Beschrijving der platen.
Reading edition

Plaat II. De Spieren.

De linker lichaamshelft vertoont de oppervlakkig gelegen spieren; de rechter lichaamshelft geeft een aantal dieper gelegen spieren te zien, die eerst zichtbaar worden, als de daarboven gelegene verwijderd zijn.
1. Voorhoofdsbeen. (Os frontis.)
2. Peesachtige schedelkap. (Galea aponeurotica cranii.)
3. Voorhoofdsspier. (Musculus frontalis.)
4. Slaapspier. (Musculus temporalis.)
5. Wenkbrauwfronser. (Musculus corrugator supercilii.)
6. Sluitspier van het ooglid. (Musculus orbicularis orbitae.)
7. Aantrekker van het oor. (Musculus attrahens auriculae.)
8. Nederdrukker van den neus. (Musculus depressor alae nasi.)
9. Oplichter der bovenlip. (Musc. levator labii sup. proprius.)
10. Oplichter van den neusvleugel en bovenlip. (Musc. levator alae nasi et labii superioris.)
11. Sluitspier van den mond. (Musculus orbicularis oris.)
12. Kauwspier. (Musculus masseter.)
13. Wangspier. (Musculus buccinator.)
14. Kinspier of opheffer van de kin. (Musculus levator menti.)
15. Schuine halsspier. (Musculus sterno-cleido-mastoideus.)
16. Schouderblad-tongbeenspier. (Musculus omo-hyoideus.)
17. Borstbeen-tongbeenspier. (Musculus sterno-hyoideus.)
18. Voorste scheefhoekige halsspier. (Musculus scalenus anticus.)
19. Middelste scheefhoekige halsspier. (Musculus scalenus medius.)
20. Optrekker van het schouderblad. (Musculus levator scapulae.)
21. Monnikskapspier. (Musculus cucularis.)
22. Sleutelbeen. (Clavicula.)
23. Borstbeen. (Sternum.)
24. Bovenarmbeen. (Humerus.)
25. Sleutelbeenspier. (Musculus subclavius.)
26. Kleine borstspier. (Musculus pectoralis minor.)
27. Groote getande spier. (Musc. serratus anticus major.)
28. Groote borstspier. (Musculus pectoralis major.)
29. Onderschouderbladspier. (Musculus subscapularis.)
30. Ravenbeksarmspier. (Musculus coraco-brachialis.)
31. Tweehoofdige armspier. (Musculus biceps brachii.)
32. Deltaspier. (Musculus deltoideus.)
33. Binnenste hoofd van de driehoofdige armspier. (Musculus triceps.)
34. Binnenste armspier. (Musculus brachialis internus.)
35. Rechte buikspier met peesstrooken. (Musculus rectus abdominis.)
36. Witte buiklijn. (Linea alba.)
37. Buitenste schuine buikspier. (Musculus obliquus abdominis externus.)
38. Binnenste schuine buikspier. (Musculus obliquus abdominis internus.)
39. Band van Poupart. (Ligamentum Poupartii.)
40. Inwendige opening van het lieskanaal. (Apertura interna canalis inguinalis.)
41. Lieskanaal. (Canalis inguinalis.)
42. Uitwendige opening van het lieskanaal. (Apertura externa canalis inguinalis.)
43. Middelste bilspier. (Musculus glutaeus medius.)
44. Het lange hoofd van de vierhoofdige uitstrekspier van het onderbeen (musculus extensor cruris quadriceps); slechts het bovenste gedeelte is zichtbaar.
45. Kamspier. (Musculus pectineus.)
46. Lange aantrekkende spier van het been. (Musculus adductor magnus.)
47. Het buitenste hoofd van de vierhoofdige uitstrekspier van het onderbeen.
48. Lange beenspier of kleermakersspier. (Musculus sartorius.)
49. Dunne dijspier. (Musculus gracilis.)
Plaat III. De Bloedsomloop.

De rood gekleurde bloedvaten zijn de slagaderen (arteriae), de blauw gekleurde de aderen (venae).
1. Linker hartkamer. (Ventriculus sinister.)
2. Rechter hartkamer. (Ventriculus dexter.)
3. Rechter voorkamer met hartoor. (Atrium dexter.)
4. Linker hartoor. (Auriculum sinistrum.)
5. Opstijgende tak van de groote lichaamsslagader (aorta), die uit de linker hartkamer ontspringt. (Aorta ascendens.)
6. Aorta-boog. (Arcus aorta.)
7. Neerdalende tak van de aorta. (Aorta descendens.)
8. Longslagader (Arteria pulmonalis), die uit de rechter hartkamer ontspringt.
9. Bovenste holle ader. (Vena cava superior.)
10. Onderste holle ader. (Vena cava inferior.) Beide storten haar bloed in de rechter voorkamer.
11. Naamlooze slagader (Arteria anonyma), die uit de aorta voortkomt.
12. Gemeenschappelijke halsslagader (Carotis communis); door haar vertakkingen voorziet zij het hoofd van bloed.
13. Buitenste kaakslagader. (Arteria maxillaris externa.)
14. Oppervlakkige slaapslagader. (Arteria temporalis superficialis.)
15. Diepe slaapslagader. (Arteria temporalis profundis.)
De naamlooze slagader levert ook het bloed voor den arm door de:
16. Sleutelbeenslagader. (Arteria subclavia.)
17. Okselslagader (Arteria axillaris), en:
18. Bovenarmslagaderen. (Arteriae brachialis.)
Uit het buikgedeelte der aorta komen de:
19. Korte buikslagaderen. (Arteria coeliacae) (afgesneden.)
20. Bovenste darm- of darmscheilslagader. (Arteria mesenterica superior.) (eveneens afgesneden).
21. Nierslagader. (Arteria renalis.)
22. Onderste darm- of darmscheilslagader. (Arteria mesenterica inferior) (afgesneden).
23. Linker binnenste zaadslagader (Arteria spermatica interna); de rechter ontspringt meestal uit de nierslagader.
De binnenste zaadslagaderen voorzien de geslachtsorganen van bloed.
Door de vorkvormige verdeeling der aorta in de twee:
24. Gemeenschappelijke bekkenslagaderen (Arteriae iliacae communes) worden de beenen van bloed voorzien. Voor dit doel geven zij af de:
25. Dijslagader (Arteria cruralis) en haar in de diepte gaanden tak, de:
26. Diepe dijslagader. (Arteria profunda femoris.)
De bovenste holle ader stort het veneuze bloed uit het bovenste gedeelte van het lichaam in de rechter voorkamer. Zij ontstaat door vereeniging van de beide:
27. Naamlooze aderen. (Venae innominatae.)
Deze ontvangen het veneuze bloed uit den arm door de:
28. Sleutelbeenader (Vena subclavia) en de:
29 en 30. Huidaderen van den arm (Venae subcutaneae brachii) en uit het hoofd door de:
31. Inwendige strotader. (Vena jugularis interna.)
32. Uitwendige strotader. (Vena jugularis externa.)
De onderste holle ader stort eveneens haar bloed in de rechter voorkamer. Zij ontvangt dit uit de aderen van het onderste gedeelte van het lichaam.
Haar takken zijn:
33. Leveraderen. (Venae hepaticae.)
34. Nierader. (Vena renalis.)
35. Inwendige zaadader. (Vena spermatica int.)
36. Gemeenschappelijke bekkenader. (Vena iliaca communis.)
37. Dijader. (Vena cruralis).
Plaat IV. Het zenuwstelsel.

Een doorsnede van het hoofd en de wervelkolom geeft ten deele een overzicht van hersenen en ruggemerg, terwijl de armen en beenen zoodanig zijn afgesneden, dat men den aanvang der voor hen bestemde zenuwen kan overzien.
1. Groote hersenen. (Cerebrum.)
2. Brug van Varol (Pons Varolii), die de beide kleine hersenhalfronden verbindt.
3. Verlengde merg. (Medulla oblongata.)
4. Halsgedeelte van het ruggemerg. (Medulla spinalis.)
5. Borstgedeelte van het ruggemerg.
6. Mergkegel. (Conus.)
7. Lendengedeelte van het ruggemerg.
8. Paardestaart (Cauda equina.)
Uit de hersenen ontspringen 12 paar hersenzenuwen, waarvan evenwel op deze plaat slechts de oorsprong te zien is van de:
9. Buitenste oogspierzenuw. (Nervus oculomotorius.)
10. Drielingszenuw. (Nervus trigeminus.)
11. Aangezichtszenuw en gehoorzenuw. (Nervus facialis et acusticus.)
12. Tong- en keelzenuw. (Nervus glosso-pharyngeus.)
Uit het ruggemerg ontspringen 31 paar ruggemergszenuwen. De voorste takken van de 4 onderste halszenuwen vormen de:
13. Halszenuwvlecht. (Plexus cervicalis.)
De voorste takken van de 4 onderste halszenuwen vormen de:
14. Armenzenuwvlecht. (Plexis brachialis), welke op de plaat zichtbare takken naar den arm zendt.
15. Huidzenuwen van den arm. (Nervi cutanei brachii.)
16. Middelarmzenuw. (Nervus medianus.)
17. Elleboogzenuw. (Nervus ulnaris.)
18. Spier-huidzenuw. (Nervus musculo-cutaneus). Verder kan men nog het begin zien van de:
19. Achtste halszenuw. (Nervus cervicalis.)
20. Eerste borstzenuw. (Nervus thoracicus.)
21. Twaalfde borstzenuw. (Nervus thoracicus.)
22. Eerste lendenzenuw. (Nervus lumbalis.)
23. Heup-bekkenzenuw. (Nervus ilio-hypogastricus.)
24. Heup-lieszenuw. (Nervus ilio-inguinalis.)
25. Huidzenuw van het bovenbeen. (Nervus cutaneus femoris.)
26. Heupkomzenuw. (Nervus obturatorius.)
27. Dijzenuw. (Nervus cruralis.)
28. Schaambeenzenuw. (Nervus genito-cruralis.)
29. Eerste heiligbeenzenuw. (Nervus sacralis.)
30. Verbindingsstreng van den sympathicus. (Nervus sympathicus.)
31. Heupzenuw. (Nervus ischiadicus.)
Plaat V. Het Geraamte (gedeeltelijk) en de inhoud van borst- en buikholte.

Van de schedelbeenderen ziet men slechts:
1. Voorhoofdsbeen. (Os frontis.)
2. Kruin- of wandbeen. (Os parietale.)
3. Slaapbeen. (Os temporum.)
4. Jukbeen. (Os zygomaticum.)
5. Bovenkaakbeen. (Os maxillare superius.)
6. Onderkaak. (Mandibula.)
Verder ziet men:
7. Zevende halswervel. (Vertebra prominens.)
8. Eerste borstwervel. (Vertebra thoracicus.)
9. Twaalfde borstwervel. (Vertebra thoracicus.)
10. Vijfde lendenwervel. (Vertebra lumbalis.)
11. Kruis- of heiligbeen. (Os sacrum.)
12. Stuitbeen. (Os coccygis.)
13. Sleutelbeen. (Clavicula.)
14. Borstbeen. (Sternum.)
15. Eerste rib, (Costa.)
16. Twaalfde rib, (Costa.)
17. Schouderblad. (Scapula.)
18. Bovenarmbeen. (Humerus.)
19. Voorgebergte. (Promontorium.)
Het heupbeen (Os innominatum), dat in verbinding met het heiligbeen en stuitbeen het eigenlijke bekken vormt, is samengesteld uit:
20. Darmbeen (Os ilei.)
21. Schaambeen. (Os pubis.)
22. Zitbeen. (Os ischii.)
No. 23 toont het Dij- of bovenschenkelbeen (Femur) aan.
De Ingewanden.
24. Strottenhoofd. (Larynx.)
25. Luchtpijp. (Trachea.)
26. Luchtpijpstakken. (Bronchi.)
27. Rechter en linker long. (Pulmones dexter et sinister.)
28. Hart. (Cor.)
29. Linker hartkamer van binnen.
30. Rechter hartkamer van binnen. Gedeeltelijk ziet men in beide hartkamers de uitgespreide hartkleppen. (Valvulae.)
31. Rechter voorkamer van het hart.
32. Linker hartoor.
33. Groote lichaamsslagader. (Aorta.)
34. Longslagader.
35. Bovenste holle ader.
36. Linker voorkamer van het hart.
37. Onderste holle ader.
38. Keelholte. (Pharynx.)
39. Slokdarm. (Oesophagus.)
40. Maag. (Ventriculus.)
41. Milt. (Lien.)
42. Alvleeschklier. (Pankreas.)
43. Twaalfvingerige darm. (Intestinum duodenum) (gedeeltelijk geopend.)
44. Dunne darm (nuchtere darm en kronkeldarm.) (Intestinum jejunum et ileum.)
45. Blinde darm (Intestinum coecum) met het wormsgewijze verlengsel. (Processus vermicularis.)
46. Karteldarm. (Colon.)
47. Aars- of endeldarm. (Intestinum rectum.)
48. Lever. (Hepar.)
49. Galblaas. (Cystis fellea.)
50. Middelrif. (Diaphragma.)
51. Nier. (Ren.)
52. Nierbekken. (Pelvis renalis.)
53. Pisleider. (Ureter.)
54. Pisblaas. (Vesica urinaria.)
55. Uitwendige geslachtsorganen. (Genitalia.)
56. Scheede. (Vagina.)
57. Baarmoedermond. (Orificium uterinum.)
58. Baarmoeder. (Uterus.)
59. Eierstok. (Ovarium) (rechter is geopend.)
60. Eileider. (Oviductus of Tuba Fallopiana.)
61. Breede baarmoederband. (Ligamentum latum.)
62. Ronde baarmoederband. (Ligamentum rotundum.)
63. Op plaat 1 vinden wij de opengelegde borstklier (Mamma), die eveneens tot de geslachtsorganen behoort.
64. Groote lendenspier. (Musculus psoas major.)

