← Table of contents
Dik Trom en zijn Dorpsgenooten

DORPSGENOOTEN (continued 2)

Reading edition

"Ha — ha — ha — ha!" lachte hij, terwijl hij in het gras lag te rollen.

"Help! O, die hond, — daar komt die hond weer!" schreeuwde Bruin.

"Kom er zelf maar uit, — hoor! Ha — ha — ha —!"

"O, — o! Ik verdrink!"

"Je verdrinkt niet, — ha — ha — ha, — je kunt best —— overeind staan," riep Dik hem toe. "Kom hier, Kolos!"

Kolos zwom naar den kant en schudde zich het water uit de haren. Hij ging naast Dik in het gras liggen rollen.

Toen plonsde ook Bruin naar den kant en kroop tegen den wal op. Daar stond hij, druipend van het water, met zijn mond zoo ver mogelijk open te schreeuwen. Zijn beenen hield hij wijd van elkander en zijn armen ver van zijn lijf.

Hij stond daar als het beeld der wanhoop.

"Ha — ha — ha — ha!" lachte Dik. "Was je aan het zwemmen, Bruin? Waar zijn de andere jongens, die hier aan het zwemmen waren, Bruin? Je zei immers, dat ze hier waren? Ha — ha — ha —! Maar ik zie ze nergens, Bruin, alleen jou maar. En houd jij je kleeren altijd aan, als je gaat zwemmen?"

"Hi — hi — hi — hi!" jammerde Bruin. "Dat — heb jij — me — ge — le — verd!"

"Glad mis, Bruintje!" zei Dik. "Ik....."

"Jij — hebt — hi — hi — hi — den hond aan — ge — sard — hi — hi!"

[illustratie]
[illustratie]

"Als ik dat gedaan had, zou ik het in 't geheel niet erg gevonden hebben. Waarom zeg je tegen me, dat de jongens hier aan het zwemmen waren, terwijl je wist, dat het niet waar was?"

"Hi — hi — hi — hi — hi!"

"Maar ik heb het niet eens gedaan; de hond deed het uit speelschheid, en hij nam me het werk uit de handen. Want ik kwam juist naar je toe, om je je leugens in te peperen. Maar nu is het niet meer noodig. Je hebt je portie al beet. Ga maar naar je huis, Bruintje, om droge kleeren aan te trekken. Ik zal je hengelstok uit het water halen. Hij drijft midden in de sloot."

"Hi — hi — hi!" jammerde Bruin.

"Dáár," zei hij, terwijl hij hem Bruin overhandigde.

Bruin legde hem over zijn schouder, en zakte langzaam en erg wijdbeens op huis af.

Dik keek hem lachend na. Hij had geen aasje medelijden met hem. Kolos sprong vroolijk blaffend om Bruin heen, zeker in de meening, dat hij hem een groot genoegen gedaan en een gewichtigen dienst bewezen had.

Een poosje later ging ook Dik naar het dorp terug. Kolos liep vroolijk om hem heen. Dik begaf zich naar de Vaart, achter het huis. van boer Mulder. Dáár waren de jongens. Toen hij dichterbij kwam, hoorde hij hun gejoel en gejuich al.

"Hoera, daar is Dik!" riep Piet van Dril, toen hij hem zag komen.

"Hoera, daar is Dik!" riepen de anderen.

"Heb-je lang moeten blijven?" vroeg Jan Vos.

"Tot zes uur maar eventjes," zei Dik, die zijn polsstok neerwierp en zijn kleeren begon uit te trekken.

"Kom er maar gauw in, Dik, 't water is lekker, hoor!" zei Piet.

Nu, Dik had niet lang werk om zich te ontkleeden. Een paar minuten later sprong hij al met zijn dikke body in het water.

Dik kon goed zwemmen. Met forsche slagen ging hij naar den overkant, — daar keerde hij zich om en ging even staan, spitste zijn handen zoo hoog mogelijk boven zijn hoofd, en verdween toen in de diepte.

"Ha, kijk Dik eens duiken,". riep Karel Jansen, een zoon van den postbode. — "Lekker! Dat ga ik ook doen!"

En hij deed het.

Dik kwam een heel eind verder weer boven en blies proestend de droppels van zijn lippen.

[illustratie]
[illustratie]

Hij moest even rusten en op adem komen. Tot aan zijn borst toe stond hij in het water.

De hond keek naar hem en stond aan den kant te kwispelstaarten.

"Jongens, wat heb ik gelachen!" riep Dik den anderen toe.

"Wat dan? Waarom?" vroegen zij nieuwsgierig.

"Om Bruin Boon," zei Dik. "Ik vroeg hem, waar jullie waren, en toen zei hij, dat je in de Molensloot aan 't zwemmen was. Maar toen ik daar kwam, zag ik er alleen Bruin Boon, die aan den kant stond te hengelen. Opeens vloog de hond op hem af en sprong hem spelende tegen zijn rug op, met zijn voorpooten op Bruin's schouders. Plomp hoor! Daar ging Bruintje voorover de sloot in, kopje-onder, en de hond bovenop hem. Je hadt hem eens moeten hooren schreeuwen..."

"Ha — ha — ha!" lachten de jongens. "En is hij naar huis gegaan?"

"Ja," grinnikte Dik, "met zijn beenen zoo wijd van elkaar, dat de hond er wel tusschen door kon!"

"Ha — ha — ha! Hij heeft geen gelukkigen dag," lachte Piet van Dril. "Eerst die muis tusschen zijn kraag, en toen kopje-onder in de sloot. — Net goed!"

"Kom hier, Kolos!" riep Dik, en de hond liet zich geen tweemaal noodigen.

Blaffende sprong hij even langs den kant van het water heen en weer, en wierp er zich toen pardoes in. Hij zwom regelrecht op Dik toe, die hem door zoo hard mogelijk te zwemmen, vóór wilde blijven. 't Werd een grappige wedstrijd tusschen Dik en Kolos, wie het winnen zou, en de anderen lachten er om. Maar Karel Jansen trok Kolos aan zijn staart, en Jan Vos wierp hem handenvol water op zijn kop, waardoor hij niet goed meer zien kon. Hij schudde zijn kop heen en weer en proestte het water van zijn bek weg, en toen keerde hij zich om en ging op Karel en Jan af. Die zwommen op hun beurt weer weg, zoo hard zij konden en onder luid gelach en Dik riep: "Sa, sa, Kolos, pak ze! Sa! Sa!"

Och, och, wat hadden de jongens een pret. Zij juichten zoo hard dat Mulder, wiens tuin aan de achterzijde aan de Vaart grensde, wantrouwig werd en eens ging kijken, wat de jongens uitvoerden.

Mulder was een gierige boer, een echte vrek, die zijn boerderij verkocht had en heelemaal alleen in een klein huisje woonde aan het einde van het dorp. Hij had een grooten tuin achter zijn huis met vele vruchtboomen: appelen, peren, kersen, morellen, kruis- en aalbessen en frambozen. Van die vruchten at hij er zelf bijna geen enkele op, daar was hij te gierig voor, hoewel hij een ijzeren kist vol met geld onder zijn bedstede had staan.

Neen, die vruchten verkocht hij aan de fruithandelaars in de stad, en zelfs aan een ziek mensch zou hij er geen een gegund hebben. Laat staan dan aan de jongens, die wel eens stilletjes in zijn tuin drongen en er kaapten, wat de tijd van het jaar opleverde. Vroeger had Dik daaraan ook wel meêgedaan, tot hij op een zekeren avond voor zich zelven tot de conclusie kwam, dat vruchten kapen net zoo goed diefstal was als b. v. centen stelen, en na dien tijd deed hij het niet meer. Mulder ging dus eens kijken, wat de jongens uitvoerden, want de appelen en peren waren nog wel niet rijp, maar er groeiden heerlijke bessen, aardbeien en frambozen in zijn tuin, en die waren op dit oogenblik wèl rijp.

Zijn tuin was van de Vaart gescheiden door een strook kreupelhout, waardoor de jongens hem niet gemakkelijk konden zien. En woord voor woord kon hij verstaan, wat zij zeiden.

Toen de jongens van het zwemmen genoeg begonnen te krijgen, riep Jan Vos den anderen toe:

"Zeg jongens, ik schei er uit. Ik ben nu al lang genoeg in het water geweest. Willen we eens bij Mulder in den tuin gaan kijken, of er niets te happen valt. De aardbeiën zullen wel rijp zijn."

"'t Is nog te licht, jongens," zei Piet van Dril. "Laten we liever wachten, tot het donker geworden is."

"En wat moeten we dan in dien tusschentijd doen?" vroeg Karel Jansen.

"Ik heb mijn polsstok bij me. Laten we slootje gaan springen," stelde Dik voor.

"Ja, ja, slootje-springen, — dat is goed!"

De jongens klommen aan wal en kleedden zich aan.

Toen gingen zij met Dik dieper het land in om te zien, wie het verst springen kon.

image: versiering
image: versiering
image: hoofdstuk-versiering
image: hoofdstuk-versiering

Zesde Hoofdstuk.

De vrek krijgt een cadeau.

H
H

Ha — ha!" lachte Mulder met een paar half dichtgeknepen oogen, precies zooals de kat kijkt, als hij op een muis zit te loeren en zoo goed als zeker van zijn prooi is.

"Ha ha, vrindjes, willen jullie liever wachten, tot het donker geworden is? Je hebt schoon gelijk; dat is veel secuurder! Ha ha, ze moesten eens weten, dat ik woord voor woord verstaan heb, wat ze zeiden, en dat ik nu mooi in de gelegenheid ben, mijn maatregelen te nemen. Ja, ja, 't is nog te licht, hè? Eerst moet het wat donkerder worden. Maar ik zal jullie wel krijgen, dat beloof ik je. Ik heb een mooie verrassing voor je!"

Ion Mulder lachte weer, waarbij hij zijn grooten, tandeloozen mond bijna tot aan zijn ooren toe opentrok.

Hij ging naar een schuur, waar een groot, nijdig beest aan den ketting lag. 't Was een kwaadaarige aap, die Mulder op dienzelfden morgen ten geschenke had gekregen van een neef van hem, een matroos, die een paar dagen geleden uit Indië was teruggekeerd. Die neef was een slimmerd. Hij wist, dat zijn oom niet alleen oud, maar ook erg rijk was, en dat hij er altijd vreeselijk over klaagde, dat de jongens hem 's avonds zijn vruchten afkaapten.

"Weet je wat, ik zal mijn Oom Mulder een kwaadaardigen aap cadeau doen," dacht Neefje. "Dien aap bindt hij met een land touw aan een boom vast, en als dan de vruchtendieven komen, springt de aap hen op hun nek, en dan zullen ze 't voor den tweeden keer wel laten en uit dankbaarheid benoemt Oompje mij zonder eenigen twijfel tot zijn universeelen erfgenaam."

En zoo was Neef dezen zelfden morgen met zijn eigenaardig geschenk bij Oom aangekomen.

De aap was een leelijk, kwaadaardig beest, met kale wangen en een kaal achterlijf, en zoodra hij bij Oom binnenkwam, was hij op den ouden vrek aangevlogen en had hem in zijn been gebeten.

Wat was Oom nijdig geworden.

"Ben je gek, Neef," had hij met een pijnlijk gezicht uitgeroepen, terwijl hij uit zijn wankelenden leuningstoel was opgesprongen, want het was al een oud ding en de pooten waren niet even lang, — en al schoppende den aap op eenigen afstand trachtte te houden. "Ben je gek, Neef, wat moet ik met dat kwaadaardige monster beginnen? — Hu, wat een beest! — Daar komt hij weer! — Houd hem bij je, zeg ik. Kssst, monster, — pas op, Neef, hij wil me aanvliegen!"

"Wees maar bedaard, Oom. Hier Kees! Allo Kees! Hier, zeg ik je!"

Neef ga een ruk aan den ketting en een schop aan dien aap, tengevolge waarvan Kees bang onder den stoel van Neef wegkroop.

"Stil zitten daar, hoor je!" dreigde Neef met opgeheven vuist. De aap keek Neef bevreesd aan, maar toen deze niet meer op hem lette, grijnsde hij Oom allesbehalve vertrouwenwekkend toe.

[illustratie]
[illustratie]

Oom nam weer, maar met een pijnlijk gezicht, want de aap had hem leelijk in zijn tanige kuit gebeten, in zijn huppelende leuningstoel plaats. Hij was nog allerminst met het geschenk van zijn neef ingenomen.

"'t Is heusch een aardig, vriendelijk beest, Oom...."

"Hè, vriendelijk?" bromde Oom. "Dat heb ik gemerkt."

En nogmaals wreef hij zich zijn pijnlijke kuit.

Opeens sprong hij weer uit zijn stoel op en schreeuw de luid:

"Houd hem vast, — houd hem vast, — daar komt hij weer, dat monster!"

Inderdaad was Kees weer van onder den stoel te voorschijn gekropen en hield zijn nijdigen blik op den ouden vrek gevestigd.

"Allo, Kees, — marsch!" gebood Neef, weer met een nijdigen ruk aan den ketting en opgeheven vuist.

Daar had Kees het noodige respect voor en ijlings bracht hij zich weer onder den stoel in veiligheid.

"Ga maar gerust zitten, Oom," zei Neef. "Hij zal je heusch geen kwaad doen."

Oom ging met een angstigen blik naar den aap zitten kijken.

"Wat moet ik met dat monster beginnen?" zei Oom. "Ik wou, dat jij en je aap alle twee weggebleven waren."

"Ho, ho, Oompje," lachte Neef. "Dat meen je niet. Heb je me zelf niet gezegd, toen ik den laatsten keer hier was om goeiëndag te komen zeggen, omdat ik weer voor een paar jaar op reis ging, — heb je me toen zelf niet gezegd, dat je zoo'n last had van de kwajongens, die je de vruchten komen wegkapen?"

"Die rakkers!" bromde de vrek, terwijl hij zijn oogen onafgebroken op den aap gericht hield, wat deze beantwoordde met hem wel tienmaal per minuut afschuwelijk toe te grijnzen.

"En zie je," vervolgde Neef, "om je te toonen, hoe veel ik met mijn Oompje opheb, heb ik dit beest voor je meêgebracht? 'k Heb hem onderweg voor je gekocht en hij heeft me een aardige duit gekost. Ik zal het je niets kwalijk nemen, als je me de kosten vergoedt, Oompje, desnoods met een kleinigheidje van een vijf en twintig gulden toe voor de moeite."

"'k Had niet liever," bromde Oom, die haastig zijn handen op zijn beide zakken legde. — "Hu — Daar komt hij weer....!"

Oom vloog zijn stoel uit, en wel te juister tijd, want de aap nam een sprong, om hem nogmaals in zijn beenen te bijten.

"Mijn huis uit, jij en dat monster!" schreeuwde de vrek verschrikt. "Hij zal me nog vermoorden!"

"Wacht, ik zal jou die kunsten wel afleeren!" riep Neef, terwijl hij den aap ruw heen en weer schudde en hem een geduchte afstraffing gaf.

"Dáár, —" zei hij, — "waag het nu nog eens, onder dien stoel vandaan te komen, — aartsrakker!"

Oom ging weer zitten, maar eerst schoof hij den hobbelenden stoel zoover mogelijk van den aap af.

"Zie je, Oom," hernam Neef, "den aap bindt je des avonds hier of daar in den boomgaard vast, en dan zal geen een jongen het wagen, een hand naar je vruchten uit te steken. 't Is heusch een vriendelijk beest, doch hij is het alleen maar voor zijn baas. Mij zal hij geen kwaad doen, dat ziet u zelf, — alleen anderen vliegt hij aan als een duivel, en zoo een moet je juist hebben. Als hij maar eenmaal een van de vruchtendieven te pakken heeft gehad, zal niemand het meer durven wagen in je tuin te komen, dat staat als een paal boven water."

"Zoo," zei Oom, die wel een beetje zin begon te krijgen, om den aap te houden. "Zou hij hem zoo toetakelen, denk je?"

Oom vond dat zoo'n aangenaam vooruitzicht, dat hij van de voorpret al begon te lachen, maar zijn lachen bestond eigenlijk alleen uit een alleronaangenaamst grinniken.

"Als hij hen eenmaal te pakken krijgt, blijft er geen stuk van hen heel, Oompje," zei Neef ook lachend, want hij vond het prettig, dat Oom zin in het beest kreeg. Hij begon zich meer en meer als den toekomstigen erfgenaam van zijn rijken, gierigen oom te beschouwen.

"Maar hij zal erg duur — hu — daar komt het mormel weer ——!"

Oom vloog weer uit zijn stoel op.

Maar Neef joeg met een schop den aap onder zijn stoel terug.

"Dat mormel!" zei Oom.

"Heusch, Oom, hij doet geen kwaad, ga maar gerust zitten."

Oom deed het.

"Ik zeg, dat hij erg duur in den kost zal wezen," zei Oom, die haast te gierig was, om zelf genoeg te eten.

"Duur?" riep Neef. "Wat duur? 't Beest eet haast niemendal. Aan een overschotje van je eigen eten heeft hij meer dan genoeg, en als je hem een paar noten geeft, is hij zoo blij als een kind. Hier Kees, kom bij den baas!"

Oogenblikkelijk kwam de aap van onder den stoel te voorschijn en sprong den matroos op de knieën. Neef haalde een paar noten uit zijn zak en gaf er een aan Kees.

Ha, dat was Kees naar den zin. Hij greep de noot tusschen zijn vingers en kraakte den dop tusschen zijn tanden. Met welbehagen haalde hij de blanke pit te voorschijn en at die met smaak op.

Vragend keek hij zijn baas aan.

Toen wipte hij met een sprongetje op de tafel en Oom met een gil van angst uit zijn stoel.

"Houd hem vast — houd hem vast!" schreeuwde hij.

"Hoor eens, Oompje, je bent veel te bang, en daar maakt hij juist gebruik van. Hier Kees, spring over den kop, dan krijg je nog een noot!"

Oogenblikkelijk begon Kees op de tafel kopje te buitelen, wat Oom zoo'n grappig gezicht vond, dat hij zijn mond weer tot aan zijn ooren toe opentrok.

"Dat is aardig!" zei hij, en hij bedacht, dat die aap hem toch wel goed te pas kon komen, als hij eerst wat aan hem gewend was. Ha ja, hij was altijd bang, dat er 's nachts dieven zouden komen, om hem zijn lieve geldje af te stelen, maar als die aap 's nachts in zijn kamer was, zouden zij het wel laten. En de vruchtendieven zou hij ook wel uit den tuin weten te houden. "'t Is toch wèl een aardig beest!" zei hij. "Maar duur in den kost, denk ik."

"Malligheid," zei Neef. "Een restje van je eigen eten is genoeg....."

"Dat zal een beetje zijn," dacht de vrek, die zelf nooit genoeg at en alles tot het laatste kruimeltje toe verstond.

"En een nootje af en toe is een tractatie voor hem," zei Neef.

"Maar noten zijn duur," zei Oom.

"O, ik heb er nog genoeg bij me. Mijn zakken zitten vol. En dat hij je de dieven uit je tuin houdt, mag je wel een kleinigheidje waard zijn, zou ik zoo zeggen."

"Natuurlijk," zei Oom, die zich voornam, de noten van Neef zelf op te eten en er nooit een voor den aap te koopen. "Weet je wat, breng hem maar in de schuur en ik dank wel voor je cadeau."

Oom, Neef en Kees gingen naar de schuur, waar Neef den aap aan een stevigen kram vastbond. En daar Oom hem niet uitnoodigde om te blijven eten, vertrok Neef een uurtje later in de vaste overtuiging, dat hij een slimmen streek had uitgehaald en later Oom's lieve geldje wel erven zou.

De vrek begaf zich dus, toen hij de afspraak van de jongens had gehoord, naar het schuurtje met een grijnslach van genoegen op zijn dunne lippen.

"Ha ha, wat zullen ze schrikken," grinnikte hij, "als die aap hen op hun nek springt of in de beenen bijt. — Ho Kees, — hu — o jij leelijkerd!"

Hij begon al vast maar te brommen tegen Kees om hem een beetje bang te maken, want zelf was hij zoo bang als de dood voor den aap, en hij durfde hem niet te genaken.

Kees keek hem grijnzend aan en sjorde aan zijn touw, om los te komen, blijkbaar met de vriendelijke bedoeling, om op zijn nieuwen baas aan te vliegen en hem eens goed met zijn tanden en nagels te bewerken.

Maar het touw was gelukkig nog al sterk.

"O hemel, als het eens brak," mompelde Mulder. "Het monster zou me vermoorden. — Hu, jou leelijkerd! Blijf je zitten! Vort, monster!"

Mulder dreigde den aap met beide vuisten en stampte met zijn klompen op den vloer, om den aap den noodigen schrik in te boezemen, maar hij zorgde wel een eerbiedigen afstand tusschen hen beiden te bewaren, zoodat Kees hem niet bereiken kon.

"Wacht, jou mormel!" dreigde Mulder. Hij haalde een dikken stok uit den hoek te voorschijn en gaf Kees van uit de verte een nijdigen klap. Kees werd woedend. Hij rukte en sjorde uit alle macht om los te komen, en dan zou hij het dien ouden kerel wel eens betaald zetten, dat hij hem durfde slaan.

Maar 't lukte hem niet. Het touw was te sterk.

Weer kreeg hij een gevoeligen klap, veel harder, dan Kees prettig vond.

Kees schrok er van en kroop zoo ver mogelijk achteruit.

"Juist, monster, zoo moet ik je hebben," zei de vrek. "Pas op jij, hoor je, of ik zal je mores leeren!"

En dreigend hief hij weer den stok op.

Kees drong zich uit angst stijf tegen het houten schot. Hij werd blijkbaar bang voor den ouden gierigaard.

Mulder lachte.

"Zoo gaat het goed," zei hij. "En nu zal ik een stukje brood voor hem halen en een paar noten, want hij heeft den heelen middag nog niets gehad en zal dus wel honger hebben. Maar dat is niet erg. Ik heb ook honger en toch eet ik nog niet. 't Is jammer van de heerlijke noten, maar 't kan eenmaal niet anders. En gelukkig heeft Neef een goeden voorraad bij me achter gelaten. Zulke zeelui doen maar net, of het geld geen waarde heeft, ze gooien er compleet meê."

Mulder ging in huis om een sneetje brood te halen en stak eenige noten in zijn zak. Maar hij bedacht zich.

"'t Is zonde van de noten," mompelde hij "Waarom zou ik er vijf aan dat mormel geven? Ik moet hem niet verwennen. Vier is ook wel genoeg."

Hij legde er dus weer een in de kast en wilde de kamer verlaten. Maar bij de deur bedacht hij zich opnieuw.

"Als vier er genoeg zijn, zijn drie er ook genoeg," mompelde hij. En hij legde er nog een in de kast.

"Zuinigheid met vlijt bouwt huizen als kasteelen," zei Mulder, en hij keerde uit het achterhuis terug en legde nog een noot in de kast.

"Twee is meer dan genoeg," zei hij, terwijl, hij naar de schuur ging.

Thans trad hij niet dreigend op en sloeg hij den aap ook niet.

"Neen, neen," mompelde hij, "dat zou verkeerd zijn. Eerst heb ik hem schrik ingeboezemd en den heelen middag honger laten lijden, en nu ga ik hem voor mij winnen. En als hij niet vriendelijker wordt, krijgt hij in drie dagen geen kruimel brood en geen droppel water. Dan zal hij wel wat makker worden."

Maar dit paardenmiddel was al niet meer noodig. De aap voelde den laatsten klap, dien Mulder hem gegeven had, nog terdege, en had geen lust den strijd met den ouden man voort te zetten, en ook was hij dolblij, toen de vrek hem een klein stukje brood toewierp, want hij rammelde van den honger.

Haastig raapte hij het van den grond op en begon het smakelijk op te peuzelen. Daarna kwam hij met een paar sprongen zoo dicht bij zijn nieuwen baas, als de lengte van het touw hem toeliet.

"Goede Kees!" vleide de vrek, wiens angst voor den aap aanmerkelijk verminderde. "Beste Kees!"

De aap ging op zijn achterpooten zitten en keek hem vragend aan.

"Hier!" zei Mulder, en hij wierp hem weer een klein stukje toe. Tevens waagde hij zich een paar stapjes dichter bij den aap.

Kees had zijn vijandschap blijkbaar geheel afgelegd.

Daarom waagde Mulder hem het derde stukje met zijn hand aan te reiken, en Kees pakte het voorzichtig van tusschen zijn vingers.

"Ha, ha, — goed zoo, Kees!" lachte Mulder. "Je zoudt niet zeggen, dat jij zoo'n nijdig monster van een beest bent.

Hallo Kees! Over den kop! Over den kop!"

De vrek hield een klein stukje brood in de hoogte, en, gedreven door den honger, gehoorzaamde Kees onmiddellijk. Hij buitelde wel driemaal over den kop, tot groote pret van Mulder, die altijd alleen in huis was en wel schik begon te krijgen in zijn nieuwen huisgenoot.

Spoedig was het sneetje brood in de maag van Kees verdwenen, want het was maar een dun sneetje geweest en Mulder had het laatste stukje nog zelf opgegeten.

Toen besloot Mulder het te wagen, den aap los te maken, om hem in den tuin te brengen. Maar eerst haalde hij een lang stuk touw uit zijn huis, want hij wilde den aap aan een boom in den tuin vastbinden en hem zooveel vrijheid geven, als maar mogelijk was. Kees moest een groot veld kunnen bestrijken, om des te beter in de gelegenheid te wezen, de jongens te bespringen.

Hij kwam in het schuurtje terug en hield een noot in de hoogte.

"Over den kop! Over den kop!" gebood hij.

Nauwelijks had Kees de lekkernij gezien, waarop de baas hem trakteeren zou, of hij buitelde wel tienmaal achter elkander over den vloer rond, tot groot genoegen van Mulder.

Deze raapte al zijn moed bijeen en liep naar den kram, waaraan Kees vastgebonden was. Zijn grootste vrees was wel voorbij, maar hij volgde toch met Argusoogen al de bewegingen van den aap, dien hij niet verder vertrouwde, dan hij hem zag.

Kees vond het flauw, dat hij de noot niet kreeg, Mulder had haar weer in zijn zak gestoken. De gierigaard boog zich voorover, om het touw los te knoopen, en haast was hij er mede klaar, toen de aap hem plotseling met een grooten sprong op zijn rug terecht kwam.

"O, — hè, — o, — hemel!" schreeuwde de vrek, terwijl hij van schrik en door den schok vierkant tegen den grond sloeg.

Alle kleur was van zijn gelaat geweken. Hij zag doodsbleek en beefde over al zijn leden.

Maar toen hij bemerkte, dat de aap hem geen kwaad deed, kroop hij schielijk overeind en stak hem, om hem nog vriendelijker te stemmen, haastig de noot toe. Hij maakte vlug het touw verder los en knoopte het andere er aan vast. Toen spoedde hij zich naar buiten, nog over al zijn leden bevende van den doorgestanen schrik, maar toch min of meer blij, dat de aap hem geen kwaad deed en hem blijkbaar reeds als zijn meester beschouwde. Hij vond het wel ontzettend angstig maar toch ook wel aardig, dat de aap rustig op zijn schouder bleef zitten en met smaak zijn nootje oppeuzelde.

Mulder liep den boomgaard in en bond het touw heel ruim om den boomstam vast, zoodat het meêdraaide, als de aap om den boom heen liep. En het touw was nu zoo lang, dat Kees de aardbei-planten en de frambozenstruiken volkomen beheerschte.

Mulder grinnikte van pleizier.

"Zie zoo," mompelde hij. "Laat de dieven nu maar komen, als het donker is. Ik zou het wel eens graag willen zien, dat die aap hun op den nek vloog, — om je ziek te lachen! Hij krabt hun de oogen uit!"

Kees zat nog altijd op zijn schouder.

"Allo, Kees, er af! Allo!" riep hij den aap toe.

Maar Kees bleef zitten, en Mulder durfde nog niet aan het touw te trekken.

"Allo Kees! Er af! Allo!" riep hij nogmaals, met het eenige gevolg, dat Kees moeite deed, om hem op zijn hoofd te klauteren, tot grooten schrik alweer van Mulder.

Deze haalde met een zucht de andere noot uit zijn zak, want hij had haar voor zichzelven willen bewaren, omdat hij één noot ten slotte voor Kees al voldoende had gevonden, en wierp haar den tuin in.

In een wip had Kees zijn hooge zitplaats verlaten en de noot bemachtigd. Met zeldzame vlugheid klauterde hij den hoogen boom in en ging haar op den hoogsten tak zitten opeten.

Mulder maakte zich haastig uit de voeten, uit vrees, dat Kees anders opnieuw op zijn rug zou springen.

"Zie zoo," mompelde hij, terwijl hij zich vergenoegd de handen wreef, "dat is tot zoover in orde. Maar nu ga ik ook Flipsen nog waarschuwen. Ik zal het die kwajongens nu ééns en voor altijd afleeren."

Hij deed zijn huisdeur zorgvuldig op slot, want hij was altijd bang, dat de dieven tijdens zijn afwezigheid met zijn lieve geldje aan den haal zouden gaan, en liep het dorp in, naar het huis van den veldwachter.

Flipsen zat met zijn vrouw op de bank een pijpje te rooken. Zijn vrouw zat naast hem.

"Daar komt die vervelende Mulder aan. Die kerel heeft altijd wat te zaniken," mompelde hij. "Ik hoop niet, dat hij hier moet wezen."

Zijn vrouw keek van haar naaiwerk op.

"Ja wel," zei ze, "hij draait op het hekje af. Zie je wel, daar komt hij."

Mulder liep het voortuintje in.

"Goeden avond samen," zei hij. "Wel, hoe gaat het?"

Flipsen schoof een eindje op, om een plaatsje voor Mulder vrij te maken, en zei:

"Ook goeden avond, Mulder. Ga zitten. Moest je me spreken?"

"Ja," zei Mulder, "dat moest ik. Mooi weêrtje, hè, van-avond."

"Mooi weertje," zei Flipsen. "En wat had je?"

"Wel, dat zal ik je zeggen, man. Ik was een uurtje geleden achter in mijn tuin, je weet wel, dicht bij de Vaart..."

"Jawel," zei Flipsen.

"En daar waren de dorpsjongens aan het zwemmen."

"Ha zoo, en wie al zoo?"

"Och, die jongens van Jansen, en Piet van Dril en Dik Trom..."

"Natuurlijk, — Dik Trom ook. En toen?"

"Wel," vervolgde Mulder, "de jongens konden mij niet zien, want er groeit aardig wat kreupelhout achter in mijn tuin, en toen hoorde ik hen afspreken, om vanavond eens goed achter mijn aardbeien en frambozen heen te zitten. Ze wilden het eerst al dadelijk doen, maar die Dik Trom vond, dat het eerst goed donker moest worden en dat het nog te vroeg was. En toen zijn ze slootje gaan springen, want Dik Trom had een polsstok bij zich, en ze spraken af, om terug te komen, als het goed donker geworden was. En daarom kom ik je waarschuwen, zie je...."

[Illustratie: Flipsen zat met zijn vrouw op de bank een pijpje te rooken. (Bladz. 96)]

[illustratie]
[illustratie]

"Zoo, — 't zijn toch mijn aardbeien en frambozen niet," bromde Flipsen, die juist van plan geweest was, dien avond eens rustig thuis te blijven.

"Neen," zei Mulder, "'t zijn de mijne..."

"Pas er dan zelf op!" bromde Flipsen.

"Och, als je er geen zin in hebt, dan moet je 't maar zeggen, Flipsen. Dan ga ik even naar den burgemeester, om te vragen, of hij niet een ander mannetje heeft, om op de dieven te passen."

"Ik zeg niet, dat ik niet wil," bromde Flipsen, die niet graag zou zien, dat Mulder aan zijn plan gevolg gaf. Wat moest de burgemeester dan wel van hem denken? "Ik zeg niet, dat ik niet wil," herhaalde hij, en hij liet er op volgen: "Maar je moet niet denken, dat het zoo'n hapje is om den heelen avond in je tuin te zitten. Zoo is er altijd wat, en nooit kan ik eens een avondje rustig thuis blijven en mijn pijpje rooken. Ik ben ook een mensch, Mulder."

"Wel man, doe het dan niet, zeg ik je immers. Ik wil met alle pleizier aan den burgemeester gaan vragen, of hij niet een ander mannetje voor me heeft...."

"'t Zou me een mooie boodschap wezen," bromde Flipsen nijdig. "Ik zal komen, hoor Mulder, dat beloof ik je, en ik zal mijn gummi-stok meebrengen. Wee den kwajongen, die mij in handen valt. Hij zal er ongenadig van lusten. Dat gezanik! Geen avond heb ik vrij!" Hij klopte zijn pijp zoo nijdig uit, dat zij in tweeën brak.

"Zoo, dat ook nog! Mijn mooie doorrooker in gruzels!" bromde hij

"Dat is dan afgesproken," zei Mulder. "Ja, dat is goed: breng je gummi-stok maar meê dan zullen die kwajongens hun streken wel afleeren. Goeden-avond samen."

"Dag Mulder," zei vrouw Flipsen.

Maar Flipsen zei niets. Hij was nijdig op Mulder, en nog nijdiger op Dik Trom en de andere jongens, die hem van zijn vrijen avond beroofden.

Hij nam zich voor hen geducht onder handen te nemen. 't Moest nu maar eens voor goed uit zijn met die pret.

image: versiering
image: versiering
image: hoofdstuk-versiering
image: hoofdstuk-versiering

Zevende Hoofdstuk.

De vrek, de gummi-stok, de aap en de veldwachter.

M
M

Mulder keerde naar huis terug. Hij was bijzonder in zijn nopjes, wat hem duidelijk aan te zien was, want af en toe grinnikte hij van pleizier en herhaaldelijk liep hij binnensmonds te prevelen. Ja, een paar maal wreef hij zich vergenoegd de handen.

"Hè — hè — hè — hè, — wat was hij nijdig, die Flipsen," zei hij. "Hij wou zoo graag eens een avondje rustig thuis zijn pijpje rooken, zei hij, — maar dat is niet noodig. Een veldwachter hoeft geen pijpjes bij zijn vrouw te zitten rooken, hij moet op de dieven passen, zeg ik maar. Wat drommel, daar wordt hij immers voor betaald, daar betaal ik toch ook mijn lieve belastingcentjes voor. En dan pijpjes zitten rooken, — jawel, we zullen hem pijpjes laten rooken. Hij had er geen zin in, dat was duidelijk, maar — hè — hè — hè — hè, — wat veranderde hij gauw toen ik zei, dat ik dan even naar den burgemeester zou gaan en om een ander mannetje vragen zou, die geen pijpjes wil zitten rooken.

Hè — hè — hè — hè! — En nijdig, — goed, laat hem nijdig wezen. Hoe nijdiger, hoe liever, — des te harder slaat hij er op, als hij zoo'n kwajongen te pakken krijgt. Ha, ik hoor hen al schreeuwen!"

Mulder wreef weer in zijn handen van pleizier.

"En hij zal zijn gummi-stok meebrengen," prevelde hij. "Net goed! Zoo'n gummistok slaat ze de beenderen haast stuk, heb ik wel eens hooren zeggen. Net goed! Voor mijn part slaat hij ze dood, dien Dik Trom in de eerste plaats. Ja ja, als hij er één te pakken krijgt, hoop ik, dat het die Dik Trom is en dat hij hem dan met dien gummi-stok een pak ransel geeft, dat hij niet meer loopen kan. Hè — hè — hè, en dat hij, als hij kruipende van tusschen de frambozenstruiken weggaat, — dat dan Kees hem nog op zijn nek springt en hem de ooren van het hoofd afbijt. Hè — hè — hè — hè, — ik gooi mijn geld niet weg, maar het zou me toch nog wel een kwartje waard zijn, om dàt te zien. — Kijk, het begint al mooi donker te worden, en over een half uurtje kunnen de kwajongens hun gang gaan. Als Flipsen er dan maar is, laat de lieverdjes dan maar komen. Of verbeeld je nu eens, dat Flipsen in het geheel niet kwam, — maar dàt zou ik hem betaald zetten, hoor, dat zou ik hem betaald zetten!"

Mulder had zijn huisje bereikt en liep den boomgaard in om nog even naar Kees te gaan kijken.

"Kees! Kees! Waar ben je?" riep hij.

Ha, Kees zat nog op dezelfde plaats ongeveer, — boven in den boom. Hij keek even naar Mulder en nam verder geen notitie van hem.

"Kees! Kees! Kom hier! Kom bij den baas!" riep Mulder. En grinnikend om zijn eigen aardigheid, liet hij er op volgen:

"Kom hier, Kees, dan krijg je geen nootje, — hè — hè — hè — hè!"

Maar Kees kwam niet.

[illustratie]
[illustratie]

"De baas lust ze zelf wel, Kees!" zei Mulder. — "Kom hier, Kees! Wil je wel eens komen!"

Hij greep het touw en rukte er aan met al zijn kracht.

Toen zag Mulder, waarom Kees hem niet gehoorzaamde.

Het touw zat boven in den boom om een paar takken vastgedraaid en Kees had alle vrijheid van beweging verloren.

Hij kon naar boven, noch naar beneden.

"Zoo, dat is mooi slim van me geweest. Ik had hem niet aan een boom moeten vastbinden, maar aan den kalen paal, die daar ginds staat; dan had het touw niet in de takken verward kunnen raken. Hoe krijg ik dat mormel nu naar beneden? Ik bedank er voor, om in den boom te klimmen. Die aap zou me naar mijn keel kunnen vliegen en mij den strot afbijten. Dank je! Hu, — verbeeld je eens, dat dàt gebeurde! Weet je wat, als Flipsen straks komt, zal ik het hèm laten doen. Flipsen weet niet, dat het zoo'n kwaadaardig monster is. Als hij dat wist, deed hij het vast en zeker niet. — Maar neen, Flipsen zal er tòch wel voor bedanken. Hij is op 't oogenblik veel te nijdig en zal zeggen, dat hij als veldwachter wel verplicht is, om op de dieven te passen, maar niet, om een kwaadaardigen aap boven uit een boom te halen. — Enfin, Kees moet er dan vannacht maar blijven zitten, dan zullen we morgen wel zien, wat er aan te doen is. Desnoods schiet ik hem dood. — Gelukkig, dat ik Flipsen gewaarschuwd heb. Die kan het zaakje met zijn gummi-stok trouwens best alleen opknappen, — zonder dien aap."

Mulder begaf zich naar zijn huisje. Hij ontsloot de deur en stapte binnen, maar hij deed er den grendel weer op, want 's avonds had hij zijn deur altijd op slot.

Toen stak hij de lamp op.

"'t Is zonde van de olie," mompelde de vrek. "Maar de jongens moeten kunnen zien, dat ik in huis ben, en daaruit opmaken, dat zij vrij spel hebben."

Hij deed de luiken voor het raam, maar in elk luik was een opening gezaagd in den vorm van een hart. Door die openingen boven in de luiken drong het licht van de lamp naar buiten.

"Zie zoo, alles is klaar," mompelde de vrek. "Nu eerst een stukje brood eten en dan maar rustig afwachten, wat er gebeuren zal."

Hij sneed zich een paar dunne boterhammen en smeerde er spaarzaam wat boter op, maar eigenlijk vond hij dat toch zonde van de kostelijke boter. Daarom schraapte hij er die met zijn mes zoo goed mogelijk weer af.

"Overdaad is niet noodig!" mompelde de vrek, terwijl hij de boter weer in het oude, gebarsten vlootje deed. "Er zit zoo genoeg op." — Hij had honger en beet gretig in zijn brood.

"'t Is niet te veel, — maar te veel schaadt en is nadeelig voor de gezondheid," dacht hij. "'t Is niet nodig, dat ik dik en vet word, Je hebt er maar last van. Jammer toch wel, dat Kees in den boom gevangen zit. Ik had er me zooveel genoegen van voorgesteld, als hij die jongens het vleesch van de beenen scheurde."

[illustratie]
[illustratie]

Mulder wist op dit oogenblik niet, dat Kees al niet meer in den boom zat. Toen hij bemerkte, dat hij in zijn eigen touw verward geraakt was en al zijn rukken en sjorren hem de vrijheid niet terug gaf, had hij met zijn beide handen het touw aangegrepen en aan zijn mond gebracht. Met zijn sterke tanden had hij het spoedig doorgebeten, en toen was hij dood op zijn gemak den boom uitgeklauterd en den tuin ingewandeld. Een klein stukje touw, niet veel meer dan een halsband, was er maar van overgeschoten. De rest zat nog in en om de takken van den boom.

Kees snuffelde den heelen tuin door om te zien, of er niets van zijn gading was en hij hield zonder eenig gewetensbezwaar geducht huis onder de vruchten van zijn baas. 't Speet hem wel, dat hij nergens noten kon vinden, maar de andere vruchten versmaadde hij geenszins. Hij at er zijn buikje rond en dik van, ging toen, niet ver van de aardbei- en frambozebedden in een boom zitten, goed verscholen tusschen het dichte loover, zoodat hij zoo goed als onzichtbaar was, kneep zijn oogen dicht en viel in slaap.

Maar dat alles wist Mulder niet. Deze zocht de kruimeltjes brood op, die op de tafel gevallen waren en at ze op. Toen keek hij hongerig naar de kast, want hij had nog lang niet genoeg.

"Zou ik nog een dun, — dun sneetje nemen?" mompelde hij begeerig, en hij likte zijn dunne lippen.

Hij stond op en ging naar de kast.

Ja, daar lag het brood.

Hij strekte de handen uit, — maar plotseling trok hij ze terug, wierp de deur dicht en ging op zijn stoel bij de tafel zitten.

"Neen," mompelde hij: "Niet doen, — 'k heb genoeg gegeten. Waarom zou ik..."

"Tik — tik — tik!" klonk het tegen de ruiten.

"Hè — ho — hu! Wat is dat!" mompelde de vrek verschrikt.

"Ben je daar, Mulder?" klonk een gedempte stem.

"Geen antwoord geven!" prevelde Mulder. "'t Kon wel een dief wezen."

"Tik — tik — tik!" klonk het nogmaals. "Ben je daar, Mulder?"

Ha, 't was de stem van Flipsen; Mulder herkende haar duidelijk.

"Ja, — wie daar?" riep hij.

"Ik ben het, ik, Flipsen!" werd er geroepen. "'k Wil je maar even zeggen, dat ik er bèn!"

"Ha ja — juist, ja ja — dat is goed, Flipsen. — En — enne — en heb je den gummi-stok meêgebracht?"

"Laat dat maar aan mij over!" bromde Flipsen. "Als ik er een in handen krijg, zal hij zijn besten dag niet hebben, — dat beloof ik hem."

"Goed zoo — hè — hè — hè!" grinnikte Mulder. "Ga je gang maar! Hoe harder hoe liever!"

Flipsen verwijderde zich van het raam en verschool zich ergens tusschen het geboomte, dicht bij de aardbeiën en frambozen. En Mulder zat met open ooren te luisteren, of er nog geen angstgeschrei van een of anderen kwajongen tot hem doordrong.

"Ik ben nieuwsgierig, wien van hen hij te pakken zal krijgen," dacht Mulder.

"Allemaal tegelijk, — neen, dat zal niet gaan. Enfin, als hij er maar ééntje goed zijn portie geeft, dan zal de schrik er bij de anderen ook wel in komen. Ik hoop maar, dat het die Dik Trom is." —

Hij hield zijn blik op de klok gericht. De groote wijzer ging langzaam, maar zeker verder.

En Mulder hoorde nog maar niet het angstgeschrei van den een of anderen jongen, tot zijn grooten spijt.

Dat kon trouwens ook niet, want de jongens waren nog diep in het land aan het polsstokspringen. Zij amuseerden zich kostelijk, want Jan van Bakel had zijn sprong te kort genomen en dientengevolge twee natte voeten opgeloopen, en Arie Klaro was zijdelings in de sloot terecht gekomen, waardoor zijn linkerarm, linkerdij en linkerbeen een frisch bad hadden ondergaan. Hij zag er wel een beetje tegenop om thuis te komen, maar alle anderen hadden groote pret. En de een durfde nog meer te wagen dan de ander, hoewel het al erg donker geworden was.

"Durf jij hier over dezen hoek te springen, Dik?" vroeg Jan Vos op een plek, waar twee slooten elkander onder een rechten hoek ontmoetten.

"Wel ja, waarom niet?" zei Dik. "Geef den stok maar hier. Maar jullie moeten het mij nadoen, hoor!"

[illustratie]
[illustratie]

Dik spuugde in zijn handen, wat hij altijd deed, als de zaken kritiek werden, trok de klep van zijn pet diep in zijn nek, boog een paar maal achter- en voorover, en nam toen zijn sprong.

Ha, 't scheelde maar een haartje, of hij was er toch.

"Wat zeg je daarvan?" riep hij een beetje trotsch den anderen toe. Hij wierp den stok over en vervolgde:

"Nu jij, Jan Vos! 't Is jouw beurt."

"Jongen, jongen," zei Jan weifelend, terwijl hij zich achter zijn oor krabde.

"'t is zoo'n sprong! Zou ik het wel wagen?"

"Ha ha, Jantje is bang!" tergde Dik.

"Kom Jan, durf je niet?"

"Laat mij maar eerst!" riep Piet van Dril, terwijl hij Jan den stok uit de handen nam. "Ik durf wèl! Wat Dik kan, kan ik ook."

"Houd je goed, Piet," zei Dik. "Neem je sprong niet te kort, want de onderkant is hier slap, hoor. Je zakt er in weg."

"Hoepla, daar gaat hij!" riep Piet.

En met een prachtigen sprong kwam hij aan den overkant terecht.

"Goed gedaan, Piet!" zei Dik. "Nu jij, Jan Vos!"

"Maar ik ga naar huis," riep een van de jongens.

"Kijk eens, hoe donker het al wordt. 'k Wed, dat het al aardig laat is."

"Dan ga ik meê," riepen een paar anderen. "Ik mag zoo erg laat niet thuiskomen."

"Ik ga ook naar huis," zei Jan Vos, die niet veel lust had op den laten avond nog een nat pak te halen.

"Jantje durft niet!" zei Dik.

"Neen, Jantje durft niet!" zei ook Piet.

"Dàt zal ik je laten zien," zei Jan Vos, die de spotternij van zijn twee vrienden niet langer wilde aanhooren.

Piet wierp hem den stok toe, en Jan nam hem stevig tusschen zijn beide handen.

"Dáár dan!" riep hij. "Een — twee — drie!"

Hij nam zijn sprong, en kwam triomfantelijk tusschen Dik en Piet aan den overkant.

"Zie je wel, dat ik durf!" riep hij hun toe.

"Of je durft," zei Dik. "Maar dat wist ik ook wel. Kijk, de anderen gaan naar huis. 't Wordt onze tijd langzamerhand ook, hè?"

"Ja, laten we gaan," zei Piet.

De drie jongens sprongen over een smaller gedeelte terug, waar zij geen gevaar hadden om in de sloot terecht te komen. Dik wierp den polsstok over zijn schouder, floot aan Kolos, die op eenigen afstand een rattenhol openkrabde, en toen sloegen ook zij den weg naar huis in.

Mulder zat intusschen nog trouw te wachten en met opengesperde ooren te luisteren, maar nog altijd was er geen angstgeschrei tot hem doorgedrongen. De jongens waren er zeker nog niet.

Hij tuurde wel tienmaal per minuut naar de klok.

"Ze blijven lang weg," mompelde hij. "Ze zullen toch niet gemerkt hebben, dat ik naar Flipsen gegaan ben? Of misschien hebben gezien, dat Flipsen hier kwam? Maar neen, dat kan niet, — dat is onmogelijk. Ze zullen wel komen en wachten eerst, dat het goed donker geworden is.

Hoewel, donker is het al genoeg. Hè — hè — hè, die gummi-stok, die gummi-stok, — wat is dat een goed idée geweest van Flipsen. Hij slaat ze de beenderen er mede stuk — hè — hè — hè! Wat heb ik daar een schik in!"

Weer wachtte Mulder een kwartier, en nog waren de jongens niet gekomen.

Toen, — opeens betrok het gelaat van den vrek.

"Ja, dat moest hij eens probeeren," prevelde hij. "Flipsen moest het eens wagen, zelf mijn aardbeiën en frambozen op te eten, terwijl hij daar op de loer ligt. Hij moest het eens wagen!

Maar toch, — hij is er best toe in staat! Zoo'n brave jongen zal hij in zijn jeugd ook wel niet geweest zijn, daar ziet hij niet naar uit, en hij zal nòg wel een aardbeitje en een framboosje lusten. Ha, als hij daar het hart eens toe had, ik zou hem aanklagen bij den burgemeester en dan kostte het hem zijn betrekking, zoo vast als tweemaal twee vier. — En wie weet, hoeveel de kerel er wel opeet, al was het alleen maar om mij te plagen en zich op mij te wreken, want hij was méér dan nijdig, dat zag ik duidelijk."

Mulder stond op en liep ongedurig door de kamer heen en weer. Hij balde zijn vuisten, en zei:

"O, — 't is niet om uit te staan! Hij zal van mijn vruchten afblijven, of ik zal het hem duur betaald zetten. Wie weet, hoeveel hij er al opheeft! En die jongens hoor ik nog maar niet. — Zoo'n dief! Die past op de anderen, en zelf doet hij misschien niet anders, dan mijn vruchten stelen! Waarom komt hij nog niet eens aan de ruiten tikken, ten teeken, dat hij niet aan mijn frambozen zit? Maar dat houd ik niet langer uit! Ik wil zekerheid hebben! Ik laat mij mijn kostelijke vruchten maar niet goedsmoeds afhandig maken. Besluipen zal ik hem, en wee Flipsen, als hij mij bedriegt! Dan zal het hem bezuren!"

De vrek begaf zich naar het achterhuis en schoof voorzichtig den grendel van de deur. Onhoorbaar zacht deed hij deze op een kier en kroop op handen en voeten den tuin in. De deur trok hij achter zich dicht. Alles ging zoo stil in zijn werk, dat Flipsen het onmogelijk gehoord kon hebben, of hij had al in de onmiddellijke nabijheid van de deur moeten zijn. En daar was hij niet.

"Wat is het ellendig donker," bromde de vrek. "Aanstonds kruip ik nog met mijn hoofd tegen een boom aan. Maar beloeren zal ik hem, en als hij mij bedriegt, zal hem aanklagen, — zoo'n dief!"

Voorzichtig, voetje voor voetje, of eigenlijk knietje voor knietje kroop hij verder in de richting van de plaats, waar de aardbeiën en frambozen groeiden, en hij zorgde er wel voor, zoo dicht mogelijk onder het kreupelhout te blijven, want daar liep hij het minste gevaar, gezien te worden.

't Was doodstil in den tuin.

"Waar zou Flipsen wezen?" dacht de vrek. "O, natuurlijk, bij de vruchten, net zooals ik al dacht. Waar wou hij anders zijn, die dief? Maar berouwen zal het hem, berouwen zal het hem."

Ha, hij had de frambozen thans bereikt. Zou Flipsen tusschen de struiken liggen en zich aan de sappige vruchten te goed doen?

Met zijn oogen trachtte hij de duisternis te doorboren.

Maar dat trachtte Flipsen ook te doen.

Hoor, klonk daar niet eenig geritsel?

Flipsen spitste de ooren.

Zouden de jongens dan toch in aantocht zijn? Hij had hen niet hooren komen. Maar dat was ook niet noodig. Als hij hen nù maar hoorde, nu zij dicht bij de frambozen kwamen.

Flipsen klemde den gummi-stok tusschen zijn vingers, en luisterde met inspanning.

Zijn oogen begonnen te fonkelen.

O, — maar hij bedroog zich niet, — neen, neen, de jongens waren hem niet te glad af. Hij hoorde duidelijk het geschuifel van iemand, die zich voortbewoog in de richting van de aardbeiën en frambozen. Zijn lang geduld zou dan toch worden beloond.

Hoor, — 't was duidelijk, en ja, — daar zag hij ongetwijfeld de gestalte van iemand, die over den grond kroop.

Als een kat, die op een muis loert, maakte Flipsen zich gereed voor den sprong.

Hij stond met gebogen rug, de kin vooruit.

En op 't volgende oogenblik wierp hij zich op den dief, die de frambozen nu ongeveer bereikt had.

Hij drukte den dief tegen den grond, zette hem de linkerknie op den rug, hief hij zijn gummi-stok omhoog, en sloeg onbarmhartig op zijn gevangene los.

Mulder wist het eerste oogenblik, toen Flipsen hem op zijn rug sprong, niet, wat er aan de hand was. Hij werd plat op den grond gedrukt en kermde van schrik en ontsteltenis. Maar toen daalde plotseling een regen van slagen op hem neer, waarvan de eene nog meer pijn veroorzaakte dan de andere. En Flipsen liet in zijn woede zijn slagen met zooveel geschreeuw gepaard gaan, dat hij van den dief geen woord verstond. 't kon hem trouwens ook niets schelen, wat deze zeide of deed. Hij zou hem dat stelen ééns en voor altijd op afdoende wijze afleeren en al den anderen den lust ontnemen, om het ooit weer te probeeren.

't Hagelde slagen met den gummi-stok op den vrek, die op den grond lag te krimpen van de pijn.

"Dáár! — Dáár! — Dáár! — Dáár!" schreeuwde Flipsen, en zijn gummistok ging zonder ophouden omhoog, om weer striemend op zijn slachtoffer neer te dalen.

"O, — o, — de gummi-stok, — de ellendige gummistok," kermde de gierigaard. "O, Flipsen, houd toch op, — ik ben het, — ik, Mulder, — houd toch op ——"

"Dáár! — Dáár! — Daar!" — schreeuwde Flipsen die van geen ophouden wist. "Jou leelijke vruchtendief! Waag het nu nog eens, — dáár! Dáár! Daar!"

"Flipsen," kermde Mulder, krimpend van de pijn, — "ik sterf! O, die gummi-stok, — die gum — mi- — o, o, au, au, — o, houd toch op!"

"Dáár! — Daar! — Dá... o, mijn hemel, wat is dat?" schreeuwde Flipsen ontsteld. Hij voelde, hoe een groot voorwerp hem op zijn rug sprong en hem de nagels in zijn hals groefde, en hem krabde en beet op alle plaatsen, waar hij maar gekrabd en gebeten kon worden. 't Veroorzaakte hem helsche pijn, en hij kroop op den grond rond, zonder haast te weten, wat hij deed.

"Wat is dat? Wat — o, o, — wat een pijn — wie doet dat — o!"

Kees zat den veldwachter bovenop zijn rug en vierde aan al zijn booze neigingen bot. Hij beet en krabde zonder ophouden, tot Flipsen eindelijk, schreeuwende van de pijn al zijn geestkracht verzamelde, het ongure beest van zich afschudde en, met achterlating van zijn gummi-stok, haastig op de vlucht sloeg.

Hij en de vrek kermden om het hardst en de aap maakte ook de erbarmelijkste geluiden, zoodat Dik Trom en de andere jongens, die op den terugweg naar huis den landweg afliepen langs den tuin van Mulder, niet wisten, wat zij hoorden.

Zij dachten er al niet eens meer aan, om vruchten te gaan stelen, want zij hadden zich veel te goed vermaakt met het springen.

"Wat is hier te doen? Hoor dat gekerm eens!" zei Dik.

En allen stonden stil om te luisteren.

Opeens zagen zij Flipsen het hek doorsnellen, met zijn handen achter tegen zijn hals.

"O, o, o, Wat een pijn! Wat een pijn!" kermde hij. En haastig sloeg hij den weg in naar huis.

"Ook een rare geschiedenis!" zei Dik. "Rara — wat is dat?"

Maar niemand wist het, en zij vervolgden hun weg.

Mulder kroop kermend naar zijn huisje.

"O, die gummi-stok, — die gummi-stok!" kermde hij.

Hij deed de deur open, richtte zich aan de klink met groote moeite omhoog, ontkleedde zich zoo goed en zoo kwaad als het ging, en kroop in bed.

Den volgenden morgen zag hij bont en blauw, en toen Flipsen zijn gummi-stok kwam halen, zat diens hals in een dik verband.

image: versiering
image: versiering
image: hoofdstuk-versiering
image: hoofdstuk-versiering

Achtste Hoofdstuk.

Dik verloot jonge konijntjes.

D
D

Dik was al heel vroeg opgestaan, en daar had hij geen spijt van, want het was een mooie morgen. De vogels sjilpten en zongen in de boomen, en de bloemen geurden heerlijk.

Met een mes in de hand kwam hij naar buiten. Hij haalde een mand uit het schuurtje, om er het gras en de klaver in te doen, die hij wilde gaan snijden aan den kant van het kanaal.

Nauwelijks verscheen hij in den tuin achter de schuur, of zijn duiven vlogen klapwiekend om hem heen en een paar zetten zich op zijn schouders en zijn hoofd. 't Was, of zij hem goeden morgen kwamen zeggen.

"Koer! Koer!" riep hij hun toe.

En hij zag, hoe de konijnen zich op hun achterpooten verhieven en met hun voorpootjes door de tralies krabbelden.

"Ja, ja!" riep Dik hun toe. "Dadelijk, hoor! Ik zie het wel, dat de ruiven leeg zijn. Maar jullie eten ook dag en nacht aan één stuk door, geloof ik. Geduld een beetje, asjeblief. Ik moet het eerst nog gaan snijden. — En als ik terugkom, krijgen jullie ook, hoor!" riep hij tegen de duiven.

"Dag Dik, hier is Gerrit!" riep zijn kauw, die op zijn schouder kwam zitten en eerst nijdig naar een duif pikte, om haar van dat plekje, dat hij als zijn persoonlijk eigendom beschouwde, weg te jagen. Maar de duif had geen lust, om voor zoo'n brutale vlerk als een kauw te wijken, en pikte venijnig terug. Duiven lijken wel heel zachtaardige diertjes, maar zij laten zich de kaas allerminst van het brood nemen en weten hun snavels terdege te gebruiken.

't Werd een formeele vechtpartij op Dik's schouder, tot groot vermaak van Dik. De duif klapte met haar vleugels, om de kauw weg te jagen, en de kauw pikte nijdig met haar langen, puntigen snavel in het lijf van de duif.

"Dag Dik!" werd er op eenigen afstand geroepen.

"O, — daar is Nelly!" riep Dik. Hij keerde zich om en zag het blinde meisje in buurmans tuin staan.

"Ga je de duiven voeren?" vroeg Nelly.

"Straks, — eerst moet ik nog gras en klaver snijden, Ga je meê?"

"Graag!" zei Nelly.

Voorzichtig liep zij den tuin door, toen over het pad langs het huis, en kwam zoo in het voortuintje.

Dik joeg de duif en de kauw van zijn schouder, wierp zijn mes in de mand, die hij in zijn linkerhand nam, en begaf zich naar Nelly, om haar mede te nemen naar den kanaalkant.

"Dag Helly! Hier is Gerrit!" riep de kauw, toen hij het meisje zag.

"Kom hier, Gerrit, — kom hier, Gerrit!" riep Nelly, terwijl Zij haar vrije hand uitstrekte. Dadelijk kwam Gerrit op haar arm zitten. Dat vond Nelly prettig.

"Dag Gerrit!" riep zij tegen hem.

"Dag Helly! Hier is Gerrit! Dag Dik!"

Dik bracht het meisje naar den overkant van den weg, en zei, nadat hij een mooi plaatsje voor haar opgezocht had:

"Hier Nelly, — ga nu hier zitten, — in het gras!"

Nelly deed het, en toen hij het blinde meisje daar zag zitten, zoo hulpbehoevend, zoo geheel afhankelijk van anderen, overmeesterde hem weer een gevoel van onuitsprekelijk medelijden, en zijn stem klonk zacht en teeder, toen hij zeide:

"Je zit aan den kant van het kanaal, Nelly, een groote armslengte er maar van af. Zul-je je niet vooruit bewegen? Je gezicht is naar het water gekeerd."

"Ja ja, dank je wel," zei Nelly, "ik begreep het al, voordat je me het zei. Wees maar niet ongerust, Dik, ik zal wel stil blijven zitten. Dag Gerrit! Waar ben je, Gerrit? Kom hier, Gerrit! Kom bij Nelly, Gerrit!"

Gerrit wandelde aan den kant van het water en pikte daar wurmpjes en insecten van den grond op.

"Hier is Gerrit!" schreeuwde hij terug, maar hij ging niet naar Nelly toe. Hij had het veel te druk, om voor zijn ontbijt te zorgen.

"Kom Gerrit! Kom hier, Gerrit!" riep Nelly.

Gerrit gaf geen antwoord. Hij was juist bezig, een grooten worm uit den grond te trekken, waar de worm zich met al zijn kracht tegen verzette. Maar 't hielp niet, en weldra was hij door Gerrit's keelgat verdwenen.

"Hier is Gerrit!" schreeuwde hij toen. "Dag Helly!"

Dik was ijverig aan het snijden. Zijn mes was vlijmscherp, daar zorgde hij altijd wel voor. De eene handvol na de andere wierp hij in de mand, en hij pikte zooveel melkdistels uit den grond, als hij maar kon, want daar waren de konijnen dol op.

"Schiet je goed op, Dik?" riep Nelly hem toe. "Wat is het prachtig weer hè?"

"Heerlijk," zei Dik. "Ja, ik schiet best op, maar ik heb veel te snijden, want ik zorg 's morgens altijd voor den heelen dag, en ik wil niet, dat mijn konijnen honger lijden."

"Kom Gerrit!" riep Nelly. "Kom Gerrit! Waar is Gerrit?"

"Hier is Gerrit!" riep de kauw uit de verte, maar hij kwam niet.

"Hij zoekt zijn eten," riep Dik het meisje toe.

"Hij zorgt misschien 's morgens óók voor den heelen dag, net als jij," merkte Nelly lachend op.

"Hij lust anders heel wat, hoor," zei Dik. "Ik geloof niet, dat hij ooit genoeg heeft."

"Hier is Gerrit!" riep de kauw, die op Nelly's schouder vloog.

"Behalve nù dan toch," zei Nelly. "Zie je wel, hij komt uit eigen beweging bij me, en dat zou hij niet doen, als hij nog honger had."

Nelly nam de kauw in haar hand en hield hem tegen haar wang. Dik verwijderde zich hoe langer hoe verder, om gras en klaver te zoeken. Maar telkens keek hij even naar Nelly om te zien, of zij wel voorzichtig was en niet dichter hij het water kwam.

"Zeg Dik, vader is vanmorgen al naar zijn baas gegaan!" riep Nelly hem toe.

"Zoo," zei Dik. "Kijk, daar komt Anneke! — Dag Anneke, hier is Nelly, je weet wel, van wie ik je verteld heb."

"O," zei Anneke, en zij keek naar het blinde meisje. Dik had haar verteld, hoeveel medelijden hij met haar had.

Zij ging bij haar in het gras zitten, en zei:

"Jij bent Nelly, hè? Ik heet Anneke. O, heb je Dik's kauw daar? Vind je hem niet aardig?"

"Ja, erg aardig," zei Nelly. "Dag Gerrit! Zeg eens, 'dag Nelly!'"

"Dag Helly!" schreeuwde de kauw, tot groot vermaak van de beide meisjes. "Dag Helly, hier is Gerrit!"

En om het hardst riepen zij:

"Dag Gerrit! Dag Gerrit!"

Eindelijk was Dik's mand tot den rand toe gevuld, en keerde hij met zijn vracht naar de meisjes terug.

"Gaan jullie meê naar mijn duiven?" vroeg hij.

"Ja," zeiden ze, en beiden stonden van den grond op.

Nelly stak haar hand uit, als om te vragen, wie haar leiden wilde.

"Kom," zei Anneke, terwijl ze haar arm bij het blinde meisje instak, en gearmd gingen ze met Dik mee.

De duiven zagen hem al komen en vlogen hem klapwiekend tegemoet, en de konijnen krabbelden om het hardst tusschen de tralies door. Zij hadden blijkbaar honger.

De kauw vloog achter het drietal aan.

Dik vulde de ruiven van de konijnen met het versch gesneden voer, waaraan de konijntjes dadelijk begonnen te smullen, en haalde toen een bak vol gerst voor de duiven, die hem maar steeds om het hoofd fladderden.

"Hier Nelly," zei hij, terwijl hij haar den voerbak in de hand gaf, "jij mag ze voeren."

"O," riep Nelly verheugd uit, "graag, graag, — dank je wel!"

Anneke las de vreugde op haar gelaat, en Dik en Anneke keken elkander aan met een blik, waarin duidelijk te lezen stond:

"Wat in-zielig, hè?"

Die twee begrepen elkander wel, ook al zeiden ze niets.

Nelly strooide het voer met kleine handjesvol om zich heen, en riep:

"Roe-koe! Roe-koe! Roekoe!"

En de doffers stapten parmantig buigende tusschen de duifjes rond en riepen ook:

"Roe-koe! Roe-koe! Roe-koe!"

"Hier is Gerrit!" schreeuwde de kauw. "Dag Helly! Dag Dik!"

"Praatsmaken!" riep Dik. — "Zeg Anneke, wat heb ik een zin in het schoolfeest. En jij?"

"Of ik!" zei Anneke. "Kijk, die duif vliegt op Nelly's schouder. Wat aardig, hè?"

"Wat zal het een leuk gezicht wezen, als die stoomboot hier door het kanaal gaat," zei Dik. "Er is hier nog nooit een stoomboot geweest."

"'t Zal wel een kleintje zijn; een groote kan hier niet varen," zei Anneke.

"O, groot genoeg voor de schoolkinderen," beweerde Dik. "Laat daar den meester maar voor zorgen."

"Roe-koe! — Roe-koe!" riep Nelly tegen de duiven, terwijl zij de korreltjes voer rondom zich strooide. "Krijgen jullie een schoolfeest?"

[illustratie]
[illustratie]

"Ja," zei Dik, "we gaan een heelen dag uit met een stoomboot, met muziek en vlaggen, — een heelen dag Wijk aan zee, hè Anneke?"

"Ja, — dat is een badplaats," zei Anneke. "Fijn, hoor."

"Hè, met muziek, — dat hoor ik zoo graag," zei Nelly. "Die vlaggen kan ik niet zien, en de boot ook niet, en de zee evenmin, — maar de muziek kan ik hooren, hè, en o, die vind ik zoo mooi."

Dik werd ernstig.

"Dom van me, om over dat schoolfeest te beginnen, waar dat blinde meisje bij is," dacht hij bij zichzelven. "Echt dom! Hoe jammer, dat zij niet mee kan! Maar zij gaat niet school, — en bovendien heeft ze niet meêgespaard, en één gulden vijf en twintig centen kunnen die menschen zoo maar opeens niet missen. — Weet je wat, daar moet ik toch nog eens over denken."

En hij dacht er verder den heelen dag over.

Eerst kwam hij tot het besluit, aan alle kinderen een kleinigheid voor het blinde meisje te vragen, en als hij dan de vereischte som bijeen had, zou hij den meester verzoeken, of het ongelukkige, blinde meisje medemocht.

"Jammer, dat de meester nu net zoo boos op me is," dacht Dik.

Maar bij nader inzien vond hij het toch geen prettige gedachte voor Nelly, als alle kinderen op school wisten, dat zij het zoo arm hadden. Neen, dat behoefden de anderen niet te weten; 't was nergens toe noodig. Zij zouden zoetjes-aan, nu Elswater weer hersteld was en geregeld werk had, wel weer in beter doen geraken.

"'k Wou maar, dat ik zelf het geld had," dacht Dik. "Of dat Vader en Moeder het konden missen, — maar dat zal niet kunnen. — Jammer genoeg."

Maar 's morgens op school, onder de leesles, kreeg hij plotseling een idee, en zijn gezicht klaarde er heelemaal van op.

En nauwelijks waren de jongens om twaalf uur het lokaal uit, of hij riep hun toe:

"Zeg jongens, wie koopt er een lootje van me naar een jong konijn?"

"Hoeveel loten?" vroeg Jan Vos.

Dik meende vijftien te zeggen, maar hij bedacht zich bijtijds.

"Twintig," zei hij.

"En hoe duur?" vroeg Bruin Boon.

"Voor jou twee centen per stuk, voor de anderen een cent!" riep Dik.

"Geef mij een lootje," zei Arie Klaro, die bijna altijd wel losse centen in zijn zak had, want zijn vader was een rijke boer en behoefde dus niet op een kleintje te zien.

"Vanmiddag!" zei Dik. "Nu heb ik ze nog niet, maar ik ga ze dadelijk maken, als ik thuis kom."

"Wat een geld," zei Bruin Boon, "twintig cent voor een jong konijntje. We doen altijd vijftien lootjes van een cent, en dat is geld genoeg."

"Ja Bruin, maar ik ben maar een arme slokker," zei Dik. "Daarom neem ik twintig lootjes, zie je. — Zeg jongens, geld meebrengen vanmiddag, hoor, dan kunnen we vanavond nog gooien om de hoogste oogen."

Dik liep op een draf naar huis, en zoodra hij gegeten had, vroeg hij aan zijn moeder om een stuk karton, 't liefst wit.

"Heeft u niet een oude kartonnen doos, die u niet meer noodig heeft?" vroeg hij.

"Waartoe moet die dienen?" vroeg zijn moeder.

"Om lootjes te maken," zei Dik. "Ik ga mijn jonge konijnen verloten. Zeg, Moeder, weet u, wat ik van plan ben? Ik wil zoo graag f1.25 bij elkaar zien te krijgen..."

"Waarvoor, Dik. Wàt een geld!" zei Moeder.

"Wel, dan wou ik het aan den meester geven voor het schoolfeest...."

"Ben je dwaas, jongen? We geven elke week al een stuiver, en dat is al meer dan genoeg voor ons soort menschen...."

"En dat is het," zei Vader Trom, die zich gereed maakte om zijn dutje te gaan doen.

"Ja maar, ziet u, — ik wou zoo graag het blinde meisje van de nieuwe buren meê laten gaan," zei Dik zacht. "Ik heb zoo'n medelijden met haar, Moeder, — en die menschen zijn op 't oogenblik te arm om zooveel geld te kunnen missen. — Toe maar, Moeder, laat het mij maar doen. 't Is zoo'n ongelukkig kind."

Moeder keek Dik een oogenblik ernstig aan en haar oogen werden een beetje vochtig.

Eindelijk zei ze:

"In een hoekje achter op den zolder staat nog wel een oude doos, Dik."

"Dus mag ik?" riep Dik verheugd uit, en hij vloog de trap op naar boven.

Toen hij weg was, deed Vader Trom zijn oogen, die hij juist dichtgedaan had, weer eventjes open en zei:

"Griet!"

"Wel? — Wat is er, Jan?"

"Griet, — onze Dik is een bijzonder kind, en dat is-ie."

"Ja, hij is althans een goed kind," zei moeder Trom.

Dik kwam beneden en knipte twintig vierkante stukjes uiteen van de wanden van de doos. De rest borg hij in de kast, want die zou hem nog wel te pas komen.

Vandaag ging er pas zijn eerste jonge konijn aan, en hij had er zes.

Op elk kartonnetje zette hij een nummer, van 1 tot 20, en hij deed ze alle in een doosje. Toen stak hij nog een stuk papier bij zich, om te kunnen noteeren, wie een lot gekocht had, — en een potlood, — en begaf zich naar buiten.

In de verte hoorde hij het eigenaardige geschreeuw, dat de jongens soms met een hooge stem doen hooren, als zij alleen over straat loopen.

"Halloïo! Diktrommio! Halloïo! Diktrommio! Gajeméïo!"

Dik lachte.

"Pitio van Drillio!" galmde hij terug. "Pitio van Drillio!"

"Dikkio Trommio!" schreeuwde Piet. "Twéïo lotio! Voor mijn centoïo!"

Het geluid kwam steeds dichterbij en na een minuut zag Dik Piet het erf oploopen.

"Twéïo lotio! Twéïo lotio!" galmde Piet. "Voor mijn centoïo!"

"Twee lootjes?" vroeg Dik, terwijl hij de doos met kartonnetjes uit zijn zak opdiepte. "Hier, trek er maar twee uit."

Piet trok de nummers 4 en 13, en Dik schreef op zijn lijst achter de nummers 4 en 13 den naam van Piet van Dril. De twee centen stak hij in zijn zak.

"Zie zoo, ik heb al vast een beginnetje. Voor twee uur ben ik ze wel allemaal kwijt, denk ik, en dan kunnen we na schooltijd het beestje verloten."

"Om hoe laat?" vroeg Piet.

"Om zes uur, hier, achter onze schuur. Ik heb drie dobbelsteenen," zei Dik, "mooie groote."

"Zeg, ik hoop, dat ik het konijntje win," zei Piet van Dril. "Willen we naar school gaan?"

"Dat is goed."

En samen sloegen zij den weg in naar school, waar zij natuurlijk veel te vroeg aankwamen, maar dat wilden zij juist. Dik had er immers gewichtige zaken te doen?

Zij waren de eersten, die op de speelplaats aankwamen, maar 't duurde niet lang, of er kwamen er meer.

Bruin Boon kwam ook al heel vroeg.

"Ik moet vijf lootjes hebben, Dik," zei hij, en hij gaf Dik vijf centen.

"Wat? Hoeveel?" vroeg Dik verbaasd, want het gebeurde haast nooit, dat een jongen vijf loten tegelijk kocht. En hij keek Piet van Dril aan, die zijn vragenden blik met een knipoogje beantwoordde.

"Ja, vijf!" schreeuwde Bruin Boon. "Geef hier! Waar zijn ze?"

Dik weifelde even en weer keek hij Piet vragend aan, en nogmaals knipoogde Piet tegen Dik. De jongens wisten wel, dat Bruin niet eerlijk was, en dat hij gewoonlijk veel centen in zijn zak had, en zij verdachten er hem sterk van, dat hij ze stal uit de toonbanklade van zijn moeder, die een winkeltje in kruidenierswaren deed. Want Bruin was erg oneerlijk.

"Nou, krijg ik ze, of krijg ik ze niet?" schreeuwde Bruin.

"Weet je moeder ervan?" vroeg Dik.

"Mijn moeder? — Ja, — natuurlijk! — Je denkt toch niet, dat ik ze gestolen heb?"

"Ik weet niet, wat ik moet denken," zei Dik. Hij hield Bruin het doosje met loten voor en Bruin nam er vijf uit. Dik schreef zijn naam op de lijst achter de getrokken nummers. Even later kwam Arie Klaro.

"Heb je je lootjes al?" vroeg hij aan Dik. "Geef mij er een, — of neen, ik wil er wel twee hebben. Des te meer kansen heb ik."

"Maar ik heb de meeste kansen," zei Bruin.

"Zoo? Hoeveel dan wel?" vroeg Arie.

"Vijf!" zei Bruin. "Is 't niet waar, Dik, heb ik er geen vijf?"

"Gestolen centen natuurlijk," zei Arie op den man af.

"Als jij maar geen gestolen centen in je zak hebt!" zei Bruin sarrend.

Er kwamen hoe langer hoe meer jongens op de speelplaats, en de loten van Dik gingen vlug van de hand. Hij kon zelfs niet eens aan alle aanvragen voldoen, maar daar wist hij wel raad op.

"Jongens," zei hij, "om vijf uur zal de loting plaats hebben...."

"Waar?" schreeuwde Bruin. Bruin schreeuwde altijd veel harder, dan noodig was. "Ik heb toch de meeste kansen, want ik heb er vijf!"

"Bij ons, achter het huis," zei Dik. "En dan zal ik weer nieuwe loten klaarmaken om er nog een te verloten, voor de jongens, die nu te laat kwamen. Is dat goed? Komen jullie dan?"

"Dus dan verloot je er twee vanavond," zei Dirk Langereis, die ook te laat gekomen was en dus geen lootje had kunnen bemachtigen.

"Ja, — twee," zei Dik.

"Dat is goed!" zeiden de jongens.

Een poosje later ging de school aan, en Dik voelde zich vroolijk gestemd, omdat de zaken voor de blinde Nelly zoo goed gingen.

"Vanavond heb ik al veertig centen bij elkaar," dacht hij vergenoegd. "Dan heb ik er nog maar vijf en tachtig noodig. Als de meester nu maar niet weigert, — maar weet je wat, ik zal erg goed mijn best doen. Misschien gaat de boosheid dan wel weg, hoewel, — hij heeft vandaag nog geen vriendelijk woord tegen me gezegd."

En Dik spande al zijn krachten in om 's meesters goedkeuring te verwerven, wat de meester zeer goed opmerkte, al liet hij het niet blijken.

"Dikje heeft spijt van gisteren," dacht hij, en dat deed hem genoegen.

Om vier uur ging de school uit, en de jongens spoedden zich naar huis. Maar om vijf uur waren zij allen present achter de schuur van Dik.

Dik had weer nieuwe loten gemaakt en verkocht ze aan de liefhebbers. Ze gingen niet meer zoo grif van de hand als voor het eerste konijntje, maar hij raakte ze eindelijk toch kwijt, en toen kon de loting beginnen.

Dik haalde een kleerenbak uit de schuur, een diepen melkbeker uit de kast en drie groote dobbelsteenen uit zijn speelgoedlade. Daarmede kwam hij bij de jongens terug. De kleerenbak werd op den regenput gezet, en de dobbelsteenen deed hij in den melkbeker.

"Zie zoo, alles is klaar," zei hij. "De verloting kan beginnen."

"Maar om welk konijn gaat het?" vroeg Jan van Bakel, die ook een lootje gekocht had.

Dik haalde een van zijn jonge konijntjes uit het hok en deed het in een mand.

"Hallo! Het spel gaat beginnen!" riep Dik.

Hij keek op zijn lijst en riep: "No 1, Jan Fulps. Asjeblief, goed de steenen schudden en dan in den kleerenbak gooien."

"Daar gaat-ie!" riep Jan Fulps.

Hij rammelde met de steenen en wierp ze met kracht in den bak. "4, 2, 5!" riep Dik. "Elf oogen!"

En hij noteerde achter Jan's naam 11. "No. 2, Bruin Boon!"

[illustratie]
[illustratie]

"Elf maar?" snoefde Bruin. "Daar ga ik boven!"

"2, 3, 3!" riep Dik. "8 oogen!"

"Daar ga ik onder, had je moeten zeggen, Bruin!" riep Jan Fulps hem toe.

"O, ik heb er nòg vier!" schreeuwde Bruin.

"No. 3: Jan van Bakel!" riep Dik.

Jan van Bakel gooide.

"6, 5 en 5, 16 oogen!" kondigde Dik aan.

"Een mooie gooi!" zei Piet van Dril. "Mijn beurt, Dik, ik ben no. 4."

Piet rammelde met de steenen en wierp drie zessen.

"Mooi zoo!" zei Dik. "Hooger kan het niet."

"Ha ha," lachte Piet van Dril, "dat konijntje zal wel voor mij zijn. Even hoog, dat kan, maar hooger, dat kan al vast niet!"

Piet van Dril liep naar de mand, om het konijntje eens goed te bekijken! 't Was een allerliefst beestje, vond hij, en hij streelde het over den kop.

Zoo gooiden de jongens om de beurt, en Bruin wierp eenmaal 2 zessen en een vijf, dus 17 oogen.

"Daar mankeerde er maar eentje aan, — maar ik heb nog een lot. Dan komt het derde zesje er wel bij."

Maar op zijn laatste lot gooide hij tot groote pret van alle jongens, drie eenen. Zijn kans op het konijntje was verkeken.

Eindelijk moest alleen N°. 20 nog maar gooien, en dat was Arie Klaro.

"Een klein kansje!" zei hij, terwijl hij de dobbelsteenen in den melkbeker liet rammelen.

"Mijn konijntje is het!" riep Piet van Dril lachend.

Arie gooide.

"Drie zessen, — achttien oogen!" riep Dik. "Arie en Piet van Dril moeten kampen. Ze hebben evenveel oogen gegooid."

"Dat staat je niet netjes, Arie!" zei Piet van Dril lachend. "Ik dacht al, dat ik den prijs had."

"Mis man, buiten den waard gerekend," zei Arie. "Gooi jij maar eerst!"

"Neen, — jij!" zei Piet.

"Jij bent het eerst aan de beurt. Hier heb je de steenen. — Is 't niet waar, Dik?"

"Ja," zei Dik. "Jij eerst, Piet."

"Vooruit dan maar!" zei Piet. Hij liet de stenen rammelen en gooide een 4, een 6 en een 3.

"Dertien oogen," zei Dik. "Een mooie kans, Arie."

"O jé, daar gaat mijn konijntje," riep Piet lachend.

"Toe, rammel zoo lang niet, — ik brand van nieuwsgierigheid!"

"Daar dan!" riep Arie.

"Een 5, een 6 en een 3, — veertien oogen!" riep Dik. "Arie heeft het gewonnen. Geluk er meê!"

"En nu ga ik meteen naar huis," zei Arie, die een heel eind van het dorp woonde, en alleen om de verloting zoo lang gebleven was.

Hij nam het jonge konijntje in zijn arm en vertrok.

De anderen bleven voor de verloting van het tweede konijntje.

"Mijn kansen staan mooi," schreeuwde Bruin. "Ik heb nu ook weer vijf loten."

"Maar onrechtmatig verkregen goed gedijt niet," zei Dirk Langereis.

"Wat!" schreeuwde Bruin. "Wou jij zeggen, dat ik het gestolen had?"

"Ik zeg alleen maar, dat onrechtmatig verkregen goed niet gedijt," zei Dirk.

De loting begon, — en het einde was, dat Jan Vos met het konijntje naar huis ging. Hij won met 17 oogen.

"Jongens," riep Dik, "morgen een nieuwe verloting!"

"Maar ik dank je!" zei Bruin Boon. "'t Heeft me vandaag al een dubbeltje gekost, — voor niemendal. Ik doe niet meê."

"Dan laat je 't!" zei Dik.

De jongens gingen naar huis, en Dik maakte weer nieuwe loten klaar voor den volgenden dag, — maar toen bleek de liefhebberij al aanmerkelijk bekoeld. Er was geen sprake van, dat de verloting nog dien dag kon plaats hebben, want 's avonds had hij er nog maar elf verkocht. De moeders bleven niet aan 't geld geven.

Na drie dagen pas was hij zeventien loten kwijt, en hij besloot, toen maar verder geen moeite te doen.

Anneke won het beestje, tot haar groote blijdschap.

En Dik zag voorloopig geen kans, nog meer konijntjes te verloten. Het speet hem wel, maar toch was hij blij, dat hij al vast zeven en vijftig centen bij elkaar had. Hij had ze in een doosje gedaan en in een hoekje van zijn speelgoedlade opgeborgen.

"Ik zal wel zien, dat ik de rest er bij krijg," dacht hij. "Daar moet ik maar een middeltje op bedenken. — O, wat zou ik het heerlijk vinden, als Nelly meê kon met het schoolfeest, — dat ongelukkige kind!"

image: versiering
image: versiering
image: hoofdstuk-versiering
image: hoofdstuk-versiering

Negende Hoofdstuk.

De vrek gaat zich beklagen.

D
D

Den volgenden dag werd het dorp in rep en roer gebracht door het gerucht, dat het groote, beroemde, Amerikaansche paardenspel van Sänger ook daar voor een enkelen dag zijn reusachtige tent zou opslaan, om er een voorstelling te geven. En niet het dorp alleen, maar zelfs de geheele polder, waarvan het dorp het centrum vormde, sprak over niets anders, dan over het wereldberoemde paardenspel van Sänger, dat weldra zou arriveeren.

Geen wonder, want de Directeur, Mr. Sänger, maakte op echt Amerikaansche manier zoo'n reusachtige reclame voor zijn spel, dat je om zoo te zeggen hooren en zien verging. Heel Nederland sprak er over en alle kranten wijdden groote artikelen, ja zelfs geheele kolommen aan het paardenspel van den beroemden Amerikaanschen Directeur Sänger, en zijn beroemde paarden, en zijn beroemde pikeurs en zijn beroemde paardrijdsters en zijn beroemde leeuwen en zijn beroemde olifanten, en zijn beroemde honden en apen, ja zelfs aan zijn beroemde, onmetelijke tent, waarvan 's morgens vroeg nog niets te zien was, waarin 's middags soms reeds een voorstelling werd gegeven, waarin alle beroemdheden 's avonds nogmaals optraden, en waarvan bij zonsopgang geen spoor meer gevonden werd. In alle dagbladen stonden kolossale advertentiën, op stal- en schuurdeuren, alsmede op alle aanplakborden verschenen reusachtige biljetten met platen in schitterende kleuren, waarop de ongelooflijkste toeren waren afgebeeld.

Niemand en niets ter wereld was zóó beroemd als de heer Sänger en zijn paardenspel, en geweldige verhalen daaromtrent deden door ons lieve vaderland de ronde.

Zoo vertelde men, dat de heer Sänger een weddenschap had aangegaan met een anderen schatrijken Amerikaan, — want ook de heer Sänger moest, naar men zeide, schatrijk zijn, — dat hij binnen een half jaar van Amerika naar Europa zou reizen, daar veel meer voorstellingen zou geven dan er dagen in het halve jaar waren, nooit langer dan twee dagen op dezelfde plaats zou verblijven en binnen het half jaar weer in New-York zou teruggekeerd zijn. De weddenschap ging om honderdduizend dollars, die hij van te voren bij een bank had moeten deponeeren. Ook vertelde men, dat de leeuwentemmer van het circus vijf leeuwen had, waarmede hij de ongehoordste toeren verrichtte, ja, dat hij hun zelfs zijn hoofd in den geopenden muil stak, en dat alles terwijl het hem toch niet onbekend kon zijn, dat diezelfde leeuwen zijn vaders en grootvader, die vóór hem hun eigenaars waren geweest, reeds hadden opgegeten. En dan waren er nog twee olifanten, waarvan de een den vorigen oppasser, die iets deed, dat den olifant niet naar den zin was, met zijn slurf had doodgeslagen, en toen hij op den grond lag, om zoo te zeggen, met zijn lompe pooten een polka op zijn lichaam had gedanst, zoodat er niets van hem overbleef dan wat pap.

Dik geloofde al die verhalen onvoorwaardelijk. Had hij ze niet met eigen oogen in de krant gelezen?

Hij zat op de leuning van de brug met Piet van Dril en Jan Vos te hengelen. 't Was een hooge brug, en 't was ook een hooge leuning, en zij moesten lange hengelstokken hebben om bij het water te kunnen komen. En hun zitplaats was tamelijk gevaarlijk, want bij de minste onhandige beweging konden zij er aftuimelen en in het diepe, breede kanaal terechtkomen.

Zij praatten natuurlijk over het paardenspel, zooals iedereen.

"'t Zijn allemaal Engelschen," beweerde Jan Vos. "'t Mocht wat," zei Dik. "Echte Amerikanen, hoor. En zij hebben ook Roodhuiden bij zich. Zeg Piet, heb je 't gehoord? Dan rent er een wild paard in het circus, zonder bit of teugel, en dan komt zoo'n Roodhuid op een ander paard binnenvliegen en gooit het een lasso om den nek, — en dan maar trekken, jongens, trekken van heb ik jou daar, tot het gevangen paard bijna stikt en op den grond valt. — Zie je, zoo vangen die Roodhuiden hun paarden in de wildernis ook."

"Fijn om te zien," zei Piet. "Ik hoop, dat ik er naar toe mag."

"Ik heb geen kans," zei Jan Vos. "'t Is te duur, zegt Vader. Hij kan zijn geld wel beter gebruiken."

"Net als bij ons," zei Dik.

"O, — jij, — jij hebt geld genoeg verdiend met het verloten van je konijnen, want zoo duur is het niet, als je op den laagsten rang gaat zitten. En je ziet het daar even goed als op den eersten. Hoeveel heb je ook al verdiend met je verloting?"

"Zeven en vijftig cent," zei Dik, met een peinzend gezicht naar zijn dobber turend.

"Meer dan genoeg, — de vierde rang kost maar 40 cent," zei Jan. "Zeg Dik, dan gaan we samen, hè? Ik màg, — dat heb ik al aan Vader en Moeder gevraagd. Doen, zeg?"

Dik zei niets.

Ha, wat had hij een zin, om mede te gaan! Zoo iets moois had hij nog nooit gezien en zou hij misschien nooit in zijn leven meer te zien krijgen. — Maar, voor dat doel had hij zijn konijntjes niet verloot. Hij had het gedaan om het arme, ongelukkige, blinde meisje een mooien dag te bezorgen, en 't zou gemeen van hem wezen, als hij nu voor dat geld naar het paardenspel ging.

"Doen, zeg?" herhaalde Piet, met een elleboogstoot in Dik's rug.

"'k Weet niet, — misschien — wel," zei Dik aarzelend.

"Waarom zou hij niet?" dacht hij. "'t Was toch zijn eigen geld, en hij kon er mede doen, wat hij wilde. Niemand dan hij had er iets over te zeggen, behalve zijn Vader en Moeder natuurlijk, maar die zouden het wel goed vinden. Zij vonden van Dik alles goed."

"Waarom misschien?" vroeg Piet.

"Ja, waarom misschien?" dacht Dik. "Waarom niet zeker. Hij had het geld toch niet aan Nelly beloofd? Hij had er immers zelfs met geen enkel woord over gesproken?"

[illustratie]
[illustratie]

"Zeg, waarom misschien?" vroeg Piet nog eens.

"Och, 'k weet nog niet," zei Dik. "Ik denk van wèl, 't Paardenspel is hier nog niet eens, en misschien komt het zelfs in het geheel niet. Vader zegt, dat het maar een praatje zal wezen, want dat er nergens aanplakbiljetten te zien zijn."

"O, dat hindert niet. Iedereen zegt het," beweerde Jan Vos, die er wel niet heen mocht, maar het toch heerlijk vond, dat het komen zou met die leeuwen en olifanten en Roodhuiden en paarden en wie weet, wat nog meer. Hij zou wel maken, dat hij met zijn neus overal 't dichtst bij was.

"Spreken ze Amerikaansch?" vroeg hij.

"Engelsch," zei Piet van Dril. "De Amerikanen hebben geen eigen taal, en spreken Engelsch."

"Jammer," zei Jan, "'t moesten Hollanders zijn. Dan kon ik met hen praten."

"O," zei Dik, "dat kan ik toch wel. Ik wed, dat ze mij woord voor woord verstaan."

Piet en Jan barstten in lachen uit.

"Wat een pocher!" riep Piet van Dril, die door een onhandige beweging half van de leuning gleed. Hij kon zich nog net bijtijds met één arm vastgrijpen, maar stootte toen Dik bijna naar de diepte. En Dik greep zich in zijn schrik aan Jan Vos vast, zoodat zij alle drie groot gevaar liepen om naar beneden te duikelen, Zij hingen aan de leuning. En lachen, lachen, dat ze deden! Ze kropen met moeite tegen de leuning op en namen weer plaats.

"Zeg, Jan," zei Dik, "als je weer wat weet."

"En jij dan, Dik!" zei Jan Vos. "Je trok er me ook bijna af."

"Zoo, Dik, spreek jij zoo goed Engelsch?" lachte Jan.

"Onverbeterlijk," zei Dik. "Ik durf met je te wedden, dat ze me woord voor woord verstaan!"

Jan en Piet lachten hem smakelijk uit.

Opeens zei Jan Vos:

"Kijk eens, Dik, daar komt er een de brug op, dat geloof ik zoo vast als tweemaal twee vier. Hij komt hierheen, zie je wel?"

"En òf!" zei Dik, die van de leuning op de brug sprong en den man, die naar hem toe kwam, met open mond en oogen aangaapte. Zijn hengel haalde hij in.

"'t Is er vast een!" beweerde Piet van Dril. "Dat zie je aan alles wei, hè?"

Nu, daar had hij wel gelijk aan. De man had een pikeurspet op en droeg een korte rijjas. Zijn beenen waren gestoken van boven in een rijbroek en beneden in rijlaarzen met sporen. Hij droeg een geel vest, en zijn broek was ook geel. Bij elken stap, sloeg hij zich met een korte rijzweep tegen de kaplaarzen.

"Hallo!" zei hij tegen de drie jongens, en hij keek in het bijzonder naar Dik, die met zijn dikke buikje en bolle wangen blijkbaar een grappigen indruk op hem maakte. "Hallo!" zei ook Dik, toen hij den vreemdeling lang genoeg had aangestaard.

"Nu je Engelsch!" fluisterde Piet zijn vriend Dik toe.

1) "Do you live here?" vroeg de vreemdeling.

2) "Yes, Sir!" zei Dik, die er geen woord van verstond.

3) "Ha, that is good..."

4) "No, Sir!" beweerde Dik.

De Engelschman keek Dik in de grootste verbazing aan, want hij begreep niet, wat hij aan den jongen had.

En Piet van Dril en Jan Vos stonden ook in stomme verbazing naar Dik te kijken, die zoo brutaalweg den vreemdeling in diens eigen taal antwoordde. Wat drommel, waar kon Dik dat Engelsch hebben geleerd? Zij wisten niet, dat Dik in het geheel maar drie Engelsche woorden kende, namelijk yes, dat ja beteekent, no, dat hetzelfde is als neen, en sir, dat mijnheer beteekent, en dat Dik geen woord van den Amerikaan verstond, maar het besluit had opgevat, om maar op de beurt, "Ja, mijnheer" en "Neen, mijnheer" te zeggen.

5) "Do you know the burgomaster?" vroeg de Amerikaan.

"No, Sir!" zei Dik met een stalen gezicht, hoewel hij er geen woord van verstond.

6) "Where does he live?"

"Yes, Sir!" zei Dik.

De Amerikaan begreep thans volkomen, dat die dikke jongen hem met een stalen gezicht voor den gek stond te houden. Hij deed een stap voorwaarts en hief met een snelle beweging zijn rijzweep op, om er hem een gevoeligen tik mede te geven.

Maar Dik was op zijn hoede. Hij glipte gebukt tusschen zijn vrienden en de brugleuning door en maakte dat hij wegkwam.

Jan Vos en Piet van Dril gingen hem lachend achterna.

"Of jij Engelsch spreekt, Dik!" riep Piet hem toe.

"Wel, wat mankeerde er aan?" vroeg Dik lachend.

"Alles!" grinnikte Piet.

"Niets!" beweerde Dik. "Ik heb gezegd, dat hij mij woord voor woord zou verstaan, en deed hij dat dan niet?"

"Jawel, maar je zei niets dan ja en neen!" zei Jan Vos.

"Juist," zei Dik. "De zaak was ook niet, dat hij mij niet verstond, maar ik verstond hèm niet, — daar zat hem de kneep."

De jongens zagen, dat de vreemdeling een poosje rondkeek en zich toen naar het raadhuis begaf, zeker om den burgemeester te spreken.

"Maar nu is het toch wel zeker, dat het paardenspel hier komt," zei Jan. "Wat zou die man hier anders op het raadhuis moeten doen?"

"Natuurlijk," zei Dik. "Ik meende het hem net te vragen, toen hij die rijzweep ophief...."

"Ha, ha, ha, ha!" lachten Jan en Piet.

Zij gingen in het gras aan den kanaalkant zitten, om de terugkomst van den vreemdeling af te wachten, maar hij bleef nog al lang weg.

"'t Is te hopen, dat de burgemeester beter Engelsch spreekt dan jij, Dik," zei Piet van Dril.

"Er was op mijn Engelsch geen aanmerking te maken," zei Dik. "Hij verstond me woord voor woord."

"O ja, ik bedoel, dat de burgemeester hem beter verstaan zal dan jij," zei Piet lachend.

"Dat hoop ik ook," zei Dik.

Eindelijk kwam de Amerikaan te voorschijn, en de jongens wezen beleefd naar hun pet, want zij vonden hem thans een belangwekkend personage.

Zijn boosheid was blijkbaar alweer verdwenen, want toen hij de jongens herkende, lachte hij tegen hen. En tegen Dik hief hij dreigend zijn zweep op, maar hij meende er niets kwaads mede.

Dik, Piet en Jan volgden hem op de hielen, om te zien, waarheen hij ging, maar heel ver behoefden zij niet te loopen, want dicht bij de brug liep hij den stal in van Café "Goud uit schuim," haalde een mooi rijpaard naar buiten, gaf den stalknecht een fooi, en wierp zich met een vlugge beweging in den zadel.

"Ha, wat een prachtig beest," zei Dik, die een groot liefhebber van paarden was. "Kijk eens, wat steigert hij!"

"Ja, een fijn paard, hoor," zei Piet. "Hoepla, — daar gaat hij!"

De ruiter gaf zijn paard de sporen en reed in een vluggen draf den weg op naar Haarlem.

De jongens oogden hem na.

"Wat kan dat paard loopen!" zei Dik. "Heel wat harder dan de paarden van den molenaar."

"Die zijn te dik," zei Piet. "'t Zijn Belgische werkpaarden, goed om zware vrachten te trekken. — Maar dit is een fijn raspaardje, zie je, dàt is het verschil. Zag je zijn dunne pooten wel?"

"Zeker," zei Dik. "'t Zal wel een van de circuspaarden zijn. Waar zou het spel komen te staan? Op de markt zal het niet gaan, vanwege al die palen."

"Vader denkt, dat het op het stuk weiland komt, hier achter het Café. Dat is een mooie gelegenheid. Ruimte in overvloed!"

De jongens liepen de brug over naar de markt.

"Wat zullen we eens gaan doen?" vroeg Jan Vos. "'t is nog veer te vroeg, om naar huis te gaan."

"Willen we een poosje in den boom gaan zitten?" zei Dik.

Midden op de markt stond een groote boom, waarin de jongens zich dikwijls vermaakten, misschien wel, omdat Flipsen nooit wilde hebben, dat zij er in klommen. Welke reden hij daarvoor had, kon niemand begrijpen, want het was een reusachtige boom, die er niets van te lijden had en desnoods best een stootje kon velen. Zelfs de burgemeester had al meer dan eens tegen Flipsen gezegd, dat hij niet zoo op de jongens moest vitten, want dat er toch waarlijk zooveel kwaad niet in stak, dat zij soms wel eens in dien boom speelden.

Maar Flipsen wilde het nu eenmaal niet hebben; hij was een lastige man, die van de jongens niets verdragen kon.

"In den boom gaan zitten?" vroeg Jan Vos. "En als Flipsen dan komt?"

"Dan stil blijven zitten," zei Dik. "Maar hij zal ons niet eens zien, want het loover is zoo dicht, dat wij zoo goed als onzichtbaar zullen zijn."

"Weet je wat?" zei Piet van Dril. "We scheppen onze klompen vol water en nemen die meê naar boven. Als Flipsen dan komt, zetten wij hem in een stortbad..."

"Grappig!" zei Dik. "Op een anderen keer. Laten we nu maar kalm in den boom gaan zitten, — dan ziet hij ons niet, al komt hij er langs. Geef me een pootje, Jan! Die stam is mij te dik om er in te klimmen."

"Wacht even, — wie loopt daar zoo mal langs den weg?" vroeg Piet van Dril. "Hij kruipt meer, dan hij loopt....."

"Een malle verschijning!" zei Dik. "Kijk, 't is Mulder, de vrek! Wat zou hem schelen? Hij houdt zijn handen in zijn lenden, — 't lijkt wel, of hij vergaat van de pijn...."

"En wat loopt hij krom!" zei Jan Vos.

"En wat kijkt hij benauwd," merkte Piet van Dril op. "Zou hij naar den dokter gaan?"

"Kun-je begrijpen!" zei Dik lachend. "Naar den dokter? Dat kost immers geld? — Neen, naar den dokter ongetwijfeld niet!"

"Laten we kijken!" zei Piet. "Wacht, hij gaat de brug over. Mijnheer houdt zich vast aan de leuning, — mijnheer kan haast niet verder en wrijft zich over den rug, mijnheer ziet bont en blauw in zijn gezicht, zie je dat?"

"Jongens," zei Dik, "dan is er eergisteren wat gebeurd, je weet toch wel, 's avonds, toen we slootje-gesprongen hebben en toen we zoo'n raar geschreeuw hoorden in zijn tuin...."

"Mijnheer gaat naar den burgemeester!" vervolgde Piet van Dril. "Zie je wel, hij gaat het raadhuis binnen. Ha — ha, — mijnheer kan haast den stoep niet opkomen."

Piet van Dril had gelijk. Mulder ging naar den burgemeester, om zich over Flipsen te beklagen.

"Wel Mulder? Wat is er?" vroeg de burgemeester. "Ga zitten."

Mulder nam heel voorzichtig op een stoel plaats en kreunde daarbij van de pijn. Toen zag de burgemeester hoe vreeselijk toegetakeld de man er uitzag, en hoewel hij in het geheel geen sympathie voor den ouden gierigaard voelde, kreeg hij nu toch medelijden met hem.

[illustratie]
[illustratie]

"Au au, — o — o — wat een pijn!" kreunde Mulder, terwijl hij ging zitten.

"Maar man, wat zie je er uit?" riep de burgemeester hem toe. "Je gezicht is bont en blauw, en — maar, wat is je overkomen?"

"Ja, ja, wat is me overkomen?" zei Mulder met een pijnlijk gezicht. "Ik kom me beklagen, burgemeester..."

"Beklagen! Is er bij je ingebroken en hebben ze je mishandeld?"

"Neen, — o, wat een pijn, — ingebroken niet, maar mishandeld wel," kermde Mulder. "Dat heeft Flipsen me geleverd!"

"Flipsen?" riep de burgemeester ongeloovig uit. "Je vergist je ongetwijfeld, Mulder, hoe wou Flipsen er toe komen, om een van de burgers uit onze gemeente zoo te mishandelen? — Want ik moet toegeven, dat je mishandeld bent, Mulder, — en erg mishandeld ook."

"O, ik verga van de pijn," kreunde Mulder. "Bijna twee dagen heb ik in bed gelegen, omdat het me onmogelijk was op te staan. Maar nu kon ik het niet langer uithouden, — ik wilde dien man aanklagen, burgemeester, opdat hij voorbeeldig gestraft worde...."

"Maar Mulder, — Flipsen toch zeker niet?"

"Flipsen, en niemand anders," zei Mulder. "Hij zou zich 's avonds, dat was eergisteren, in mijn tuin opschuilen, om op de jongens te passen, die voor den zooveelsten keer weer mijn boomgaard eens wilden plunderen. Ik had die kwajongens bij toeval afgeluisterd, toen zij die afspraak maakten. Flipsen had er wel geen zin in, maar toen ik hem liet merken, dat ik van plan was bij u te gaan klagen, als hij het niet deed, koos hij eieren voor zijn geld. —"

Mulder zuchtte diep, want onophoudelijk flitsten hem hevige pijnscheuten door zijn lichaam.

"En zoo kwam hij dan," vervolgde hij na een poosje, "erg boos, dat kan ik u verzekeren, want hij was, zooals hij zelf zei, juist van plan geweest, dien avond eens rustig bij zijn vrouw te blijven rooken..."

"Nu, zoo prettig was het ook niet voor hem," vergoelijkte de burgemeester. "Flipsen is een ijverig man, dat zal iedereen toegeven. Hij is eerder te ijverig, dan te lui, en maakt zich daardoor juist vele vijanden. En 't zou heusch niet erg zijn, als hij ook eens een avondje rustig thuis kon blijven..."

"Daar betalen wij onze belastingcentjes voor, burgemeester," zei Mulder, die juist weer een hevigen scheut door zijn rug kreeg. "Au, au, o, wat een pijn!"

"Maar nu weet ik nog niet..." hernam de burgemeester.

"Ik zal 't u vertellen," zei Mulder. "Toen het al heel laat geworden was en ik van Flipsen niets meer bemerkte, besloot ik even te gaan kijken, of hij er nog was, en toen sprong me die nijdigaard plotseling op mijn lijf, smeet mij tegen den grond, en sloeg mij met zijn gummi-stok bont en blauw. Ik dacht niet anders, of hij wilde mij doodslaan. Mijn beenderen kraakten me in mijn binnenste. Ik kom daarom een aanklacht tegen dien man doen. Hij dient ontslagen te worden."

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings