CYRIEL BUYSSE (continued 2)
Reading edition
Benevens de kleren van de overledene zat hij vol met een rommel van allerlei ongelijksoortige voorwerpen. Er was een dikke bundel met bruine touwen saamgebonden wapens, een aantal grote en kleine koperen ringen; houten en leren, fijn gedreven schotels en bekers; een armvol grof gevlochten, rijkgekleurde matten; een gesloten pak met, als adres, op een van Fortunés visitekaartjes: 'voor mijn goede vriend meester De Vreught', een tweede voor de 'goede vriend mijnheer Potvlieghe'; een derde voor de 'goede vriend mijnheer Spittael'.
Moeder en Fietje legden die geschenken opzij en pakten voort de kleren uit. Gescheurde en gevlekte hemden, kamizolen en kousen vol gaten, zware, doorgesleten en scheefgelopen, rossig geworden schoenen. En de mooie, blauwe uniformjas en de mooie pet waarmee hij zo fier in Akspoele gepronkt had, waren insgelijks verknoeid, bezoedeld en verkleurd; en de schone vergulde galons hingen half ontnaaid van de mouwen, hun vroegere glans verdoft in kopergroene tinten, en omgebogen en gewrongen, als rafels platgeslagen zinkdraad. En uit dat alles walmde, met een licht wolkje stof, een lafzoete, akelige lucht, die de twee vrouwen de adem benauwde, en voortdurend nieuwe tranen in hun ogen deed opwellen.
Zij zochten in de zakken en keerden die om, hopend er nog een woord, een brief, het een of ander iets van hem te vinden, dat hun nog enige opheldering over zijn zo schielijke, tragische dood zou geven. Doch neen, zij vonden niets meer. Al wat zij nog ontdekten was, gans op de bodem van de koffer, een kleine bruinlederen portefeuille.
Fietje raapte die op en deed ze open. Zij bevatte enkele brieven uit Akspoele, een tiental visitekaartjes en Congolese postzegels; en, gans in het achterste tasje, een fotografie, met een klein, door een draadje eraan vast gebonden lokje zwart kroeshaar.
Verbaasd, de open portefeuille in de hand, bleef Fietje een ogenblik roerloos, als begreep zij niet wat het was, die zonderlinge voorwerpen aanstaren. De fotografie stelde voor een jonge negerin, naakt tot aan de lendenen, de kort-krullende haren dichtgeplant, het brons aangezicht blinkend, lachend met een strelende glimlach van ogen en tanden. De haren leken sprekend op die van het lokje; onderaan het portret, door Fortunés hand geschreven, stonden deze woorden:
MIJN LIEVE KHAMISSI
—Moeder,... zeg, moeder, zie eens hier...
Fietje, eensklaps kersrood geworden, stak, met iets als een zweem van toorn en afkeer op 't gelaat, de portefeuille met de zonderlinge voorwerpen naar haar moeder uit. De oude vrouw, met haar door tranen verduisterde ogen, kon eerst niets onderscheiden, begreep niet wat het zijn mocht. Doch plotseling was het of haar betraande aangezicht versteende in een uitdrukking van schrik: zij slaakte een schorre zucht, gaf Fietje, met een trillend:—in 't vuur! in 't vuur! die lelijke dingen! de portefeuille terug, en zakte als vernield op een stoel, het snikkend hoofd onder haar beide handen verborgen.
Blink had dus niet gelasterd!... Fortuné had zich op zijn beurt slecht gedragen in het vreemde land, en als slachter van zijn losbandigheid was hij er gestorven! O! wie zou dat toch ooit van hem hebben gedacht!
XIV
En nu zijn die Congolese wapens en andere voorwerpen, die in de kamers van meester De Vreught, Spittael of Potvlieghe aan de wanden hangen, het enige dat nog in Akspoele aan de rampzalige Fortuné Massijn herinnert. Op feest- en kermisdagen, wanneer die heren vreemde gasten in hun woning ontvangen, leiden zij die telkens in hun salon of werkkabinet; en, wijzend met trotse glimlach op de aldaar pronkende trofeeën, zeggen zij tot hun bezoekers:
—Dat alles komt uit de wilde gewesten van het mysterieuze Afrika; dat alles werd ons van ginder opgezonden door een vriend die er gestorven is.
Dan spreken zij in onverschillige woorden een weinig over hem, en, terugkomend in de eetzaal waar de lekkere maaltijd wacht, wrijven zij zich genoeglijk de handen en wisselen zij glimlachend de opmerking hoe veel beter het toch is in het oud gemoedelijk Vlaanderen gezellig rond een welbediende dis te zitten, dan ginds zo ver en zo heel alleen de Zwarte Kost te gaan eten.
De Zwarte Kost!... Deze benaming heeft fortuin gemaakt in Akspoele! Massijn en zijn dwaasheid zijn vergeten, maar dat door hem nagelaten woord is gebleven, en brengt er, telkens als het uitgesproken wordt, een ondeugend glimlachje op de lippen.
Slechts moeder Massijn en Fietje, die steeds eenzaam in hun huisje wonen, lachen niet, als zij het horen. En Eulalie, die er maanden lang een echte marteling mee uitstond, heeft het niet meer willen horen: zij is ervoor gevlucht, zij heeft het dorp verlaten; zij huwde anderhalf jaar na Fortunés dood, een slachter van Lovergem, een dorp dat op meer dan drie uren afstand van Akspoele ligt.
En vreemd mag het heten: sinds Massijn dood is gelooft niemand in het dorp, behalve misschien de heren De Vreught, Spittael en Potvlieghe, nog een enkel woord van al de wondere dingen die de jongeling zo vaak over Congoland placht te vertellen; evenmin als wat die handelsreizigersachtige explorateur Kinel er op een zondagnamiddag in Het huis van Commercie kwam over uitkramen.
Men hecht alleen nog geloof aan de onbeschaamde verzinsels van blikslager Blink, die dadelijk klaar gezien heeft in Massijns geval, en die nog wel eens, op zondagmiddagen, een gapende groep dorpelingen rond zijn deur geschaard houdt, genietend van 't vermaak ze te verbluffen door zijn snoeven, tot de graad somtijds zijn eigen leugens te geloven.