II.
Reading edition
De oude Peternelle was bij het vuur bezig met de namiddag-koffie op te schenken, toen haar man in huis trad en met groote vreugde uitriep:
"Peternelle, hij is daar! Ik heb hem gezien aan 't einde der dreve. Ten minste als mijne oogen mij niet bedriegen. Kom, kijk gij ook eens; uw gezicht is beter dan het mijne."
Zij liepen beiden tot achter het hek.
"Het is een heer," mompelde de vrouw, "maar of het Willem Reimond is, dit kan ik van zooverre niet herkennen. De neef van onzen meester was een kind van tien jaar, toen wij hem voor de laatste maal zagen. Deze heer heeft geen reispak, zelfs geenen gaanstok. Hij kan dus niet van zeer verre komen."
"Maar wie anders zou het zijn? Er komt nooit iemand op Wildenborg."
"Gij kunt het evenwel niet weten."
"Welke is de kleur van zijn haar, Peternelle?"
"Ik meen te zien, dat hij zwart haar heeft."
"Hij is het! Willem Reimond, twijfel er niet aan. Ach, het ongeduld, het verlangen doet mij beven. Ik loop hem te gemoet!"
De persoon, die ten einde der dreve kwam aangestapt, was een jongeling van ongeveer vijfentwintig jaar, met zwarte, krullende haren en een open, lachend gelaat. Alhoewel zijne trekken tamelijk sterk waren afgeteekend, getuigde het geheel zijns aangezichts van goedheid des harten en misschien tevens van zekere dichterlijkheid der gedachten; want hij ging met het hoofd gebogen, of bleef staan en plukte eene bloem, of blikte langs alle kanten rond in het bosch.
Tot dan had hij peinzend en droomend zijnen weg vervorderd; maar nu hoorde hij eensklaps het gerucht van naderende stappen, en bemerkte daarop eenen ouden man, die in allerhaast en met zekere teekens van ongeduld tot hem geloopen kwam.
Maar hetzij de hovenier zich in zijne verwachting meende te hebben bedrogen, en of een gevoel van eerbied hem wederhield, hij bleef op een twintigtal stappen beteuterd staan.
De jongeling, over de onbegrijpelijke houding van den grijsaard verwonderd, aanschouwde hem met meer aandacht. Er ontstond op dit oogenblik eene plotselijke herinnering in zijnen geest. Hij slaakte eenen gil van blijde verrassing, sprong met open armen vooruit naar den ouden man, en zich aan zijnen hals werpende, riep hij uit:
"Mijn goede Jakob! Gij leeft nog? God zij dank, dat ik u nog terugzie. Ach, hoe dikwijls dacht ik aan u! Ik durf het u nauwelijks vragen: hoe is het met uwe vrouw Peternelle?"
De hovenier, in zijne ontroering verstikkend, kon niet spreken. Hij greep des jongelings handen, kuste ze herhaalde malen en liet er twee heete tranen op vallen.
"Maar, mijn lieve Jakob, wat doet gij?" murmelde deze.
"Neen, neen, laat mij uwe handen kussen," snikte de ontstelde man. "Ik, die reeds oud was, toen wij uit Brussel vertrokken, ik herkende u niet meer; gij, die een kind waart, gij noemt mijnen naam bij den eersten oogopslag en gij omhelst met vreugde een arm ootmoedig mensch, eenen knecht, eenen boer! Ha, wat is het zoet, te weten dat er toch iemand ons op de wereld bemint en aan ons denkt!"
"En uwe goede Peternelle?" herhaalde de jongeling. "Gij antwoordt niet? Ik begrijp: zij is in den hemel, niet waar?"
"Neen, neen; zie, ginder staat zij, achter het hek. Haar hart jaagt van verlangen. Kom, kom, mijnheer Willem, maak die arme ziel insgelijks gelukkig!"
En hem de hand grijpende, trok hij hem in de dreve voort, totdat zij het hek naderden.
"Peternelle, o, wees blijde!" riep hij. "Het is Willem. Hij heeft ons niet vergeten; hij heeft mij seffens herkend. Hoe dikwijls heb ik het u gezegd: hij heeft de zwarte oogen zijns vaders en het liefderijk hart zijner moeder."
Maar reeds hield Willem de oude vrouw in zijne armen gesloten en juichte met diepgevoelde vreugde:
"Peternelle, wat geluk, u nog gezond en welvarend te vinden! Door u te zien alleen word ik teruggetooverd in mijne schoone kinderjaren. Mijn vader, mijne moeder herleven voor mijne oogen. En hoe gaat het u? Gij leeft hier tevreden, niet waar?"
De oude vrouw was verbluft en verwonderd; zij aanschouwde den goedhartigen jongeling met eenen dankbaren glimlach, stralend tusschen stille tranen.
"Kom, kom binnen in ons huisje; gij moet vermoeid zijn van de lange reis," zeide de hovenier. "Wij mogen hier geen gerucht maken. Vrouw, lang spoedig de hesp uit den schoorsteen. Mijnheer Willem moet honger hebben; de heidelucht is scherp. Daar, mijnheer, zet u neder en rust een beetje."
"Nu zal ik niet eten, wat lust ik er ook toe hebbe," antwoordde Willem. "Ik heb haast om mijnen oom te zien."
"Het is voor alsnu onmogelijk."
"Hij is misschien niet op het kasteel?"
"Ja wel."
"Heb de goedheid, Jakob, hem van mijne komst te verwittigen. Ik twijfel niet, of hij zal mij onmiddellijk in zijne tegenwoordigheid toelaten."
"Neen, gij bedriegt u. Het is zonderling en vreemd, maar gij zult, eilaas, nog veel wonderlijkere dingen op Wildenborg vernemen. Gij moet weten, Willem, dat uw oom zich alle dagen drie uren des morgens en drie uren des namiddags opsluit, en dat er gedurende dien tijd niemand het kasteel mag naderen. Al kwame de koning zelf, het zou er niets aan doen: de deuren zijn langsbinnen gegrendeld. Nog meer dan twee uren zult gij moeten wachten, gij hebt dus tijd genoeg om van onze hesp te proeven."
Deze aankondiging verbaasde den jongeling zeer. Het hoofd schuddende, trok hij eenen brief uit den zak en zeide:
"Inderdaad, het moet er wonderlijk toegaan op Wildenborg. Luistert eens, lieve vrienden, wat mijn oom mij schrijft, en geeft mij, indien gij kunt, de uitlegging van dit raadsel: De tijd nadert, dat mijne ziel haar zichtbaar omkleedsel zal afleggen. Ik verlang u te zien. Is dit insgelijks uw wensch ten mijnen opsichte, kom op Wildenborg vóór den nacht van den 31sten dezer. Deze woorden hebben, mij verschrikt. Het is, alsof mijn oom mij zijnen aanstaanden dood aankondigde. Hij is dus zeer ziek?"
"Neen, hij is niet ziek."
"Maar, om Gods wil, wat beteekent de brief dan?"
"Hij beteekent, dat uw arme oom gaat sterven!" antwoordde de hovenier met eene doffe stem.
"Sterven? En hij is niet ziek? Wees toch klaar, Jakob, ik begrijp u niet."
"Mijnheer Reimond zal sterven op den klokslag twaalf, in den nacht tuschen den 31sten Augustus en den 1sten September, geene minuut vroeger of later. Eilaas, wij hebben er tranen genoeg om gestort, en mijne vrouw heeft reeds maanden lang zonder ophouden gebeden, maar alles is nutteloos."
"En hij is niet ziek?" herhaalde Willem.
"Mager, ja, maar niet zieker dan gij of ik."
"Kom, Jakob, gij doet mij lijden. Wat gij daar vertelt, is gansch onbestaanbaar. Zou uwe verbeelding voor niets in deze zonderlinge gedachte zijn? Zeg mij duidelijk wat er van is, of ten minste wat gij gelooft."
De hovenier scheen niet genegen om op dit oogenblik de gevraagde uitleggingen te geven. Ziende, dat zijne vrouw naar achteren ging, om eene kan versch water te halen, zeide hij:
"Vraag mij niets daarover in tegenwoordigheid mijner vrouw. Zij zou te dikwijls in mijne rede vallen en ons storen. Eet nu eerst een beetje van de hesp, dan zullen wij een wandelingetje door den hof doen, en ik zal u allengs en met voorzichtigheid de schromelijke geheimen van Wildenborg openbaren, om uw hart voor eenen te plotselijken schok te behoeden."
Willem vroeg niets meer en nuttigde zwijgend de hesp en het brood, door Peternelle hem voorgezet. Dan stond hij op en zeide:
"Ik dank u, vrienden, de hesp is goed, en ik had zulken eetlust, dat het mij heeft gesmaakt, als ware mijn geest niet in droeve gepeinzen verslonden. Kom nu, Jakob, toon mij den hof van het kasteel."
Zij gingen beiden buiten, de hovenier scheen zijne stappen naar een looverhuisje te richten.
"Welnu, Jakob," zeide de jongeling, "ik brand van verlangen om uwe openbaringen te hooren en overtuigd te worden, dat gij u over het lot van mijnen oom bedriegt."
"Ik ben bereid om u te zeggen, wat ik weet," antwoordde de grijsaard, "maar laat mij u eerst van iets verwittigen. Ik wensch uit den grond des harten, en Peternelle insgelijks, Willem, dat uw oom u vriendelijk ontvange en genegenheid voor u gevoele. Daartoe is het noodig, dat gij niets doet, dat hem kunne mishagen of bedroeven. Spreek in zijne tegenwoordigheid niet van de hesp, laat hem niet verdenken, dat gij hier zwijnenvleesch hebt gevonden, en bovenal niet, dat gij er hebt van gegeten."
"Hoe? Nog al wonderlijker!" mompelde de verbaasde jongeling. "Is mijn oom een Jood geworden?"
"Neen, maar hij wil niet, dat er een dier gedood worde. Ik mag zelfs de rupsen van de boomen niet doen. Kom, kom, gij zult nog al meer het hoofd schudden."
"Maar gij vervult mij met angst. Welk schrikkelijk gepeins! Zou mijn arme oom ziek zijn in de hersens?"
"Ho, denk dit niet!" riep de oude man. "Uw oom heeft te veel verstand en is te geleerd, dit is juist zijn ongeluk. Ik heb den pastoor in de kerk eens hooren preeken, dat men, om gelukkig te leven, arm van geest moet zijn. Vroeger heb ik daarop langen tijd liggen dubben, maar nu begrijp ik het ten volle."
Zij traden in een prieel van ijpenloof, waar, rondom eene vermolmde tafel, nog twee ruwe banken stonden.
"Nu, mijn lieve Jakob, poog duidelijk te zijn, en heb de goedheid mij te antwoorden," zeide de jongeling, zich nederzettende. "Mijn oom is niet ziek, en gij beweert nogtans, dat hij juist in den nacht van den 31sten dezer maand zal sterven? Heeft hij zelf u dit aangekondigd?"
"Wel honderdmaal sedert vier maanden."
"En waarop grondt mijn oom die onbegrijpelijke meening? Wie heeft hem gezegd, dat zijn dood zoo nabij is?"
"Een geest."
Ondanks de treurige stemming zijns gemoeds, schoot Willem in eenen lach.
"Een geest?" schertste hij. "Bah! er zijn geene geesten, ten minste niet zooals gij het meent."
"Ja, gij komt van de stad," zuchtte de grijsaard spijtig. "Daar gelooft men niets, en men verleidt er goede menschen als gij, Willem, om aan alles te twijfelen. Het is uwe schuld niet, kind. Hoe, er zijn geene geesten? De lucht krielt er van, en terwijl wij hier zitten te kouten, zijn er wel honderd misschien in dit prieel, die ons zien en hooren."
De jongeling beschouwde den hovenier met eene zonderlinge uitdrukking van medelijden.
Jakob, door zijnen schertsenden blik gekwetst, rechtte het hoofd en sprak:
"Wat, er zijn geene geesten? Hoeft mijne grootmoeder niet maanden lang den geest harer zuster voor haar bed zien verschijnen, totdat zij ter harer gedachtenis eene beloofde bedevaart had gedaan? Heeft te Lommel de geest van den gierigen pachter Adriaans niet gespookt en rondgedwaald, totdat zijn verborgen geld door zijne kinderen was ontgraven?"
"Dit zijn altemaal inbeeldsels, Jakob."
"Gij lacht en gelooft mij niet, Willem? Welnu, luister wat mijn vader zaliger met zijne eigene oogen heeft gezien. Er was te Desschel een oude pachter, die zich had ontkleed, voordat hij slapen ging, gelijk het spreekwoord luidt. Dit is te zeggen, dat hij zijne pachthoeve en zijn goed aan zijnen zoon had afgestaan, mits vrijen woon en kost tot zijnen dood. Maar de oude man leefde te lang voor den ondankbaren zoon, en men spaarde op zijn voedsel en men behandelde hem zoo slecht, dat hij eindelijk van verdriet stierf. In plaats van den doode een goed hemd aan te doen, zooals het behoort, lijkte men hem met een oud, versleten hemd vol gaten. Welnu, wat is er geschied? De misdadige zoon, die zich zelven niets liet ontbreken, kwam in den nacht half bedronken van de kermis. Zijn weg leidde hem over het kerkhof. Daar stond de geest zijns vaders, die hem wachtte en hem het versleten hemd over het hoofd wierp. Dit hemd brandde hem als het vuur der hel, hij schreeuwde om hulp en wilde van het kerkhof vluchten, maar vooraleer hij den gewijden grond had verlaten, viel hij steendood op het gras. Men heeft des anderen daags zijn lijk daar vinden liggen, en mijn vader heeft het helpen wegdragen. Het was geheel zwart. Wat zegt gij daarvan?"
"Ik zeg, dat de man waarschijnlijk aan het overmatig gebruik van sterken drank is bezweken. Niemand was tegenwoordig, toen hij stierf. Hoe weet men dan, wat er met hem en met eenen geest zou geschied zijn? Gij begrijpt, Jakob, dat dit een vertelsel is, dat men naderhand heeft uitgevonden."
"Zijt ge nog niet overtuigd?" mompelde de hovenier verwonderd "Ik zal u wel honderd geschiedenissen van geesten vertellen, de eene veel meer waar nog dan de andere. Bij voorbeeld, daar was Mie Katrien, de vrouw van den wagenmaker...."
Willem vreesde nog vele zulke geschiedenissen te moeten aanhooren, hij had overwogen, dat, indien hij den eenvoudigen man in zijn geloof aan spoken en geesten bleef wederstreven, er geen eind aan komen zou, en hij dus van hetgeen hij wilde weten niets kon vernemen.
Hij onderbrak zijne rede en zeide:
"Hoor, Jakob, ik beweer niet, dat er volstrekt geene geesten zijn."
"Ha, ha, ik wist wel, dat ik u zou overtuigen!" juichte de grijsaard. "Gij stamt af van Christelijke ouders, Willem."
"Maar, Jakob lief, men kan een goed Christen zijn zonder aan al die vertellingen van spoken en geesten te gelooven. Integendeel, bijgeloovigheid is eene groote zonde. Dan, genoeg daarover. Gij vergeet, mijn vriend, wat gij beloofd hadt mij te verklaren. Mijn oom is niet ziek, en toch zou hij binnen vier dagen sterven? Dit schijnt mij ook een vertelsel, want hoe zou het kunnen geschieden? Mijn oom, die, ik twijfel er niet aan, een verstandig man is, zal toch zich zelven niet gaan dooden? Wat hebt gij dan, Jakob? Het is, alsof gij verbleektet en benauwd waart?"
"God beware alle menschen voor zulken ijselijken dood!" zuchtte de hovenier.
"Maar welken dood, om 's hemels wil? Gij maakt mij dwaas en dom, Jakob!" riep de jongeling met spijtig ongeduld.
Er heerschte eene wijl stilte, gedurende welke Jakob Mispels zijnen moed scheen samen te rapen. Dan mompelde hij met teruggehoudene stem:
"O, Willem, gij zult ook wel verbleeken en beven, kind. Ik heb u dit niet seffens willen zeggen, om u niet plotselijk te ontstellen. Mijn arme meester maakt mij wijs, dat hij door eenen geest het uur zijns doods heeft vernomen, maar het is niet waar. Ik weet het beter. Het is zoo schrikkelijk! Op het oogenblik dat ik u die droeve veropenbaring wil doen, klopt het hart mij in den boezem als een hamer. Willem, gij gaat vernemen waarom uw oom, zoo jong nog en in volle gezondheid, moet sterven! Houd u moedig en bedwing uwe smart: er is toch niets aan te doen."
Hij boog het hoofd naar den jongeling en mompelde met sombere stem aan zijn oor:
"Uw oom, uw oom heeft zijne ziel aan den duivel verkocht, en zijn tijd is om!"
"Ha, ha, mijn goede Jakob, hebt gij ze nog wel alle vijf?" riep Willem lachend uit. "Waar zijn toch uwe zinnen? Dat de duivel den mensch tot kwaad verleidt, daaraan twijfel ik niet, maar dat hij zielen zou koopen? Kom, kom, gij houdt mij voor den zot."
"Gij gelooft het alweder niet?" riep de oude man met zekere spijtigheid. "Kent gij de geschiedenis niet van Doctor Faussius en zijnen duivel Mistoffel?"
"Faust, Mephistopheles, wilt gij zeggen? Een vertelsel uit den ouden tijd."
"Uit den ouden tijd? Wilt gij iets weten, dat nog zoolang niet is geschied? Mijn grootvader heeft de lieden gekend. Een uur van hier ligt het gehucht Boterhoek; daar woonde een pachter, die veel tegenspoed had gehad. Er kwam een jaar, dat zijn oogst goed gelukte, en zijn koren stond reeds afgepikt op het veld, toen de bliksem zijne schuur in brand stak en ze tot den grond vernielde.... Neen, Willem, wees niet ongeduldig, laat mij spreken. Ik heb het noodig; het doet mij zoo goed! Sedert tien jaar moest ik van den morgen tot den avond zwijgen. Wij hebben tijds genoeg, nog ten minste een uur en een half, eer uw oom spreekbaar worde."
"Het zij zoo!" zuchtte de jongeling ontmoedigd, "ik zal pogen aandacht op uwe woorden te geven."
"Welnu, de ongelukkige pachter moest evenwel eene schuur hebben om zijnen oogst te bergen, en de puinen rookten nog, en de vier naakte muren stonden te waggelen in den wind. De hopelooze man wandelde des avonds op zijn veld, met het treurig oog op de korenschoven. Daar zag hij eensklaps eenen heer naderen met eenen zwarten mantel. En deze, na hem de reden zijner bedruktheid te hebben gevraagd, zeide hem, dat hij hem eene gansch nieuwe schuur zou bouwen vooraleer de haan zou kraaien, op voorwaarde dat hij zijnen naam op een papier zou zetten, dat de zwarte heer hem aanbood. Het accoord werd gesloten. Maar de man, die rouwkoop had over zijne goddelooze daad, vertelde aan zijne vrouw wat hem was wedervaren. Beiden begonnon te weenen en te bidden. Zij zagen in den nacht kareel steenen uit den grond komen en op elkander gaan liggen, alsof zij door menschenhanden werden gemetseld; maar de arbeiders, die natuurlijk duivels waren, konden zij niet zien. Het dak lag reeds op de nieuwe schuur; slechts een eind muur in het bovenste van den gevel ontbrak er nog. In haar vurig gebed kreeg de vrouw eene reddende gedachte; zij vatte de lamp en liep naar het kiekenhok. Als de haan die plotselijke klaarte zag, meende hij, dat het dag werd, en kraaide. Daarop kwam er een schok, alsof de aarde beefde; er vloog een schrikkelijk gehuil door de lucht, en voor de voeten der vrouw viel het geschrift, waarop haar man had geteekend. De duivel was overwonnen, omdat hij de schuur niet volbouwd had voordat de haan kraaide, zooals het accoord luidde; en de pachter was aan de hel ontsnapt. En tot teeken der waarheid, Willem, ga naar Boterhoek; gij zult er in den gevel der schuur nog een gat zien, dat niet met menschenhanden te stoppen is. Gelooft gij deze geschiedenis niet?"
"Indien gij mij vermaak wilt doen, spreek mij dan om Gods wil van mijnen oom!" antwoordde de jongeling, zichtbaar ontevreden. "Op zulke wijze zou ik op 't einde der week niets meer weten dan nu. Hoe zijt gij toch, of hoe is hij tot zulke onbegrijpelijke dwaalgedachte geraakt?"
"Ha, dit is eene nog veel langere geschiedenis."
"Het is mij gelijk; indien gij slechts van mijnen oom spreekt, zal ik u met voldoening aanhooren."
"Inderdaad, gij weet niet veel van uwen oom; gij waart nog te jong. Welnu, onderbreek mijne rede niet door ongeloovige bemerkingen: het zal te sneller gaan. Ziet gij, Willem, ik was reeds hovenier op Wildenborg, toen mijnheer Reimond werd geboren, ik heb hem op mijne armen gedragen en, om zoo te zeggen, hem leeren loopen en leeren spreken. Ik weet niet om welke reden zijn vader in 1820 het buitenleven moede werd. Wat er van zij, wij verlieten Wildenborg en gingen altezamen naar Brussel wonen. De kleine Karel, uw oom, was een goed en godvruchtig kind, en leerzaam, het is niet om te zeggen. Voordat hij veertien jaar was, kende hij reeds Fransch en Latijn en Engelsch ook al, geloof ik. Maar die groote geleerdheid heeft hem van het goede spoor geleid, en hem aangedreven om boeken te lezen, die een Christenmensch nimmer zou mogen openslaan. Hij was toen ook bezig met een machien om bliksem te maken, hij noemde dit eene ektristeit, en hij had eene tooverkas; eene fasmogrie, om in den donker spoken te doen komen."
"De electriciteit, de phantasmagorie wilt gij zeggen?"
"Ja, juist zoo. Kent gij die leelijke dingen ook, Willem?.... Welnu, Karel, die alsdan wel twintig jaar geworden was, studeerde nacht en dag. Waarop? Dit scheen niemand te weten, maar, onder ons gezegd, de arme jongen wilde leeren tooveren! Na eenige jaren kreeg hij eene groote neiging voor eene juffrouw uit onze buurt; hij scheen zijne groote boeken en zijne fasmogrie te vergeten, en trouwde. Ongelukkiglijk stierf zijne vrouw, voordat het eerste jaar huns huwelijks ten einde was. Mijnheer Karel was ontroostbaar en wanhopig; hij liep maanden lang met het hoofd in den grond, en, eilaas, de wanhoop bracht hem allengs terug naar zijne boeken en zijne beklaaglijke studiën. Hij verloor zijne goede ouders in weinige jaren. Dit deed hem nog meer in droeve gedachten verdwalen en gaf hem eene wonderlijke neiging om alleen te zijn en zwijgend te blijven. Het duurde zoo, totdat hij ergens eenen vriend vond, die ook met Nekkermancie[1] omging. Wat er dan in ons huis gebeurde, weet ik niet goed uit te leggen, alhoewel ik er des nachts niet kon van slapen. Er kwamen heeren en dames; die gingen, zoo stom als spoken, op stoelen rondom eene vrouw zitten; een der heeren, somwijlen mijn meester zelf, begon met de handen voor de oogen der vrouw te wemelen, zoolang totdat het hoofd haar op de borst zakte en zij in slaap viel. Dan kon die vrouw, al slapende, door muren en huizen zien, toekomende dingen voorspellen en zeggen wat er in Amerika of in Afrika geschiedde.... maar, wees zeker, Willem, het was de duivel, die sprak. Zij noemden dit goddeloos vermaak mangenetism en de vrouw een sujekt. Ondanks mijnen afschrik, heeft mijn meester mij eens gedwongen voor hem te zitten, en mij in slaap getooverd. Het schijnt, dat de zwarte man door mijnen mond niet wilde spreken of dat mijn goede engel hem belette in mij te komen. Maar wat zeker is, men moest mij een half uur lang slaan en sleuren en mij koud water in het aangezicht smijten, zoo vast was ik ingeslapen. Toen ik eindelijk wakker werd, noemde mijn meester mij een slecht sujekt; maar dit is...."
"Jakob, gij loopt weder van de baan; ik bid u, spreek van mijnen oom!" onderbrak de jongeling.
"Ha, ja, gij hebt gelijk. Spreken is toch een groot vermaak, niet waar, Willem? Welnu, om het kort te maken, mijn meester hield zich nog met andere dingen bezig. Bij voorbeeld hij had eenen doodskop, geenen houten of steenen kop, eenen waarachtigen kop van een mensch, die op het kerkhof had gelegen! Daar waren van boven blauwe, roode en gele strepen op geschilderd; en daarmede, als zij u de handen op het hoofd legden, konden zij zeggen of gij eerlijk man of dief, oprecht of leugenaar, moordenaar, gierigaard, goed Christen of ketter waart, al hadden zij u nooit te voren gekend of gezien. Op mijnen kop vonden zij de builen van de spreekzucht en van den lust tot goed eten. Indien de duivel daar ook al tusschen was, moet ik bekennen, dat hij ditmaal de waarheid had gezegd; want wat zou toch een eenvoudig man als ik van het leven hebben, als hij niet...."
"Van mijnen oom, ik smeek u!" zuchtte de jongeling, met de voeten in het zand woelende.
"Gij hebt gelijk, mij tegen te houden, Willem," zeide de hovenier. "Die kunst noemen zij de Fernolgie[2]. Later bedreven zij nogal leelijker dingen. Zij deden hoeden en tafels van zelf draaien en op één of twee pooten rechtstaan; zij deden er eenen geest inkomen en dwongen den zwarten man door geheimzinnig kloppen te laten hooren, dat hij tegenwoordig was. Ik was alsdan veel jonger, anders hadde ik het niet kunnen uitstaan. Het is niet, dat ik niet dikwijls in mijn bed heb liggen zweeten van angst, en menigen nacht met bidden heb doorgebracht; maar ik ben nog al taai van...."
"Van mijnen oom! van mijnen oom!"
"Juist. Ondanks al die andere kunsten bleef mijn meester toch voornamelijk zich bezighouden met de slaaptooverij, dit is te zeggen met het mangenetism. In de laatste jaren onzes verblijfs te Brussel genas hij door deze kunst de ongeneeslijkste zieken. Hij had een sujekt, dat wil zeggen eene dame, die, volgens het schijnt, al slapende in het lichaam der menschen kon zien, en daarenboven de geneesmiddelen voorschreef, die hen onfeilbaar van hunne kwalen moesten verlossen. Onbegrijpelijk, Willem, welke wondere dingen zij deden. Zij hebben op eenige minuten menschen gered, die al tien jaar van alle dokters waren verlaten; zij hebben eens een mensch ziende gemaakt, die geene oogen meer had. Zij hebben eens eenen heer, die opgezwollen was van de waterzucht, in een half uur tijds zoo dun en zoo mager gemaakt, dat hij om genade smeekte. De wijsneuzen—en in Brussel zijn er niet weinig—beweerden, dat mijn meester zot genoeg was, om in een krankzinnigenhuis te worden opgesloten; andere slimmeriken zeiden, dat hij zich door de weduwe, die zijn sujekt was, liet bedriegen; maar zij wisten niet gelijk ik, dat mijn meester met den boozen geest omging, en, eilaas, bezig was met zijne ziel te verliezen!"
"Ontving hij geld voor deze genezingen?" vroeg de jongeling in gepeinzen.
"Neen," was het antwoord, "hij had geen geld noodig. Wel heb ik gezien, dat de vrouw aanvaardde wat de lieden uit dankbaarheid haar gaven; maar uw oom heeft daar integendeel veel geld aan verkwist. Zijn sujekt was eene dame, die tot verval was geraakt, en hij heeft haar van tijd tot tijd nog al fraaie sommen geleend."
"Ha, ha, ik begin te begrijpen!" mompelde Willem.
"Gij begint te begrijpen? Wat? Dat de duivel er mede bemoeid was."
"Niets, niets, Jakob; ga voort, ik verzoek u."
"Welnu, dan is er iets gebeurd, dat eenen beklaaglijken invloed op ons aller leven moest hebben. Er was een voornaam burger, die dikwijls ten onzen huize kwam en de verkleefde vriend was van mijnen meester en van zijn sujekt. Die heer kon zelf niet tooveren; maar hij was vol bewondering voor de macht van het.... van het mangenetism. Met een sneeuwachtig dooiweder betrapte hij eensklaps eene verkoudheid der ingewanden, en natuurlijk, zijne eerste toevlucht was tot mijnen meester... Het sujekt valt in slaap en zegt wat hij moet nemen, om van zijne ziekte te worden verlost. Hij volgt haren raad en neemt het geneesmiddel, in tegenwoordigheid zijner vrouw en kinderen; maar hij wordt door eenen geheimen slag getroffen, valt spartelend op den grond en sterft zonder biecht! Ik zou zeggen: God zij zijne arme ziel genadig; maar hoe kan het gebed iemand helpen, die van den duivel is weggehaald?... De gendarmes zijn gekomen en hebben mijnen meester en zijn sujekt naar de gevangenis gebracht. Uw oom werd evenwel na acht dagen in vrijheid gelaten; maar hij zou toch voor het tribunaal komen, als beschuldigd van medeplichtigheid aan eenen onvrijwilligen moord. Het sujekt werd veroordeeld tot achttien maanden gevangenis, zoo gezegd voor onvrijwillige vergiftiging; mijn meester werd vrijgesproken, omdat zijn advocaat poogde te bewijzen, dat hij zwak van hersens was en zich, in zijne eenvoudigheid, door het sujekt had laten bedriegen: in één woord, hij ontsnapte, omdat men hem voor halfzinneloos had doen doorgaan. Of zijne meening was, in Brussel te blijven wonen, dat weet ik niet. Het ware hem in alle geval onmogelijk geweest, want waar hij zich nu vertoonde, wees men hem met den vinger of lachte men luid. Het woord "zot" stond, duidelijk voor hem, in elks oogen te lezen. Hij kreeg dan eenen onbegrijpelijken haat tegen de menschen en bleef wel twee maanden opgesloten, zonder iemand te willen zien. Eensklaps nam hij het besluit, verre van de wereld te gaan leven...."
"Wat hoor ik? Er is een mensch, die ons afluistert!" onderbrak Willem. "Mij dunkt, er heeft iemand gekucht?"
Hij bemerkte eensklaps den hond, die met open muil en gloeiende oogen voor het prieel stond en scheen te willen spreken.
"Hemel, wat is dit voor een beest?" vroeg hij verrast.
"Ik kom, ik kom, Nox," antwoordde de hovenier, het teeken des kruises makende, zoohaast hij den hond zag wegloopen.
"Indien er een duivel op Wildenborg is, dan is het zeker die zonderlinge hond," mompelde de jongeling glimlachende.
"Het is zoo, gij hebt het geraden," bevestigde de oude man.
"Hoe? gij gelooft, Jakob?"
"Het is de dienaar van uwen oom, zijn Mistoffel, de duivel zelf. Ik mag mijnheer niet laten wachten. Straks zal ik u de wonderlijke geschiedenis van dien helschen hond vertellen. Blijf hier nog eenige oogenblikken zitten, ik zal u komen halen."
Willem sloeg het gezicht ten gronde en zonk weg in eene diepe overweging. Welhaast echter hief hij het hoofd weder op en murmelde treurmoedig:
"Hij is zot, stapelzot, de oude Jakob. Eilaas, zou mijn arme oom insgelijks in de hersens geraakt zijn? Wildenborg ware dus iets als een zinneloozenhuis? Onmogelijk, de herinneringen mijner kinderjaren zeggen mij, dat hij een zeer geleerd man was. Mijne moeder bewonderde zijn diep verstand en zijne hooge wetenschap... maar de wetenschap waarborgt niet tegen de ontschikking der hersens.... En hij gaat sterven binnen weinge dagen? Daarin bestaat waarschijnlijk zijne krankzinnigheid? Arme oom! Voor de eerste maal dat ik na vijftien jaar hem mag terugzien, zou ik zijnen dood moeten bijwonen of hem krankzinnig vinden! Hoe wisselvallig, hoe onbegrijpelijk is toch het lot en het leven van een mensch!"
Hij werd in zijne overwegingen onderbroken door de komst van den hovenier, en meende op te staan om hem te volgen; maar Jakob deed hem teeken dat hij zou blijven zitten, en zeide:
"Uw oom wacht u; maar luister nog een oogenblik. Gij weet, Willem, dat ik u op de armen heb gedragen, en dat ik evenveel genegenheid voor u heb, alsof gij mijn eigen kind waart. Gij zult dus den raad van uwen ouden vriend met vertrouwen aanhooren. Uw oom is de beste mensch der wereld: hij zou geene spin kwaad doen, maar, evenals alle hooggeleerde lieden, is hij zeer stijfhoofdig, en tegenwerpingen kan hij niet verdragen. Hij zal u spreken van zielen en van geesten. Of gij er een woord van zult begrijpen, dat weet ik niet, maar gij moet u houden, alsof gij aan die vreemde dingen geloofdet. Indien gij met hem doet gelijk met mij, zal bij droef en grimmig worden, hij zal u vaarwel zeggen, en gij zult hem niet meer te zien krijgen, al verroerdet gij hemel en aarde. Gij moet pogen zijne vriendschap te winnen.... Schokschouder niet: het geluk van uw leven is op het spel, mijn lieve Willem. Uw oom is zeer rijk, en hij zou u kunnen onterven ten voordeele van iemand, die misschien met arglist zijne goede gunst zou winnen. Gij weet, dat gij eene nicht hebt?"
"Ik heb er vele waarschijnlijk; maar ik ken ze niet."
"Ik spreek slechts van eene enkele, van Theresia De Wit, de dochter der zuster van mevrouw Reimond zaliger."
"Ik heb ze nooit gezien, Jakob."
"Zij insgelijks is erfgenaam van mijnheer. Zij zal hier komen voor zijnen dood, indien de notaris van Antwerpen intijds genoeg kan ontdekken wat er van haar is geworden. Deze De Wits zijn booze lieden, Willem, en, kunnen zij omtrent uwen oom geraken, dan zullen zij alles doen wat mogelijk is, om hem te bedriegen en u uw erfdeel te ontfutselen. Wees diensvolgens op uwe hoede, mijn vriend. Waarom zoudt gij uit gebrek aan toegevendheid uwen armen oom gaan bedroeven en hem u vijandig maken?"
"Gij hebt misschien gelijk, Jakob," murmelde de jongeling in gepeinzen.
"Alzoo, gij zult mijnen goeden raad volgen?"
"Ik zal het ten minste pogen te doen."
"Heb dank, ga nu tot uwen oom. Gij ziet daar die deur? Treed er in, op 't einde van den gang is eene zaal, waar uw oom u wacht. Klop noch roep: men mag op Wildenborg geen gerucht maken. Ik volg u niet. Heb moed en wees inschikkelijk. Vaarwel, tot straks!"