ik dien te rusten. Raas. Daar ’s aan gelegen. Eel. Heer, het zal my weinig lusten. Raas. ’t Is dienstig voor het land. Eel. Al was het nog zo goed. Raas. Gy zult verwonderd staan. Eel. Denk dat ik slaapen moet. Raas. Om zulken zaak zult gy het slaapen haast vergeeten. Eel. Spreek op! zo gy perfors wilt hebben dat wy ’t weeten. Raasbollius rangeert eenige stoelen. Ik heb een zek’re schans, recht vierkant, fraaij en sterk Gepraktizeerd, waarop de vyand drie jaar werk Zal vinden, eer hy die met stormen in kan neemen; En om met woorden u niet aan het oor te teemen; Zal ik ze timmeren op ’t midden van de vloer. Eel. „’k Wou dat je met je schans voort naar sint felten voer. Fi. „Wat of hy doen wil? ’k kan ’t me zeker niet verzinnen? „Wat drommel of hy met die stoelen zal beginnen! „Hy haalt de kussens, van zyn bed, wel seldrement, „Wie heeft zyn leeven zulk een malle quast gekend! Raasbollius na dat hy stoelen en beddegoed op malkander gestapeld heeft. Daar staat myn schans, die kan geen vyand ooit genaaken. Hier stel ik myn kanon, om op hem los te braaken... En aan dien hoek maak ik myn sterkste ravelyn... En daar een halve maan, vlak onder die gordyn... En ginds een horenwerk... al die my komt bespringen, Zal die bedekte weg terstond tot wyken dwingen. Fi. Wel loop eens in uw’ schans, en defendeer ze dan; Ik zal eens zien of ik ze alleen niet winnen kan. Raasbollius klimmende boven op zyn schans. Wel aan! Filipyn hem omhalende. Daar leit de brui! Raas. ô Schelm, ik zal ’t u betaalen! Zult gy myn mooije schans op die manier omhaalen! Op deeze wys wordt nooit een sterkte g’attakeerd. Filipyn hem gooijende met kussens. Heel goed! nu leer ik jou hoe dat men bombardeert. Raas. Gy zyt een ezel, vent! ik toon het maar door stoelen, Hoe dat het weezen moet. Eel. Ik prys myn heers gevoelen. Raas. Maar merkt gy in den grond de bouwkunst van die schans? Eel. ô Ja. Raas. Dan ziet gy wel dat nooit een vyand kans Kan vinden, om zich zelf daar meester van te maaken? Eel. Gewis. Raas. En zulk een muur kan bom noch kogel raken. Eel. Dat is onmogelyk. Raas. Begrypje ’t nou niet net? En hebt gy op ’t geheim der vinding wel gelet? Eel. Niet al te wel. Raas. Wel hoor, ik bouw een muur van veêren. Laat daar de vyand vry zyn best op kanonneeren, De kogels smooren, en zy maken nooit een bres. Fi. Myn heer, je bent een man als Aristoteles! Raas. Dat is een vinding, he! Fi. Ja wonderbaarlyk aartig; Maar maakt ze niet gemeen, die kunst is al te waardig. Eel. „’k Word raazend zo de gek my hier nog langer bruidt! Raas. Nu gaa ik naar myn Oom, en slaap ter degen uit. Raasbollius binnen.

VIERENTWINTIGSTE TOONEEL.

Filipyn, Eelhart.

Eelhart. Flippyn, my dunkt gy moest de kaers maar uit gaan blaazen; Dan zal ik met ’er haast, en zonder veel te raazen, In ’t donker Izabel geleiden naar de deur. Fi. Wacht liever tot hy slaapt, want zo die goê sinjeur Eens schielyk weêr quam, ’t zou ’er houden, gy moogt vreezen. Eel. Ik zal dat waagen; ik wil hier niet langer weezen. Fi. Fiat, ik blaas hem uit. ’t Tooneel wordt schielyk donker, door het uitblaazen van de kaers. Eel. Kom lief, nu is het tyd!

VYFENTWINTIGSTE TOONEEL.

Izabel, Eelhart, Filipyn, Katryn.

Zy dwaalen door de kamer, in ’t donker. Eelhart. Zyt gy ’t myn lief? Fi. Wie heb ik daar? myn heer, ben jy ’t? Iza. Waar is de deur Flippyn? Fi. Ik ken de deur niet vinden. Wat droes, wy loopen hier gelyk een party blinden.

ZESENTWINTIGSTE TOONEEL.

Tys, Fop, Filipyn, Eelhart, Izabel, Katryn.

Tys. Het is hier donker, en ze zyn al in den slaap. Fop slypende twee messen over malkander. Ik geef hem met dit mes terstond een groote jaap. Tys. Ik zal den ham terstond eens annetomizeeren. Fi. „Och hou je stil myn heer, ’k hoor dieven, ’k wil ’t je zweeren! Fop. Ik zel hem moffelen, en sneijen van malkaêr. Fi. „Och! hoor je ’t wel myn heer? daar is een moordenaar. Iza. Ach lief! wat raad! och! och! men poog de deur te krygen! Tys. Maar elk de helft dan van den buit? Fop. Ja, wil maar zwygen, Waar staat hy? Tys. In dien hoek. Filipyn kruipt in de kist. „Och! och! ze meenen my! „Ik voel de kist, daar moet ik in, zo raak ik vry. Eel. „Hou my maar vast myn lief! Iza. „Katryn hou my van achter. Eel. „Flippyn waar zyt ge? spreek! Iza. Myn Eelhart spreek wat zachter. Fop en Tys doen de kist open. Filipyn springt uit de kist. Hou dieven! dieven! brand! help! help! ik word vermoord! Fop. Wie duvel springt daar uit de kist! kom gaanwe voort. Raasbollius van binnen. Alarm! alarm! gints komt de vyand zich vertoonen! Tys knielende. Och booze vyand, och! och! och! och! wil ons verschoonen! Eel. Staa vast, ô schelm! Fop. Help! help! hy krygt me by myn gat. Fi. Moord! dieven! dieven! moord! Raasbollius van binnen. A sa bescherm de stadt!

ZEVENENTWINTIGSTE TOONEEL.

Waard, Urinaal, Raasbollius in zyn onderkleêren, Tys, Fop, Filipyn, Eelhart, Izabel, Katryn.

Altemaal in ’t donker dwaalende. Waard. Wat’s hier te doen? Raas. Terstond te loopen naar de wallen, Eer dat de vyand hier de stadt komt overvallen. Waard. Breng licht! breng licht!

ACHTENTWINTIGSTE TOONEEL.

Waard, Urinaal in zyn onderkleêren, Raasbollius, Tys, Fop, Filipyn, Eelhart, Izabel, Katryn, Anzelmus, Griet met licht.

Het tooneel moet schielyk licht worden, zo als zy met kaersen opkomen. Anz. Wat wil dit oproer, en geraas! Fi. ’t Zyn dieven! hoor je ’t niet? Raas. A sa trompetters blaas! Urinaal vat Izabel. Ik heb ’er één. Iza. Myn heer laat los wy zyn geen dieven! Uri. Ik laat u niet eer los voor zulks my zal gelieven. An. Waar zyn de schelmen? Uri. ’k Heb ’er al een in myn macht. Iza. ô Hemel ’k zie myn voogd! laat los! laat los! Uri. Al zacht, Ge ontspringt my niet. Gy zult niet uit myn’ handen komen. Anzelmus Izabel by de kaers beziende. Laat my den dief eens zien, ha! ha! nu moogt gij schroomen! Zyt gy de dief? zyt gy de dief? ô Izabel! ô Schandvlek van ’t geslacht! ontaarde! ik ken u wel! Gy zult dat vluchten in een mans habyt betreuren. Foei! foei! ik zal u dat gewaad van ’t lichaam scheuren! En uw lichtvaerdigheid zo teug’len, dat elk één Zich spieg’len zal aan u! Eel. Wat wilt gy doen? Anz. Ik meen, Haar aanstonds te Uitrecht in een beterhuis te zetten, Om haar het vluchten in ’t toekomend te beletten, Indien zy met myn neef zich aanstonds niet verbind. Raas. Hoe ik haar trouwen? neen; ’k ben daar niet toe gezind. An. Hoe waarom? Raas. Vraagt gy dat? wel ik heb uitgevonden De schoonste inventie, daar geleerden lang naar stonden; Zodat ik al zo ryk zal weezen in één jaar, Als al de vorsten van Europa met malkaâr. Uri. Dat zal de spiritus van poortaard zyn? Raas. ’k Moet zwygen. Uri. Ei sterf niet met de kunst! Raas. Gy zult die kunst wel krygen, Wanneer ik dood ben; hoop maar op myn testament. Anz. Gy zyt een groote gek, dat zie ik nu in ’t end. ’k Beloof u, ’k zal u plaats in ’t zelfde huis doen maaken, Daar Izabel, omdat zy zich heeft laaten schaaken, In zitten zal, tot dat uw zinnen zyn bedaard. Raas. Ik leg ’t in kennis. Hoort wat hy daar heeft verklaard. An. Heer advokaat wat moet ik doen in deeze dingen? Eel. Zet hem in ’t beterhuis, hy moet u niet ontspringen. Maar geef uw nicht aan hem, dien zy zoo teer bemint. An. Het laatste is iets dat ik nog niet geraaden vind. Zou ik haar aan een schelm, een guit, een lichtmis geeven? Iza. Ik kan, noch wil, noch zal, met iemand anders leeven! Ja sluit my op; betoon me uw haat en dwinglandy; De straf zal volgen op uw’ wreede tiranny. An. Zwyg obstinaate, zwyg. ’k Wil u niet langer hooren. Foei, zyt ge uit ons geslacht, lichtvaerdige! gebooren! Eel. Gy zyt in misverstand, myn heer, bedwing u wat, Ik ben haar minnaar. An. Gy! Eel. Ja, ’k zal dien lieven schat, Dien gy my door uw haat en gramschap wilt berooven, Beschermen. An. Advokaat, hoe kan ik het gelooven! Eel. Ja, ’k ben een advokaat. Myn eerelyken naam, Dien gy zo vuil beklad, dat ik my uwer schaam, Zult gy weêr zuiveren. An. Ik kan ’t u niet bewyzen. Zyt gy een eerlyk heer, zo moet gy zelfs mispryzen ’t Geen gy gedaan hebt. Eel. Wat? An. Hoe wat? myn nicht geschaakt. Eel. Dat heb ik niet gedaan. Iza. ’k Ben uit uw’ dwang geraakt En weggevlucht, daar hy gantsch niet van heeft geweeten. An. Hebt ge uit uw’ eigen wil uw’ plicht dan dus vergeeten! Iza. ’k Ben hem hier by geval ontmoet. An. Hoe is dat waar? Eel. Ja, en wy zyn zo vast verbonden aan malkaêr, Dat maar alleen de dood die trouwe min kan scheijen. ’k Zal u beschermen lief, hou moed, en wil niet schreijen! Anzelmus, ’k zweer, gy zyt zeer qualyk onderrigt, Ik heb my altyt wel gequeeten in myn plicht. Gaa mê nâ Amsterdam, ’k beloof u aan te toonen, Dat zo veel gruuw’len in myn zuiver hart niet woonen, En gy misleid zyt. Ik betuig ’t u, met ontzag. An. Indien gy waarheit spreekt, en zo op uw gedrag Dan niets te zeggen valt, voeg ik my naar de reden. Eel. Indien gy ’t anders vindt, myn heer, ik ben te vreeden Den band van deeze min te breken. An. Nu, wel aan, Op die konditie zal ik morgen met u gaan. Gy zult haar trouwen zo wy alles wel bevinden. ’k Zal morgen dit geval doen weeten aan myn’ vrinden. Waard. De dieven zyn ’t nu licht door dat gebrui ontsnapt. Fi. Ze zyn licht in een hoek, maak dat men ze betrapt. Fop en Tys. Ha! ha! Waard. Hoe, lach je lui? Fop. Wel ja, daar zyn geen dieven. ’t Quam dat je met den ham ons flus niet wout gerieven, Wy hebben hem gevild, hy leit daar in die kist. Dat’s voor die pots van laatst. Wa. Jou guiten vol van list! Daar meen ik jou lui ook een potsje voor te speelen, Dat kan ik fraaij. Tys. Ja, al zo goed als ’t haver steelen. Kat. Myn heer, vergeef je my myn misdaad niet? An. Katryn, Zo alles wel is, zal ’t u ook vergeeven zyn. Wy zullen morgen vroeg naar Amsterdam vertrekken. Fi. Ik zal my dezen nacht vermaaken met die gekken, En bombardeeren met boetelje, kan, en fluit, Ter eere van myn heer, en zyn aanstaande bruid. Raas. ’k Zal met myn’ blaasbalg (ha! ’k moet lachen om die dwaazen!) Het heele beterhuis aan duizend stukken blaazen.

Illustration from Drie blyspelen
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings