De zomer in Kaschmir. (continued 2)
Reading edition

Rustieke tempel te Voetanar.
Pas waren de tenten opgeslagen, of daar kwamen de diplomatieke geschenken al voor den dag, vruchten, groenten, honig. Wat zou men wel in ruil verwachten of verlangen? Niet veel bijzonders, alleen een weinig van dat product der beschaving, dat poeder van pyrethrum heet en in de engelsch-indische wereld niet overbodig is, want al is men een machtig oostersch vorst, men wordt daar door het ongedierte niet ontzien.

Jeugdige bruidegom en muzikanten bij een bruiloft te Rozloe.
Het was zeer druk in het dorp. Toen we inlichtingen vroegen, bleek het, dat het een huwelijk gold, en dat er een optocht zou plaats hebben. Eerst kwam de bruid, gedragen in een draagstoel, die hermetisch was gesloten; dan volgden de muzikanten met tamboerijnen en fluiten, waar ze met veel ambitie op bliezen. Hun gruwelmelodie scheen mij een verontschuldiging voor het verschrikte gezicht van den bruidegom, een knaap van twaalf jaar, in gewaden van goud en rood gestoken en met een tulband op het hoofd, waar de aigrette van reigerveeren op prijkte. Op een paard gezeten, geleidde hij aldus de jonge vrouw naar haar ouders terug, in afwachting van den tijd, waarop ze beiden oud genoeg zullen wezen, om echt een huishouding te beginnen.
Wat hoorde ik hier een plaatselijke legenden! Ik had er vermaak in, ze uit den mond van den pandit te vernemen. Zoo heet het vooreerst, dat de hooge toppen, waar nog hier en daar sneeuw op ligt, bewoond worden door Yogini’s, half feeën en half toovenaressen; wee hun, die in haar betooverde verblijven verdwaalt; hij verliest er op zijn minst zijn verstand bij. Er werd ons onder andere verteld, dat ze iets hadden gedaan, dat aan een verhaal van Rudyard Kipling doet denken, in zijn boek over de jungle. Op een goeden dag in 1894 vond een Goedjar, toen hij zijn kudde op een Alpenweide liet grazen, een jongen van vijftien jaar naakt en stom op een rots zitten. Hij bracht hem naar de ziarat van Valtongoe, waar men hem gedurende drie maanden te eten gaf op kosten van de weldadigheid der geloovigen, toen iemand uit Shahabad, die een pelgrimstocht kwam doen, zijn zoon herkende, dien hij sedert twaalf jaren verloren waande. Zonder twijfel was hij al dien tijd verborgen gehouden door de Yogini’s van de bergen.
Ook woont er te Valtongoe in de zes zomermaanden een naga, van wien het heet, dat hij den winter in Indië doorbrengt. En ten slotte bezochten wij, voordat we het dal verlieten, den beroemden, waarzeggenden naga van Rozloe, waar bij de bron van dien stroomgod des nachts de doode boomstammen aan het vechten zijn. Als een ramp het land bedreigt, schrijft hij op het droge slijk van de bedding profetische teekens; een zwaard kondigt oorlog aan, een wan beteekent hongersnood; maar wat de mahamari aangaat, de groote moordenares de cholera, haar komst wordt met bloedige letters aangekondigd.
Om van Kantsjloe aan den ingang van het dal der Didar te komen, moet men Kaschmir in zijn geheele breedte weer door, en men heeft er drie flinke dagreizen voor noodig en moet vier rivieren oversteken. Ik passeerde de eerste, de Withavatoer, over dikke steenen; aan den oever van de tweede gekomen, de Sandran, was ik niet weinig verbaasd, dat de bedding geheel droog was; toen ik vroeg, waar het water was gebleven, maakte een Kaschmirees een onduidelijke beweging met de hand, en ik begreep, dat het juist voor de besproeiing der velden werd gebruikt. Wat de Bringh betreft, zij was zoo vol, dat ik moest besluiten van den rug van een koelie gebruik te maken, om er overheen te komen. Ik ontmoette bij die plaats een vrouw, die geslagen was door haar buurvrouw en zich bij de politie van Islamabad ging beklagen. Zij hield als een kostbaar bewijsstuk de drie tanden in de hand, die de vrouw haar had uitgeslagen. Zoo kwamen wij van Lokabhavan, onze eerste rustplaats, naar de tweede in de koele omgeving van Atsjibal, waar wij onze hoofdbagage vonden.
Van Atsjibal naar Martand liep de weg door rijstvelden, besproeid door de Arpat. Men gaat er over de rivier door middel van een rustieke brug, bestaande uit twee over den stroom geworpen boomen, die toen bedekt werden met takken en aarde. Weldra waren wij daarna op de kareva. In Juli is de graanoogst al voorbij. Groote bergen koren staan bij de dorpen, en op dorschvloeren trappen ossen de korrels eruit. Op de velden stonden nog het reeds rijpe vlas en de katoenplant. In de maïs en de gerst waren een massa grijze duiven aan het pikken, zoo vertrouwelijk, dat de paartjes niet opvlogen, toen we voorbij gingen.
Niet ver van het dorp Martand staat de tempel, die voor een duizendtal jaren de mooiste was uit de streek, en waarvan nu nog de ruïnen de interessantste van Kaschmir zijn. De ligging is prachtig. Het monument ligt aan den voet van den berg, bij het begin van een dier groote plateaux van alluviale vorming, die als met een rand van steenen de hooge bergen omringen, en die wel gelijken op de overblijfselen der bedding van een vroeger meer. De hoogvlakte is hier driehoekig en heeft links de uitgetande kam van het gebergte, waar nog sneeuw ligt; rechts drie of vier hoogten achter elkaar, die in de verte onduidelijk worden, en vóór ons lag het Gelukkige Dal met de heldere tinten der rijstvelden, de donkere vlekken van het groen der boomen, de zilveren kronkelingen der rivieren. Stelt u dat alles voor, badend in het schoone licht van Kaschmir, dat tegelijk zoo doorschijnend is en op de hoogten zoo wazig. Hetzij ge des morgens komt, als de zon achter u opkomt en de nevels uit het dal optrekt, hetzij des avonds het gouden licht der ondergaande zon den hemel doet tintelen, ge zult nergens mooier natuurtooneel vinden. Ook zou het moeilijk wezen, een beter kader voor dit heerlijk schouwspel te bedenken dan die klavervormige bogen, gebouwd door Lalitaditya ter meerdere glorie van zijn geliefde godheid, de zon.
Meer dan duizend jaren zijn verloopen, en de indrukwekkende muren staan nog overeind te midden van een vierkant plein met een zuilengalerij er omheen en met vier poorten, waarvan de grootste naar het Westen is gekeerd. Al zijn bij dag de overblijfselen treffend te zien, ’s nachts in den maneschijn krijgen ze, zooals zoo dikwijls met ruïnen het geval is, een weerglans van hun vroegeren luister.... Dien avond stond aan het saffierblauw van de lucht de halve maan met haar horens omhoog; in het zenith was de hemel donkergrijs en aan den horizon lagen rose strepen. Toen was die oude tempel door de grootschheid van zijn lijnen als een romeinsch monument uit de oudheid. Twee zuilen, die afzonderlijk stonden en nog verbonden waren door hun architraaf, verhoogden de illusie. Het is niet een der minste aantrekkelijkheden van Kaschmir, dat men er aan Italië wordt herinnerd.
In het dorp Martand waren weinig boomen en dus weinig schaduw. Wij dachten erover ons kamp op te slaan onder een groepje sparren dichtbij de ruïnen, maar er was geen drinkbaar water, of wij moesten ons willen tevreden stellen met het water uit de plassen, dat de vrouwen voor haar huishoudingen gebruiken en waar ook het vee van drinkt. Wij besloten dus onze tenten op te slaan te Bhavan, een mijl verder gelegen. Een weg door een kloof voerde er ons heen, en weldra hadden we een der mooiste kampen van Kaschmir betrokken.
Bhavan bezat vroeger, evenals Atsjibal en Ver-Nag, een lusthof, dat blijkt uit enkele overblijfselen. Aan den voet van een bijna kalen heuvel vormt de sterke bron een eerste bekken, dat zijn water zendt naar een tweede grooter bassin, waar men onder het kristalheldere water nog den steenen ondergrond kan onderscheiden. Van daar liet de naga, of eigenlijk lieten de beide naga’s, naar de brahmanen zeggen, het water door drie granieten kanalen afvloeien, waarvan het middelste een schoonen waterval vertoonde. Het water heeft thans de in verval zijnde kanalen verlaten; het verdwaalt tusschen de steenen in een reeks kleine watervalletjes en ontsnapt door een zelfgegraven tunnel. Daar, bij het frissche, koele water onder de eeuwenoude platanen, die gewelven vormen als van een kathedraal, in het gezeefde, zachtgroene licht was ons kamp gevestigd.
Mijn eerste bezoek gold de bron, waar tallooze visschen leven van de offeranden der geloovigen. Ook de brahmanen van de plaats zorgen op die wijze voor hun onderhoud, want Bhavan is een gezochte bedevaartplaats. Op sommige tijden gaan de Hindoes uit Kaschmir en zelfs uit Pendsjab er in menigte heen, om lijkdiensten te houden ter eere van hun gestorven voorouders. De volgende legende werd mij dienaangaande verteld. In het begin der tijden had Aditi, vrouw van Kacyapa, reeds twaalf zonen ter wereld gebracht, Aditya’s genoemd naar hun moeder en die twaalf zonnegoden zijn, behoorend bij de twaalf maanden. Zij dacht, dat er niets goeds te verwachten was van een dertiende zwangerschap en wierp een laatste ei in het meer, dat toen nog Kaschmir overdekte. Toch kwam dit geminachte ei uit, en er kwam uit te voorschijn een klein onvoldragen zonnegodje, dat den naam Martand ontving. Hoe nietig en onbeduidend hij ook was, toch ging hij moedig er op uit, om zijn vader en moeder te zoeken, en zei tot hen: “Gij hebt aan elk van mijn broeders een maand gegeven; ik wil er ook een voor mij hebben.” Het zou een moeilijk geval hebben kunnen zijn. Maar nu moet men weten, dat de brahmanen behalve den zonnekalender ook een maankalender hebben. Twaalf maanmaanden vormen slechts driehonderd vier-en-vijftig dagen, terwijl een zonnejaar driehonderd vijf-en-zestig dagen en eenige uren telt; daaruit volgt, dat iedere twee en een half jaar de maankalender een maand bij den zonnekalender ten achter is. Men komt daaraan tegemoet, door dan een maanmaand in te lasschen. Die werd nu aan Martand geschonken; eigenlijk is ze voor hem uitgevonden, en ten slotte werd die ingevoegde maand gewijd aan den dienst van de pitri’s of vaderen, de overleden voorvaderen. Zoo kan men begrijpen, dat die plechtigheden oneindig meer indruk maken, als ze plaats hebben op de plek, waar de god van die maand is geboren.
Het is opmerkelijk, met hoeveel ijver de tweehonderd of tweehonderd-vijftig dienstdoende brahmanen of poerohita’s van Bhavan de pelgrims uit Indië ontvangen, voorzien van hun boek der bezoekers. Ze houden namelijk een lijst van al degenen voor wie ze reeds den dienst hebben verricht, en wie maar in eenigen graad van bloedverwantschap staat tot een der ingeschreven personen, valt hun in handen. Zij leggen beslag op hem en de pelgrim komt niet van hen af, zonder eenige veêren in hun handen te hebben gelaten.
De geheele maand is een tijd van overvloed. Zelfs de visschen uit de Nag moeten het zoo goed hebben, dat ze de korrels gekookte rijst en maïs weigeren, die hun worden toegeworpen.
Maar de poerohita’s nemen het er niet alleen goed van, maar ze zijn er ook op verdacht voor de toekomst te zorgen. Ieder van hen rekent er op, eenige honderden roepijen op zij te kunnen leggen. Gegeven het feit, dat buiten de tijden van hongersnood twee of drie roepijen per maand voldoende zijn om in het onderhoud van een man te voorzien, en vier of vijf per jaar hem zeer voldoende kleeden, zal die som hen wel in staat stellen, om zonder al te veel ongeduld den volgenden pelgrimstocht af te wachten.
In het jaar, dat ik er was, gaf een arme, jeugdige weduwe van vijftien jaar voor het zieleheil van haar overleden man tweehonderd roepijen; de brahmaan, wien dat buitenkansje te beurt was gevallen, werd mij aangewezen. Een was er, die mij kwam vertellen, dat hij de poerohita was voor de Sahibs en vroeg mij te mogen inschrijven op zijn boekje tegen contant geld. Er zijn inderdaad geen erger bedelaars ter wereld, en het is merkwaardig, te merken hoe de Hindoes ze verachten tegelijk met het aannemen van hun diensten. Voor een Brahmaan van goeden huize is de naam poerohita een beleediging.
Maar ieder moet zien aan den kost te komen, en deze goede menschen hebben ook weer hun deugden. Zoo was mijn zoogenaamde aalmoezenier mij een groot gerief; hij deed al mijn boodschappen, zag toe op den inkoop van levensmiddelen en de herstelling van de kampmeubelen, zoo lang we te Bhavan waren. Ook wees hij mij den besten bakker aan, waar we ons gebak konden laten bakken in den oven. Ze gevoelen, naar het schijnt, de behoefte, aan de goden een gedeelte terug te geven van wat ze aan de geloovigen hebben afgenomen. Met de ingeschoven maand was hun seizoen ten einde. Den 28sten Juli 1896 stelden zij elkaar op schatting, om bij wijze van dankdienst een soort van picnic te organiseeren. Onder een mooien plataan, aan den oever der rivier, was een kleine brandstapel opgericht, en elken dag werden in de vlammen bloemen, vruchten, gesmolten boter, honig, rijst, maïs, kandijsuiker en dergelijke begeerlijkheden geworpen. Aan den voet van den boom klonken steeds liederen uit den mond van godsdienstige zangers, en eentonig stegen de beden omhoog van den dienstdoenden priester. Om de waarheid te zeggen offerde ik ook mijn penningske, maar had daarvoor de gelegenheid, kiekjes te nemen van het belangwekkende tooneel.
A propos van poerohita’s ben ik te Bhavan getuige geweest van een amusante geschiedenis. Ik heb gezegd, dat ik de diensten van een pandit te Srinagar had gehuurd. Op een dag, dat hij een luchtje schepte bij de tenten in de schaduw der mooie platanen, op zijn gemak neergedoken in zijn meest geliefden zetel, een ouden scheepsstoel, die in een veldstoel was herschapen, kwam een brahmaan uit de plaats toegesneld en wierp zijn tulband aan des pandits voeten. Dat is de plechtigste manier om iemands liefdadigheid in te roepen en zich met lijf en ziel onder zijn bescherming te stellen.
Nu leed deze arme man aan zijn ziel. Ziehier zijn geschiedenis, zooals de pandit ze mij vertelde. Die brahmaan, eigenlijk een domme stumper, had een zeer mooie vrouw en een ondeugenden buurman, die hem haar afhandig maakte. Menschen, die de eer der corporatie wilden redden, zeiden, dat hij haar met melk dronken had gemaakt op een dag, toen ze naar haar vader op bezoek was gegaan en dat hij haar toen in een boot had meegenomen naar Srinagar, waar hij haar eenigen tijd bij zich hield.
Op een goeden dag verscheen de vrouw weer in het dorp en de goede brahmaan nam haar weer tot zich. Tot zoover is de historie vrij banaal. Het vermakelijke van de zaak was, dat, daar de buurman Mohammedaan was, de vrouw haar kaste had verloren, en dat de arme brahmaan nu ook de zijne verloor, omdat hij de reizigster weer in de duiventil had toegelaten. Geen zijner collega’s wilde meer aan zijn tafel aanzitten of iets uit zijn hand aannemen. Zijn huiselijke zorgen waren overweldigend, en hij had wel reden, zijn tulband in het stof te werpen.

In den tempel te Martand.
“Gij,” zeide hij tot den pandit, “ge zijt een pandit uit de stad, wijs en geleerd, ge kent de heilige teksten; zeg, welke boete ik moet doen en wees scheidsrechter. Ik zal alles doen, wat gij mij beveelt.” Die vleierij viel bij den pandit in goede aarde, en dadelijk trok hij zijn mooiste kleed aan, om aan den overkant der rivier te gaan onderhandelen met de in volle vergadering bijeengekomen poerohita’s.

Altaar in den tempel te Voetanar.
Daarna bracht hij de rest van den dag door met, nog wel in het Sanskriet, zijn vonnis op te stellen en er alle noodige consideraties bij in acht te nemen. Hij was zoo trotsch op de uitspraak, dat hij mij de primeur van het vonnis gaf met de vereischte uitleggingen.
De vrouw werd veroordeeld tot de pradjapati, dat is een soort van neuvaine of boetetijd. De drie eerste dagen mag men niet anders eten dan des avonds; de drie volgende alleen des morgens, en de drie dan volgende niets anders, dan wat men ten geschenke ontvangt. In het kort gezegd, men gaat er niet aan dood; maar er staat dan ook geschreven, dat aan vrouwen, kinderen en grijsaards slechts lichte straffen mogen worden opgelegd. Voor den echtgenoot was de pandit meedoogenloos. Hij was te minder geneigd hem te sparen, daar hij het voor zeker hield, dat zoo’n geval alleen een zot kan overkomen of een slechtaard, maar daarin overdreef hij. Zeker is het, dat de arme brahmaan drie dagen lang zonder eten of slapen moest blijven en voortdurend den gezegenden naam moest herhalen van “Ram! Ram!” waarna hij, gereinigd door het aanhoudend uitspreken van den heiligen naam, geen andere verplichtingen meer had, dan het aanbieden van een luisterrijken maaltijd aan al zijn collega-brahmanen, waaraan de pandit hem de eer zou aandoen, deel te nemen. Het liep af, zooals het orakel in zijn wijsheid had beslist, en zoo moest op last van den stadspandit de dorpspandit boete doen voor de zonden van zijn vrouw.

Pandjari en het kamp der pelgrims tegenover den Mahagoenaspas
Vijf mijlen boven Bhavan ligt, tegenover het Gelukkige Dal Eichmakam, oord der zaligen, op de helling van een heuvel een stadje onder de oude muren van zijn ziarat of heiligdom. Het lijkt wel wat op een dorp in Umbrië, en de ziarat met haar loggia verhoogt de gelijkenis met Italië, welke gelijkenis niet te niet gedaan wordt door de spits van de pagode. Het is het heiligdom van Zaïn-oed-din, een der discipelen van den grooten nationalen heilige van Kaschmir, Noer-oed-din. Hij wordt in hooge eer gehouden, vooral door de bootslieden, die er hun kinderen heenbrengen als de tijd is gekomen, om hun eerste haarlok af te knippen. Ze brengen dan tegelijkertijd gevogelte en rammen, die ze op de plaats zelve dooden en nuttigen. Er werd mij gezegd, dat meer dan tweehonderd personen zoo leven op kosten der geloovigen. De wijze van verdeeling is dood eenvoudig; elk der mollahs ontvangt de recette van een dag en ze wisselen elkaar bij beurten af.
De ziarat zag uit de hoogte neer op de noteboomen, waar we onder kampeerden. Men volgt, om er te komen, de eenige straat, die steil en ongemakkelijk omhoog loopt en waar winkeltjes en stalletjes aan staan. Boven dien dorpsbazar voert een trap naar de poort, waar een paar oude mollahs bij uw aankomst heen en weer loopen, en de broeder portier, gezeten naast de gong, waarop hij slaat om de verloopende uren aan te kondigen, de hand ophoudt precies als een italiaansche koster. Twee van de zijden van het plein worden ingenomen door het klooster of de galerijen, de beide andere door gebouwen en den ingang van het heiligdom. Dat is een zeer kleine grot in de rots, nauwelijks groot genoeg om vijf of zes personen te bevatten. De priester, wiens dag het was om de giften te ontvangen, zat gehurkt bij een soort van groote houten kooi, zwart geverfd onder een katoenen hoes, die er vuil en onoogelijk uitzag. Het is het ledige graf van den heilige. Na zijn verdwijning heeft men op die plaats zijn lans, zijn rozenkrans en zijn brood gevonden.
Voordat de bezoekers de ziarat verlaten, vertoont men hun die relieken en nog een paar andere; bij de lans behoort een mooie, bewerkte ijzeren boog; de rozenkrans bestaat uit een tiental kralen ter grootte van een klein ei; het beroemde brood lijkt op een versteende beschuit, en dan zijn er nog een houten sandaal en de horens van de geit van den heilige. Men moet zien, met welk een vuur priesters en pelgrims er hun lippen op drukken en ze tegen hun oogen wrijven. Nog het meest verbaasde mij de vrome eerbied, waarmee onze brahmaan die relieken van een mohammedaanschen heilige vereert.
Hij slikt blijkbaar alle histories, die hem verteld worden, en die hij bij gelegenheid mij oververtelt. De meeste hebben een veel meer indischen dan muzelmanschen geur, en het is jammer dat mij de ruimte ontbreekt, ze hier te noteeren. Laat het genoeg zijn, te zeggen, dat deze suppoosten van den Islam, van wie sommigen een rembrandtiek uiterlijk hebben, elkander risji’s noemen met een titel uit de oude geschiedenis van Indië. In werkelijkheid zijn de pandits en de Mohammedanen van Kaschmir vrijwel met hetzelfde sop overgoten. Van Bhavan naar Eichmakam gaan is van de pandits in de mollahs vallen.
IV.
De bedevaart van Amarnath.—Het dal van de Lidar.—De pelgrims uit Indië.—Naar de toppen.—De heilige grot.—In de dholi.—De goedhars of buffelherders.
Van de vier bergstroomen, die zich bij Anantnag of Islamabad vereenigen, om de hoofdrivier van Kaschmir te vormen, is zonder twijfel de Lidar de voornaamste. Haar dal is ook het schilderachtigste en heeft de meeste aantrekkelijkheden. Vijftien mijlen is het lang en, beginnend bij de gletschers, eindigt het bij de rijstvelden in de vlakte. Eerst is de stroom troebel met melkkleurig water en loopt tusschen de kale bergtoppen, daarna valt hij van rotsplateau op rotsplateau, vloeit door prachtig beboschte kloven, en is ten slotte in de levendige, vroolijke vlakte gekomen met een bedding vol steenen en puin.
Veel drukte en veel schuim brengt het riviertje mee, en bij die decoratie passen de afwisselende spelers op dat tooneel. Honderden pelgrims uit alle hoeken van Indië doorwandelen telkens in de maand Augustus het dal van het begin tot het einde, ja tot voorbij de bronnen, in gezelschap met het verplichte geleide van brahmanen en kaschmireesche koelies. Hun weg leidt langs veel heiligdommen, sommige door menschenhanden gebouwd, andere eenvoudige spelingen van de natuur, in puin liggende tempels, heilige bronnen, goddelijke rotsen of geheimzinnige meren, die ieder zijn eigen legende heeft en zijn bijzondere kracht. Zoo heeft het dal van de Lidar voor ieder wat; er is plaats voor den hengelaar, voor den bewonderaar van ruïnen en landschappelijk schoon, zoowel als voor den reiziger, die staaltjes van menschelijkheid wenscht te zien.
Dus is het niet te verwonderen, dat het aantal bezoekers jaar op jaar toeneemt; enkelen geven er zelfs de sportieve genoegens van Goelmarg voor op, ofschoon dat het officiëele zomerverblijf is, terwijl anderen, terugdeinzend voor de lange reis naar Sonamarg, in de buurt van Balgan blijven, om de groote hitte te laten voorbijgaan. Evenals zij gaf ik aan het vreedzame dorp der herders de voorkeur boven de “gouden weide” en zelfs boven “het dal der rozen”.
Reeds hebben wij te zamen het geheele lage gedeelte van het dal bezocht van Bhavan af, waar veel brahmanen zijn, tot Eichmakam met zijn mollahs. Na dit laatste dorp wordt het dal nauwer en voortaan volgt de weg den oever van de Lidar. De rivier zelve vormt nu niet meer een onontwarbaar net van kanalen, waarvan ik er tusschen Eichmakam en Sallar veertig heb geteld, maar zij heeft voortaan een enkele bedding, waar in het schuimende water boomen worden meegesleurd.
Wij kwamen te Bhatkote in een harde regenbui. Al wachtend op het opslaan der tenten, zocht ik een schuilplaats onder de veranda van een kleine moskee. Dat was, als in alle dorpen, een droevig vervallen gebouwtje. De mohammedaansche Kaschmirees bekommert zich minder om Allah dan om de plaatselijke heiligen en gaat in hoofdzaak liever naar de ziarats dan naar de moskeeën. Ik vond geen andere gelegenheid om te zitten dan de draagbaar, die alle dooden uit den omtrek grafwaarts brengt.
In dien tijd had er een episch voorval plaats onder de mooie notenboomen van het kamp. Bhatkote wordt bewoond door maliks of heeren van den weg, stellig afstammelingen van den een of anderen kleinen radja, die vroeger in het dal regeerde. Hoewel ze Mohammedanen zijn, hebben ze het privilege behouden, om de hindoesche pelgrims naar Amarnath te geleiden en het vierde deel der offeranden te innen. Een zeer oud hoofd, misschien de oudste van het dorp, had het weldra aan den stok met den pandit. Deze eischte rijst, die de ander vastberaden weigerde, zwerend bij zijn baard en bij den Koran, dat er geen korrel meer in het dorp was. De pandit, die op dit stuk geen scherts verstaat, dreigde den grijsaard met zijn stok. De bedreiging was niet ernstig gemeend, maar de goeie man was er toch zoo verschrikt van, dat hij bijna een flauwte kreeg en tegen een boom moest leunen, om niet te vallen, zoo beefde hij, terwijl de veldwachter of tsjankidar den meer geveinsden dan oprechten toorn van den pandit kalmeerde, door hem den baard te streelen en hem waarden vader te noemen.
Een uur later kwam de oude malik, die een mooien tulband had opgezet en een groen kleed had aangetrokken, mij met salams begroeten en bood mij alles aan, wat we noodig hadden, gevogelte, boter, eieren, melk en groenten, tegen een goeden prijs, wel te verstaan. Waarna hij mij vertelde, dat hij een zeer oud man was en dat men getracht had, hem te vermoorden, toen hij bij onze aankomst gezegd had ons te willen begroeten.... Het kostte mij moeite, van hem af te komen.
Daar wij te Bhatkote voor goed de rijstvelden vaarwel zeiden, wilden de mijnen, voor we het bergland ingingen, den reeds grooten voorraad rijst nog vermeerderen. Door de parvana’s of orderbrieven, die we te Srinagar hadden ontvangen, te vertoonen, kregen ze nog een weinig, maar tegen een roepij voor de acht sers of ongeveer 800 gram, wat diefstal leek in de oogen van den pandit, die te Bhavan zestien kreeg voor denzelfden prijs, en vier-en-twintig te Islamabad.
Na Bhatkote wordt het landschap al woester; op enkele plaatsen wordt het dal een echte kloof, die enkel ruimte liet voor het pad en den stroom.
Iets hooger wordt het dal weer breeder, en men komt weldra te Ganesj-Bal. Het dorpje van dien naam is in twee deelen verdeeld door de rivier. Op den linkeroever en de eerste hellingen vormen drie huizen in eenige velden met maïs en zwart koren, het muzelmansche dorp. Aan den anderen kant ligt het hindoesche dorp vlak aan het water; het bestaat uit twee huizen voor de poerohita’s en enkele planken hutten voor de pelgrims. De plek is zeer beroemd om het beeld van den god, waarnaar het dorp is genoemd. Meen nu niet, dat hier een standbeeld wordt bedoeld, maar ga met de oogen des geloofs zoeken midden tusschen de versnellingen van de rivier, en ge zult daar een rots aantreffen, door het water afgeslepen tot iets wat op een olifantskop lijkt. Dat is Ganesj!
Tegen den tijd van den pelgrimstocht worden er twee zwarte vlekken op gemaakt, om de oogen te verbeelden, waardoor de gelijkenis treffender wordt. Dit beeld is een van de vele natuurbeelden, die in Kaschmir zoo talrijk zijn en er druk vereerd worden. Volgens de brahmanen hoorde Boet-Sjikan, de beeldenstormer, op zijn verdelgingstocht ook van dit beeld spreken en besloot, het te vernielen. Dus begaf hij zich op weg. Bij de eerste halte voor den nacht verscheen hem Ganesj en sprak: “Ga niet verder; ik raak uw knieën als een teeken. En als dat u niet voldoende is, zie dan morgen vroeg naar de Lidar; die rood zal wezen.” Zoo was het; maar de ongeloovige minachtte die waarschuwing des hemels, en voor hij bij de plek van het beeld was gekomen, stierf hij. Hij kwam met al de zijnen om onder de steken van een wolk van bijen. Op den tienden dag van de veertien lichte dagen van Augustus houden de pelgrims op hun weg naar Amarnath er stil. Er wordt een brug van planken tusschen den oever en het beeld gelegd. De geloovigen bieden het meelkoeken aan met honig, geven daarvan mee aan de brahmanen van de plaats en eten zelf de rest op.
Van Ganesj-Bal af ziet men tot Palgam toe een menigte kampen opgeslagen. Op de vroegere oevers der rivier, nu ver boven de tegenwoordige bedding gelegen, brengen de tenten der Sahibs tal van lichte stippen aan tusschen het ernstige groen van dennen en sparren. Het spreekt vanzelf, dat met een dergelijken toevloed van Europeanen de hulpmiddelen der naburige dorpen al gauw zijn uitgeput. Men moet ten minste twee koelies hebben, om voor de fourage te zorgen en steeds weer heen en weer te gaan tusschen het kamp en Islamabad of Srinagar.
Palgam heeft zijn houten huisjes verspreid aan den voet van het groote, met eeuwige sneeuw bedekte gebergte Kolahoi, op de plaats waar de beide hoofdarmen van de Lidar uiteengaan. De rechtertak gaat naar het Noorden en is de weg naar Amarnath. Het traditioneele tijdstip voor het bezoek aan de beroemde grot nadert, en den 17den Augustus maakten wij onze laatste toebereidselen voor dat uitstapje.
Wij begonnen met aan den lambardar het meeste van onze bagage toe te vertrouwen, en alleen het allernoodigste bij ons te houden, de tenten en het ameublement, het keukengerei, proviand voor veertien dagen en warme kleederen. Alles zoo zuinig mogelijk berekend, waren het er nog vijftien lasten; dus moesten we vijftien dragers hebben. Al is het niet moeilijk, koelies te huren, om u van de eene etappe naar de andere te begeleiden, de zaak wordt heel anders, als men ze bij zich wil houden gedurende een paar weken en ze ver van hun huis en hun velden meeneemt. Men moet dan aan de aanlokselen van een goed loon en een dagelijksche vergoeding voor voedsel nog een zachten druk toevoegen van een of ander officiëel persoon, om de aarzelenden over te halen. Alle autoriteiten van het dorp waren op den bewusten morgen opgeroepen voor dat doel en gingen aan het disputeeren, dat wil zeggen, aan het schreeuwen. Eindelijk trad de lambardar van Eichmakam, die tegelijk jelladar is van het geheele dal, en leverde ons de vijftien koelies, die we noodig hadden. Zijn hulpvaardigheid was niet volkomen belangeloos, en het hooge personage vroeg als belooning om ledige flesschen en blikken van conserven. Nu en dan verzendt hij zijn correspondentie, een stukje papier, zeer smal opgevouwen en in de spleet van een ring gestopt, dien de onderdanen elkander overbrengen, tot de brief, van hand tot hand gaande, zijn bestemming heeft bereikt. Het meest verrassende is, dat zulke brieven aankomen.
Daar het spoedig volle maan zou zijn, zagen wij den geheelen dag een aantal van die vrome bedelaars voorbijgaan, die sadhoes worden genoemd en die voor fakirs zouden doorgaan, als het Mohammedanen waren. Sommigen zijn wat meer of wat minder netjes in oranje katoen gekleed; anderen hebben zich als harlekijns toegetakeld, en enkelen, die bijna naakt zijn, hebben hun lichaam met asch ingesmeerd. Allen dragen een bedelnap, nu eens van koper, dan weer eenvoudig een kokosnoot of een kalebas. Een had de zijne bij wijze van kapsel op zijn roode, door asch vaalgetinte haren gezet, hetgeen zoo ongeveer alles was, wat hij aan kleederen aanhad. Buiten die sadhoes, die voor het meerendeel uit Indië komen, komen geheele familiën uit Srinagar, mannen, vrouwen en kinderen, zelfs zuigelingen van brahmanengezinnen. Al die menschen gaan niet voor na twee dagen weer uit Palgam weg. Dan zal de politie het sein geven, en een sadhoe met het vaandel begeeft zich op weg naar Amarnath, waarna alle anderen volgen.
Zoo lang kampeeren ze op een eiland, gevormd door twee armen van de rivier. Wij zijn ze natuurlijk gaan zien. Ze hebben allerlei soort van tenten, de meeste zijn niet anders dan afdakjes van een paar uit de jungle gehaalde stokken, waar een lap stof over is gehangen. De eerepalm kwam toe aan een bijna naakten asceet, die onder een parapluie huisde en een doek erover had gehangen als wand. Een andere, zeer oude man met een langen, puntigen witten baard en een krijgshaftig uiterlijk, een drukke prater, stelde ons zijn leerlingen voor en vertelde, dat hij uit Patiala kwam, een der inlandsche staten van Pendsjab.
Tannin, 18 Aug.
Daar zijn we te Tannin sinds twee uren, en we hebben nog net tijd, om uit te blazen en te dineeren. Van Palgam is dit een zware tocht. Wij zijn heden morgen om zeven uur vertrokken, na onze laatste inkoopen te hebben gedaan van enkele paren poelahor of sandalen van gevlochten gras, en eenige kangri’s, de kaschmireesche stoven. Twee paren sandalen en een kangri kosten drie anna’s of dertig centimes.
Allen hadden het druk in het kamp der pelgrims. Er waren, die hun afdakje afbraken, om zich te wikkelen in een doek, die hun bij nacht tot huis diende. Ook waren sommigen bezig, vuurtjes aan te leggen. De meest matineusen gingen het hout hakken, dat ze ’s avonds zouden gebruiken.
Toen we de rustieke bruggen over waren, volgden wij langs de helling van den berg een steil pad, juist breed genoeg voor één persoon. Twee uren later waren we te Preslang, een ellendig dorp, het laatste aan dien weg, en waar niets was te krijgen.
Hoe verder men komt, des te woester en mooier wordt het dal. De stroom vliet snel tusschen hooge rotsen door en vormt op enkele plaatsen drie verdiepingen van watervallen. Op den linkeroever zijn de hooge, met sneeuw bedekte bergen met sparren begroeid, terwijl de rechteroever, naar het zuiden gekeerd, kaal was. Maar de schoonheid lag daar in de grillige vormen der granietrotsen. Op de eene plaats wees een spitse naald omhoog en geleek op een klokketoren; op een andere scheen men een vervallen kasteel te zien of het portiek van een grooten tempel.

Het Amarnathdal, uit de grot gezien.
Wij hadden ons kamp opgeslagen aan de samenvloeiing van twee riviertjes, een punt als Palgam in het kleine en woeste; er was een boschje bij van dennen en berken. De tenten stonden vlak tegen den berg aan, dien we den volgenden morgen vroeg zouden bestijgen. Vooraf verlichtte des avonds de maan het landschap, viel op de prachtige bergwanden en de toppen en straalde op de donkere bosschen daar beneden.
Na het verlaten van het kamp bestegen we eerst den Pich-Bal, een minstens vijfhonderd meter hooge rots, die bijna loodrecht oprees. Het pad ging recht omhoog tusschen de steenen, en het is tevens de weg dien het water neemt in den tijd van het smelten der sneeuw. Slechts op enkele punten waren er een paar zigzags, en soms waren de rotsblokken zoo hoog, dat men er zich met moeite tegen op moest hijschen. Van boven af gezien, was het om medelijden met onze arme koelies te krijgen. Naar den grond voorover gebogen, onder den last der tenten, die op groote bruine of witte schelpen geleken, sleepten ze zich moeielijk voort als doodzieke slakken. De boomgrens was al achter ons, en ieder klaagde meer of minder over duizeligheid of misselijkheid, de eerste verschijnselen der bergziekte.
Maar toen de reuzendrempel overschreden was, wat was het toen heerlijk, dat de karavaan kon uitrusten en zich neervlijen in het bloeiende kruid! Wij hadden de marg bereikt, de groote alpenweide, die op een reuzentuin geleek, waar duizenden van onze wilde bloemen bloeiden. Een optelling zou geen denkbeeld kunnen geven van de wondere pracht en frischheid dier kinderen van Flora, daar op de hoogten slechts bloeiend voor God.
Het pad liep nu ter halver hoogte de grazige helling in een soort van breed dal. Links boven onze hoofden hingen groote, overhangende rotsen, die ons schenen te willen verpletteren; rechts beneden ons liep de rivier onder tunnels van sneeuw door of kwam daar als een waterval weer uit te voorschijn, vullend de ruimte met rumoer en stuivend water. Hier en daar hadden enkele berken zich nog weten staande te houden. Velen lagen bijna op den grond door den druk der sneeuw, en hun verwrongen stammen en takken lagen ter aarde als zilveren slangen.
Plotseling deed zich een prachtige aanblik voor op de gletschers; we kampeerden daar juist tegenover op de weide met haar mollig grastapijt. Maar met den avond kwamen kou en vocht opzetten, en we hebben niet anders dan een vuur van berkentakken, om ons te verwarmen, een vuur nog wel, dat telkens in vonken uiteenspat, zonder te vlammen.
Cecha-Nag, 20 Aug.
Dezen morgen moesten we weer een berg bestijgen, iets minder hoog, maar niet minder moeilijk. Zoo klimmen wij met een marschdag telkens een stapje verder als dwergjes, die een trap van reuzen opklauteren. Van boomen is er geen sprake meer, behalve dat we een paar kromgegroeide jeneverstruiken zagen in een holte van de rotsen.
Eindelijk bereikten wij den oever van een meer. Het moet de naga wezen, die vroeger dichtbij Bidsj-Bihara woonde en die zich uit tegenzin tegen de wereld naar deze onherbergzame wildernis heeft teruggetrokken. Nag of meer, de aanblik is in elk geval grootsch. Een ovaal bekken is met het heldere water gevuld en ligt tusschen ruwe rotsen; aan het boveneind ligt een reuzengletscher, waarboven met zijn sneeuwkap de zwarte top van den Koh-i-Noer opsteekt.

De Koh-i-Noer en zijn gletschers.
Ik schrijf, gewikkeld in mijn bont en met de kangri onder mijn voeten; toch is de zon nog niet ondergegaan. Zij braadt mijn rechterwang, terwijl de linker bevriest. Ik had iets dergelijks gelezen in een verhaal van een reis door Thibet, en kon het toen bijna niet gelooven. Nu is het ervaring, evenals ik nu met kennis van zaken over de kangri kan praten, maar dat is iets aangenaams. Toen ik de oogen opsloeg, zag ik slechts rotsen en sneeuw. Alles is woest en verlaten, en de aanblik doet aan de zee denken. De wolken vullen de smalle kloof, waardoor we morgen dezen ons omringenden kring van bergen zullen verlaten; men ziet ze dalen langs de hellingen met het vallen van den avond. Dadelijk zullen ze ons bereiken. Als de koelies niet praten, hoort men niets anders dan het ruischen van de beken, die van alle kanten van de gletschers neerdalen, en alleen het scherpe geluid van de marmotten doet zich nu en dan hooren. Men krijgt den indruk van een landschap, dat eeuwig zoo zal blijven tot aan het einde der dingen, als de aarde niet dan een uitgedoofde ster zal wezen, en het is, of wij raken aan de reeds afgekoelde oppervlakte onzer planeet.
Kel-Nar, 21 Aug.
Toen we van morgen wakker werden, droegen alle toppen in onze buurt versche sneeuw. Een ijskoude regen viel op ons neer. Maar daar komen toch de pelgrims aan in een ganzenmarsch. Het is om medelijden met hen te krijgen, half gekleed slechts, en rillend onder hun katoenen lompen. Zeker had diegene, die het eerst den pelgrimstocht naar Amarnath in de mode bracht, zin voor het schilderachtige, maar het ontbrak hem ook niet aan moed. Het is voor die menschen wel iets anders dan voor verwende stedelingen, maar ze wagen er toch hun leven mee, en in slechte jaren komen velen van koude om. Het is gelukkig, dat zij gesteund worden door het geloof en de hoop, Siva van aangezicht tot aangezicht te zien, een aantrekkelijker motief en meer vergefelijk dan de nieuwsgierigheid, die mij drijft.
Van een beter oogenblikje gebruik makend, toen het weêr wat helderder was, besloten wij op onze beurt te vertrekken. Wij moesten al dadelijk over een rivier, waar een sneeuwbrug over lag, die inderdaad veel steviger was dan men zou hebben verwacht. Maar daar zijn andere stroomen, die ons den weg versperren. Het zou vreemd kunnen schijnen, zooveel water op zulke hoogten te vinden, als niet de onuitputtelijke gletschers boven ons lagen.
Wanhoopskreten klinken op eens. Het is een koelie, die in de rivier ligt te spartelen en erbarmelijk gilt, terwijl hij zich aan een steen vastgrijpt. De kameraden komen hem te hulp en brengen hem naar den kant. Natuurlijk is het van de vijftien juist degene, die de melk en de suiker draagt, die dit onvrijwillig bad te beurt valt. Gelukkig sloot de kist goed en de verdere kruidenierswaren zijn droog gebleven. Wat de melk aangaat, die hij in de hand had, die is zonder dat we het wilden, aan de naga’s van de streek ten offer gebracht.
Toen dat incident was afgeloopen, ging het hijschen weer aan den gang. Wij moesten stijgen naar den pas van Mahagoenas of van de Groote Slang. Er ligt veel sneeuw, wat niet te verwonderen is, want we zijn op 14000 voet hoogte. Met moeite worstelden we door de losse steenen; de helft van den berg schijnt in den pas te zijn gevallen, en de pandit beweert, dat de bliksem dat heeft veroorzaakt. Veel steenen liggen bij drieën en vieren, als kleine, door kinderen gebouwde huisjes. Ieder pelgrim richt er zoo een op en plaatst er een stuiver bij, dien de maliks van Bhatkote dan later inzamelen.
Wij stijgen nog steeds. Hier en daar vertoont zich het edelweiss. Niets kan een denkbeeld geven van de troostelooze eenzaamheid van den pas, tusschen de granietmuren onder den grijzen hemel, waar de wind, die erover heen veegt, ons tot op het gebeente verkilt. Een cairn of steenhoop staat op de hoogte, en wij volgen het gebruik, door een steen bij den hoop te voegen. Dan gaat het naar beneden langs gladde hellingen in een ander dal, waar gras te vinden was, een dal, dat wel op het vorige geleek, maar op het noorden, zoodat het water niet naar de Lidar, maar naar de Sind afvloeide.
De regen had ons onderweg ingehaald, en weldra ging hij over in gesmolten sneeuw, en al spoedig in werkelijke sneeuw. Wij hielden stil op de eerste plaats, waar men erover denken kon te kampeeren, namelijk te Kel-Nar in de Ibexkloof. Ik wachtte daar twee lange uren in de sneeuw op de tenten, die maar niet kwamen. Daar zijn ze eindelijk en worden zoo spoedig mogelijk opgeslagen. Niets uit de menschen te krijgen. De hindoesche bedienden, die nog nooit sneeuw hadden zien vallen, waren verslagen. De koelies, die toch goede wollen dekens hebben, schreien en zeggen, dat ze allen zullen sterven. Twee van hen ontbraken op het appel, en de nacht viel. Twee anderen willen wel tegen een flinke fooi hen gaan zoeken. Tot overmaat van ramp was er geen hout om vuur aan te maken; hoogstens kan men met een alcohollamp voor mij een kop thee bereiden. Ik gaf bevel tot een algemeene verdeeling van de suiker, die hier als een warm voedsel wordt beschouwd. Daarna liet ik de koelies onder de dubbele tent gaan, waar ze den heelen nacht bromden en klaagden op den doorweekten weidegrond. De pooten van mijn veldbed zakten er diep in, terwijl de steunpalen van de tenten kraakten en bogen onder den last der sneeuw.
Pandjtarni, 22 Aug.
Het bleef nog een gedeelte van den nacht sneeuwen; maar van morgen was er een prachtige zonneschijn op de versch gevallen sneeuw, en mensch en dier werd door de warme stralen verkwikt. Dat gaf weer moed, en het bleek dat niemand van ons, zelfs niet de kippen, die we meesleepen, is doodgegaan.
De etappe, die nu nog overblijft, is maar kort. Wij blijven dalen langs dezelfde helling vol immortellen en gentianen, en gaan vijf keeren over het riviertje, dat in de diepte kronkelt. De marmotten, gezeten voor hun holen, zien ons voorbijgaan. Tegenover ons, achter eenige kale bergen, verheft zich de piek van Amarnath, einde van ons uitstapje en doelwit van de bedevaartgangers. De rots hier naast ons is geen andere dan de trommel van Siva. De pelgrims zorgen ervoor, dat hij klinkt, als ze er voorbijgaan, door er met een steen tegen te kloppen.
Kort daarna komt men te Pandjtarni. De “vijf stroomen” vloeien in een onmetelijke bedding, half rotsgrond, half weide, afdalend van een tweetal mooie gletschers, die merkwaardige strepen vertoonen. Wij zijn gelukkig niet verplicht, als de pelgrims, om in elk ervan een bad te nemen. Wij richten ons kamp op aan het eind der weide, dichtbij de plek waar de vijf rivieren zich vereenigen, om de Sangam te vormen. Daar vernauwt zich het dal weer, en door den open ingang van mijn tent, die op het noorden ligt, zie ik slechts een driehoek van bleeke lucht, de lucht boven Ladakh of Klein-Thibet. De grens ervan is maar een dagreis verwijderd; maar we zijn al te ver in het jaargetijde, en de kloof, die naar Saltal voert, is voor het oogenblik niet over te trekken.
Des avonds waren de bedevaartgangers eindelijk aangekomen. De ambtenaren van de politie, die door den maharadja tijdelijk in dienst waren gesteld, hadden in hun zorg voor het welzijn der pelgrims hen in ons kamp teruggehouden, uit vrees dat ze door den sneeuwstorm werden overvallen. Nu zijn ze te laat. Tegen het vallen van den avond komen ze nog langs het pad in lange rijen achter elkaar aanzetten. Ik ging ze om zes uur zien. Ze bestegen den oever, bibberend van hun vijf op elkander volgende baden en met het voorhoofd besmeerd met geel en rood door de poerohita’s, die van twee uur in den namiddag af op hen wachtten, neergehurkt aan den oever van de laatste rivier. Er stonden al een paar tenten. De kooplui, die de pelgrims volgen, hadden allerlei te koop voor diegenen, die geen vuur kunnen aanmaken, òf omdat ze geen hout hebben, òf wel omdat hun gelofte het hun verbiedt. Er waren daar banketbakkers en kruideniers, die slechte thee en allerlei dingen te koop aanboden, welke niet onder de vasten vallen, als amandels, pitten van abrikozen, hennip om te rooken en andere kleinigheden in zakjes. Onze koelies waren veranderd in kooplieden van hout; zoodra de tenten waren opgeslagen, waren ze op avontuur uitgegaan en daar komen ze terug met bundels jeneverbeshout.
Het is een vermakelijke bonte drukte; de menschen slaan de tentpalen in den grond, anderen halen enorme geelkoperen pannen, waar aanstonds de rijst in zal koken, en allen woelen door elkaar aan den voet van den berg, dien ze morgen zullen beklimmen.
Amarnath, 23 Aug.
Van morgen in de vroegte zijn de pelgrims naar Amarnath vertrokken langs hun specialen weg; ze lieten alleen sommige koelies achter voor de bewaking van het kamp. Die weg heeft zijn bijzondere verdiensten. Vooreerst is hij zeer bezwaarlijk, want men moet een bergkam van meer dan 5000 meter overgaan en dan aan den anderen kant naar beneden klimmen, zoo goed als het gaat. Bovendien vervult men zijn godsdienstplichten op een steile rots, waarvan het heet, dat ze een beeld is van Bhairava. Er worden meelkoeken aan het beeld aangeboden en suiker, een gebruik, dat te practischer is, omdat de arme pelgrims volkomen nuchter naar boven moeten klauteren. Oudtijds beklommen velen de punt en wierpen zich van boven neer, om naar hun meening ten hemel te stijgen. Die gevaarlijke sprong naar de andere wereld is nu door de politie verboden. Laat men thans eens tegenspreken, dat de beschaving vorderingen maakt!
Op de andere helling ontdekt men in de rotsen een spleet, die een soort van natuurlijke poort vormt. Wie daar doorheen is gegaan, behoeft niet meer op aarde terug te keeren, want onder dezen vorm stellen de Hindoes zich hun eeuwig heil voor. De pandit vertelde, dat diegenen, die iets ernstigs op hun geweten hebben, er niet door kunnen; een geheimzinnige macht, die niet te overwinnen is, houdt hen tegen, en er wordt verzekerd, dat menigeen zich niet zeer rustig voelt, als hij de geheimzinnige proef moet doorstaan. Maar dan heeft men ook alleen nog maar de gelukzalige grot te bereiken.
Wat ons, profanen, aangaat, wij volgen op den heenweg het pad, dat de pelgrims op den terugweg bewandelen; dien volgen ook bij voorkeur de geloovigen, die zich te zwak voelen, en de zieken, die dwaas genoeg zijn, hier genezing te komen zoeken. Men moet niet denken, dat die nu nog al gemakkelijk is; men is al blij, een plaatsje te vinden voor één voet tegelijk en vaak op een afglijdend stuk steen.

Bad der pelgrims te Amarnath.
Het ergste is, dat als men boven is, men ook weer naar beneden moet langs een pad van hetzelfde kaliber, tot men eindelijk de bedding van de rivier bereikt. Dat is dan de stroom van Amarnath, de Amaravati geheeten. Men loopt in de diepte van deze sombere doodenvallei, nu eens over puin, dan over sneeuwtunnels. Aan alle kanten omringen u kale bergen, welker kruinen even sterk zijn ingesneden als de golven op een dag van storm op zee. Enkele lijken echt golven, die verstard zijn, toen ze den hemel bestormden. In een ervan bespeurt men ter halver hoogte een spleet, waarheen onophoudelijk stroomen menschen opgaan, terwijl andere ervan afdalen. Dat is de grot van den Heer der Onsterfelijken.
Op een enkelen dag van het jaar, een dag van volle maan in Augustus, vullen de bedevaartgangers het dal met hun bonte scharen, waarin de oranje kleur van het gewaad der sadhoes of bedelaars den boventoon voert, en met het rumoer van hun uitroepen. Hun eerste daad is zich te baden in de rivier Amaravati, die links van de grot drie verdiepingen van watervallen vormt. De benedenste schijnt voor de vrouwen gereserveerd. De mannen hebben niet anders aan dan een gordel van berkeschors om de lendenen geslagen met een koord van dezelfde stof; de vrouwen hebben een lap witte stof omgeslagen en allen uiten den kreet: “Amarnath-Svani-ki-Jay! Leve de koning der goden!” Met dien uitroep stormen ze naar de grot.
Men treedt er binnen langs een soort van leuning langs den linkerwand. De groote gapende boog, wijd als de ingang van een kathedraal, is rechts half gevuld door puin. De pelgrims smeren hun gezicht met leem, anderen zelfs hun geheele lichaam met het gipsstof. Men moet ze zien aan den ingang van het hol, de handen uitgestrekt, het hoofd achterover, met open mond, in spanning lettend op de droppels water, die door het gesteente worden gefiltreerd, om er in het voorbijgaan enkele druppels van op te vangen, want dat water is niets minder dan ambrozijn. Dan eindelijk zich in hun volle lengte op den grond werpend, komen ze de grot binnen.
Het hoofddoel van de bedevaart is de aanschouwing der bevroren bronnen, die Siva moeten voorstellen en zelfs zijn familie. Stelt u voor in een ruimte, waar de zon nooit binnendringt, soorten van kleine glazen koepels. De grootste zou niet anders zijn dan een natuurlijke voorstelling van den god. Sommigen beweren, dat de dikte van het ijs toeneemt en afneemt met de maan; maar niemand kan het zien. In de ziel der pelgrims is geen schaduw van twijfel. Met welk een devotie drukken ze zich tegen het blok ijs, er geestdriftig hun voorhoofden tegen wrijvend, hun armen, hun naakte bovenlijven; als ze zich aan de eene zijde hebben gewreven, beginnen ze aan den anderen kant. Vervolgens houden ze in de kille schaduw van de grot een soort van danspartij, gewijd door een rhythme van handgeklap.
Onnoodig te zeggen, dat de poerohita’s van de party zijn, zij hebben de ijsblokken met roode vlaggen versierd, met kleine walmende lampen en hebben er bloemen gestrooid. Twee van hen zitten zoo maar op Siva; twee anderen houden een touw van gevlochten stroo vast, om de opdringende menigte op een afstand te houden. Al die menschen, die zoo dweepziek moeten zijn, ontvangen ons zeer vriendelijk. Men schijnt het zeer goed te keuren, dat ik mijn onrein lederen schoeisel door strooien sandalen heb vervangen. Er wordt mij belangstellend gevraagd, of ik den beroemden gletscher al gezien heb of dat ik er nog heen ga. Ik zou het in elk opzicht onaangenaam hebben gevonden, als ik deze brave menschen in hun geloof had moeten kwetsen. Ieder geloof is heilig, zoo lang het oprecht is.
Om de waarheid te zeggen, maken de poerohita’s een onnoodige drukte en duwen de sadhoes heen en weer; om ruim plaats te maken voor de Sahibs, die bij gebrek aan geloof roepijen meebrengen. Zij geven mij daarvoor in ruil een overvloed van kandij, amandelen, bloemen en hechten om mijn linkerpols een armband van roode wol en gele zijde. Een arme, oude vrouw vroeg mij een aalmoes en ging dadelijk het ontvangen zilverstuk brengen aan brahmanen, die bezig waren te offeren bij een klein vuurtje. Van avond wordt de ontvangst gedeeld; een vierde is voor de poerohita’s van Bhavan, een vierde voor die van Ganesj-Bal, een derde vierde deel voor de sadhoes, die het vaandel gedragen hebben, en het laatste voor de maliks van Bhatkote.

De sadhoe of bedelaar van Patiala en eenige pelgrims.
Later hebben wij de klachten van den ouden malik vernomen, toen we weer door dat dorp gingen. Zij hadden voor hun deel maar honderd roepijen gekregen. Trouwens ze zeggen elk jaar, dat ze zijn gefopt, en dat is niet onmogelijk, om de eenvoudige reden, dat de toegang tot de grot, en dus alle toezicht op de financiëele operaties, verboden is aan de Mohammedanen.
Toen het bezoek aan den gletscher afgeloopen was, konden wij heengaan. Het was voor al die arme stumpers een treurige aftocht. Uitgeput door acht dagen van vermoeienis en vasten, waren ze hier gekomen, en nu werden ze niet meer gesteund door den wil om het doel te bereiken. Zoolang de weg naar beneden liep door het dal van Amarnath, ging het nog, want toen had men het gezicht op de heilige grot, en wij hoorden geestdriftige kreten. Aan den oever van de rivier zagen we vrouwen zich vooroverbuigen, om water te scheppen in de holte harer handen en elkander te laten drinken, waarna ze elkaar tot driemaal toe omhelsden. Zoo sluiten ze een vriendschapsbond.
Zoo’n verbond, vertelde de pandit, heeft den voorrang boven ieder wereldlijk belang en elken familieband; het geldt voor leven en dood.
Weldra verspreidden zich de groepen en de uitroepen werden niet meer gehoord. Een der leerlingen van onzen ouden kennis, den sadhoe van Patiala, was zoo zwak, dat hij er wel blijven moest, omdat hij geen geld had om zich te laten dragen. Toen de weg ging stijgen, zagen we niet dan doodvermoeide menschen op de hellingen, zich vasthoudend aan sprietjes gras, zoo goed als het ging, hijgend en klagend en de hoop opgevend, dat er ooit een eind aan den klim zou komen.

De moskee van Sjah Hamadan te Srinagar.
Aan de andere zijde van den berg was de afdaling naar de vijf rivieren niet veel beter; velen van hen, die op handen en voeten zoo even omhoog kropen, lieten zich nu maar op den rug neerglijden. Beneden wachtte hen een laatste bad, even heilig als het koude bad, genomen ter eere der voorvaderen, alsof ze den tijd wilden bespoedigen, waarop ze bij hen zouden wezen.

Mohammedaansche bedelaar.
Ik moet bekennen even vermoeid te zijn als zij, en als zij, sleep ik mij voort, zoo goed en zoo kwaad als het gaat, naar het kamp te Pandjtarni. In de achterhoede worden de achterblijvers aangezet tot spoed door de politie; het zou hun dood zijn, zoo ze alleen achter werden gelaten in deze troostelooze eenzaamheden, waar alles verijsd is, tot de goden toe; en nu valt voor een geheel jaar het dal van Amarnath terug in stilte en verlatenheid.
Den 24sten Aug., ’s morgens, was er te Pandjtarni niets meer te zien dan onze tenten op de van witten ijzel glinsterende weide. Ik had in zoo ver nog de gevolgen te dragen van mijn vermoeienis van den vorigen dag, dat ik mijn vertrek een dag uitstelde. Toen de politiebeambte, die voortging met den optocht tot een goed einde te brengen, vóór zijn vertrek mij nog zijn diensten kwam aanbieden, vroeg ik hem mij een dholi te sturen met een dubbele groep dragers. De dholi is een soort van palankijn of vierkanten draagstoel met een dakje van stof erover. Veilig hangend tusschen twee lange bamboes, leek het mij nog al een dragelijk vervoermiddel; het eenige bezwaar is, dat het veel ruimte inneemt. Maar mijn acht niet gedoopte dragers zijn geoefende luidjes, en ze brengen mij met de grootste handigheid over de lastigste wegen.
Men volgt op den terugweg hetzelfde pad als in het heengaan, behalve dat men gewoonlijk iets afsnijdt door een nog veel hoogeren pas over te gaan als dien van den Mahagoenas en niet minder steenachtig. Op eens is men dan aan den anderen kant. Aan zijn voeten aanschouwt men een onmetelijk wijde kloof, met zonderling gevormde toppen eromheen en meer dan 1000 meter diep. Men zou op het eerste gezicht meenen, dat het onmogelijk is, zoo steile hellingen af te gaan; men doet het intusschen, al is het niet zonder moeite en gevaar. Beneden bij een beek, die plotseling uit den grond te voorschijn komt, vormen de opnieuw gevonden berken een nestje van groen, dat den naam draagt van Astan Marg.
Een heele familie van goedjarsche herders is er met de buffels gevestigd. De oude moeder, een goedig mensch, met het hoofd van een tooverheks, kwam mij begroeten en bood mij koeken van gestremde melk aan, mij noodigend in haar hut. Die was niet veel meer dan een groot afdak, gedragen door enkele boomstammen, een zeer eenvoudig zomerverblijf; in den winter gaan ze naar beneden naar hun dorpen. Ik kon in zake meubels niets ontdekken dan de zakken van geitevel, waarin gesmolten boter wordt bewaard en de aarden of bronzen potten, waarin ze wordt gesmolten.
In een hoek lag een heel jonge vrouw op een bed van droog gras en naast haar lag een baby, die den vorigen dag geboren was. Evenals de andere vrouwen, die ik zag, was ze behangen met sieraden, en ik telde wel twaalf zilveren ringen in ieder oor. Dus verliest de coquetterie nimmer haar rechten, en ik begin te twijfelen aan de hooggeroemde eenvoudigheid van de herderinnetjes.
Maar weten ze wel, hoe gelukkig ze zijn? Graag zou ik voor de rest van den zomer hun koele, frissche verblijfplaats deelen, die door een dichter beschreven zou worden als genesteld aan het hart van den reus Himalaya, als een edelgesteente op de borst van de godin Parvati. Ongelukkig is onze voorraad niet groot genoeg voor dergelijke buitensporigheden, en wij moeten ons weer begeven naar streken van een duizend meter lager, waar men reeds zwaarder lucht inademt. Nog twee dagen van een daling door een schilderachtige omgeving, en mijn dragers zetten mij zacht te Palgam neer. Vandaag heb ik nog alleen maar Kaschmir dwars door te gaan, om dan de bestijging van den Haramoek te doen.
V.
De bedevaart naar den Haramoek.—Begrafenis.—Alpinisme en godsdienstige hydrotherapie.—De tempels van Vangath.—Herfsthuiveringen.—Afscheid van Srinagar.
De achtste dag van de lichte veertien dagen van Bhadrapada, die in het jaar 1896 op den 14den September viel, is de groote dag der dooden voor de kaschmireesche pandits. Maar zij brengen dan niet enkel bloemen naar een kerkhof, dat meer of minder ver uit de buurt is; ze moeten er meer dan 4000 meter voor stijgen langs ruwe wegen door verlaten passen naar een meer, omringd door gletschers en steenachtige hellingen aan den voet van den reus Haramoek. Daar men liever in de Ganges de asch stort van de Hindoes uit Indië, wordt die der Brahmanen en Sikhs uit Kaschmir daar gedeponeerd. Zoo is dan ook het meer bij gebrek aan beter gekozen als een der bronnen van den grooten, heiligen stroom.
De profanen en de kaarten noemen het Gangabal; de brahmanen zeggen dood-eenvoudig de Ganga of de Moekoeta Ganga, de Ganga van den diadeem. Het is bekend, dat de groote rivier vloeit van den haardos van Siva, en nu is de Haramoek, het enorme rotscomplex, met ijs bedekt, dat vijf dalen beheerscht en zeven hooge toppen ten hemel heft, niet anders dan de diadeem en tegelijkertijd de woning van den god.
De pandits beweren, zonder te lachen, dat als men de pradakchina, dat is de toer rondom het meer, doet in den tijd van droogte, dat men dan de haren kan zien, waar de bron onder uit vloeit! Als de achtste dag van de lichte veertien dagen van Bhadrapada na het begin van de najaarsdagen valt, wordt de plechtigheid van het werpen der asch tot het volgende jaar uitgesteld. Dat jaar had het weinig gescheeld, of het feest had niet plaats gehad; het najaar begon den negenden van de veertien dagen.
In alle huizen waar een doode is geweest, moet een der bloedverwanten, zoo na mogelijk, de bestijging doen. Die pelgrimstocht van Gangabal heeft dus een zeer bijzonder plaatselijk karakter. Hier komen geen pelgrims uit Indië, dat wil dus zeggen, geen sadhoes; enkele Sikhs uitgezonderd, ziet men er slechts kaschmireesche brahmanen; het is een ware familiebedevaart.
En het is geen kleine zaak voor de pandits. Men weet, hoe vermakelijk bang de Kaschmireezen zijn voor de prachtige bergen, te midden waarvan ze leven en die ze het liefst uit de verte bewonderen. De bandobast is dan ook een ding van belang, en het schijnt alsof men een poolreis gaat maken. Er moet een tent worden aangeschaft, dan proviand meegenomen, kleeren en dekens in overvloed; verder moet men zich voorzien van suiker, peperkorrels en zure vruchten, alles dingen, die in de vasten mogen worden gebruikt en die men onderweg neemt, om zich op te monteren of te verfrisschen, en vooral niet te vergeten, een reukwerk, geknoopt in een punt van het kleed, om bij wijze van opwekkend zout te ruiken, als men een aanval krijgt van de bergziekte. Ook is het van groot belang kangri’s bij zich te hebben en een aantal sandalen van poelahor, die zooveel waard zijn voor het loopen op de gladde hellingen.
Eindelijk moeten er koelies worden gehuurd, om dat alles te vervoeren, en dan nog de quaestie van de asch. Men ontsluit, om haar mee te nemen, het kastje boven de deur in den buitenmuur, waarin ze was geborgen vanaf den dag der verbranding van den doode. Het is de gewoonte, de enkele overblijfselen van beenderen, die men heeft ingezameld onder de asch van den brandstapel, in een aarden vaas te bergen, samen met kleine stukjes van de vijf edele dingen, parel, saffier, koraal, goud en zilver. Ik heb mij laten vertellen, dat men niet zooveel asch meenam als wel mogelijk zou zijn, uit vrees er last van te zullen hebben op de dag van de bedevaart, want de dooden kunnen den levenden hinder veroorzaken.
Eindelijk, daar zijn onze pandits op weg, niet zonder dat de dragers van asch eerst in hun huis een eersten lijkdienst hebben gevierd. Die laatste diensten worden trouwens elken dag van den tocht gehouden, schenkingen van meelkoeken, water en vruchten aan de geesten der afgestorvenen. Bij de Ganga moeten allen aan zulk een lijkdienst deelnemen, en zij, die asch hebben heen te brengen, houden er twee. Wij haalden te Prang, aan den oever van de Sind, de bonte scharen der pelgrims in, die aan het ontbijt waren na hun offerande of onder de boomen lagen te rusten. Er waren daar zeer mooie vrouwen van pandits; zij gaan inderdaad door voor veel mooier dan haar mohammedaansche landgenooten, en zonder twijfel terecht. Het is misschien niet te verwonderen, want het waren juist de hoogste klassen, die zich niet lieten bekeeren tot het Mohammedanisme.
Bevallig in haar levendig gekleurde kleedjes met wijde mouwen, met een witten gordel om het middel, en om het hoofd een langen, witten sluier geslagen, die op de schouders afhing, maakten verscheiden van haar een bijbelschen indruk. Wat de pandits betreft, de meesten van hen leggen op reis het witte kleed af, dat er met den gordel als een soort van toga uitziet en hun werkelijk niet kwaad staat; zij vervangen het door een costuum, dat veel gelijkt op dat van Kisjtwar, een buis met een korte broek, en banden om de beenen gebonden. Bijna alle dragen ook nog een groote jas, gevoerd met een voering van lamsvel uit Ladakh. Enkele knapen geleken met hun geborduurde mutsen en gekleurde wambuizen boven de nauwsluitende broeken op pages uit de middeleeuwen. Anderen hadden het betreurenswaardige denkbeeld gehad, wonderlijke jassen aan te trekken, meesterstukken van kleermakerskunst uit de hoofdstad; er waren hemelsblauwe, bruine, groene, zelfs enkele van zwart fluweel, alle van buiten versierd met zakken als die van jachtbuizen. Die jeugdige pronkers stellen het jonge Kaschmir voor, dat zich in alles het engelsche volk heeft ten voorbeeld gesteld; zij begroeten ons in het Bargoensch, dat ze hebben geleerd op de school van Srinagar en dat ze nu gebruiken in de hoop, een of ander postje bij de karavaan te krijgen. Intusschen willen ze den tocht naar Gangabal niet opgeven. Naast hen vervullen de poerohita’s hun plicht als aalmoezeniers. Verderop zit een groep Sikhs vroolijk te praten. In hun nabijheid hingen, over de vork van de in den grond gezette stokken, zakjes van verschillende kleuren, bevattend de asch van hun dooden. Op die manier voeren ze die naar de Ganga; de pandits hangen de zakjes gewoonlijk om den hals. Enkele hadden er tot drie of vier; de verschillende kleuren van de zakjes dienen in zulk een geval, ze uit elkander te houden, want ze moeten den naam van den ex-eigenaar van de asch uitspreken bij het in het water strooien. Des avonds werden overal vuren ontstoken, en het kamp had een zoo feestelijk aanzien, dat het kwalijk strookte met het plechtige doel van de bedevaart.
Den volgenden morgen ging ieder langs een steenachtig voetpaadje naar het dal Sjittagroel; de terugweg wordt genomen door het Vangathdal. Te Sjittagroel wonen de maliks, die, zooals de maliks van Bhatkote voor Amarnath, zorgen voor het tijdelijk welzijn van deze pelgrims en daarvoor een kleine vergoeding ontvangen. Er werd gekampeerd in het open veld aan den voet van den berg; er moesten ongeveer 2000 meter stijgend worden afgelegd. Een hevig onweer, dat des avonds opkwam, had de tenten en de menschen doornat gemaakt. Het was omstreeks middernacht een vreemd gezicht, al die bewegende groepen, half in de schaduw, half in het flikkerende licht der vuren, hun kleeren nog gauw op het oogenblik van het vertrek drogend. Daarna ging de processie in ganzenmarsch langs het pad, enkelen met een harsfakkel in de hand, anderen met een toorts van berkeschors of zelfs met een gewoon windlampje.
Zou des nachts de bestijging wat korter lijken? Ik weet het niet; over dag schijnt ze eindeloos. In eens passeert men alle zônes van den plantengroei. Eerst stijgt het voetpad door een boschrijk dal of eigenlijk ravijn tusschen hooge groene wanden van noteboomen, kastanjes, hazelaars en vijgeboomen. Daarna volgen hellingen met verspreid staande boomen, meest sparren, half ontworteld door de regens en zich krampachtig met hun wortels vasthoudend op de schuinten. Dan krijgen we de lijn van de berken, gevolgd door die van het gras, waarop de streek van de kale rots volgt.
Men vindt hier ook weer, net als aan den kant van Amarnath, die soort van reuzendrempels, die naar de hoogvlakten leiden of de margs, en waar nog alleen enkele zeer hooge toppen boven uitsteken. Maar eerst krijgen we een kloof met loodrechte rotswanden, waar hier en daar een plekje gras zich vertoont, zooals aan den rand der klippen aan zee; dat is de Haph-Nar, kloof der spoken. Daar zouden lang geleden pelgrims gestorven zijn, die verdwaald waren, en ze waren zoo talrijk, dat men in de diepte van de sombere kloof meer dan tachtig pond touw van de heilige koorden der brahmanen heeft gevonden! Iets verder gaat men door een nauwen doorgang in een rots, en daar staan de maliks, om van elken voorbijganger eenige stuivers te ontvangen.
Vervolgens is ieder deelnemer verheugd, als men te Brahmasar is aangekomen, de verlangde plek, waar gerust wordt aan den voet van de hooge, donkere pyramide van den Haramoek, wiens grootheid over het geheele laatste deel der reis heeft gewaakt.
Wat leven hier nog een legenden en wat is het volksgeloof nog levendig! Wie twijfelt, of de top bestaat uit een enkelen steen en of de aanblik iemand tegen den beet van slangen beveiligt, omdat een van die dieren den halsband vormt van den god Siva! De top heet onbeklimbaar. In vroeger tijd had een sadhoe twaalf jaren lang zich tot taak gesteld, hem te beklimmen, om Siva te zien. Dag op dag steeg hij langs het rotspad omhoog; de nacht overviel hem onderweg, en des morgens, als hij ontwaakte, bevond hij zich weer op het punt, van waar hij den vorigen dag was uitgegaan. Zijn geval is tot een spreekwoord geworden in Kaschmir; als bijvoorbeeld een kind den eenen dag vergeet, wat hij den vorigen heeft geleerd, dan is het als de bedelmonnik van den Haramoek.
Er wordt intusschen verteld, dat eens een schaapherder, die naar een verloren schaapje van zijn kudde zocht, zich zeer hoog op den berg waagde. Hij bemerkte in een hol in de rots een man en een vrouw, die tot de meest geminachte kaste behoorden, bezig een wijfjeshond te melken, om hun dorst te lesschen. De man vroeg den herder, of hij mee wilde drinken; maar de blinde Mletsja weigerde en ging voorbij. Toch had de man nog gelegenheid, hem een droppel melk op het voorhoofd te strijken. Onder het afdalen ontmoette de herder den sadhoe en vertelde zijn avontuur. Dadelijk sprong de sadhoe op, likte met zijn tong den droppel van het voorhoofd des herders en ging heen in blijde verrukking. Diegenen, die door den Mohammedaan voor landloopers waren gehouden, waren niemand anders geweest dan Siva en zijn vrouw Parvati.
Zou de god werkelijk dit jaar slecht gehumeurd zijn of is Parvati jaloersch van al de hulde, die gebracht is aan haar mededingster van de Ganga? De koelies zijn natuurlijk nog een heel eind achter, en daar breekt een hevig onweer los met hagel; in een oogenblik is de grond bedekt met een dikke, witte laag; de donderslagen zijn zoo hevig, dat het is, of ze ons de bergen op het hoofd willen gooien; tot overmaat van ramp is een ijzige wind opgestoken en loeit door den pas. Dat treft niet voor de arme brahmanen, die nog een koud bad moeten nemen in de Naga, want geen bad, geen verdienste van den pelgrimstocht. Daarbij zijn ze schrikkelijk bang voor zulke onweêren, die iemand in een oogwenk voeren uit het klimaat van Indië naar dat van Lapland, en vooral voor dien wind, die als het wat later in het seizoen is, wel eens noodlottig wordt voor karavanen, overvallen in den pas. Allen kruipen samen in de tenten, die al bezet zijn vóór zij nog goed en wel zijn opgeslagen.
Den volgenden morgen brandde de zon weer, en deed verlangen naar een weinig schaduw tusschen de kale rotsen, tot er ’s avonds weer kou en onweer volgden. Den dag daarop werd eindelijk het doel der reis bereikt; men was aan den oever van het meer Gangabal. Maar de bedevaartgangers zijn daarmee nog niet aan het einde van hun moeite. Zij hebben evenals te Amarnath hun bijzonderen weg, die langer en moeilijker is, maar die in hun oogen het voordeel oplevert van hen drie naga’s te doen ontmoeten, waardoor ze de gelegenheid krijgen, drie koude baden extra te nemen. Werkelijk, ze verdienen al het goede, dat ze zoo hoog en tegen zooveel inspanning komen zoeken; maar als al die opeenvolgende koude baden op de nuchtere maag hun van veel nut zijn bij hun toekomstige wedergeboorte, zal dat, dunkt mij, niet beletten, dat ze er in dit leven een flinke verkoudheid mee opdoen.

Toeristenolifant uit Djaïpoer.
Een weinig boven Brahmasar slaan ze rechtsaf door een rotspoort. Van de drie naga’s, waar die heen leidt, zouden twee geboren zijn uit de tranen van de schoone Parvati. Dat was in den tijd van haar ijverzucht op haar mededingster de Ganga, die altijd verdwaalde tusschen de donkere haren van den god. Siva had het verstandigste gedaan, wat er in zulke omstandigheden te doen is, hij was weggegaan. Parvati ging hem toen berouwvol zoeken. Onderweg informeerde ze, of men haar man niet had zien voorbijgaan; hier kreeg ze een ontkennend antwoord, en een traan van brandende smart ontvloeide aan haar oogen, ginder was het antwoord bevestigend, en een traan van zalige vreugde vloot over haar wangen; en zie, daardoor is nu nog de naga van den eersten traan warm, terwijl de andere koud is. Wat de derde naga betreft, haar donkere kleur heeft haar den naam van Kal-Sar bezorgd.
Intusschen stijgen koelies en profane bezoekers tot den berg, die het dal van Sjittagroel op den achtergrond afsluit ter hoogte van ongeveer 4000 meter. Ongeduldig om alles te zien, ging ik verder naar den top, die over de meren uitzicht geeft; van daar was het een wonderschoon landschap. Onder onze voeten aan den voet van den berg waren de bekkens van het Noen-Kol te zien, half blauw, half groen, al naar de diepte van het water; meer naar links zag men de gletschers boven het Gangadal hangen, en van den eenen naar den anderen vloeide een zilveren waterval.
Reeds zijn brahmanen en brahminen aan hun gewijde therapie bezig. Het doodenmeer weerspiegelde kalm den hemel in zijn afwisselende tinten. De harde rotsen, het koude water, de bevroren sneeuw, alles was in den zonneschijn van een groote plechtige doodschheid. Eenige panditvrouwen gingen ons voorbij en vergaten, zich het gelaat te bedekken, en ik zag, dat haar oogen rood waren van het weenen. Dit is inderdaad de plek van de scheiding voor goed. Hier worden de laatste lotsbeschikkingen getroffen van hen, die eens waren, en hier zal het lot worden beslist van hen, die nu nog zijn de Hindoes van Kaschmir. In een kluit aarde, genomen van den oever van het meer en in de hand gekneed, neemt men de vijf heilige zaken mee en de overblijfselen van de verbranding, en het meer omvat het al. Dat duurt nu al eeuwen zoo, en alle dooden der aarde zullen het meer niet vullen.
Wij lieten die menschen aan hun gedachten over en aan hun plichten, die met den dood in verband stonden, en we daalden af naar Vangath bij de daar opgeslagen tenten aan de grens der berken. Tegenover ons graasde op een begroeide helling een kudde van wel duizend schapen. Alsof ze door een onoverwinnelijke macht gedreven werden, liepen ze steeds voort, alleen onder het gaan nu en dan een grasje afknabbelend. Velen vormden een lange lijn, waar ze in onafgebroken rij elkander volgden. Memand wees hun den weg, maar als ze in de eene richting ver genoeg waren gegaan, stuwden de herders ze in een andere. En dit ziende, begrijpt men de tochten van de karavanen van lastschapen, die over de hooge steppen van Midden-Azië trekken, elk met eenige brokken steenthee op den rug. Ze slapen in de open lucht aan den voet der rotsen.
De gezinnen der herders slaan een soort van schuilhut op met wat takken van jeneverbesstruiken, opgehoopt tegen den wind en den regen. In ruil voor een karig loon belasten ze zich ermee, den geheelen zomer zoo de schapen van een of meer dorpen te laten grazen. De boeren hebben geen bijzonder hoog idee van hun eerlijkheid, en meer dan een eigenaar gaat af en toe eens naar boven, om het aantal zijner schapen te tellen, onder voorwendsel hun als versnapering een kleinen voorraad zout te brengen.
Ook van dit punt hadden we het uitzicht op veel bergen, als de golven van de zee een woelige massa vormend en alle met versche sneeuw bedekt. De terugweg was over golvende terreinen, daarna volgde een klim over steile rotsen en ten slotte hadden we een daling over paden, die duizelingwekkend steil waren en vol steenen. Beneden lagen de rivier, de tempels, de naga, en een kleine mijl verder het dorp Vangath, het einde voor dien dag.
De bloedverwanten van de pelgrims kwamen in menigte ze daar opwachten, beladen met allerlei versterkende en verkwikkende middelen voor de dapperen, die tot het Gangadal gestegen zijn. Die komen terug, volkomen kaal geschoren, want dat schrijft de dienst voor, en de mohammedaansche barbiers zorgen wel, die gelegenheid niet te mankeeren. Om daar op die enorme hoogten hun kunst uit te oefenen, laten ze zich goed betalen, tot wel acht anna’s toe of tachtig centimes! Alle brahmanen moeten eraan gelooven, behalve zij, wier vader nog leeft en wier vrouw zwanger is. Ook degenen, die dooden hebben gebracht naar boven, worden geschoren.

Mohammedaanschen te Srinagar met hoeka of pijp en kangri of stoof.
De tien of twaalf tempels verbergen onder het groen hun schilderachtige ruïnen bij een bron, die verrassend helder is in haar bed van steenen. Deze zoo rustige plaatsen waren in den tijd van Avantivarman het tooneel van een merkwaardige tragedie, die het de moeite waard is, in de vertaling van Dr. Stein te lezen. Die koning was er eens zijn godsdienstplichten komen verrichten in den grooten tempel, dien hij meende te hebben verrijkt met zijn geschenken. Dus was hij zeer verbaasd, te zien, dat de priesters voor het beeld van den god niets anders legden dan wat bladeren van oepalakh, een in het wild groeiende plant, soort van witte Scabiosa, waarvan de Kaschmireezen de bladeren gekookt eten. De vorst kon niet laten, daar een opmerking over te maken en de reden te vragen van zooveel zuinigheid. Daarop wachtten de poerohita’s slechts, om te spreken.
Zij vertelden dat een zeker edelman uit de buurt zich op de gunst van den minister had beroepen, om hun de inkomsten van het dorp afhandig te maken; daardoor werd de karigheid van hun gave verklaard en de schrielheid tegenover den god. De koning deed, alsof hij niets had gehoord en ging weg onder voorwendsel van een plotselinge ongesteldheid, de plechtigheid onvoltooid latend. Daar was ieder vol van. Het bericht ervan drong door tot den minister, die er slechts op uit is, zijn plaats te behouden en zich trachtte te ontdoen van zulk een dommen gunsteling. Hij liet hem dadelijk het hoofd afslaan en het onthoofde lichaam in het heldere water van de bron werpen. Waarna hij kalm naar de gezondheid van den koning kwam vragen, die volkomen hersteld was. “Nooit,” zegt dan de kroniekschrijver, “heeft men stellig zulk een minister gezien!” Dat kan zijn, en men moet niet overdrijven; maar al zijn de zeden verzacht, te ontkennen is het niet, dat er tegenwoordig ook nog ministers zijn, wier portefeuilles aan hun lijf schijnen vastgelijmd.
De nabijheid van den tempel en het schoone landschap hielden mij terug. Ik bleef eenige dagen in Vangath, en er was daarbij een zekere luiheid in mij, die mij weerhield, mij te verwijderen van die bergen, welker bekoring zeker altijd ieder zal bijblijven, die eens het gras ervan betreden heeft en de zuivere en lichte lucht heeft ingeademd. Maar toen kwam de herfst, die zich duidelijk liet kennen aan de vergulde tint, die zich op de hellingen legde, en door de sneeuw, die op de toppen viel, door de pikante frischheid van de morgenlucht en de heldere koude van den maneschijn. En daar kwamen, bij de eerste herfstverschijnselen, alle herders naar beneden, die zomerbewoners zijn van de hooge weiden; ze komen met hun gezinnen en kudden. Elken dag was het een optocht door het kleine dorp van een schilderachtigen, luidruchtigen troep; en die menschen leken mij even afhankelijk van de seizoenen, als de vluchten trekvogels, die boven ons hoofd langs trokken.
Eerst kwamen de Goedjars, want hun buffels verdragen niet goed de koude, zooals ze trouwens ook niet tegen groote warmte kunnen. Daarom werden ook de open hutten, waar ze daarboven zich in ophouden, het eerst verlaten. In zakken hun provisie, boter en kaas, meenemend, trekken ze voort en drijven hun zware, domme beesten voor zich uit, die toch zulke teêre gestellen hebben en lastig erop gesteld zijn, zich in iederen plas op den weg te wentelen. Daarginds naar den kant van het Zuiden wacht hen de een of andere lage woning met plat dak, staande in een veld van maïs, zooals wij er zooveel hebben gezien, toen we naar Kaschmir gingen, op de heuvels langs den weg.
Dan brengen de herders aan de boeren van beneden de schapen terug, die voor den zomer aan hun hoede waren toevertrouwd. Maar hoevelen zullen er op het appèl ontbreken, die gerekend zullen worden te zijn verscheurd door beren of in een afgrond te zijn gevallen, terwijl ze eenvoudig verkocht zijn, zoo duur mogelijk, aan toevallig voorbijgaande toeristen? Wie zal het zeggen? Het is het geheim van de marg. Er zal in de dorpen geschreeuw en getwist zijn naar kaschmireeschen trant; maar dan zal alles weer stil wezen; de herder zal zijn loon in graan ontvangen en zal tot het volgend voorjaar ontslagen worden; en dadelijk nadat hij zijn schaapjes gewasschen, gekamd en geschoren heeft, zal de boer ze in zijn huis opsluiten, om hem als kachels te dienen, terwijl hij van de wol zeer warme dekens maakt in den loop van zijn lange winteravonden.
De nieuwste ontmoeting op weg naar de tempels was die met een gezelschap babarkans of geitenhoeders. Zij waren echte nomaden en verschenen in Kaschmir slechts als trekvogels, net als de zomertoeristen. Ze brengen het koude jaargetijde door op de zuidelijke hellingen van den Himalaya. Het zijn heel andere personnages dan de gewone herders. Hun geiten zijn hun eigendom, evenals talrijke pakpaarden, die hun bagage dragen.
Er wordt verteld van een kreupelen barbakan, die voor zich alleen meer dan dertien duizend geiten zou bezitten. Hij is dus een croesus voor dat land, want zijn kudde vertegenwoordigt wel een waarde van 50.000 roepijen. Die geiten zijn zeer groot, en hun huid is zeer gezocht voor het maken van emmers. De emmers, die voor water worden gebruikt, worden gelooid aan beide kanten, terwijl de voor proviand gebruikte aan de binnenzij het haar behouden.
Maar meent niet, dat van dit haar de beroemde shawls worden gemaakt. De echte Kaschmireesche geit is hier onbekend; die komt slechts voor op de hooge plateaux van Thibet. Daar alleen laat de goede moeder natuur onder de vacht van het dier een soort van fijn velletje groeien, juist als het dons groeit onder de veeren van de eidergans. Van die wol weefde men de shawls en daarvan worden nu nog de zachte en soepele stoffen geweven, die pasjminah heten. Er zijn wel pogingen gedaan, om in Kaschmir de wolgeit te acclimatiseeren; maar hoe streng de winter er ook zij, hij is niet streng genoeg, om de geit er toe te brengen, met een zacht wollen laagje den mantel van lange haren te voeren. Dus natuurlijk komt die wol niet voor bij de geiten van de barbakans, die den kouden tijd in het warmer Indië doorbrengen.
Om op onze herders terug te komen, er waren wel een twintigtal, mannen, vrouwen en kinderen. Ze hadden ook een groote wijfjesbuffel bij zich, wier melk met meelkoeken hun ontbijt vormde. De mannen waren in dekens gehuld op kaschmireeschen trant; de vrouwen droegen alle een kleed van blauw katoen met roode streepjes. De wijde broek was nauw aan de enkels, en een soort van blouse bedekte het bovenlijf. Onder het kleine mutsje, dat ze droegen, kwam het blonde haar uit en viel in kleine vlechten op haar schouders. Ze waren niet leelijk met de ovale gezichten en den fijnen neus, kleinen mond en langwerpige oogen. Deze nomadenvrouwen dragen de kleine kinderen op den rug en niet op de heup, zooals de vrouwen in Indië en Kaschmir. Ze hebben een soort van wieg gevormd van een lap stof, dien ze zich eerst stevig om het middel binden, waarna ze hem met een eind achterom over den schouder slaan, zoodat in de holte het kind kan liggen en wat er dan nog over is van de stof wordt bij wijze van tulband om het hoofd gerold van de moeder, die daar bovenop een aarden of bronzen vaatwerk zet en vlug, met de handen vrij, zich over den weg kan bewegen.
Eindelijk moesten wij opbreken als de anderen. In het dal der Sind kwamen we op den muildierweg, die van Srinagar naar Leh voert, en we hadden nog interessante ontmoetingen. Het waren brave boeddhisten uit Ladakh, die naar hun land terugkeerden met hun karavanen van yaks, beladen met graan, rijst, zout en aardewerk; ook soms waren het Mohammedanen uit Jarkand op weg naar de indische havens, waar ze voornemens waren, zich naar Mekka in te schepen. Ze zijn allen ongeveer gelijk uitgedost, een bonten muts, een mantel met lange mouwen en laarzen van vilt, terwijl altijd dezelfde kleine gesluierde oogen knippen in hun gele, platte Mongolengezichten. Al die menschen hebben haast en gaan in tegengestelde richting, om weg te komen, voordat de sneeuw de passen onbegaanbaar heeft gemaakt en Kaschmir terugvalt in zijn lethargische winterrust.
Laten wij dus ook haast maken, om van de laatste mooie dagen te profiteeren. Ik kon mijn intrek nemen met een paar vrienden in de villa Sjeik-Safaï-Bagh, eigendom van den radja Amar-Singh, een der broeders van den koning. Het huis was gebouwd in het midden van een groot park van amandelboomen op een vrij hoog terras, zoodat wij uitzicht hadden op het wonderschoone meer van Srinagar; de stedelingen praten altijd van het Dal, dat is het meer, juist als de Parijzenaars van het Bois, als ze het Bois de Boulogne bedoelen. Het “Dal” dan was prachtig in dit herfstlicht. De eilandjes en de beroemde drijvende tuinen, echte vlotten van bloemen, spiegelden zich in het doorschijnende water, dat op het klaarst de bosschen, de bergen en den hemel weerkaatst. En het kader is waard, zoo iets schoons te omvatten; men kan zich geen grootscher amphitheater van bergen denken dan dat, hetwelk van den Hariparvat, met zijn fort gekroond, gaat naar den Takht-i-Soeleiman met zijn tempel, terwijl daarachter de witte kegel van den Haramoek verrijst.
Alleen de roestkleur der naburige hellingen, de bleekgouden bladeren der populieren en de dunne streep van sneeuw, die al over de bergen loopt, als om de vormen beter af te teekenen, doen de nadering van het slechte jaargetijde vermoeden. Het dal wordt met elken dag mooier, als om zich in een zekere coquetterie meer te doen regretteeren door diegenen, die ervan moeten scheiden.

Mar-kanaal te Srinagar.
De Bagh van Dilavar-Khan, waar Jacquemont verblijf hield, is veel dichter bij de stad en er is lang niet zulk een mooi uitzicht, maar niettemin ben ik er heengegaan als voor een pelgrimstocht. Het hout der veranda is zeer vermolmd, en de vertrekken zijn niet weinig vervallen; maar weinige jaren geleden leefde nog een oude bewaker, die “Sjakaman”-Sahib had gekend en die zich herinnerde, dat hij een lange, magere man was, die de roepijen met handen vol om zich wierp. Het is waar, dat op bevel van Randjit-Singh zijn voorraad ervan alle morgens werd vernieuwd; hij zou met de 1200 francs, die hem vanwege het museum werden uitgekeerd, niet veel dwaasheden hebben kunnen uithalen. Hij vertelt in zijn brieven, hoe hij meermalen in Sjeik-Safaï-Bagh, waar wij verbleven, een weinig rust had gezocht en zijn oogen te gast liet gaan aan het landschap.
Het lijdt geen twijfel, of wij hebben dat huis teruggevonden, zooals het in 1831 was; maar het is daarna al gevallen onder het houweel der sloopers. Een jaar maakt tegenwoordig meer verschil in Kaschmir dan vroeger een eeuw. Niet alleen bestaat niet meer de aardige baraderi, maar het bosch van amandelboomen is gekapt en in kleine perceelen gesplitst, juist als in Europa met parken gebeurt, en er zijn villa’s verrezen, die men voor een seizoen kan huren. De radja Amar-Singh moet in zulke dingen heel snugger wezen, en hij heeft deze soort van speculatie niet beneden zich geacht. De plek is er uiterst geschikt voor, en Bernier had reeds op de aanwezigheid van al die goede dingen gewezen, als de zuivere lucht, het meer, de eilanden en de nabijheid der stad, alsook op de vele bronnen en rivieren.
Daar ons huis op de zachte hellingen was gelegen, die naar den zuidelijken oever voeren, was het uitnemend geschikt voor middelpunt van uitstapjes naar de prachtige tuinen uit den tijd der Groot-Mogols, verspreid in den omtrek. Het is bekend, dat die parken opmerkelijk door hun inrichting aan die van Versailles herinneren, met welke ze ook in den tijd van den aanleg overeenkomen. Op den westelijken oever ligt Nasim-Bagh, dat geen terrassen of fonteinen meer heeft, maar waar het bosch van platanen in volle pracht is. Aan den tegenoverliggenden kant vindt men Nisjat-Bagh, den tuin der vreugde, waar een witte italiaansche villa op den steilen oever staat en zich in het heldere water spiegelt.
En achter het wijde bekken, dat meer dan een mijl lang is, omsluit een natuurlijk dal de koninklijke residentie Sjahlimar, terwijl aan het eind van lange meren, met veel watervallen en omringd door prachtige lanen, het liefde-paleisje van Jehan-Guir en Noer-Mahal nog te midden van watervallen en fonteinen boven zijn vier op elkander volgende terrassen de marmeren kolommen van zijn paviljoens verheft. Men moet bij Bernier de enthousiaste beschrijving lezen van al die pracht, die nu verbleekt of verdwenen is. Men kan niet dwalen tusschen de overblijfselen, zonder met weemoed te denken aan de personen, die zijn heengegaan en die er de volle vreugde van het leven hebben genoten, bladeren van een anderen zomer, vrouwen van een anderen tijd.
Ook moet men erkennen, dat die keizers en die sultanes zin hadden voor de natuur en voor levensgenot; er zijn zeker nergens ter wereld beter plaatsen aan te wijzen voor zulke paleizen en siertuinen, als daar aan den oever van het groote, heldere, hooggelegen meer, waar men als tusschen twee hemelen het goede der aardsche dingen genoot. Maar draag er zorg voor, dat ge u alleen aan deze beschouwing wijdt, als het seizoen der muskieten er nog niet is of er al is geweest; dus alleen in de lente of in het najaar moet men gaan. Het zou anders ook al te heerlijk wezen, en de engelen zouden het paradijs verlaten, om naar Kaschmir te gaan, als men er in den zomer geen rekening moest honden met dat duivelsgebroed.
Welk een menigte mooie plekjes en monumenten zouden er nog voor ons te bezoeken zijn! Indien u de bestijging niet afschrikte, zou daar vooreerst de tempel zijn boven op den Takht-i-Soeleiman, waar men van het terras een zoo magnifiek uitzicht heeft op de bochten der rivier; of wel een boot zou ons op een gemakkelijke manier naar de moskee van Hazarat-Bal kunnen brengen, waar, naar het heet, een haar van den baard des Profeten wordt bewaard. Daarom hebben er op bepaalde tijden groote godsdienstige feesten plaats, en veel handelstransacties worden afgesloten tusschen de uitoefening der godsdienstplichten, zoodat het er op sommige tijden overweldigend druk kan zijn. Niet alleen is het een plaats van samenkomst voor kooplieden, bedelaars en vrome geloovigen, maar ook de elegante dames uit Srinagar komen er in al de glorie van haar beste gewaden zich vertoonen.
Zal ik u nog half te water, half over land voeren naar de brahmaansche of mohammedaansche gebouwen der stad, naar den vergulden tempel van het koninklijk paleis of naar de moskee van Sjah-Hamadan, te herkennen aan haar drie boven elkander gelegen daken, en naar het graf van Zaïn-oel ab-Din, waarboven zich een koepel verheft?
Gaan we te zamen een wandeling doen door de voorsteden aan den rechteroever tot Jamma-Masjid, en zullen we dan in de portieken en op de muren der naburige ziarats de oude zuilen en het beeldhouwwerk gaan zien, dat ontleend is aan antieke hindoesche heiligdommen? Of willen we tevreden zijn integendeel met den loop der verschillende kanalen te volgen, die elkaar kruisen als een net van waterstraten door de stad en dan vooral naar het Markanaal gaan, dat soms zoo leelijk ruiken kan, maar dat altijd zoo schilderachtig is met de zware steenen bruggen en de hooge huizen, die er aan staan?
Hoop maar niet, dat ge in Srinagar gemakkelijker dan elders ontkomt aan den last, dat de hoekjes, die het aardigst en interessantst voor de oogen zijn, het onaangenaamst zijn voor den neus. Dat is nu eenmaal zoo in alle antieke steden en het is een fatale wet, maar hygiëne en schilderachtigheid gaan, helaas, niet gemakkelijk samen. Maar, om kort te gaan, die uitstapjes worden door iedereen en elken dag gedaan, en men vindt daarover de uitvoerigste inlichtingen in de reisgidsen.

Kaschmireesche kunstvoorwerpen.
Een ervaring, die misschien wat zeldzamer was en dus eerder waard is, meegedeeld te worden, is het bezoek, dat ik gelegenheid had te brengen in het huis van een groot heer in Kaschmir. Wij waren dien morgen weer op expeditie uitgetogen, want hoe kan men anders zulk een tocht noemen, met twee of drie booten, waarbij men naar engelsche mode een heel eetkamer-ameublement en vaatwerk, proviand en bedienden, keukenapparaat en een kok meesleept? Het was afgesproken dat wij ons, om te ontbijten, in het park van dat paleis zouden ophouden, een der weinige prachttuinen, die nog in Srinagar in wezen zijn gebleven, en waar men van de Djhilam komt langs een breede, steenen trap.
Toen onze maaltijd was afgeloopen, liet de eigenaar, zeer correct op zijn Europeesch gekleed tusschen zijn muilen en zijn tulband, ons zelf zijn bezitting zien. Een monumentale poort, gemaakt naar de afmetingen van olifanten, en met paviljoens erboven voor de gasten, gaf aan den straatkant toegang tot een eerste binnenplein; twee groote gebouwen, door een ander plein gescheiden, en waarvan het meest naar binnen gelegene het zenana of vrouwenverblijf was, vormden het woonhuis; wij bezochten het eerste. In de kamers voegden zich ongelukkig bij de weelde van aziatischen aard in tapijten, divans en geborduurde kussens, ook canapé’s en meubels van slechten engelschen smaak. In een prachtige hooge zaal, met het plafond gedragen door twee rijen gebeeldhouwde zuilen, was al dat niet bij elkaar behoorende bijeen, en op een perzisch tapijt, dat alle verzamelaars zou doen watertanden, lagen tennisbats. Petroleumlampen stonden naast fijn geciseleerde bronzen antieke lampjes, en terwijl wij bladerden in perzische manuscripten, met verrukkelijke miniaturen verlucht, keken ons van de muren in vergulde lijsten afschuwelijke chromo’s aan.
En eindelijk was voor ons de tijd van vertrek gekomen. Onze doenga’s werden losgemaakt en brachten ons met den stroom mee naar Baramoela, het punt van uitgang van het Dal, zooals we er ook waren binnengegaan. Zachtjes gleden wij door onder de zeven bruggen van Srinagar, die in dezen tijd van laag water dubbel hoog schijnen. Tempels, moskeeën en paleizen gingen aan ons voorbij, en met diepen weemoed namen we van dat alles afscheid.