← Table of contents
De vroolijke tocht

CYRIEL BUYSSE.

Reading edition

Illustration from De vroolijke tocht

UITGAVE VAN C. A. J. VAN DISHOECK TE BUSSUM, IN HET JAAR 1911.

[iv]

N.V. Boekdr. v/h L. v. Nifterik Hzn., Leiden.

[v]

INHOUD.

Blz.

De groote Chemineau1

Op reis!3

Een vriend6

Trompet-dilemma8

Hôtel des Postes!19

Bazeilles22

Het Maas-Departement25

Sandwicheswee26

Spijkertjeswee28

Nancy30

Landkaart en wegen33

Van Dijon naar Lyon36

Bergen40

Avignon42

Sur le pont d’Avignon!44

De pettenjagers47

De Riviera50

Grasse52

De bank betaalt56

„Le désert de la Crau”66

Arles70

[vi]Gevaarlijke menschen op reis74

Tarascon81

Van Nîmes naar Carcassonne84

Fantasmagorie88

De Idylle90

La Foire de Saint Girons95

Schrikwekkende ontmoeting96

De wonderstreek98

Lourdes100

Cambo102

Biarritz105

Even in ’t land van Alonzo106

Een geografische vergissing of: Waarom ik Fuenterrabia niet zag108

Terug114

Een nacht te Castel-Jaloux117

Het Noorden in121

Allerheiligen125

Parijs128

De laatste rit132

[1]

DE GROOTE CHEMINEAU.

De auto vliegt door ’t land. Bergen, dalen, steden, dorpen, akkers, bosschen en rivieren, alles ruischt in snel tempo voorbij, als de flits-vizioenen van een cinematograaf. Het zou de moeite niet loonen die in zich op te nemen en weer uit te beelden, als de auto was gelijk een trein, die slechts op enkele vaste plaatsen stilhoudt, of als een cinematograaf, die razend-snel zijn plaatjes na elkaar ontwikkelt. Maar de auto is een vrije vogel, die kan vliegen en kan zitten, een phantasist of een fantast, een renner of een droomer, een poëet of een zwoeger, in trouwe overeenstemming met den wil of met de fantasie van hem die hem bestuurt.

Alle wegen, of bijna alle wegen, liggen verlokkend voor hem open. Nooit is hij aan de geometrisch-rechte lijn van twee rails gebonden. De streek is mooi: laat ons zacht-snorren, bewonderen, genieten, droomen. De weg is lang, het landschap kleurloos, eentonig, vervelend: laat ons in volle vaart dat eind verslinden, en toch ook weer genieten,[2] genieten van de snelheid óm de snelheid zelve, met de kleine siddering van angst en van gevaar, welke er aan verbonden zijn.

De groote, gróóte gave van de auto is, dat men er mee komt in plaatsen, waar men anders nooit aan denken zou heen te gaan. Wie zal zich de moeite getroosten drie kwart van een dag in een kruipend locaaltreintje te verboemelen om ergens een streek of stadje te bezoeken, waar misschien wel een aardig, pittoresk gezicht, maar misschien ook een saaie teleurstelling wacht? De auto vindt die plekjes op zijn weg; zij komen vanzelf naar hem toe; en, vindt hij ze niet aardig, hij hoeft er niet te blijven, niet te wachten op een of ander tragen, problematischen spoortrein: een draaitje aan den slinger en weg is hij, naar betere oorden.

De auto is als ’t ware de sterkere, vluggere broer van den landlooper, de echte, groote, snelle en forsche „chemineau” van ’t fransche land, met zijn breede, schoone wegen. Maar, evenals zijn zwakkere broer, betaalt hij soms zijn prachtige onafhankelijkheid met scherpe beproevingen. Niet steeds blijken zijn krachten toereikend voor de te lange of te lastige reis, en wel eens slaapt hij langs de baan, in een vunzigen stal onder een half verrot stroodak, of zelfs, op een dood-eenzamen weg, om den hoek van een bosch, als een poëet, onder den fluweelen sterrenmantel van den nachtelijken hemel.

Maar dat hoort zoo bij zijn avontuurlijk leven.[3] Dat is er een der vele verrassingen, die hij in zijn geheimzinnige kracht verborgen houdt. Hij wil immers geen trein zijn, die juist op tijd vertrekt en juist op tijd aankomt. Hij is de vrije, aan tijd noch ruimte gebonden fantast, die heel laat mag vertrekken en toch heel vroeg kan aankomen, of omgekeerd heel vroeg vertrekt en heel laat, of zelfs in ’t geheel niet, aankomt.

Het is de groote „chemineau” der breede, vrije ruimten....

OP REIS!

Per auto op reis, als heer-alleen met drie dames, geheel Frankrijk door en zonder chauffeur, het is voorwaar geen kleinigheid!

Drie dames, drie koffers, en mijn eigen klein koffertje, een stapel mantels, jassen, plaids en capes, neen, er is geen hoekje plaats meer over voor den kleinen „mécano”, dien ik gehoopt had mee te kunnen nemen.

Ik zal alles zelf en heel alleen moeten doen: naphta, olie, water bijvullen, banden opleggen of banden oppompen, smeren, poetsen, schuren.... en sturen. Elken ochtend, een uur vóór ’t vertrek, terwijl mijn dames nog rustig te bed liggen, zal[4] ik reeds aan ’t werk zijn; elken avond, een uur na aankomst, terwijl mijn dames zich aan ’t opfrisschen en aan ’t verkleeden zijn, zal men mij nog aan den wagen bezig vinden.

Zal het gaan....? Laat het ons maar probeeren!

De wagen is kant en klaar. Dat is hij al sinds dagen. Alles, àlles wat kòn worden nagezien, ìs nagezien. Wat nu nog kan gebeuren, hangt alleen van onze goede en kwade kans af. De bagage is opgeladen, mijn dames zijn ingeladen, zij zitten met frissche wangen en blijde oogen te glimlachen en ik moet ook glimlachen, omdat ze zoo goed bij elkaar in de auto passen: de dames en hunne bagage. Men kan zich de eene zonder de andere niet goed voorstellen, ze completeeren elkaar, maken één geheel uit.

Vooraan, op den wagen, rechts en links op de acetyleenlantarens, zijn twee vlaggetjes geplant: rechts, de zwarte leeuw op gouden veld, de Vlaamsche vlag; links de Hollandsche driekleur, met het oranje wimpeltje in top. Dat staat wel aardig. Het zal vooral heel aardig staan als ze straks, onder het rijden, levendig gaan wapperen. Hun frissche, helle kleuren geven wat fleur aan den langen, open wagen, die eentonig grijs van tint is, dè tint van een reiswagen.

De vlaggetjes wapperen....!

Gent, het groote, drukke, vuile en toch imposante Gent, de donkere, viriele oude stad met de[5] forsche gebouwen, ligt al een eind achter den rug, en wij hossen en schudden en dansen over de hobbelige keiwegen. O, die schrikkelijke vlaamsche en brabantsche keien! Kinderhoofden! zeggen de hollandsche chauffeurs. Maar wij noemen ze: doodshoofden. Zullen we wel ooit te Brussel geraken! Zal de wagen niet tot splinters uit elkaar vliegen? Wij tellen de dorpen als zooveel lijdensstaties van een folterweg. Hoe is ’t Gods mogelijk om in zoo’n land auto te rijden? Wie zijn de sombere barbaren, de oer-negers, de menschenhaters en de menscheneters, die zulke bestrating ooit verzonnen? Wij schokken en springen door een stadje: Dendermonde; af en toe kijk ik om of mijn bagage en mijn dames nog steeds in den wagen zitten; wij hobbelen door dorpen met een bevolking, die bijna uitsluitend uit kleine kinderen schijnt te bestaan; risten, dozijnen, krioelingen van kinderen, op de straat, in de moddergreppels, vóór, achter en langs de huizen; (o, vruchtbaar Vlaanderen, wat wordt er met liefde aan uw toekomst gedacht!) wij komen in een streek van hondenkarren, geen andere gespannen dan hijgende, blaffende, brullende en sjokkende hondenkarren; even krijgen wij een mooien, zachten grintweg (o, welk een verademing! wat een zaligen voorsmaak van wat ons verder op de reis te wachten staat!) om trouwens spoedig weer over de doodshoofden door elkaar geslingerd en geschokt te worden; en eindelijk doemt Brussel in de verte op.

[6]Komaan! We zijn er toch levend aangeland. Het overige zal nu maar kinderspel meer zijn.

EEN VRIEND.

Een goede, mooie weg is als een vaste, trouwe vriend, die den chauffeur overal begeleidt.

Je hebt hem eensklaps gevonden, je nooit-genoeg-te-waardeeren vriend, toen je moe en lam gehobbeld was over de slechte keien, hij lag daar ineens, onverwacht en onverhoopt, om den hoek van een bosch, buiten den kom van een dorpje, als geduldig op je wachtend; hij lag daar, zachtblond over het groene land, als een reus die op zijn rug ligt uit te rusten, en hij voerde je dadelijk, geruischloos en in zacht-wiegende snelheid mee, en ’t was een verrassing, een verrukking, die je al het akelige deed vergeten.

Je dacht niet dat hij je nog kon verlaten, hij was zoo groot, zoo breed, zoo veilig; hij strekte zich zoo eindeloos ver, in zijn gladde blondheid, over de golvende landouwen uit, je had je maar te laten gaan en te genieten, het was een droom, een verwezenlijkte illuzie,.... tot het eensklaps uit was, uit zooals het was gekomen, plotseling en onverwacht, om den hoek van een bosch of in den kom van een dorpje.

[7]Waar is hij heen, de mooie weg? Vergaan? Onder den grond verdwenen? Waarom moeten we weer zoo akelig schokken, hossen, hobbelen? Ach, ontrouwe, dien ik trouw en krachtig waande! Was hij maar nooit gekomen! Had hij ons maar zoo bitter niet gefopt!

En je treurt in jezelf om de broosheid en vergankelijkheid van het goede in deze droeve wereld, je denkt niet meer aan den ontrouwen, den verrader; je bent hem al vergeten,.... als hij daar plotseling weer is, om den hoek van een bosch, buiten den kom van een dorpje: zacht-effen-blond en heerlijk-kalm over de groene velden uitgestrekt, om je weer in verrukking verder mee te voeren.

En nu heb je vertrouwen gekregen, nu wéét je....

Laat hem maar kalm opnieuw vergaan, onder den grond verdwijnen, in hobbelige doodskoppen veranderen: je wéét, je weet dat je hem ginder buiten ’t dorp terug zult vinden, je weet dat hij daar zalig-rustend op je ligt te wachten, en dat hij reeds lang, reeds héél lang aangekomen is waar jij naar toe moet en waar hij je trouw en zacht en veilig, ondanks zijn grillige gedaanteverwisselingen, brengen zal.

Zulk een vriend, de eerste echte vriend op onze lange baan, was de weg tusschen Brussel en Namen.

[8]

TROMPET-DILEMMA.

Wat zal je doen, chauffeur, als iets, iets dat je niet absoluut onontbeerlijk is, uit je wagen weggestolen wordt?

Zal je de rustige philosophie hebben in jezelf te denken: „Ach, ’t is niet de moeite waard me daarvoor op te houden, een heele boel tijd te verliezen en daarna te moeten jagen om den verloren tijd weer in te halen.” Of zal je zeggen: „Dáár loopt de man, die mij het voorwerp heeft ontstolen; ik ren hem na, ik wil en zal mijn eigendom terug krijgen!”

Ik koos het laatste; ’t besef van het eigendomsrecht overweldigde in mij de philosophische berusting. Maar, ware het opnieuw te beginnen, ik zou wel anders kiezen.

Het voorwerp, dat, terwijl wij lunchten, uit mijn wagen werd gestolen, was een vrij eenvoudig, koperen trompetje. Zoo’n soort van jachthorentje, waarop je scherp en luid kunt blazen, wanneer de gewone auto-signalen geen uitwerking hebben.

Een man van de straat kwam mij in het restaurant waarschuwen:

—M’sieu, un homme vient de voler une trompette dans votre automobile. Il s’est enfui avec!

Ik was juist begonnen met een ordentelijke entrecôte-béarnaise te verorberen. Ik erken onbewimpeld, dat ik meer lust had het onderhoud met[9] de entrecôte voort te zetten, dan den dief te achtervolgen. Maar mijn dames keken mij veelbeteekenend aan, ik kreeg mijn plichtsgevoel te pakken, en, na een korte aarzeling, lei ik mijn servet neer en stond op.

Er was drukte om mijn auto vóór ’t hôtel. Vingers strekten zich uit in de richting waar de dief met de trompet verdwenen was en een politieagent kwam vlug en gezagvoerend aanstappen.

De man van de straat, die mij gewaarschuwd had, werd ondervraagd. Ginds liep de dief, beweerde hij, je kon hem nog zien.

—Haal hem in! beval de agent.

De man rende heen.

Ondertusschen werd ik door den agent ondervraagd, verzocht mijn naam, adres en kwaliteit op te geven.

Dat duurde een poosje.

Toen zagen wij den man uit de straat terugkomen, vergezeld door een anderen man, een kleine dikkerd, met zwarte pet en blauw boezeroen.

—C’est lui qui a volé la trompette! riep van verre de man uit de straat.

—C’est pas vrai, godfèrdom! antwoordde de kleine, met een nijdigen schuinblik.

—Je te l’ai godfèrdom vu voler! beweerde krachtig de man van de straat.

’t Klonk aller-gekst de twee Walen voortdurend dien vlaamschen vloek te hooren gebruiken. Ik had moeite om er mijn ernst bij te behouden. De agent kwam in ’t midden.

[10]—Vot’ nom? vroeg hij den kleine.

—Pour vous servir, m’sieu, antwoordde deze zonder schroom, een smerig boekje met papieren uit zijn boezeroen-zak halend en meteen zijn vettig-zwart petje afnemend.

Een bulderlach ging onder de menigte op. De kleine dikkerd had geen enkel haartje meer op zijn hoofd. Nog nooit heb ik een zóó absoluut kalen kop gezien, en, daar hij ook heelemaal glad geschoren was, leek zijn gansche hoofd één bolle vetblaas met gaten van mond en neus en oogen erin.

—C’est vous qui avez volé la trompette à m’sieu, begon de agent.

—C’est pas vrai, godférdom! herhaalde nijdig de dikkerd.

—Mais cet homme l’a vu, godférdom! riep de agent, op zijn beurt den vlaamschen vloek gebruikend en naar den man van de straat wijzend.

Ik vond het dol om ’t standje aan te hooren. Alleen ’t idee der entrecôte temperde eenigszins mijn pret. Ik wierp een blik in de heldere ramen van het restaurant, waar de lunchers, gezellig om de witte tafeltjes gezeten, eventjes mes en vork hadden neergelegd, door het schouwspel geïnteresseerd.

—Allons, au bureau de police, godférdom! beval eensklaps de agent, die geen kans zag, om daar, op straat, het spel in ’t klare te trekken.

Ik werd verzocht om er hem met mijn wagen heen te brengen. Ik trok een zuur gezicht. Mijn[11] entrecôte, helaas....! Maar er was niets aan te doen, ik maakte een wanhopig gebaar met de armen naar mijn dames aan ’t gezellig tafeltje en zette mijn motor in gang. De agent en de dikkerd namen plaats op de achterbank, de man van de straat kwam naast mij zitten en zoo reden wij naar het politie-bureau.

Daar werd de dikkerd opnieuw ondervraagd en afgetast. De trompet werd niet op hem gevonden. Maar de politie-commissaris, verveeld en geprikkeld, en overtuigd dat hij wel degelijk den dief te pakken had, beval den agent hem in de gevangenis te stoppen.

Nauwelijks had de kleine dikkerd dat bevel gehoord, of hij begon eensklaps als een kind te huilen.

—Eh ben, oui, c’est vrai, je l’ai pris! snikte hij.

—Haha! riep triomfant de commissaris.

De dief bekende: hij had de trompet gestolen, was er mee weggevlucht, had het achter een loods, bij ’t station, verstopt.

—Pardon, m’sieu, kwijlde hij smeekend-gevouwen handen naar mij uitstrekkend; pardon, ça ne m’arrivera plus.

—Allez! beval de commissaris onverbiddelijk. En de snikkende dikkerd werd weggebracht, terwijl een agent de trompet ging halen.

Reeds lang was mijn hart vermurwd en had ik de misdaad vergeven. Ik dacht er nu alleen maar aan om spoedig weg te komen. De dagen waren kort, het werd reeds laat, (half drie) ik had nog[12] ruim een honderd kilometer af te rijden om te Bouillon, einddoel van dien eersten dag, te komen, en mijn entrecôte.... helaas....! helaas!.... Ik keek verlegen naar den commissaris, die nijdig zat te schrijven, en, na een korte aarzeling, dorst ik het wagen:

—Och, meneer de commissaris, zouden we nu dat zaakje maar niet verder op zijn beloop kunnen laten?

—Hoe bedoelt u, meneer? zei de politie-dienaar, verbaasd zijn pen neerleggend.

—Ja, kijk eens, ik krijg nu toch mijn trompet terug; ik heb nog niet gedéjeuneerd en moet nog meer dan honderd kilometer wegs afleggen. Als we nu eens kalmpjes ’n lekkere sigaar daarop rookten, en verder.... anders moet ik immers nog wachten, uw proces-verbaal onderteekenen en...

—En dan later als aanklager op de zitting van het kantongerecht komen, glimlachte hij.

—Als ’t u belieft, meneer de commissaris, zei ik, haast smeekende, met bevende hand mijn fijnste sigaren aanbiedend. En ook aan den agent, die met de trompet terug kwam, bood ik ze aan.

Een reeds lange en veelvoudige ondervinding heeft mij geleerd, aan de almacht der Sigaar, als algemeen verzoeningsmiddel, vast te gelooven. Er gaat een onweerstaanbare bekoringsmacht uit van een ongekend, gracieuselijk-aangeboden merk. Nooit heb ik daarmee gefaald en ook in dit geval niet. De commissaris schoof zijn half-beschreven[13] blad papier op zij, de agent boog naar mijn koker, putte eruit en sloeg aan in militaire houding en bevel werd gegeven om den dief weer uit zijn hok te halen.

—Il doit au moins vous faire des excuses, demander pardon, zei beslist de commissaris.

De man werd voorgeduwd.

Ik zie niet graag het schouwspel van een mensch die zich vernedert; en ik begrijp niet hoe het komt, want ’t is een zonderlinge contradictie, maar iemand die mij vergiffenis voor iets vraagt, voel ik al dadelijk als mijn meerdere. ’t Komt feitelijk hierop neer, dat ik terstond en onweerstaanbaar de behoefte voel, mij zelf bij zoo iemand te excuseeren, dàt ik excuses van hem verg, wat voor onmiddellijk gevolg heeft den misdadiger een intens verongelijkt gevoel te geven. Ook hier weer. Ik begon met ’k weet niet welke gekke zinnen uit te stotteren, zóó, dat de man niet eens ’n woord hoefde te spreken; en ’t zou beslist vernederend voor mij afgeloopen zijn, als niet de commissaris zelf hem onder handen had genomen, op een manier, zooals politie-commissarissen dat kunnen en gewend zijn.

Eindelijk was ik vrij, „c’est le cas de le dire”. Met een zeer onvoldane gewaarwording over mijzelven nam ik afscheid en reed haastig terug naar het hôtel. Mijn dames waren reeds een heele poos wachtend klaar en begonnen zich ongerust over mij te maken. De entrecôte was warm gehouden en werd weer opgehaald. Had ik nu maar een[14] vijf minuutjes alleen kunnen zijn! Doch ik moest eten en vertellen te gelijker tijd: ik alleen, vóór mijn half verorberde, weerbarstig-taai geworden entrecôte, met drie verzadigde dames rondom mij die wachtend klaar zaten, met auto-hoeden, handschoenen en mantels aan, om zoo spoedig mogelijk te vertrekken.

—Die trompet moet nu toch eerst en vooral gedesinfecteerd worden, vóór wij haar verder gebruiken, zei een van mijn dames.

Ik maakte een wanhopig gebaar, den mond vol, niet kunnende spreken.

—Hij ziet er aller-griezeligst uit, meende mijn tweede dame, met gedégouteerd gezicht de trompet bekijkend.

Ik hoofdknikte, steeds zwijgend, met smeekende oogen.

—Was het een vieze man? vroeg mijn derde dame.

—Nee, gelukkig heel frisch, hijgde ik: keurig gladgeschoren en zijn haar gemillimeterd.

Ik was klaar en wij konden vertrekken.

Een gebeurtenis staat niet op zichzelf. Een gebeurtenis is slechts een schakel in den keten der gebeurtenissen. Was de man van de straat mij niet komen zeggen, dat mijn trompet gestolen was, dan zou ik het hoogst waarschijnlijk niet zoo dadelijk gemerkt hebben. Ik zou kalm geluncht hebben, met een lekkere, zacht-gare, in plaats van een weerbarstig-taaie entrecôte-béarnaise; en goed[15] op tijd met mijn dames weer vertrokken en nog vóór donker in Bouillon aangekomen zijn. ’t Is waar: ik had er de trompet bij ingeschoten; maar nu wil ik hier dadelijk aanstippen, dat wij de trompet gedurende de gansche reis geen enkele maal gebruikt hebben; zij heeft geen klank gegeven, is herhaaldelijk onder den voet geraakt, telkens verloren en weer teruggevonden, zij heeft ons aldoor verveeld en gehinderd, zoodat het niets geschaad zou hebben, wel integendeel, was zij maar van ’t begin af onvoorwaardelijk uit de baan geweest. Hoe dan ook, de verloren tijd moest worden ingehaald, en, nauwelijks buiten Namen, over de mooie, effen-gladde wegen, liet ik den wagen maar in volle vaart snorren.

Het moest, helaas! mij gauw genoeg berouwen! Eensklaps: pan!.... en daar stonden wij met een gesprongen band!

Een springende band,—de portemonnaie-kwestie daargelaten—is ’t spreken niet waard.... als je maar rustig den tijd hebt om je Stepney-wiel aan te schroeven of een anderen band op te leggen. Maar ’t moet al laat zijn, je moet je haasten, zenuwachtig worden, even de dames doen opstaan om iets van onder hun zitbank te halen: het een komt op het andere, je vergeet een schroefje, legt iets uit je hand wat je niet terug kunt vinden, gooit je boel onderste boven, trapt de dingen door elkaar; kortom een ellende, waarbij je van ergernis en razernij om je eigen stommiteit zoudt kunnen huilen.

[16]Enfin! eindelijk kom je klaar. Je eindigt altijd met min of meer klaar te komen per auto. Met vuile handen zit je weer aan je stuur, hijgend en zweetend nog van ’t zwoegen, en met bezorgd gezicht staar je naar de lucht en naar den hemel, die reeds zijn avondkleur begint te krijgen.

’t Is mooi, zoo’n oranjeroode avondlucht over de donkerwordende rivier en de wegblauwende bergen. De dames zijn verrukt, genieten. Dames bezitten trouwens een bijzonder groote vatbaarheid voor genieten. Maar de vertraagde, verantwoordelijke chauffeur kan heusch niet meegenieten. Hij denkt aan de vele kilometers die nog af te leggen zijn op onbekende wegen, en ieder lichtje dat zich in de watervlakte komt weerspiegelen en dat de dames zoo poëtisch en zoo aardig vinden, is hem als een vuurpriem in de oogen. Een of andere straatjongen, die hem in ’t voorbijrennen naroept: vos lanternes! doet hem beseffen, dat het nù reeds te laat is om zonder licht te rijden; en eindelijk moet hij er wel aan gelooven: opnieuw stilhouden, de acetyleenlichten doen branden en in aanzienlijk vertraagd tempo verder rijden.

Waren we maar door die ellendige trompet niet opgehouden! Hij zou lachen in zichzelf, de kleine dikkerd met zijn kale bol, die mij zijn excuses, of liever: aan wien ìk mijn excuses maakte, als hij ons nu kon zien sukkelen, geen namen op de wegbordjes meer onderscheidend, telkens weer stilhoudend om den weg te vragen! Neen, ’t heeft[17] niets geen aardigheid, dat avond-rijden in een onbekende streek. Hier, bij voorbeeld, op dat kruispunt midden in de bosschen! Welken kant moeten we uit? Weer opgehouden, afgestapt, lucifers aangestreken, getracht de namen op de bordjes te lezen. Zijn we goed? Zijn we mis? Onzekerheid en twijfel! En als er nu eens een band springt, of iets aan den motor hapert, wat dan? In die dood-eenzame groote bosschen overnachten? Weldra komt de mist er nog bij. Ik zie geen tien meter ver vóór mij uit. ’t Wordt vijftien per uur rijden, minder nog, want ik zie letterlijk niets meer, ik hang drie kwart uit den wagen en onderscheid nog nauwelijks wat weg, of gras, of sloot, of boom is. ’t Is of de wagen door wegdrijvende watten rijdt.

Eensklaps, midden in die grijs-duistere eenzaamheid, twee zwakke lichtjes in de verte. Lieve lichtjes, waar je ook rijdt of staat, wees welkom! Jullie zijn het glanzend bewijs dat er nog iets van leven is in die verlaten en verloren streek.

Twee lichtjes, drie lichtjes, vier lichtjes, eensklaps een hoop lichtjes! O! zouden we toch eindelijk veilig aangekomen zijn! Ik zie beweging, menschen op den weg; ik meen muziek en zang te hooren. Jawel, zoo is het. We vallen daar ergens midden in een kermis, met dans in herbergen, muziek en kramen langs den weg.

—Bouillon? vraag ik onder het zeer langzaam rijden, denkend dat wij in het stadje zijn.

[18]—Tout droit, vingt kilomètres! antwoordt een harde stem.

Vingt kilomètres! O, hemel, wat ’n slag! ’t Is om te huilen!

De lichtjes zijn verdwenen, we zitten weer in ’t wattig-grijze duister, en de weg schijnt te stijgen, want ik moet al spoedig van versnelling veranderen. En ’t sukkelen herbegint!

Wat is het lang, lang, eindeloos lang, twintig kilometer, als men niets ziet en ontzaglijk-voorzichtig moet rijden over een onbekende baan! Ik voel mijn wagen als een schip in volle, grijze zee, verre van alle havens of kusten. Hij schijnt ter plaats te dobberen; niets duidt me aan, dat we maar eenigszins vorderen. Ik spreek geen enkel woord meer, al mijn aandacht op ’t sturen gespannen en ook mijn dames zitten stil en zwijgend, ’t is of zij in de auto niet meer zijn. Ik weet niet of ze nu nog wel genieten, maar ik denk dat ze ’t in elk geval huiverig hebben en, zonder ze te zien, stel ik ze mij voor, roerloos, als marmotten, onder plaids en mantels geduffeld. Die lievelingen! Ik kan ze maar knuffelen in gedachte en hopen dat ze ’t straks goed en gezellig zullen hebben, in ’t hôtel. Maar komen we nog wel ooit aan een hôtel?

We schijnen toch wel in de buurt van „iets” te komen. De weg waarop wij rijden daalt nu merkbaar, en rechts en links komt het mij vagelijk voor alsof er hier en daar een hek was, met aanleg[19] van tuinen en half-zichtbare gebouwen in den achtergrond. Ik twijfel nog, ik durf haast niet meer hopen dat wij nog in een levend oord zullen aanlanden, tot zich plotseling iets duidelijks openbaart, dat geen de minste onzekerheid meer overlaat: een soldaat, teer-omarmd met zijn lief, langs een voetpad met boomen.

—Dames, zeg ik, mij omkeerend, we zijn te Bouillon.

Vage stemmen, die als ’t ware van heel diep en verre, uit plaids en mantels komen, geven een heroplevend antwoord.

—Waar? waar is het? vragen zij.

Een korte, plotselinge bocht en daar is ’t antwoord: een straat, winkels, huizen, meiden, militairen, en, op een vijftig meter afstand, achter een pleintje, flink verlicht, ’t hôtelletje.

HÔTEL DES POSTES!

Nog nooit hebben de vergulde letters van een hôtel mij zoo vriendelijk toegelachen, nog nooit heb ik zooveel echten, gullen welkom gelezen als op het vet gezicht van den gezetten eigenaar, die ons voor de stoep kwam begroeten.

Of we kamers konden krijgen? Zeker!

Of het nog niet te laat was om te dineeren? Absoluut niet!

[20]Mijn bagage en mijn dames werden afgeladen, ik borg den wagen in de garage, en even later zaten wij alle vier, trotsch en gelukkig als na een roemrijke overwinning, om een tafeltje, gezellig in de helder-verlichte eetzaal.

Het is toch eigenaardig hoe een impressie,—en nog wel zoo’n onnoozele impressie—halsstarrig-blijvend zich kan opdringen!

Bouillon is een pittoresk en aardig gelegen stadje, met een mooi riviertje en de indrukwekkende ruïne van een prachtig oud slot; het is mooi van omstreken en kleur en alleszins de moeite waard om te bekijken; en toch, als ik nu weer aan Bouillon denk, is het telkens, tot sarrens toe, fataal en onverjaagbaar, een onnoozele impressie van gansch anderen aard, die zich aan mij komt opdringen:

Ik zie van Bouillon alleen de lichte eetzaal van ’t hôtel waar ik gezellig met mijn dames zat: ons tafeltje in een hoek en, vlak daarvoor, een ander tafeltje, waaraan drie personen, twee dames en een heer gezeten waren.

De heer, van iets meer dan middelbaren leeftijd, was slank en mager en had een vrij gedistingeerd uiterlijk, maar een tamelijk bête expressie over zijn gezicht. Een der dames was groot, zwaar, zwart, massief, met een bolrond gelaat, waarin de groote, donkere oogen als van onverholen nieuwsgierigheid blonken, terwijl haar groote mond met glinsterwitte, valsche tanden aldoor van verbazing[21] of bewondering scheen te lachen. De andere was kort en klein, maar goed gevuld van vormen ook, met een bleek gezicht vol rimpels om den mond en om de oogen, die haar een uitdrukking van gefolterde consternatie gaven.

De heer, nu, die een buitengewoon onaangenaam-klinkend orgaan bezat, praatte, praatte, praatte, onbedaarlijk en onophoudend, zooals ik wel meer gemerkt heb van menschen met een bizonder-akeligen stemklank. Hij praatte, als een drassige bron die eindeloos brobbelt en de beide dames zaten te luisteren in verstarde houding, de groote met haar stralende verbazing en bewondering, de kleine bleeke met haar folterrimpels van verslagenheid, beide roer- en machteloos in verschillende gevoelens, als voor een niet te stelpen, alles-overweldigend natuurverschijnsel. Er was geen begin bij en er kwam geen eind aan; wij vonden ze zoo en wij hebben ze zoo gelaten; en ik kan me niet anders voorstellen als dat ze daar nòg zoo zitten: de man babbelend, babbelend, babbelend; de beide vrouwen stom-en-roerloos-luisterend, de eene met een juichgezicht, de andere als het beeld der consternatie, beide als gepetrifieerd in hun diverse, alles overweldigende gewaarwordingen.

Het is toch gek en ergerlijk dat dàt nu voor mij de impressie van Bouillon moet blijven.

[22]

BAZEILLES.

Het geeft mij altijd eenige emotie wanneer ik, over een grens van ’t eene land in ’t andere kom. Er is wel niets gebeurd, niets veranderd, de streek ziet er hier precies uit zooals ginds waar je vandaan komt, ’t is als het eene jaar dat, op Silvesteravond, in het andere versmelt, en toch is er „iets”, het gevoel, dat je in een ander land, bij een ander volk gekomen bent.

Wij zijn op den weg van Bouillon naar Sedan. Langs dezen weg, die zich golvend uitstrekt over groene heuvelen, was het, dat, juist veertig jaar geleden, een gedeelte van het verslagen, gansch ontredderd Fransche leger, in uiterste wanorde naar de Belgische grens kwam gevlucht. Hier werden geweren, sabels, uitrustingen als nutteloozen ballast in slooten en struiken weggegooid, en ongelukkige, als wilde beesten nagezeten menschen: bloedend, bestoven, hun uniformen aan flarden, afgemat van vermoeidheid en uitgeput door dorst en honger, sleepten zich strompelend, in verwilderden doodsangst voort, om misschien nog hun ellendig leven te redden.

Het fransch-militair uniform, zoo onpraktisch voor den hedendaagschen oorlog, heeft wel de echte, wreede oorlogskleur. Wij zijn er traditioneel aan gewend geraakt door panoramavoorstellingen en door schilderijen. Die roode broeken en roode petten hebben de bloedkleur van het slagveld.[23] De automatische duitsche soldaat geeft volstrekt niet dien indruk; dat is een operette-soldaat. De engelsche, ondanks zijn bloedroode jas, evenmin; die blijft een parade-knecht. Ik weet eigenlijk niet waar het hem in zit, maar het gewoonste fransch infanteristje doet je dadelijk aan ’t slagveld, aan de vermoeienis der afmattende tochten, aan het stormen der paarden, aan het schitteren der blanke wapens, aan het gedonder der kanonnen, aan den rook van het kruit, aan het wapperen der vlaggen en het sterven der gewonden denken.

Sedan....! Men ziet de kleine stad daar in het Maasdal liggen, grijs-grauw, onbeduidend, zonder karakter. Men houdt er niet op, ’t is maar een naam, en die naam klinkt te groot en te wreed voor de thans nuchter-waarneembare werkelijkheid. Men keert links om, over een breeden, rechten weg: de weg naar Bazeilles!

Dáár is ’t gebeurd! Dáár heeft de wreede strijd in zijn aller-hevigste razernij gewoed. Daar staat, links van den weg, recht tegenover het pad dat naar het dorp leidt „la maison des dernières cartouches” en een eind verder, zijlings van het dorpspad, in de diepte, ligt het kerkhof, met de „Ossuaire”.

Het was een mooie, heete zomerdag. 1 September 1870!.... Zoo kwamen ze, de Beierschen, in drommen uit de vallei naar de hoogte, schuilend achter ieder struikje, boompje, muurtje, en zoo werden ze door de verborgen opgestelde Franschen neergeschoten.[24] Hoeveel vielen er onder de kogels der in het huis „des dernières cartouches” verscholen vijanden? Het veld lag donker van de lijken. Maar steeds kwamen er andere.... andere ten aanval opdagen, ook de verdedigers slonken tot een handvol dapperen en eindelijk, na een strijd die meer dan zeven uren duurde, moest de witte vlag der overgave op het moordend huis geheschen worden.

Nu liggen zij daar allen samen op het kerkhof, in den afzonderlijk voor hen gebouwden „Ossuaire”, de Franschen rechts, de Duitschers links, met een middengang tusschen hen beiden.

De Franschen zijn door matte, kleine buitenramen met een geelachtig licht beschenen; de Duitschers liggen gansch in ’t donker. Maar ’t is precies hetzelfde: de Dood heeft dat alles eender gemaakt.

Die ontelbare schedels en beenderen hebben een aparte, eigenaardige kleur. Of liever: ’t is een aparte, mysterieuze atmosfeer die er omheen hangt. ’t Is die stilte, die als ’t ware voelbare en zichtbare doodsche roerloosheid en stilte, gepaard aan de herinnering van zooveel strijd en lijden. ’t Is de immensiteit van zooveel smart en foltering, in een zoo klein bestek opeengehoopt.... En de vraag rijst, onbedwingbaar: waarom....? waarom moest dat zoo?....? De vraag rijst: Moest dat nu werkelijk zoo, onfeilbaar, onvermijdelijk?.... Was het niet mogelijk dat al die flinke, sterke jongelui, waarvan de een den ander niet eens kende, in[25] plaats van elkaar zonder redenen dood te schieten, elk in zijn eigen land en huisgezin gelukkig bleven leven?

Neen, neen, dat hoefde zoo niet. Geen hoogere macht heeft het aldus bevolen. ’t Is menschenwerk, laf, gemeen, verachtelijk menschenwerk dat daar ligt!

HET MAAS-DEPARTEMENT.

Iemand heeft mij eens gezegd, of ik heb het ergens gelezen, dat het Maas-departement een der aller-achterlijkste, vuilste en armoedigste van Frankrijk is.

’k Geloof het werkelijk. Nog nooit heb ik iets zóó vuils gezien als deze dorpen. De huizen,—ellendige krotten—hebben er geen kleur meer; stinkende mesthoopen liggen voor elke deur en de straten zijn gier- en modderpoelen. Maar het is pittoresk-vuil. Het is zóó absoluut en definitief vuil, dat men de mensch en zijn leven daarin vergeet en met verbaasde nieuwsgierigheid staart naar die onnoemelijke krioeling van kippen, eenden, koeien, paarden, varkens, ganzen, alles in en door elkaar met enkele gore, menschelijke wezens in en om de mest- en modderpoelen op de straat. Weinig of geen kinderen. Dat valt dadelijk op,[26] zoodra men over de grens is. Geen luidruchtige spelen, geen stoei- en kwâjongens-partijen. De enkele kleuters die men ziet lijken reeds ernstige en eenzame menschjes, stil en als verdwaald onder de grootere menschen. O, die armzalige dorpen! Waar woont hier de dokter, de pastoor, de notaris, en hoe leven die in zulk een milieu? Daar staat het kerkje. ’t Is als een stal of schuur, evenals ieder huis omringd door vee en gier- en modderpoelen. Zijn het de beesten soms die hier ter kerke gaan?

SANDWICHESWEE.

Mijn dames hebben voor de lunch gezorgd. Zij hebben te Bouillon, in het hôtel, sandwiches besteld, en die zullen wij nu ergens, op een mooi plekje, langs den weg gebruiken. Dat was ’n uitstekend idee; want hier iets te gebruiken, in die mest- en modderdorpen, brrr....!

De wagen staat in een heerlijk zonneplekje, bij een helling, voor een mooi vergezicht van bosch en heuvelen stil, en er wordt uitgepakt.

Lieve hemel, wat ’n lijvig pak! Wat mag daar al inzitten?

—Niets dan zestien sandwiches, voor ieder van ons vier, verzekeren mijn dames.

Sandwiches! Zijn dàt sandwiches! Ik pak uit:[27] een, twee, drie, vier dikke hompen brood, met reuzenplakken ham er tusschen. Zestien zijn er zoo, genoeg om den honger van een escadron cavalerie te stillen!

Mijn dames zijn verontwaardigd. Zij hadden toch immers sandwiches, sándwiches besteld! Weten die domme lui in Bouillon dan nog niet wat sandwiches zijn?

Ik heb van morgen nog al haastig in ’t hôtel de rekening betaald, zonder naar ’t détail te kijken. Ik vond het alleen wat duur. Nu ben ik toch benieuwd wat ze voor die.... sandwiches gerekend hebben.

„Pain et jambon 14 francs,” staat op de rekening.

Mijn dames zijn geconsterneerd, en ik niet minder. We hadden ’t ook nog wel gedeeltelijk uit zuinigheid gedaan! Wie moet dat nu opeten? Waren er hier maar enkele kinderen? Maar er zijn immers geen kinderen in Frankrijk! Dan ergens op zij van den weg neerleggen? Neen, niemand zal ’t willen; iedereen zal denken dat er iets vies aan gedaan is.

Achter in de kap van den wagen dan maar, bij de overtollige rommel, waar de trompet, de beruchte trompet van ’t kale bolletje ook al zijn plaats gevonden heeft, wachtend op een desinfectie-beurt.

[28]

SPIJKERTJESWEE.

Nu wij de Duitsche grens beginnen te naderen, is het opvallend hoeveel fransche soldaten zich ten allen kant bewegen. Wij zijn hier in de zone van de groote grensvestingen, met hun formidabele garnizoenen. Infanteristen, cavaleristen, artilleristen, ’t ziet er rood en blauw van! Voortdurend moeten wij voor gansche regimenten op zij, en ’t geeft wel nu en dan een aardige afwisseling; men denkt, men vergelijkt met andere troepen, men vraagt zich af hoe deze het in een nieuwen oorlog tegen Duitschland zouden volhouden. Gevaarlijk zijn ze althans op dit oogenblik niet.... behalve voor den ongelukkigen automobilist, die op ’t fataal idee kwam door hun streek te rijden en niet dan te laat vermoedde welk geducht wapen zij onzichtbaar tegen hem verborgen hielden.

Al die flink-marcheerende soldaatjes hebben de zolen van hun schoenen met spijkertjes beslagen. Die spijkertjes laten onder het marcheeren wel eens los, zij blijven liggen langs den weg en de auto die er achterna komt rijden raapt ze zonder falen met zijn banden op.

Spijkertjeswee....! Het schijnt dat ik nog van geluk mocht spreken. Het duurde een heele poos vóór ik merkte dat mijn wagen vertraagde en een onoverwinnelijke neiging toonde om steeds naar rechts te loopen. Eindelijk hield ik stil en merkte dat mijn rechtervoorband plat stond.

[29]—Et de deux! dacht ik philosophisch, uit mijn wagen stijgend om het Stepney aan te leggen. Gisteren pan! vandaag een spijker! zou dat elken dag zoo gaan?

Helaas! het ongeluk wilde, dat ik ook in mijn linker-voorband een spijkertje zag zitten. Had ik het maar niet gezien! Maar ik zag het wèl en voelde de behoefte het er uit te halen.

Had ik het er althans maar niet uitgehaald! Maar ik haalde het er wèl uit; ik spande mij in om het er uit te krijgen, gebruikte zelfs daarvoor een nijptang,.... met het noodlottig gevolg, dat mijn band, waarvan het spijkertje de wonde dichthield, na de verwijdering van ’t spijkertje, in een aanhoudend sissend zuchtje zijn vluchtig zieltje begon weg te blazen. Zoo stierf Epaminondas, toen hij de werpspies uit zijn wonde had getrokken! De herinnering aan dat heldhaftig voorbeeld, was echter slechts een zwakke troost voor mij; en misschien had Epaminondas zelf nog wel genoeg gezond verstand gehad om, voorloopig althans, den spijker in zijn band te laten. Nu stond ik daar met twee platte voorbanden te gelijk en mocht weer flink gaan zwoegen.

De soldaatjes hadden ons spoedig ingehaald en schenen niet weinig pret te hebben om mijn ongeval. Zij keken naar onze slap-hangende vlaggetjes en een was er die riep:

—Ce sont des Japonais!

—Pas vrai, ce sont des Russes, zei een ander.

[30]Dat was om ’t vlaamsch geel vlaggetje, met den zwarten leeuw. Zij verwarden in elk geval Japansch met Chineesch, en ’t ander vlaggetje: de driekleur, hielden zij zeker voor een Fransch.

En ik zwoegde....! Eindelijk waren we weer klaar, en vooruit! Maar het is ongeloofelijk hoe je na zulk een ongeval wantrouwen in je banden krijgt. Je hebt het gevoel of ze nu voortdurend weer zullen plat-loopen; ’n gevoel alsof je over scheermessen rijdt.

Gelukkig was de pech voor dien dag voorbij. Ik had het genoegen mijn flink-marcheerende soldaatjes nog weer in te halen en lang vóór hen, in de groote vesting onzer en hunner bestemming, veilig aan te komen.

NANCY.

Nancy is een prachtige, nobele stad. Haar Place Stanislas, haar magnifieke hekken en fonteinen, haar heerlijk park en monumentale Place de la Carrière, ’t is alles van de mooiste, fijnste, verhevenste aristocratie. ’t Is levend Louis XV! Maar behalve haar groote, indrukwekkende schoonheid, schijnt zij ook te getuigen van een gansch zelfstandig leven. Men krijgt hier heelemaal niet, als in veel andere, groote, fransche steden, den indruk van provinciestad, met nabootsing van het alleen[31] en over-alles-heerschende Parijs. Neen; Nancy geeft de impressie van een gansch afzonderlijke capitale. Nancy schijnt mij het levend bewijs eener mogelijke, fransche decentralisatie, iets, waarover vele Franschen nog steeds blijven wanhopen.

Nancy is de schoone oude stad van grijs en goud, een nobel, fijn juweel in den prachtgordel van haar groene parken. Er hangt een deftige, rijke rust over, en ’t is of de bevolking zelve eenigszins dien stempel van voornaamheid draagt. Geen holle drukte, geen joelend lawaai hier op straat: kalmte, stemming, ernst die bijna een ietsje zwaarmoedig aandoet, alsof de menschen daar nog meer in ’t stil-glanzend verleden dan in den hedendaagschen „struggle” leven.

In die mooie stad,—het spreekt van zelf—hadden wij ook een prachthôtel, met al den nieuwst-modernen „comfort”. En mijn dames, die verwend, en wel een beetje vies zijn uitgevallen, toonen zich uiterst verrukt daarover. Zij beschouwen het hier als de eerste gelegenheid sinds ons vertrek, waar men zich eens goed en flink kan wasschen, en in hun kamers zijn de waterkraantjes druk aan ’t vloeien. Zij nemen een bad, en, aangezien men niet weet in welk soort van hôtel men morgen zal aanlanden, nauwelijks afgedroogd, nóg een bad, als provisie voor later. ’t Lijkt wel verrukkelijk. Een echt buitenkansje! Heerlijk om nu zoo frisch aan tafel te gaan.

[32]Maar waar blijft toch de tweede onzer dames? Wij zitten al een heele poos, wachtend, in de mooie, lichte, wit-en-gouden eetzaal, en zij komt maar niet te voorschijn. Zou ze soms een dèrde bad genomen hebben?

Ah! daar is ze....! Maar wat ziet ze ’r vreemd uit, rood, stuiplachend, gevolgd door een maître-d’hôtel, die zich stijf en deftig poogt te houden, doch blijkbaar ook alle moeite heeft om niet in een lachbui uit te barsten.

—Wat is er toch gebeurd? vragen wij met verbazing.

Ach, niets zoo bizonders, maar onze dame, die wel eens aan distractie lijdt, heeft er weer eentje begaan. Na de bad- en kleedpartij beneden komend, is zij maar, op goed geluk af, een gang en een deur ingegaan, om te dineeren. Zoo is ze in een zaal gekomen waar werkelijk menschen—en nog wel bizonder vroolijke—zaten te eten.

—C’est bien pour la salle des courriers, mademoiselle? had een kellner op den drempel haar met bedenkelijk gezicht gevraagd. En mijn dame, in mooi avondtoilet, had maar kordaat „oui oui” geantwoord en was kalm aan een tafeltje gaan zitten, op ons wachtend.

’t Publiek leek haar daar wel niet zoo buitengewoon gedistingeerd, maar vroolijk, echt vroolijk, meestal vrij jonge mannen en vrouwen aan één lange tafel bij elkaar gezeten. Enkele van die mannen hadden donker-grijze jassen aan met koperen[33] knoopen en een paar jonge meisjes droegen witte mutsjes met lange linten. Aan een kapstok hingen drie vier petten, met koper omrand.

Toch scheen de entree van mijn dame daar een vage stoornis te hebben verwekt. Het ging er dadelijk iets minder vroolijk toe en een soort beraadslaging onder de kellners werd heimelijk in een hoek gehouden. Eindelijk kwam er één schoorvoetend naar mijn dame toe en vroeg haar, stil-vertrouwelijk:

—Vous savez, mademoiselle, que vous êtes ici avec les chauffeurs et les femmes de chambre?

Het was er werkelijk een gezellig hôtel en ’t diner was heel lekker.

Als ik me wel herinner hebben we dien avond champagne gedronken.

LANDKAART EN WEGEN.

Veronderstel een kalme Nederlander, slenterend voor zijn boodschappen, voor zijn pleizier of zijn gezondheid op het Spui of in de Veenestraat. Een auto met vlaggetjes, waarin vreemdelingen zitten, komt hem achterna gereden, de chauffeur houdt even stil, groet zoo beleefd als hij kan en vraagt aan den Nederlander den weg naar Leeuwarden!

Het is begrijpelijk dat de Nederlander daarbij[34] een verbaasd gezicht zet. De weg naar Leeuwarden! Ja, hoe zal hij dat uitleggen? Hij ziet er blijkbaar geen kans toe en eindigt met zich te excuseeren dat hij ’t niet weet. De chauffeur, geërgerd, noemt in zichzelf den Nederlander een stommerik, die den weg in zijn eigen land niet kent, en rijdt zoekend verder. Hij komt niet op het idee dat hij zelf, en niet de Nederlander, in dit geval de stommerik is.

Zoo zaten wij te sukkelen in Nancy, om den weg naar Dijon te vinden. Op de fransche landkaart leek het toch zoo’n heel klein eindje: een paar vingertjes breedte maar; doch een paar vingertjes, die een afstand van ongeveer twee honderd vijftig kilometer beteekenden. Nog al begrijpelijk dat de verbaasde Nanceërs hetzelfde gezicht zetten als de Spuistraat-Nederlander aan wien men den weg naar Leeuwarden vroeg.

Doch alles komt terecht, evenals in de verstandig-geschreven romans en weldra reden wij weer over bergen en door dalen, als over een eindelooze roetschbaan.

’t Is een animeerende, bijna opwindende manier van rijden, althans wanneer de weg goed is en er geen hindernissen voorkomen. Niet zonder eenige inspanning is de sterke auto boven op den berg gekomen; maar hij is er en mag nu even uitblazen. ’t Kontakt wordt afgezet, de motor uitgeschakeld en de wagen vliegt op zijn eigen zwaartekracht de helling af, in een heerlijk-zacht gesuis en veerende[35] beweging. Maar ginds verder rijst alweer een muur-steile berg, de vaart mag niet vertragen, wel integendeel, de wagen moet zijn aanloop nemen en op de laatste paar honderd meter der daling wordt ’t kontakt weer aangezet en volle gas gegeven, en als een razende snort de auto donderend den berg op. ’t Is wonderbaar hoe die helling, die daar als een rotswand stond, als een gewone effen vlakte wordt verslonden; en men moet even omkijken, en nu de helling waar men afdaalde, als een muur achter zich zien verrijzen, om te beseffen welk waagstuk men heeft volbracht.

De wegen zelf zijn er, helaas! in Frankrijk niet op vooruitgegaan. Wat is er geworden van die heerlijke blauwe glijbanen, zooals ik ze vond, vijf jaar geleden, toen ik met Maeterlinck door Frankrijk toerde? Twee jaar van bijna onophoudende regens hebben er putten en kuilen in gegraven, die haast niet meer te dempen zijn. Wel vindt men hier en daar nog een eind als vroeger, maar ’t zijn altijd slechts betrekkelijk korte eindjes, die dan weer in reeksen van hobbelgaten uitloopen. De klachten zijn groot, algemeen, en de herstellingsonkosten zullen schrikwekkend zijn. In sommige departementen vraagt de bevolking zelfs keien, in plaats van grintwegen.

Die bevolking vermoedt zeker niet wat haar in dat geval boven ’t hoofd hangt, of, juister uitgedrukt, wat haar alsdan voor en onder de voeten zal worden geworpen:

[36]Kinderhoofden, doodshoofden, zooals wij die in Vlaanderen hebben!

Laat de bevolking toch verstandig en voorzichtig zijn!

VAN DIJON NAAR LYON.

Dijon is de eerste, echte, aanzienlijke Fransche provinciestad, die wij op onzen weg ontmoeten: levendig in haar voornaamste straten, dood zoodra men in een zijstraat komt; groote winkels, drukke, helder-verlichte café’s en geverfde cocottes, alles „genre Paris”.

Ik begrijp dat de verstandige en ontwikkelde Franschen in zulke steden over de zoo noodige nationale decentralisatie wanhopen. ’t Is toch ellendig dat er in zulke groote steden, en in nog veel grootere, als Lyon, Marseille, Bordeaux, Toulouse, feitelijk geen zelfstandig leven bestaat. Dat daar geen boek wordt gedrukt, dat er geen courant verschijnt, waarvan men den titel of den naam onthoudt. Alles moet alleen en uitsluitend van Parijs komen, moet op Parijs gelijken, aan Parijs herinneren, om in den smaak te vallen. Rue de Paris, Boulevard de Paris, Place de Paris, ’t is overal, in elke groote Fransche stad hetzelfde!

En toch, wat zijn ze interessant en mooi, zoo vol van eigen schoon en van eigen traditie, de meeste Fransche steden! Zie maar Nancy, dat zich[37] eindelijk aan den band schijnt te ontknellen, en ook Dijon, buiten zijn Parijsche winkels en Parijsche straten, in de oude, stille buurten waar de vreemdeling veel te weinig en de inboorling bijna nooit komt. Wat is er grootscher, imposanter, ontroerender, om maar één te noemen, dan die oude, formidabele kathedraal van Dijon, zooals ze daar eenzaam staat, oprijzend als een forteres boven de kleine pleintjes en vergeten straatjes van haar slaperige omgeving?

En toch.... er is de laatste jaren veel veranderd. De mooie Fransche „province” begint gekend en gewaardeerd te worden, tot haar recht te komen, dank aan den automobiel.

Daar waar de rijke toerist, die benevens geld ook over tijd beschikt, vroeger nooit kwam (en wat spreek ik van toerist: hij bestond niet eens) is hij nu vanzelf genoodzaakt zich soms een poosje op te houden. Zoo’n toerist heeft behoefte aan een modern, comfortabel ingericht hôtel, en het hôtel is er gekomen. Zoo’n toerist heeft enkele uren tijd te besteden, hij gaat de merkwaardigheden van de stad bekijken, is meestal verwonderd en verrukt als bij een onverwachte openbaring, en spreekt er vol geestdrift over met zijn vrienden, die het op hun beurt willen zien.

Die fransche hôtels in de provinciesteden! Men moet daarover hooren vertellen door reizigers van een twintigtal jaren geleden, en dan eens ervaren hoe ze nu geworden zijn!

[38]Het was om zoo te zeggen niet mogelijk eertijds in de fransche „provincie” te reizen. De meeste hôtels waren te walgelijk vuil. Nu, zelfs in de kleinste stadjes, vindt men overal nette kamers, een frissche keuken en eetzaal en een behoorlijke lavatory-inrichting. Dat heeft het modern toerisme, voornamelijk het auto-toerisme, door de alom vertakte Touring Club de France gesteund, weten te bewerken. Maar dring dan ook als reiziger niet verder door, dan in die afdeelingen, waar je als reiziger hoort te komen. Zoodra je ook maar even buiten die grenzen treedt, stuit je dadelijk, zelfs in de beste en meest modern ingerichte hôtels, op den onnoemelijken, ouderwetschen rommel en de aarts-grondige vuilheid der Franschen. Alles wat uit de nu helder- en frischgeworden vertrekken werd weggeruimd: gescheurde kleeden en bezoedelde lappen, verroeste kastrollen, bebloede kippeveeren, verzuurd, beschimmeld eten, gebroken flesschen, afval van groenten, álles heeft zijn stapelplaats gevonden in de achterhokken en vormt er een vuilnishoop, die alle beschrijving te boven gaat. Dat is eenvoudig niet meer op te ruimen en de toerist moet het dan ook maar beschouwen als „la part du feu” zooals de Franschen zeggen en zich tevreden stellen met het heel veel goede dat hij eindelijk toch verkregen heeft.

Tusschen Dijon en Lyon rijdt men uren lang,[39] meestal over breede prachtwegen, door de weelderige wijnstreek van Bourgogne. De fijne-wijn-liefhebbers kunnen hier, in verbeelding, „genieten”. Nuits, Chambertin, Beaune, Clos Vougeot, ’t is om er van te watertanden! En overal, rechts en links, boven de wijngaarden uit, die prachtkasteelen, waar de heerlijke „crûs” geborgen liggen! Men denkt aan dikke, roode heeren met gloeiende nekken, aan óver-welgedane pastoors en bisschoppen, met stralende gezichten om een reuzendisch gezeten, den vol-glanzenden beker in de hand. Men denkt ook aan het „pootje”, aan ’t vreeslijke, aan ’t pijnlijke, aan ’t pootje dat jammerend doet om water schreeuwen, na al dien overdaad van zwaren wijn. Er is werkelijk tè veel wijn en tè weinig water in die streek. Het is er te rijk, te pléthorisch. Je voelt je ’n indigestie krijgen enkel bij het doorrijden.

Als iemand mij vroeg: „wat zie je nu eigenlijk van ’t land en wat voor soort van landschap is het, tusschen Dijon en Lyon,” dan zou ik eventjes mijn oogen moeten sluiten en nadenken.

Ja, wat is het? Wat was het? Welke vorm? welke kleur, welk soort afwisselingen?

Het is, eenmaal buiten de rijke wijnstreek, eentonig, zooals het veelal is in Frankrijk, evenals in andere landen: een eindeloos-lange, blonde weg, stijgend en dalend, tusschen verlaten landerijen, van een vale herfstkleur. Weinig boomen, tenzij hier en daar een donker bosch; weinig huizen, behalve nu[40] en dan een armzalig grauw-steenen krot, weinig beweging, weinig menschen, en bijna geen kinderen; en aldoor het gevoel dat er aan dat landschap iets ontbreekt, iets waaraan je gewend was en dat je overal zoekt zonder precies te weten wàt je zoekt, tot je ’t plotseling, als bij intuïtie, ontdekt: ’t totaal gemis aan windmolens, die zoo aardig, overal, ons noorderland stoffeeren!

De zeer zeldzame, vaalkleurige dorpjes, de doorgaans pittoreske kleine, vale stadjes, met hun oude wallen en hun slapend water, geven af en toe wel wat afwisseling aan die eentonigheid; maar ’t wordt toch dadelijk weer hetzelfde, dezelfde troostelooze, vale uitgestrektheid, dat vale over huizen, menschen, landerijen, dat vale over alles, als de doodskleur zelve van die eindelooze, doodsche streek.

BERGEN.

Bergen zien is op zichzelf al een genot voor vlakkeland-bewoners. Groene, blauwe, roze en violette bergen, met oude, grijze dorpjes op de zonnige hellingen; bergen met witte wolken om hun top; bergen links en bergen rechts, omlijstend in de diepte een breede, zacht kronkelende rivier.... ’t is mooi, romantisch-mooi, als de sprookjesvertellingen uit onze jeugd.

[41]Zoo strekt zich voor ons uit het Rhône-dal.

Lyon, in zijn diepe kom, lag, als bijna altijd, nevelgrijs en grauw van rook en mist; maar boven op de hoogte van Saint-Symphorien was ’t als een blijde zonnevuur dat op ons wachtte, een heerlijk-zacht-streelende straling in een helderblauwen hemel.

En mijn dames, mijn lieve dames, die den vorigen dag van de zwoele rijkheid der Bourgogne-streek maar half genoten hadden en ook verder ’t vale land wel erg eentonig vonden, genoten nu weer en juichten, gansch herlevend in de warme zonnekoestering onder hun van lieverlede neerzakkende plaids en mantels. Zij zagen bloeiende rozen langs de gevels der huisjes en wilden die plukken; zij vroegen of ’t niet mogelijk was zoo maar in eens tot de violette en rose bergen door te rijden, en zij hadden ook wel graag gevaren op het blauwe water van de Rhône, steeds rustig zittend in de auto, die dan een schuitje zou geworden zijn.

Ik deed haar de eerste, nog schrale, zilvergrijze olijfboompjes opmerken, en ook de sombere cypressen, die, in dichte, zwarte, tegen den wreeden mistral-wind beschuttende hagen, als langs kerkhoflanen staan, en ook de teer-zacht-groene pijnboomen, de altijd frissche en groene, die als een lenteglimlach zijn naast het te somber harde der cypressen. „Les pins du Midi” noemde ik ze in ’t Fransch, wat aan mijn tweede dame, die wel aan distracties lijdt, de vraag ontlokte:

[42]„Pain du Midi! Waar ziet u dat? Is er hier een bizonder soort brood?”

Zoo reden wij den ganschen dag, langs de rivier tusschen de bergen, onder den blauwen hemel en de warme zon. Wij zagen die vroolijke, zonnige, als ’t ware voortdurend zingende en jubelende steden: Vienne, Tournon, Valence, Montélimar (waar we géén nougat kochten), Orange met zijn in het oranje avondlicht goudrose wordende, romeinschen triomfboog en théâtre antique, en nog juist vóór schemering kwamen wij te Avignon aan.

AVIGNON.

Ditmaal wil ik slechts één enkele impressie van Avignon in mij bewaren. In de schemering zijn wij naar ’t Palais des Papes geklommen, en dáár, op het terras, omringd reeds door de duisternis van ’t park, hebben wij, in de diepte, de oude stad met haar omgeving langdurig bekeken.

Het was ontroerend-grootsch!

Als een ontzaglijk reuzengevaarte rees het paleis uit de rots naast ons op, fosfoor-geel in de avondschemering, met zijn torens en kanteelen, als ’t ware tot de eerste, nauw-zichtbare sterren van den somberenden hemel reikend. Er hing een indrukwekkende atmosfeer van macht en stilte omheen.[43] Het was zóó grootsch, en zóó stil, dat het bang maakte. Het was alsof ’t alleen bestond, boven en buiten alles om.

Daaronder, in de diepte, lag de stad, met al haar dicht naast elkaar geschaarde daken. Die hadden, in het twijfellicht, een heel teere, wazig-grijs-mauve kleur, die „couleur tourterelle” zooals Loti in de Perzische steden beschrijft. Hier en daar begonnen reeds zwakke lichtjes te blikkeren en aan den einder, wijd over ’t verre, wegsomberend en golvend land, rees de maan, groot en rond, met doffen nevelgloed, als een dood lichaam, dat met een zwakken naglans nog naar al die verleden en vergeten dingen eener vroegere grootheid komt kijken.

Uit de vage diepte, waar nu talrijker de lichtjes blonken, steeg een vaag geritsel op, als van stil-knetterende kaarsjes om een lijkbaar. ’t Was als een stille, droeve bede in de neerzijgende duisternis. Het was of gansche volkeren biddend zaten neergeknield om een overweldigend reuzenlijk.

En eensklaps sprak dat lijk, met formidabel-diepe bronsstem, gansch alleen in de plechtige stilte, als ’t ware een sombere klacht van toorn en lijden uit. De groote klok van het paleis sloeg het vergankelijk uur en toen die gezwegen had, zweeg ook alles weer in stommen eerbied, en men hoorde enkel nog het zwak geritsel van de knetterende kaarsjes daar beneden, in de biddend-neergeknielde, doodsche stad.

De boomen en de heesters om ons heen waren[44] gitzwart geworden. De maan rees hooger in den hemel, met verhelderden glans over de daken; en het Paleis, vaalgeel verlicht, scheen vol hoogmoed die komst te trotseeren, zooals het de komst der eeuwen trotseerde.

SUR LE PONT D’AVIGNON!

Niet op de oude, half in ’t water neergestorte brug „où l’on danse en rond” is het gebeurd; maar op de nieuwe, de moderne, die door voetgangers en rijtuigen gebruikt wordt.

Ik weet niet of het dien dag in Avignon paardenmarkt of paardencongres was: nog nooit, althans, heb ik ergens zooveel paarden, wagens, karren en rijtuigen bij elkaar gezien! Het was er eenvoudig niet om door te komen. Ik geloof heusch dat er iets-bizonders was voor paarden, op dien dag, in Avignon. Ik blijf overtuigd dat Avignon en zijn omgeving de paardenstreek bij uitstek is, zooals Haarlem en omgeving de streek is van de bollen.

Men kan een voorgevoel hebben van de dingen die gebeuren zullen. En ’t drong zich aan mij op, dat er, met ál die paarden, fataal iets moest gebeuren.

En, werkelijk, het gebeurde....

Wij waren naar Villeneuve gereden, eertijds het[45] zomerverblijf der pausen, aan de overzijde van de Rhône, en keerden kalm na ons bezoek, over de brug, naar Avignon terug.

Daar komt ons, in stormloop, iets te gemoet gehold. Een paard natuurlijk, een van de duizenden „périlleux imbéciles” zooals Mirbeau ze noemt, die ons den ganschen dag gehinderd hebben.

In stormloop, kop omlaag, de vier hoeven te gelijk op de brug dreunende neerbonzend, een uit elkaar gesplinterd stuk hout krakend achter zich meesleurend! Het is toch iets afschuwelijks, die paarden!

Haastig dring ik zooveel mogelijk op zij, mijn wielen tegen het verhoogde gedeelte der vrij smalle brug aanschurend, en als een orkaan stormt het akelig gevaarte rakelings voorbij.

Mijn dames zijn gelukkig niet als gek uit den wagen gesprongen, hebben niet al te vreeselijk gegild, niet naar mijn stuur gegrepen. Wij zijn gered en kijken angstig om, naar wat nu achter ons zal gebeuren.

Ginds verre, aan den kant van Villeneuve, komt een fransch soldaatje op zijn fiets over de brug gereden. Nauwelijks heeft hij ’t hollend paard gezien, of vlug stapt hij af, zet zijn fiets tegen de brugleuning, stelt zich in positie.

Daar komt het beest donderend op hem afgestormd. Wij zien hem de handen uitstrekken, grijpen, in verwarring, hals over kop, met het paard neerstorten....

[46]Is hij dood? Gewond? Ligt het paard met gebroken beenen boven op hem?

Gelukkig niet! De kluwen ontwart zich, ’t soldaatje springt overeind, rukt aan de leidsels van het dier dat ook weer recht staat, overhandigt het gansch veilig aan een paar toegesnelde mannen.

Wij juichen, opgetogen! Wij willen niet verder doorrijden, vóór wij ’t soldaatje van dichtbij gezien en om zijn kranigen moed geluk gewenscht hebben. Ik keer mij tot mijn dames om en zeg: „Jullie zijn hier de gratie, de schoonheid, de liefelijkheid in dezen wagen; jullie moeten in verbeelding dezen jongen held omkransen en omlauweren, hem de zachte streeling van de vrouwelijke adoratie laten voelen!”

Daar komt hij, te voet, zijn rijwiel aan de hand, met de andere vrije hand het stof van zijn bezoedelde kleeren kloppend.

—Bravo! Bravo! juich ik, het signaal gevend. En mijn dames juichen handklappend mee, in geestdriftige vervoering.

Hij glimlacht bescheiden, dankt en groet. Hij heeft een aardig, vriendelijk-blozend gezicht, met donker haar, dat achter zijn ooren, onder de kepi, een weinig krult. Hij houdt zich niet op, zoekt niet over ’t geval te praten, van zijn triomf te genieten; hij gaat bescheiden en kalm verder zijn gang, als ’t ware alleen bekommerd om zijn uniform, waarvan hij hier en daar, met de vingers het stof nog eens afklopt.

[47]—Wat is hij aardig en bescheiden! zeggen gansch ontroerd, mijn dames.

En hij verdwijnt in de menigte, die, ginds aan de Avignon-zijde der brug, om een gebroken kar, staat op elkaar gepropt.

Er zijn toch nog kranige jongens op de wereld; en zoo eenvoudig, zoo gewoon, alsof het maar niets was. Het doet goed zoo iets bij te wonen; het troost. Alleen spijt het mij, dat ik zijn naam niet heb gevraagd, om er aan den kolonel van zijn regiment over te schrijven. Hij verdient een decoratie, een belooning. Maar hij was ook zoo gauw weg; wij hadden geen gelegenheid met hem te spreken.

Ik hoop van harte, dat een ander het gedaan heeft.

DE PETTENJAGERS.

Alweer slingert zich de blonde weg, als een eindeloos-ver uitgestrekt lint, over heuvelen en dalen, door het schoone land.

Helder-frisch-groen golven de bosschen met pijnboomen; sombertragisch-groen, bijna zwartgroen staan de cypressen om de eenzame, vale boerderijen. De wegwijkende bergen schijnen violette en roze wonderen; en in de blauwe, diepblauwe, windlooze lucht, is ’t als een bad van zonnegoud.

[48]De weg ligt open op de heuvelkammen in die zon en in die blauwheid, en doet er denken aan een reuze-hagedis, roerloos zich koesterend in de zachte warmte. Maar al spoedig daalt hij weer de diepte in en verdwijnt onder een lommerrijk gewelf van enorme platanen. Daar ligt ergens een vaalgrijs, provençaalsch dorpje of klein stadje, zoo heerlijk koel en frisch beschaduwd, met een fonteintje op de markt, waaruit het water spuit in zilverreine stralen.

Wat staan ze daar mooi, die oude platanen met hun bij plekken afpellende grijze schors en hun groote, breede, nu bruinende bladeren. Zij hebben de kleur van het land en ’t romantisme van de streek. Zij staan daar als de voor-vaderen der geslachten, die van oude, oude dingen weten te vertellen. Zij staan daar als familie-boomen, met al hun zware, krachtige, beschermende vertakkingen, en iedere boom lijkt op zichzelf een gansche generatie.

Zij blijven dan ook in de kleine stadjes en de dorpen. Eenmaal buiten de bebouwde kom vindt men ze niet meer, of ze zijn kleiner, schraler, magerder, zonder opvallende beteekenis. Zij zijn weldra verdwenen zonder dat men het heeft opgemerkt en laten den vagabonden weg zich verder in zijn eenzaamheid over het wijde land heenslingeren.

O! die eenzaamheid der provençaalsche streken! Die stilte, die roerloosheid overal om je heen! Men[49] kijkt en ziet er niets bewegen; men luistert en hoort er niets verroeren. Men hoort enkel het gesjirp der krekels in het dorre, warme gras. Hoe komt het dat er hier geen enkel dier rondzwerft? Dat er geen enkele vogel die mooie blauwe lucht doorwiekt, noch in ’t geheim der heesters en der bosschen zijn gezang laat hooren....?

Helaas! er zijn geen vrije viervoetige dieren, noch vogels meer in ’t Fransche Zuiden! De jagers hebben alles doodgeschoten. De jagers.... zie, daar loopen ze, met weitasch en geweer. Het zijn nagenoeg de eenige, levende wezens die wij, op dien mooien zondagochtend, langs den weg ontmoeten. Gaat er, per ongeluk, nog ergens een vogel op uit een boom, dadelijk is ’t pan! pan! pan! uit twee of drie geweren te gelijk, zoodat het slachtoffer zelden ontsnapt. Doch meestal vinden zij zelfs niet de minste musch meer om nog op te schieten. Meestal is hun jagen, zooals Daudet het zoo geestig in zijn Tartarin beschreven heeft. Juist, die jagers zijn de Tartarins, de beruchte „pettenjagers”. Geen enkel stuk wild, geen enkele vogel meer vindend, gooien zij hun petten in de lucht en trachten er gaten door te schieten. Dat is wel echt meridionale sport; de jager geniet althans van ’t voornaamste: het knallen van zijn schot, het lawaai-maken! Dat hoort zoo bij de holle bombast van die opgewonden kerels. Het verwondert mij niets, dat er zooveel beroemde politieke redenaars uit ’t Fransche Zuiden komen. ’t Is slechts[50] een andere vorm van hun traditioneele pettenjacht. Het hol geknal der woorden vervangt het hol geknal van de geweren. Die exuberante, zuidelijke redenaars zijn de pettenjagers van het parlementarisme.

DE RIVIERA.

Nog nooit heb ik de Middellandsche Zee zóó blauw, de kust zóó frisch en groen, de lange rijen villa’s, huizen en hôtels zóó glinsterend lief en schoon gezien....

Is ’t omdat alles stil is en verlaten nog in de beroemde luxe-plaatsen? Omdat er nog geen Russen, Duitschers en vooral geen Amerikanen zijn? Omdat er geen stof is van auto’s, geen hinderend ratel-getrappel van rijtuigen en paarden, geen agressieve overweldiging van kellners, lakeien, zigeuners, rastas en cocottes?

Misschien wel. Cannes, althans, is werkelijk een zalig wereldoord in deze glanzend-schoone, rustige October-dagen. Alle groote villas en hôtels zijn nog gesloten; ze staan daar op een lange, schitterende rij, met dichte, pervenche-blauwe of fosfoor-gele luiken, en ’t geeft een zoo veilig gevoel, dat ze nog een poos dicht zullen blijven en dat de ruwe invasie van over den grooten plas (de[51] Amerikaansche) niet onmiddellijk te duchten is.

De heerlijk-mooie wandeling langs den lagen zeedijk behoort voorloopig aan de bevolking van de streek. En zij genieten ervan, zij komen er wandelen, in witte of lichte zomerkleeren, met overbloemde stroohoeden, met fijne, in de zachte bries opwuivende sluiers en vroolijk-schitterende parasols.

Wat ’n mooie, frissche, elegante meisjes onder die winkeljuffertjes, die weldra den ganschen winter achter de toonbanken zullen opgeborgen zitten! Maar hoe kan het ook anders in zulk een heerlijk klimaat? De schoonheid van den mensch is er een gewoon verschijnsel, een natuurlijk onderdeel in de algemeene schoonheid der gansche omgeving. Hoe kan men gedrukt, triestig, leelijk zijn, daar waar alles zoo verrukkelijk, zoo zacht en schoon is? De zon alleen, de zon die lacht, en streelt, en warmt en koestert, is voldoende om er de menschen gezond, en vroolijk, en gelukkig te maken. En ik benijd hen die daar geboren zijn, die daar thuis hooren en er mogen en kunnen leven. Wat moeten zij lijden en treuren als zij in onze droeve, grijze modder-streken komen! Maar zij komen er ook niet, of althans blijven er niet. Zij zijn gelukkige, gezonde, schoone menschen in een heerlijk-schoone streek.

Ik hou den wagen even stil om te „genieten”. Ook mijn dames „genieten”. Zij juichen zelfs niet, zoo innig poes-gezellig als ze „genieten”.

[52]Zullen we maar een poosje zwijgen, de oogen sluiten en ons met uitgestrekte armen en beenen zacht in de zon laten roosteren?

O, het is zalig! De zee wuift ons in wiegend geruisch haar heerlijke, gezonde aroma’s toe, het zonnetje doorblakert ons, dringt ons als ’t ware tot in ’t merg der beenderen, en er zijn geen Amerikanen in de buurt.

Je zoudt kunnen slapen, droomen.... Je voelt je werkelijk (en hier klinkt het niet eens triviaal, omdat het zoo echt is) je voelt je werkelijk „gezondheid met lepels ingieten”....

GRASSE.

Ik had aan Grasse de heerlijkste herinnering bewaard.

Ik was er geweest, enkele jaren geleden, ook per auto, met en bij mijn vriend Maeterlinck, en ongeveer om ’t zelfde tijdstip als nu.

Ik had er valleien en heuvels van bloemen gevonden: mimosa’s, Spaansche brem, rozen, jasmijnen, viooltjes, tuberozen; het was er als een wonderoord voor mij geweest van kleurenpracht en zoete geuren.

En nu....?

Niets of bijna niets meer!

[53]Heb ik mij soms vergist? Ben ik wel op den weg van Cannes naar Grasse?

’k Houd even stil om het te vragen.

Jawel, ’k ben op den goeden weg. Er is trouwens geen andere. Heel duidelijk herken ik nu de plaatsen: hier stond het goudgeel van mimosa, dàt veld daar beneden was één groot, geurend bed van roze rozen, het gras van déze helling onder de olijfboomen zag paars van de viooltjes, en ginds, achter die bocht, terras-gewijze naar beneden dalend, strekt zich de tuin uit van „Les Quatre Chemins”, Maeterlinck’s winterverblijf in ’t Zuiden.

Hij is er nu wel niet, maar ’k zal er toch eventjes ophouden en zien of Antonin en Théréson, de oude tuinman en zijn vrouw, nog leven en mij nog herkennen.

Ik duw het houten hekje open. Niets is veranderd. Recht strekt de laan zich tusschen heesters uit naar de grijze „bastide” met haar dichte, groene luiken. ’t Fonteintje in het heel klein vijvertje, dat midden op een pleintje vóór de deur ligt, spuit er nog hetzelfde zilverstraaltje naar omhoog. Onkruid groeit op ’t pad en in de dorre bloemperken (Antonin mag wel eens harken vóór zijn meesters komen) en daar loopt Antonin waarachtig zelf onder de grijze olijfboomen, dezelfde magere, vaalgele Antonin onder zijn zelfden valen stroohoed, alsof ik hem maar pas verlaten had.

—Bonjour Antonin! Ça va bien?

Natuurlijk herkent hij mij niet meer. Zijn vale[54] hand grijpt even naar zijn valen stroohoed, terwijl hij met een schuwen blik van niet-herkennen een onduidelijk „bonjour m’sieu” stamelt.

—Vous ne me reconnaissez pas, Antonin? Je suis venu ici avec monsieur, il y a cinq ans, en auto.

—Ah! ben sur, m’sieu, ben sur, antwoordt Antonin, zonder de minste overtuiging.

—Et Théréson, elle va toujours bien, Antonin?

—Ah? ben sur, m’sieu, ben sur. Tè, la v’là!

En Antonin wijst op zij naar zijn huisje, waaruit Théréson, met een potje in de hand, werkelijk te voorschijn komt.

Evenmin als Antonin is Théréson in al die jaren iets veranderd; en ik ben overtuigd, dat ’t grauw-zwart hoedje met de zwarte binders, die zij op het hoofd draagt, nog steeds hetzelfde is, waarmee ik haar, vijf jaar geleden zag. En evenmin als Antonin herinnert zij zich iets van mij, met dit verschil dat zij er flink voor uitkomt.

—Non, je ne connais pas m’sieu; je n’ai jamais vu m’sieu.

’t Is toch niet vleiend als je maar zoo weinig indruk maakt.

Ik vraag aan Antonin waardoor het komt, dat er geen bloemen meer zijn te Grasse. En Antonin, die tot nu toe slechts de strikt noodige woorden heeft gesproken, blijkbaar alleen bezorgd om liefst zoo gauw mogelijk van mijn benauwend bezoek verlost te zijn, schijnt eensklaps te herleven, en[55] vertelt mij op een klaagtoon, in een overvloed van woorden, waaraan Théréson trouwens nog het hare toevoegt, dat het in de gansche streek gedaan is met de bloemen, sinds de meeste parfumerie-fabrieken van Grasse geen bloemen meer willen, maar enkel nog met chemische produkten werken.

’t Is een gejammer zonder einde: ik heb daar een snaartje aangeraakt, waarvan ik de uiterste teergevoeligheid in de verste verte niet vermoedde; zij laten mij niet meer los, zij grijpen mij bij mijn mouwen, zij willen mij doen binnen komen, zij hebben mij op eens herkend, heel goed herkend van vroeger, zij vragen mij, jankend en zuchtend, of ik toch niet denk, dat er nog wel iets aan dien droeven toestand te veranderen is.

Ik krijg het er benauwd onder; ik wijk maar steeds terug, terug, terug, verzoek de beste groeten aan meneer en aan mevrouw, zet aan, wip in mijn wagen, doe mijn motor donderend snorren, en mijn laatste vizie is die van twee rampzalige jammerlingen achter de houten staven van het hek, waar zij als slachtoffers gevangen zitten.

Het spijt me innig, beste menschen, maar ik kan aan den toestand niets veranderen, en al spoedig komt uw meester, die een goede, wijze meester is en u zeer zeker wel zal helpen.

[56]

DE BANK BETAALT.

Ik heb aan mijn dames gezegd, dat we maar niet naar dat perverse oord van Monte-Carlo zullen gaan, maar oogenblikkelijk zien die lieve gezichten er zóó betrokken uit en worden er zúlke droeve kreten van teleurstelling geslaakt, dat ik mezelf als een beul heb gevoeld en al spoedig mijn besluit geheel en al gewijzigd heb:

—We zullen wèl naar Monte-Carlo gaan!

We zijn te Monte-Carlo, en we zitten in het speelhol, om de groene tafel.

Wij spelen....

Mijn dames weten precies hoe ze moeten spelen; dat wil zeggen: spelen om te winnen. Ik ook weet het precies, en zoo spelen wij, elk op zijn eigen manier, de eenige die hij voor de goede houdt.

Het witte balletje, door de handige vingers van den croupier bewogen, draait en wipt en buitelt, zet zich eindelijk in een der gleufjes, onder een nummer vast.

—Sept, rouge, impair et manque, klinkt ritueel en kalm de stem van den croupier.

Een houten harkje strekt zich over ’t groene laken uit en de vijffrankstukken, de gouden „louis”, de ritselende bankbriefjes worden bij elkaar gescharreld: de beweging van een netten tuinbaas, die goed zijn paden onderhoudt. Toch zijn er enkele stukjes blijven liggen, en die worden dadelijk flink vermenigvuldigd, bij wijze van handige bijgooierij,[57] als ter belooning van een, wel niet duidelijk te begrijpen, maar ongetwijfeld mooie of moedige daad.

Ietwat beteuterd, met een vreemden glimlach, kijken mijn dames mij aan.

—’t Is niks; moed houden, zeg ik troostend. En zij beginnen opnieuw.

Het balletje huppelt en ratelt, valt half op een nummer, springt er weer uit, zet zich eindelijk stevig vast.

—Trente-trois, noir, impair et passe, weerklinkt de matte stem van den croupier.

En terstond is daar weer ’t houten harkje, dat begint te graaien.

Mijn dames hebben een vurige kleur gekregen. Een van mijn dames heeft volop dat nummer gezet en nu regent het een goudregen naar haar toe. Of haar systeem ook ’t goede is! De andere spelers kijken haar met een mengsel van bewondering en afgunst aan.

En weer ratelt het balletje....

Ik ga een beetje in de zaal rondwandelen. Spelende dames, vooral winnende dames, moet je niet storen. ’t Is genoeg dat je naast haar blijft staan om de kans te doen keeren, en, als de kans door jouw manneschuld keert....! Neen, ’t is heusch maar veiliger nu wat rond te kijken.

Een mooi gezicht, al die tafels omringd met spelende menschen! Spelen, dat is immers: zich vermaken; men zal hier niets anders dan prettige gezichten zien!

[58]Hoe vreemd: die menschen lijken eerder op zwaarwichtige wiskundigen of philosophen, in duizelingwekkende problemen verdiept. De trekken staan verwrongen, de wenkbrauwen gefronst, de oogen hebben een strak-starende, als ’t ware hypnotische uitdrukking. Een glimlach zou hier misplaatst zijn; een lach als een onbetamelijkheid weerklinken. ’t Is hier ernst, groote, gewichtige ernst. Men hoort alleen den klank van ’t geld en de strikt-noodige, gesproken woorden; en de somptueus-getooide cocottes, die loerend om de tafels slenteren, schijnen er slechts bij vergissing rond te loopen.

Om een der tafels moet iets zeer belangrijks gebeuren. Het staat er stampvol met reikhalzende menschen. Ik weet er mij nog bij te wringen, en, op mijn teenen staande, kan ik zien:

Vlak vóór mij, onder ’t schijnsel der electrische hanglamp (want in dat schemerhol zijn de lampen reeds bij volle daglicht aangestoken) zitten een heer en een dame op wie alle oogen staan gevestigd.

Hij is een man van middelbaren leeftijd, bleek en mager, gladgeschoren, niets opvallends in zijn uiterlijk. Zij is veel jonger, niet bepaald mooi, maar frisch, gevuld, gezond, van een vleezige bekoorlijkheid zonder distinctie.

Hij speelt, en hij is ook de eenige die speelt van heel die tafel. Naast hem liggen twee ontzaglijke hoopen goudstukken: een hoop „louis” van twintig, een hoop „plaques” van honderd frank. Naast de[59] vrouw twee stapels bankbiljetten, als twee bergen gekwiteerde rekeningen.

Zoolang de croupier bezig is met wegharken en uitbetalen, houdt de speler niet op, machinaal, met beide handen, in zijn beide stapels goud te woelen. Hij neemt de stukken bij greepjes op, laat ze door zijn vingers glijden, neemt ze weer op, laat ze weer glijden. Daarbij blijven zijn oogen strak-halsstarrig vóór zich uit op ’t groene kleed gevestigd, en af en toe uit hij dan enkele korte zinnen, waarop de vrouw met enkele korte, doffe woorden, de repliek geeft. Het is heel vreemd de manier waarop hij spreekt. Zijn heele onderkaak trekt even scheef, nu eens naar links, dan weer naar rechts en de woorden schijnen uit zijn onderbuik te komen. Zoodra hij ophoudt met spreken komt zijn onderkaak weer op haar plaats. Het is, zooals ik wel dacht, een Amerikaan; hij komt van over „de groote plas”.

Maar nauwelijks is de tafel schoon en heeft de croupier het traditioneel: „mesdames et messieurs, faites vos jeux” uitgesproken, of daar geraakt hij zenuwachtig in beweging en begint in te zetten.

Op rood, op zwart, op pair en op impair, op passe en manque, op douze premiers en douze derniers, op carrés, chevaux en transversales, en eindelijk op al de nummers, zoolang als hij de tijd heeft, plaatst hij, zonder tellen, stapels goud, waarover hij dan stapels bankbiljetten neerstrijkt, die de vrouw hem overhandigt. Het „rien[60] ne va plus” heeft reeds weerklonken; de croupier heeft reeds gezegd: la mise est jusqu’à concurrence du maximum; het ratelend balletje heeft haast zijn dolle sprongen in een der hokjes vastgelegd, dat hij nog maar aldoor, woelend overeind staande, als een gek blijft inzetten. Eindelijk zakt hij op zijn stoel terug, de croupier roept het nummer af, harkt en betaalt, harkt meer in dan hij uitbetaalt, het zal wat schelen!.... terwijl de speler, als ’t ware eensklaps onverschillig geworden, machinaal weer met de vingers door zijn goudshoopen woelt en met zijn scheeftrekkende kinnebak enkele doffe buik-klanken uitstottert, zonder een seconde zijn verstarde oogen van de groene tafel af te wenden.

Zacht wordt er op mijn schouder getikt. Ik keer mij om en sta voor eene van mijn dames. Zij vraagt mij fluisterend of ik niet ’n beetje geld voor haar heb.

—Wat! roep ik verbaasd. En de prachtige winst op nummer 33?

—Alles weer weg, bekent zuchtend mijn dame.

Mijn oogen staren op de goudshoopen van den Amerikaan. Zou ik dáár soms.... Maar ’t lijkt me moeilijk; ’t zou onaangenaamheden kunnen veroorzaken; ik eindig maar met de bekende beweging van duim en wijsvinger die in den vestzak gaan, en blijf mij verder in het prachtig spel van den Amerikaan verdiepen.

Ik leef het mee, alsof ik het zelf speelde. Ik voel beslist wat de man zou móéten doen om te winnen, en ’t ergert mij dat hij dat zelf niet voelt.[61] Ik vóél beslist de nummers; ik voel, b.v. dat nummer 8 moet en zal uitkomen.

De overtuiging wordt zóó overweldigend sterk, dat ik in mijn zak ga en op ’t bewuste nummer zet. Het balletje draait en er komt 32 uit. ’t Doet er niks toe; ik vóél het. Ik herbegin, zet ’t heele nommer vol: en plein, les chevaux et les carrés. Het balletje ratelt en er komt „Zéro” uit. ’t Is gelijk, ik geef het niet op. Ik zet opnieuw,.... en ja, waarachtig, waaràchtig, daar loopt het balletje in de 8 en ik hoor de stem van den croupier:

—Huit, noir, pair et manque. Le numéro en plein, les chevaux, les carrés!

’t Is toch wel om er eventjes een kleine emotie van te krijgen. De menschen kijken mij aan; zelfs de Amerikaan kijkt even naar mij op en brommelt iets in zijn buik, terwijl zijn onderste kakebeen heelemaal naar links trekt. Hoeveel krijg ik nu ook? Vijf en dertig maal vijf frank voor de „plein”; acht en zestig maal vijf frank voor „les chevaux” en twee en dertig maal vijf frank voor „les carrés”; ’t is om er van te duizelen! Een hoop goud wordt naar mij toegegooid; ik weet haast niet waar het te bergen.

Daarmee was het ook uit. Ik meen: dat ik nog een poosje doorspeelde, maar dat er niets meer kwam. Ik was zoo wijs nog met een aardig overschot te staken en toog opgeruimd naar mijn dames toe.

Zij deden of ze mij niet zagen. Zij zaten alle[62] drie met vuurroode gezichten, als krampachtig in een folterende studie verdiept. Zij keken starend naar het groene kleed en hielden hun handen beschuttend over wat ik vermoedde een hoopje geld te zijn, gedrukt.

—Nou? vroeg ik opgewekt.

—We hebben prachtig gewonnen, zei de oudste mijner dames.

—Hoeveel? vroeg ik.

Deze toch zeer eenvoudige vraag scheen mijn dames eenigszins te verbluffen.

—Hoeveel, dat weet ik niet, maar we „hadden” een oogenblik onze handen vol goud.

—Oo....! je „hadt”; maar nu?

—Ja, nu is ’t weer minder; maar nu weet ik ook precies hoe of ik moet inzetten. We gaan het terug winnen.

—Mag ik de dames op ’n heel lekker déjeuner inviteeren? zei ik glimlachend.

—Heb jij gewonnen? klonk het hartstochtelijk.

—Veel.

—Och, wij hebben geen honger; geef ons dan liever nog elk ’n paar „louis”.

—Waarom? Jullie winnen!

—Och ja, maar....

—Kom, kom, ga nu toch liever met mij dejeuneeren.

—Neen, wij dejeuneeren nièt!

Het antwoord klinkt beslist, afdoende: mijn dames willen niet dejeuneeren. En, met of zonder[63] bezwaar tegen die eigenaardige opvatting, moet ik er mij wel, en ook nog enkele „louis” bij neerleggen. Maar wat komt het er op aan: de bank betaalt!

Wat is Monte-Carlo mooi, wanneer men, met een vrachtje „louis” van de bank op zak, uit het schemerig speelhol weer buiten in de frissche, zonnige ruimte komt! O! die roze en violette bergen van de „Haute Corniche”, als een reuzenmuur van pracht in halven cirkel om de blauwe, blauwe zee! Die dichte, sombergroene bosschen van den Kaap Martin aan eene zijde; en aan de andere zij de grijze rots van Monaco met het prinselijk slot! Maar vlak bij het speelhol liggen de magnifieke tuinen, en in die magnifieke tuinen de chic-que restaurants, waar de roodgerokte „tziganes” op de schitterende bloem-terrassen spelen.

Wat klinkt die muziek verleidend en meesleepend,.... als de bank betaalt! Wat zal ze akelig, tergend en bedroevend klinken, als de bank niet betaalt! Maar ze betaalt wèl, de bank, ze betaalt overvloedig, en ’t is toch zonde dat mijn dames hier nu niet met mij aan het tafeltje zitten om van zooveel heerlijks te genieten. Er zijn namelijk delicieuse stukjes langouste die slechts zeven frank per portie kosten en gebakjes,—eerst dacht ik dat het vingerhoedjes waren—van twee frank ’t stuk! En dan die muziek, die heerlijke muziek, dat meesleepend spel van die mooie, bruine mannen[64] met hun donkere snorren en hun roode rokken! Een sigaar kost slechts drie frank en aangezien ik toch op mijn lievelingen moet wachten, neem ik ook een „pousje” van 2.50, alles op rekening van die goede, milde bank.

En zoo komen eindelijk mijn dames, laat, heel laat, als de muziek reeds lang gezwegen heeft en al de tafeltjes zijn afgenomen!

Hun gezichten zijn gloeiend, alsof ze naast een vuur gezeten hadden en de oogen stralen met een vurigen glans.

—Gewonnen? roep ik van verre.

’t Is mij niet mogelijk uit het verwarde antwoord een duidelijken indruk op te vangen. Zij gaan even in een hoekje zitten, ledigen hun beurs en tellen. Maar ze hebben vergeten, de lievelingen, met hoeveel ze juist begonnen zijn, zoodat de rekening lastig wordt. Trouwens, wat er van daag gebeurd is, heeft al niet veel beteekenis. Nu pas, heel op ’t eind, zijn ze ’r feitelijk achtergekomen hoe of ze precies moeten spelen om te winnen, en als ze maar niet gevreesd hadden dat ik ongeduldig zou worden door ’t lange wachten.....

—Nu zullen jullie wel honger hebben; nu willen jullie toch zeker iets gebruiken? val ik haar voorkomend in de rede.

O, nee, geen kwestie van, ze zouden niet kúnnen.... Het eenige wat ze verlangen is eventjes weer in de speelzaal te mogen gaan, met nog[65] enkele „louis” van mij bij wat haar overblijft, om, al was ’t maar een half uurtje, het nieuw en onfeilbaar systeem te probeeren.

Het is een heerlijke verademing om nu over den hoogen weg naar Nice terug te rijden. Eerst zijn mijn lievelingen wel wat teleurgesteld en ik geloof niet dat ze mij bizonder aardig vinden, maar de frissche lucht doet dat onaangenaam gevoel al gauw verwaaien en de schoonheid van het tafereel overtreft alles.

Sinds hoe lang stijgen wij, onder den forschen, dreunenden adem van mijn eenig-moedigen motor? Hoe hoog, hoe ver zijn wij reeds boven Monte-Carlo? Eensklaps, in een bocht, waar de steile weg in het helder hemelsblauw schijnt uit te loopen, ligt een onmetelijke verte en diepte voor ons uitgestrekt. Een reuzenkom, met groene en roze en oranje wanden, en daar beneden, heel, héél onderaan, bij die eindelooze azuren vlakte, die de Middellandsche Zee is, Monte-Carlo, klein als een wit juweeltje in zijn groene tuinen. Men ziet nog nauwelijks het speelhol, de villa’s en hôtels die er om heen liggen lijken op kinderspeelgoed, op goed geluk af uit een spaandoos omgekeerd, terwijl de scheepjes op het water notedopjes schijnen, waaruit een heel klein streepje rook opzuilt.

O, die heldere, zalige rust en die vrede! Hoe is ’t mogelijk, daar beneden, in dat duffe hol te willen zitten, als men hier in volle frissche vrijheid[66] kan genieten! Wat lijkt het klein, klein, armzalig klein, van zoo hoog en van zoo verre! Zou die sinistere Amerikaan daar nu nog zitten, naast zijn vleezige, vulgaire juf, met zijn scheeftrekkende kinnebak en zijn stapels goudstukken? En hebben wij daar waarlijk ook gezeten, ik, met mijn ongehoorde, gekke chance van één oogenblik, en mijn lieve dames die hun ganschen, mooien middag radeloos tusschen verschillende „systemen” hebben doorzwoegd?

Och, men moet wel alles zien, van alles eens proeven in de wereld; en de bank is toch lief geweest, zij heeft onze moeite beloond.

’t Werd frischjes avond, maar blauw nog op het water en rood-oranje in den hemel, toen we weer in Nice aankwamen.

„LE DÉSERT DE LA CRAU”.

„La Crau” heeft op mij een groote impressie gemaakt.

„Immense étendue plate, terne et monotone, paysage insignifiant”, zei mijn reisgidsje.

Dat vind ik niet. „La Crau” is een van de zichten, die mij het meest geboeid en geïnteresseerd hebben op de gansche reis.

Het is, van uit Salon tot aan Arles, een bijna[67] lijnrechte, mooie, breede, vlakke weg, van meer dan zeventig kilometer lengte, door een barre, vale uitgestrektheid, met mager gras begroeid en met groote, gele keien bezaaid. Slechts hier en daar, op groote afstanden, een eenzame, steen-grijze „mas”, een boerderij omringd door sombere cypressen, als een oase in volle woestijn. En verder geen ander leven dan dat van enkele, reusachtige kudden schapen, die van het haast onzichtbaar gras en de verdorde kruidjes tusschen de keien moeten leven.

Het is de absolute desolatie, maar een desolatie, die iets indrukwekkend-grootsch heeft.

’t Was tegen zonsondergang, „à l’heure du berger” zooals de Franschen zeggen, dat wij op den drempel dier woestijn aankwamen. De hemel was vlekkeloos blauw, maar begon te somberen en schuin over de eindelooze westerkim, waar lichte wolken schenen op te komen, hing een kolossale oranje lichtveeg, als een reuzenvlecht van goud.

Het vale land daaronder had een warme, bruin-gebronsde zuidelijke tint. ’t Was als van donker-glanzend leer, waarin de gele keien hier en daar als groote, gouden spijkers blonken. Het had iets Bijbelsch, iets uit de oude, oude tijden, toen de menschen zich met dierenvachten kleedden.

En in die atmosfeer van Oostersche legende, zagen wij de kudden huiswaarts komen.

Nog nooit heb ik zulke talrijke kudden gezien. Het leken wel de legendarische kudden van den[68] Verloren Zoon. Zij kwamen naar ons toe als een grijs-deinende golf, de gansche breedte van den breeden weg bezettend, en er was niets anders op te vinden dan de auto (o, wat stond die daar disparaat!) paalstil te houden.

’t Is de zee, ’t is werkelijk als de zee, die op ons aan komt deinen. Vooruit de herder, met zijn staf, vaalgrijs en bruin in ’t avondlicht, als een profeet uit het Oude Testament. Vlak bij zijn hielen volgt een schaap, één enkel, met een belletje om den hals. Dat schaap is als ’t ware het levend symbool der bezadigde wijsheid. De herder keert zich even om tot het getrouwe beest, praat enkele stille woorden, maakt nauwelijks een beweging met zijn staf, en dadelijk gaat het wijze dier op zij, door al de andere honderden, of duizenden schapen (hoeveel zijn er?) gevolgd.

Rechts en links, op zij van de kudde, loopen, in volle vrijheid, maar met allerlei beladen, twee ezels. Die dragen de tent, proviand, gereedschap, wat weet ik al, dat dienen moet voor tochten die soms dagen duren, en dat lijken wel de clowns en de kwâjongens van de bende: zij huppelen en springen, rollen zich met heel hun last in ’t zand en brengen de kudde, die zoo ordelijk door ’t wijze schaap geleid werd, volkomen in de war. De herder vloekt en scheldt, slaat met zijn staf en gooit met keien, maar het helpt niets; de overladen grappenmakers gaan een eind verder weer aan ’t buitelen en aan ’t stoeien, stuwen de kudde als onder een[69] windhoos door elkaar, dringen ze op de auto, doen ze vluchten over de vlakte, brengen een gedeelte ervan op hol. Dat duurt minuten lang, in onbeschrijfelijke wanorde. Nu is het heelemaal of we midden in de zee stonden, met grijs-deinende schuim-golven, overal om ons heen. Eindelijk zijn ze weer goed bij elkaar, en de stille wijsaard met zijn belletje, die al dien tijd, roerloos en gelaten als een filosoof gewacht heeft, gaat weer kalm en trouw met den herder en zijn kudde vooruit, onder een gele stofwolk, die naar wol en muskus ruikt.

’t Is bijkans nacht geworden. De gouden vlecht in ’t Westen is tot een vale streep vertaand, de schaarsche, eenzame hoeven verdwijnen tragisch-somber achter hun zwarte cypressen en in den eindeloozen donker-blauwen hemelkoepel schitteren reeds de eindloos-diepe-en-verre sterren. Alleen de weg, de lange, vlakke, dood-verlaten weg strekt zich nog duidelijk zichtbaar als een strak-gespannen, geelblond lint recht vóór ons uit.

Daar twinkelt een klein lichtje in de verte. ’t Is als een kustlicht van uit zee gezien. Het schijnt ons te wenken, ons de haven aan te duiden. Wij zien in ’t vage een huis, en nog een, en nóg een en eensklaps hooren wij een stem, terwijl een man naar buiten springt:

—L’octroi, m’sieu. Quelque chose à déclarer?

Wij zijn te Arles....!

[70]

ARLES.

Ik kom gaarne met avondlicht in mij onbekende steden aan. Het geeft er iets nieuws en geheimzinnigs aan, omdat men weet, dat de nuchtere werkelijkheid anders is. Vooral in vermaarde plaatsen, of waar men veel over gehoord heeft, is het aardiger om ’s avonds aan te komen. Zoo blijft er althans voor één nacht een waas van poëzie over hangen, ’t welk de koele ochtend die volgt, maar al te dikwijls komt verscheuren.

Over het hedendaagsche Arles zweeft, romantisch-poëtisch, het beeld en de ziel van Mistral.

„Si les filles d’Arles sont reines quand le plaisir les rassemble aux arènes” heeft hij in Mireio gezongen; en vol bezieling gaan wij wandelen, op zoek naar de mooie vrouwen van Arles.

Zouden ze reeds allen slapen zijn? Wij zien er geene, althans geen jonge en mooie. Slechts hier en daar een oude vrouw uit het volk en die dan ook de wel flatteuze kap: het heel klein mutsje met het breede zwarte lint draagt.

„Si les filles d’Arles sont reines Quand le plaisir les rassemble aux arènes, Dans la lande en feu, je crois, Les bouviers aussi sont rois.”

Aangezien wij de „reines” niet vinden, laten we dan maar de „rois” opzoeken. Die zullen stellig nog niet naar bed zijn.

[71]Helaas! nog minder „rois” dan „reines”. De schaarsche „rois” die wij in ’t somber-doodsch oud stadje zien, zijn ongeveer gekleed als onze landloopers en schooiers, en staan gebakken visch te eten met olijven, in een openluchtig tentje, bij een walmend oliepitje.

Maar eindelijk vinden wij den dichter zelf.

Hij staat daar, op een voetstuk, midden op het Forum, bij een fontein onder romantische platanen, vlak vóór het hôtel waar hij gewoonlijk afstapt en waar ook wij onder dak zijn gekomen. Hij staat daar, vereeuwigd in brons en kan zich zelf bewonderen, telkens als hij uit zijn geliefd Maillane naar Arles komt.

Hij lijkt op Buffalo-Bill, zooals hij daar staat. Het is dezelfde mooie kop met breed-geranden flaphoed, dezelfde fiere, nobele, martiale houding. De zacht-zangerige Félibre en de ruwe Cow-boy, ’t is of zij uit het zelfde aardsche stof waren geschapen, en, als ik er even over nadenk voel ik die gelijkenis niet eens zoo disparaat en abnormaal: Mistral is immers „le bouvier de la lande en feu”, zooals Buffalo-Bill de wilde herder uit de „Prairie” is; en zelfs de „lande en feu”, „la Crau” is niet zoo sterk verschillend van het amerikaansche „Far West”. Wat verschilt is het nieuwe en het oude; het oude vol traditie, vol weemoedige zachte poëzie; het nieuwe: hard, wild, ruw, amerikaansch.

De amerikaansche Mistral zal eerst later, veel later geboren worden, als hij ooit geboren wordt.

[72]Wij, noordelijke menschen, gewend aan de eeuwig-durende vochtigheid van ons droef klimaat, kunnen ’s nachts geen water hooren vallen, of wij denken dadelijk aan regen.

Zoo was ’t geval met mij dien nacht, te Arles, in het hôtel op de „Place du Forum”.

Ik werd wakker en hoorde gutsend-neerstortende stralen.

—O, wee, zuchtte ik, aan den tocht van den volgenden dag denkend.

Bedroefd stond ik op en keek door het venster.

O, zaligheid, het wás geen regen. ’t Was de fontein vóór ’t standbeeld van mijn zachten vriend Mistral, die in helderen sterrennacht haar glinsterende zilverstralen, onder het romantisch loover der platanen, door de nachtelijke stilte sproeide....

Den volgenden ochtend „zagen” wij Arles: de nauwe kronkelstraatjes, de kleine pleintjes, de oude geveltjes, de kerken, maar vooral de romeinsche overblijfsels. Ik heb zeker een heidensche ziel: kerken, kloosters, belforten en hallen kunnen mij wel boeien, maar nooit in die mate als een „théâtre antique” of arena mij boeit. Of kan men wellicht niet het eene naast het andere genieten? Wij zagen het klooster van St. Trophime en al dat fijne kantwerk aan zuilen en bogen leek ons vol stemming en schoonheid; maar vlak daarop zagen wij de arena en ’t was of plotseling een eeuwig-jeugdige godin voor ons stond. O, die kalme, eenvoudige,[73] reine, grootsche schoonheid van bogen en lijnen! Die glimlach als ’t ware van stil-verhevene sereenheid, hoog en rustig over alles heen! Wie dacht daar nog aan ’t wonder-kunstig beitelwerk van St. Trophime? Leek St. Trophime hier niet een klein, gerimpeld en chagrijnig oud vrouwtje, vergeleken bij die eeuwen-trotseerende, onvergankelijke, frissche jeugd?

De arena, het „théâtre antique” en „les Alyscamps” de romeinsche begraafplaats, meer hoeft men van het oude Arles niet te onthouden. In fiere slankheid zijn van het théâtre antique slechts enkele zuilen, kapiteelen en portieken overgebleven, maar grootsch en schoon nog teekent zich hun goud-glanzende ruïne op den blauwen hemel af! Les Alyscamps zijn indrukwekkend van sombere tragiek. Die lange en breede allee vol steenen doodkisten, uitloopend onder eeuwen-oude, wijd-vertakte boomen naar een ruige, oude kerk, is als een nachtmerrie, en deed mij denken aan de doodsallee vol slangen en monsters, langs waar de schoone en vertoornde Akëdisseryll met haar reuzenzwaard den bloedigen Brahmanen-tempel ging bestormen.

[74]

GEVAARLIJKE MENSCHEN OP REIS.

Er zijn verschillende, gevaarlijke soorten van menschen, die de automobilist op zijn weg, of onderweg, kan ontmoeten. En daarmee bedoel ik hier niet, of althans niet alleen, wat Mirbeau in zijn 628-E 8 zoo grappig onder het hoofdstuk „La faune des routes” heeft beschreven, maar ook en vooral dàt soort van wezens, die juist niet over den weg loopen en toch zoo gevaarlijk kunnen hinderen.

Het is ongetwijfeld op zichzelf een zeer groot genoegen in den vreemde een landgenoot, die meteen een goede vriend is, aan te treffen; en toch kan zoo’n vriend een last en een gevaar worden zooals ik dien dag moest ervaren.

Wij reden langzaam en voorzichtig, door de smalle, slecht-geplaveide straten van Arles. Ons doel was Nîmes, een heel kort reisje, in vergelijking met wat we den vorigen dag afgelegd hadden.

Eensklaps roept een van mijn dames, wijzend naar een meneer, die een eindje vóór ons loopt:

„Kijk eens dáár, is dat niet meneer X, uit Gent?”

Meneer X, uit Gent! Hoe zou die hier in Arles loopen! Wel neen, ’t is iemand die op hem lijkt.

—’t Is hem, ’t is hem! verzekert mijn dame, met stijgenden nadruk, zoodat ik, twijfelend, aanzienlijk vertraag, omkijk, stilhoud.

Waarachtig, hij is het!

Kreten van vroolijke verbazing, groeten, handdrukken,[75] verrukt geglimlach van mijn lieve dames!

Meneer X is een aller-vriendelijkste man van een vijftigtal jaren, een mooi gezicht, met vollen, grijzenden baard en heldere oogen, een man met een nobel, innemend voorkomen. Hij is advocaat, interesseert zich zeer voor politiek en zelfs voor kunst, reist gedurende zijn laatste vacantiedagen, door Zuid-Frankrijk. Hij heeft een kort bezoek gebracht aan Arles, en gaat nu den trein nemen naar Nîmes, waarheen zijn koffer al van uit Marseille gezonden is.

Een plotseling idee komt bij mij op. De wagen is wel flink vol, maar ’t reisje is kort; als alle drie mijn dames op de achterbank willen gaan zitten, dan kan X wel met ons mee. Ik heb niet iederen dag de goede kans van een vriend en landgenoot te ontmoeten; dat kan wel heel, heel aardig zijn.

Uitbundig juichen mijn dames het voorstel toe. Dames zijn altijd voor ietwat gecompliceerde schikkingen te vinden. Dadelijk zitten zij met hun drieën op de achterbank, waar ze ’t nog uitstekend ruim beweren te hebben, en zonder veel moeite laat mijn vriend zich overhalen en neemt naast mij, op de voorbank plaats. De motor, die niet opgehouden heeft te snorren, krijgt een beetje guller gastoevoer, en we gaan voort.

Onze vriend is dadelijk heel druk aan ’t praten. Dit is de eerste maal van zijn leven dat hij in een auto zit, zegt hij, en hij vindt de sensatie heerlijk. En,[76] zonder overgang, zich tot mijn dames omkeerend, vraagt hij, of ze reeds „Les Baux” gezien hebben.

Les Baux! Neen, dat hebben ze niet gezien. Wat is dat: Les Baux?

—Heeft u Les Baux niet gezien, de nog steeds bewoonde holen van de troglodyten! O, maar, u kunt toch Arles niet verlaten zonder dàt gezien te hebben! beweert onze vriend met een gezicht van bijna ongeloovige verbazing.

Mijn dames kijken mij bepaald verwijtend aan. ’t Is of ik haar iets heb willen onthouden, waar ze recht op hadden; en er is niets aan te doen: zij vragen dringend om „Les Baux” te zien.

Om de waarheid te zeggen had ik er wèl even aan gedacht, maar was van het plan afgestapt. Waarom, zou ik trouwens niet kunnen zeggen; zoo’n idee; ik had er geen zin in.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings