← Table of contents
De val van Antwerpen (october 1914)

Front matter (continued 2)

Reading edition

Het waren de stille maar zekere teekens van het droevig doch staag naderend einde.

XIV-De Beschieting Der Forten

De tragische dagen waren thans begonnen. Sedert 28 September hoorden wij, zonder ophouden, het doffe brommen der kanonnen. Sedert het bombardement van 't jaar 30 had Antwerpen dergelijk geluid niet meer vernomen. Sedert den franschen tijd was het geleden dat wij nog belegerd werden. De gang van den tijd bracht weerom den oorlog rond onze wallen met een nieuw en nooit- vermoed geweld.

Overdag scheen het wel te bedaren, het gerij en het menigvuldige leven der groote stad smoorden de verdere geluiden. Maar tegen den avond en binst den nacht ging het eendelijk gebons als van zware deuren, toeslaande op het steenen gewelf van oude kelders. Het brutale was daar bezig, het gebas der oorlogsbeest, ginder aan de uiterste grenzen der antwerpsche vesting.

Waren het de duitsche stukken van 42. die wij hoorden? Waren het onze forten of onze veldkanonnen die antwoordden? Het kon niet goed uitgemaakt worden, 's nachts te Antwerpen. Tusschen slaap en wake kwam het ons wel voor als een ver onweer, een staag gerommel van donder, waar wij aan wenden, dat ons plots weer opviel, bij 't ontwaken, en, in de duizeling, ons voorkwam als het gonzen van de lucht zelf. Het scheen mij soms dan ook alsof wij waren als vervolgde menschen, die met hun nog geredde schatten gevangen zaten in diepe donkere katakomben, waar zij nog wel door de duistere gangen en onder de lage gewelven konden bewegen, maar nooit meer zouden uitgeraken, en aan de uiterste poorten hooren zij het onverbiddelijk gebeuk van den vijand die elk oogenblik kan binnenstormen met roof en verdelgingszucht…

Het was nacht rondom ons, ook overdag. Want wij kregen weinig of geene berichten over die beslissende mokerslagen die op onze gepantserde borstweer werden toegebracht.

Maar zonder juist nieuws voelde eenieder dat er iets geweldigs aan 't gebeuren was en spijts de hoopvolle zekerheden die de burgers elkaar lieten opdringen, hing er als een gedurige angst in de lucht.

Ik had eene nieuwe bediening gekregen. Met enkele andere advocaten werd ik aangesteld als burgerlijk afgevaardigde van den krijgsgouverneur om toezicht uit te oefenen op de duitsche handelshuizen waarvan de firmanten waren uitgedreven of in hechtenis genomen. Mijn werk was thans vrijer dan wanneer ik heel den dag als tolk of griffier in 't gevang doorbracht. Ik was aldus in de gelegenheid mij een klaarder denkbeeld te vormen van den algemeenen toestand en het uitzicht van Antwerpen. Ik lag als het ware aan het hart van de stad en hoorde haar harteklop. Ik liet in mij hare gevoelens terugwerken van angst en van vertrouwen. Elke dag zou voortaan in mijn geheugen aangeteekend blijven met eene kapitale gebeurtenis; elke dag zou ik een nieuw vertrouwen zien onstaan of een laatste hoop zien verijdelen tot het noodlottig uur van den onwederroepelijken ondergang.

Op dinsdag, 29 September, liep het gerucht in de stad dat Lier was gebombardeerd. De bevolking was gevlucht en ondanks de strengste maatregelen om de vluchtelingen den toegang tot Antwerpen te beletten waren er vele door geraakt. Zij vertelden, hier en daar, wat zij gezien hadden en beleefd. Er viel niet meer aan te twijfelen. De mare verspreidde zich als loopend vuur.

De Duitschers naderden dus Lier! Elke Antwerpenaar is er meermaals te voet of per fiets naar toe getrokken, kent de rust van het begijnhof, de groote koele Sint Gumarus kerk vol zware pracht, de boompjes langs de Nethe, de steenen brug, de winkeltjes met de beroemde liersche vlaaikens… De bommen vielen daar te midden dat oude stille leven. Dat was bij de deur. Eene groote verslagenheid begon in de stad te heerschen.

In 't naar-huis-keeren, den nanoen van dien dag, zag ik door de Huidevettersstraat een auto rijden met burgerwachten van Lier. Een bevriend kunstschilder zat er bij en die wuifde naar mij toe met een duitsche pin-helm als een glorierijke tropee. Die namen het dan toch luchtig op. Zou het gerucht misschien niet overdreven zijn? Werd de vijand mogelijk teruggeslagen?

Thuis vond ik, in mijn werkkamer, een motocyclist-vrijwilliger die een zending volbracht had bij den generalen staf en van den tijd die hem overbleef gebruik maakte om mij met een hartelijk bezoek te verrassen. Die scheen aan de verschrikkingen van den oorlog reeds heelemaal gewend te zijn, want zonder de minste ontsteltenis vertelde hij mij, voor waar, dat ons leger ten zuiden van Mechelen had moeten wijken en op 28 September het bombardement van Waelhem en St Kathelijne Waver was begonnen. De welgerichte 42 cm. bommen hadden, zoo verzekerde hij mij, denzelfden dag nog die twee forten bijna onbruikbaar gemaakt.

"Het is geen spel meer hoor, gelijk het ginder thans toegaat. Wanneer de zware stukken, die daar ievers beneden Mechelen, op béton-vloeren moeten staan, hunne reusachtige projectielen doen neerkomen rond onze forten, dan springen er torenhooge fonteinen van aarde in de lucht. Sneltreinen voor Antwerpen zoo hebben wij die bommen gedoopt, zoo snorren zij door de lucht met eene verbazende snelheid, zoo razen zij door den hemel met een vervaarlijk geluid. In den avond ziet ge de dorpen met roode vlammen branden op een horizont van lood. De menschen slaan overal op de vlucht onder een regen van shrapnels."

Ik was nog niet van mijn verslagenheid bekomen toen mijn vriend, voor mijn drempel, luchtig en welgezind op zijn motor sprong en tuffend de straat uitreed. Van een voorbij-rennende kranten- verkooper kocht ik een blad en er stond in vette letters op te lezen dat de forten van Liezele, Breendonck en Bornhem hardnekkig stand hielden en een aanval van den vijand, te Blaesveld met verschrikkelijke verliezen werd teruggeslagen. Hetgeen naderhand ook wel waar bleek. Doch waarom de andere droever waarheid verzwegen? waarom de menschen in dwaling laten verkeeren? Zoo moest ik van mijn huisgenooten dien avond aan tafel hooren dat zij van verschillende kanten vernomen hadden dat Von Beseler aan den commandant van Waelhem voorstellen zou gedaan hebben om zijn fort over te geven maar deze, sterk in zijn hoop het uit te houden, kranig zou geweigerd hebben; wat dachten die Duitschers wel!

Zulke voorstellingen bleven ingang vinden bij velen, schenen zelfs meer dan waarschijnlijk. De menschen grepen naar goed nieuws als drenkelingen naar een plank. Wij zouden nu wel gaan zien dat de oninneembare vesting van Antwerpen te vergeefs werd aangetast. Aan omsingelen en uithongeren viel immers niet te denken, zoo oreerden de kamerstrategen. Waarom vertwijfelen? Die er anders over dachten, waren slechte vaderlanders. Die ander nieuws rondstrooiden waren onruststokers, verspieders, landverraders en die moesten worden aangeklaagd.

XV-Inferno

Ik bezocht 's anderdaags, 30 September, een paar ambulances in de stad. Nieuwe zieken en gekwetsten waren daar toegekomen. Hier was ik zeker de meest betrouwbare getuigen te vinden van hetgeen binst de laatste dagen gebeurd was. Er waren afschuwelijk verminkten die ik eerbiedig en zwijgend moest voorbijgaan. Ik zag een jonge man, bleek en vaal en als levenloos, met een bloedig- verbrijzelden arm, op een ziekewagentje naar de operatie-zaal voeren. Maar een bevriend dokter bracht mij in een zaal waar soldaten lagen die heelemaal of bijna niet gekwetst waren, maar in een zenuw-crisis van het slagveld werden weggevoerd en nu nog over heel hun lichaam beefden, terwijl hunne wijd-open oogen idioot keken van de verschrikking die zij hadden doorgemaakt.

Zij kwamen meestal uit de forten van Waelhem, Sint Kathelijne Waver, Koningshoyckt en Lier. Op onze vragen vertelden zij, met een terughoudenheid alsof het niet mocht, hoe het er geheel onhoudbaar was geworden. Vijf uur aan elkaar waren de bommen op en rond hunne koepels gevallen. Van een soldaat uit het fort van Lier, die als bij mirakel slechts lichte kneuzingen had opgeloopen, vernamen wij hoe de pantsertoren van zijn fort als door een reuzenhand werd uit zijn put gerukt en weggeslingerd.

Er waren ook soldaten die bij de troepen hoorden die de tusschenruimten der uiterste fort-lijn verdedigden. Hunne haastig- aangelegde loopgraven werden zoo hevig onder vuur genomen dat alles weldra lag dooreen geschoten tot een strook land van onzeggelijke en gruwzame wildernis.

Doch ik zal nooit het gezicht vergeten van die twee kanonniers die uit de forten van Dorpsveld en Boschbeek geraakten. Hunne gelaten waren geheel vertrokken en vervormd van het afgrijselijke dat zij hadden doorleefd. Het scheen alsof zij uit een hel waren gekomen waarvan de ontzetting hun nog als een nachtmerrie vervolgde.

Het was niet gemakkelijk iets van ze te vernemen. Met nog bevende lippen gingen zij eindelijk toch aan 't praten. Zij wisten niet meer wat rondom hen te velde gebeurde. Zij hoorden slechts de aanhoudende losbrandingen die alles daveren deden, als bij een aardbeving. De koepel, waarin zij als het ware gevangen zaten te midden der ongeloofelijkste ontketening van helsch geweld, was als een schip dat geschud en gebeukt werd in den vreeselijksten storm. Het gefluit en gesis der kogels, het geronk der snelvuurgeweren joeg als rukwinden om hen heen. Zij konnen met moeite slechts naast hunne stukken blijven, zoo helden zij langs alle kanten, zoo begon de vloer onder hunne voeten te deinen, zoo begonnen de wanden rondom hen te bewegen en te kraken. "Eindelijk" zoo vertelde eene, "is onze koepel in breede scheuren opengesprongen." Uit de woorden van den andere kon ik opmaken dat de massieve- betonbouw van zijn fort in den grond zonk als onder de macht van een reusachtigen plethamer.

Geen enkel bepaald nieuws in de bladen over al het gruwelijke dat aan 't gebeuren was. Integendeel de bladen meldden dat de forten onbeschadigd waren. In de kranten van donderdag avond 1 October stond zelfs te lezen dat er nog steeds verschrikkelijk gevochten werd ten zuiden van de Nethe. Ons leger had wel de wijk genomen tot aan deze rivier, maar de forten van Lier en Koningshoyckt hielden den vijand in bedwang, die, tusschen Tallaert en Lier, met bloedige verliezen werd achteruit gedreven.

De gemoederen werden nog maar steeds gerust gesteld. Ik dacht bij mij zelf: wat een neerzinking, wat een paniek zal dat worden wanneer de volle waarheid eens toch zal bekend geraken. Ondertusschen bleef het een vaderlandsche plicht die waarheid te verzwijgen of te loochenen. Een burger die uit de omstreken der vuurlijn kwam en aan een kennis op de tram vertelde dat ons leger overmand was, het niet langer meer kon uithouden en weldra achter de Nethe een wijkplaats zou moeten zoeken, hoorde ik heftig toespreken door een reiziger: dat het leugens waren om de geesten te verwarren en te ontmoedigen, dat hij te zwijgen had, of dat hij zou weten waar hem aan te klagen.

Waar zouden de menschen met zulke voorlichting, met zulke gemoedsgesteltenis, een zekerheid gevonden hebben, wanneer nu toch elk uur het bestaan der stad, de onafhankelijkheid van het land kon beslist worden.

Toen ik weer huiswaarts trok dien avond scheen het mij of ik met een verschrikkelijk geheim rond liep en ik vroeg mij zelf af of ik uit geen akelige droom was ontwaakt. Want heel die groote overbevolkte stad rondom mij leefde voort van gissingen, van tegenstrijdige geruchten en, schier onaangetast, bleef het vertrouwen in de onverwinbaarheid der steeds geroemde antwerpsche vesting.

XVI-Rond De Stad

Het verlangen om mij met eigen oogen van den toestand te overtuigen bracht mij weer eens buiten de poorten.

Ik had gelegenheid om in den vroegen morgen van 1 october met een proviand-trein mee te rijden tot Hemixem, op de Schelde, zuidwest van Antwerpen.

Ik zag een paar forten der tweede verdedigingslijn. Die lagen rustig nog en zoo vereenzaamd in de ringsom open gelegde velden. De harde vlakke beton-bouwen staken witgrijs omhoog uit het frisch- groen gras der aarde-werken. Maar ik wist nu wat hun sterkte te beduiden had wanneer eens het geweld en de verschrikking van den nieuwen oorlog errond zouden komen spoken.

Onze trein was pas in het goederen-station toegekomen, of ik zag, over den steenweg uit Hemixem-dorp, een onafzienbare sleep auto 's en motorwagens, in een rosse stofwolk, komen aangereden. Dan volgden ook nog vele leverancie-wagens, door paarden getrokken en waar de firma's van groote warenhuizen uit Brussel of Antwerpen nog op te lezen stonden met, in een hoek, de haastig-overgeschilderde aanwijzing van den legerdienst waarvoor zij werden gerekwireerd. Het lossen van den trein begon en elke wagen kreeg zijne vracht: amunitie-brooden met duizenden, zakken met peulvruchten, aardappelen en haver, eetwaren in blikjes, bussen met naphta en wat weet ik nog, hoopen en hoopen van alle soort proviandeering die dagelijks door een leger verslonden wordt.

Ik stapte het station uit in de richting van Hoboken. Over de lege gronden langs de baan, bewogen pelotons rekruten, nog in hun burgerpak en die door onderofficieren gedrild werden. De bevelen klonken schreeuwerig door de lucht.

Van uit Hoboken vertrok een houten brug-op-schepen over de Schelde naar Cruybeke, waar het rustig veermanshuis, met zijn witten gevel en rood dak, zoo schilderachtig boven den groenen dijk uit stak. Vele rekruten liepen hier ook te kuieren nabij de aanlegplaats of keken naar den traag vlietenden breeden stroom. Enkele waren reeds voorzien van een stuk militaire kleeding, een muts of een tuniek of een ceinturon. Die waren de strijders van morgen, de slachtoffers ook misschien van dezen gruwelijken oorlog die als een onverzaadbare Moloch al het jonge volk, de bloem van een volk verslindt. Ik erkende een paar vrienden, gelukkig wat te kunnen praten. Zij gingen misschien morgen naar Oostende vertrekken of verder naar Frankrijk, in een kamp, om hun leertijd uit te doen. In onzen afscheidshanddruk, in onze oogen was er iets van vrees, van onzekerheid of wij elkaar nog ooit wel zouden weerzien.

Stroomopwaarts, uit de richting van Rupelmonde en Bornhem, kwam bij poozen het gebrom van het kanon, hier duidelijk hoorbaar. Het scheen mij zelfs dat er in de verte wolken van rook opdampten boven den vlaamschen oever. Maar nergens toch de minste ontsteltenis, noch bij de burgers, noch bij de soldaten; en ik wist nochthans dat onze uiterste fortenmuur, in den derden en vierden sector, nagenoeg geheel openlag en de vijand ons veldleger over de Nethe had gedreven.

Tegen den middag was ik weer terug met mijn trein in de stad. In den namiddag trok ik nog eens naar Cappellenbosch. Ginder in het Noorden der antwerpsche vesting viel misschien eenige weerslag der gebeurtenissen waar te nemen, werden mogelijk aanstalten gemaakt voor den aftocht van het leger.

Ik vond soldaten langs alle wegen. Het dorp Cappellen was als een kamp, zoo liep het er vol. Mannen die vrij-af hadden, kuierden door de nog gespaarde bosschen. Hier en daar ook een die bezoek had van zijn vrouw of zijn lief. Die zaten dicht bij elkaar op den boord eener gracht of op den stam van een neergevelden boom, te praten of wat lekkers op te eten dat de vrouw, wie weet van hoe ver, in een zorgelijk toegeknoopt pakje had meegebracht.

Ik kwam weer op ons landhuis. Hoe verlaten en naargeestig lagen de kamers. De meubels stonden er doelloos. In de stilte hoorde ik eene oude eiken kast kraken alsof er een ziel uit spreken wilde. Boeken lagen links en rechts om nooit meer gelezen te worden. Ik haakte een gekleurde plaat van den rooden muur in mijn werkvertrek. Dit zou ik toch nog meenemen als herinnering. Het was de blijde geboorte van Botticelli. Voor de kribbe met Maria, Jozef, het kindeken en de goedaardige dieren, waren engelen die de herders omarmden en kusten: Vrede den menschen van goeden wil… Ik dacht aan geluk om schoonheid, geluk om liefde… Het is geweest! Het is geweest! Wanneer kennen wij nog eens den vrede en de weelde van het stille genot! Mijn keel was toegeschroefd van weerhouden snikken. Ik voelde de groote droefheid die over heel de wereld weegt. Ik hoorde in mijn verbeelding het almachtig rumoer der millioenen legers, het gedreun der regimenten het gerol der kanonnen en oorlogswagens, over alle wegen van Europa. Waar is de stilte, de verrukking die eens toch mijn bezit was?

Ik sloot de deur op den hof, waar de avond begon te dwalen en gele schijnen van den hemel nog lichtten uit het vlakke donkere water van den vijver.

Over den steenweg van Cappellen naar Esschen waren toen reeds vervoerdiensten met postkoetsen ingericht om het opgeschorste treinverkeer te vervangen. Ik kwam er een paar tegen op weg naar de grens. Vele menschen trokken ook te voet dien kant op. Het was een achtiend-eeuwsch gezicht, dat reizen te voet en te paard en met de traag rijdende koetsen. Menschen die elkaar vervoegden langs de baan begonnen te kouten en zetten samen de lange reis voort. Mij reed een witte huifkar voorbij met een dikke bruine merrie bespannen. Er zaten twee kloosterzusters in en die vroegen of ik niet mee wilde tot Cappellen. Mijn uniform wekte goedhartigheid. Ik nam mijn plaats in nevens den voerman.

In de vallende duisternis schenen de wachtposten, aan de aarde- poorten op den weg, oktrooien uit den ouden tijd, die voor de kasteelheeren tol hieven op de trekkende reizigers. Onze papieren werden nagezien en de zusters deelden telkens appelen en peren uit, aan de van dienst-zijnde soldaten. Zij stapten af voor de poort van haar klooster te Cappellen en ik ging de trein nemen tot Antwerpen.

Maar niets toch had ik gezien dat op ontreddering geleek. Alles was rustig nog alsof het zoo nog weken kon voortgaan.

XVII-Op Sint-Michielstoren

Ik trok 's anderdaags, vrijdag 2 october, rond elf uur in den morgen met mijn vriend Karel van den Oever, naar de Sint Michielskerk op het Zuid. Wij hadden afspraak met den kosterszoon om den toren te beklimmen en van daaruit den aan-gang-zijnden slag aan den horizont waartenemen. De waterlijding was in Antwerpen geschorst dien zelfden morgen. De vijand was dus meester van de Nethe. De strijd om het bezit der stad naderde zonder twijfel de tweede verdedigingslijn.

De kerk was leeg. Wij vonden langs binnen het torendeurtje en weldra stonden wij, boven de klokkenkamer, door de hooge rond- geboogde galmgaten te turen in de richting van Mechelen.

Het duurde een tijd eer wij onzen weg vonden door de wijde eindeloosheid, die onder onze oogen open lag. Alles smolt in elkaar tot een olijfgroen landschap, velden, boomen, wegen en verre dorpjes. Maar op eens kregen wij Sint Rombouts toren in 't gezicht. Die stond als een hooge af geknotte mast, schalieblauw boven den einder. Dan zagen wij, laag bij den grond, links van den toren en naar het Oosten toe, eene golvende wolkenbank met striemingen van rood licht, het was de vuurlijn. Sint Rombouts stak er boven uit, alsof die oude steenen reus zelf in 't gedrang was gekomen van zijn vechtende en stervende kinderen. De aarde scheen aan den horizont te bewegen en te branden. Immeraan dampten wolken van witten en blauwen rook omhoog waardoor, af en toe, een roode lichtflits gleed en de wolkjes roos begloorde. Nader bij Antwerpen en naar onze schatting boven de streek tusschen Contich en Duffel steeg een verkenningsballon omhoog en de geel-beglansde worst ging zweven met den sleep van zijn slank-buigenden kabel, die als een ragfijne spinnewebdraad op het luchtvlies zichtbaar bleef. Vreemd hong die wanstaltige massa in het vlekkeloos hemelblauw. Dadelijk begon daarrond het spelend gedans van de witte wolkjes der openknarsende shrapnels. Maar de ballon bleef drijven, ongedeerd, traag wendend en keerend in den wind, boven de belgische troepen die daar moesten gelegerd zijn.

Wij luisterden aandachtig naar de ruimte met dien gruwelijken dijk van rook en vuur aan de einder. Maar wij hoorden niets dan het staag geruisch der groote stad aan onze voeten. Geen enkele, zelfs gedempte rommeling van kanonnen kwam ons toe van uit de verte. Heel het land lag eenzaam en schijnbaar zoo rustig.

Vliegeniers kwamen toen aangevlogen, als groote vogels opduikend uit de luchtdiepten, en streken neer in breede spiralen tot op het vliegplein van Wilrijck. Het ronken hunner schroeven klonk nu, heel nabij, als het gedreun van orgels.

De Schelde, waarvan de wit-glimmende wenteling door de wester- galmgaten te zien was, lag leeg van schepen, verlaten en naargeestig als een gevloekte stroom. Aan den overkant strekte het Vlaamsche land, als een grauw-gele woestenij, mijlen en mijlen ver met de torens van Zwijndrecht, Melsele, Beveren, achter elkaar, en het donker betooverd puin van Rubenskasteel, heel nabij in de olijfgroene polders, waardoor wit de grachten blonken. Wij dachten toen nog niet aan den aftocht van ons leger, dat langs daar zijn redding zou moeten zoeken in een rusteloozen trek van Antwerpen tot aan den Yzer, altijd voort altijd voort, zonder genade. Nu kwam nog niets den vrede van dat land verstooren. De wielschepen van den overzetdienst deden gezapig hunne reizen over den stroom en kleintjes klauterden menschen en wagens den steenen dijk op van Sint Anna.

Hoe sterft toch het grootste getier van wapenen op eenige uren afstand uit! Ginder heel ver, woedde de slag maar hoe kalm en ongestoord lag nog de stad en hoe zeker in het midden van die groote ruimten van vrye ongeschonden velden. Zou daar toch ook eens slag geleverd worden? Zou ons leger, achteruit wijkend, elk stuk grond daar, voet voor voet, verdedigen, om den vijand, aan geen prijs, door te laten tot de stad die nu de laatste wijkplaats was van het vaderland? Wij bleven hopen zoolang zij niet gevallen was.

Maar toen wij, afgedaald van onzen toren, weer door de straten liepen, wisten wij maar al te wel hoe dreigend de nood was, Met eigen oogen hadden wij de vuurlijn gezien. Die lijn zou nauwer en nauwer toesluiten rond de stad en wat ging dan haar lot zijn morgen? Wij stapten sprakeloos voort en mijn vriend zag met weemoed naar de huizen die hij minde en die tot gruis-en steen- hoopen konden worden neergebeukt.

Ik zat in den nanoen, niet zonder gejaagdheid, de hollandsche kranten te lezen in den Kunstkring. De "Times" werd niet meer toegelaten, daar stonden de gebeurtenissen te klaar in beschreven. Eensklaps dreunde kanongebulder over de stad. Wij sprongen op, de enkele lezers die daar rustig zaten in de lederen zetels van het fluisterstille kabinet.

Wij liepen naar een terras op den tuin vanwaar eene wijde hemelruimte boven de huizen zichtbaar was. Eene duitsche Taube snorde door de lucht en dreef recht over de plaats waar wij stonden. Het was de dood die over ons heen vloog, want bommen waren reeds gevallen en nieuwe bommen konden worden uitgeworpen.

Was het onbedachtzaamheid die ons staan hield onbewogen, terwijl wij aandachtig door de lucht het spel volgden der omzwevende wolkjes van de ontploffende schrapnels? Was het een wraakachtig verlangen den vijandelijken vlieger als een gekwetste vogel te zien neer tuimelen uit dien blauwen hemel? Was het misschien wel onverschilligheid voor alle werkelijk gevaar waar toch niets meer tegen te doen valt? Was het een onbewust vertrouwen dat ons uur nog niet gekomen was?

Ik dacht aan die zielesterkte waar Marcus Aurelius van gewaagt, die onbewogenheid der ziel die zich voegt naar hare lotsbestemming en naar de omstandigheden waar zij geen meesterschap meer over heeft. Sterven op dat oogenblik, zoo scheen het mij, had toch niets bitters meer indien het zoo beschikt was.

De Taube ging aan 't stijgen, buiten 't bereik onzer kanonnen en verdween weldra als een onbeduidend stipje in het wit-blauw der hemeldiepten. De kanonnen zwegen.

Bommen waren te Berchem gevallen en hadden een vrouw en een kind gedood. De vijandelijke vliegenier had ook strooibiljetten uitgesmeten waar op te lezen stond dat de bevolking van Antwerpen bedrogen werd en de val der stad aanstaande was. Dat nieuws werd door de bladen met spotternij vermeld. Onze forten zouden bewijzen of Antwerpen stand hield ja of neen.

XVIII-Een Nare Dag

Zaterdag, 3 october, is wel voor mij de meest nare dag geweest van het beleg van Antwerpen.

Het gerucht liep, in den morgen, dat de regeering en de vreemde gezanten gingen vertrekken naar Oostende en al de hospitalen moesten worden ontruimd. Dat viel te verwachten, het einde was nabij, maar hoe droef die harde zekerheden te ondervinden!

Ik ontving het bezoek van een vrijwilliger-kanonnier, uit het fort van Wijneghem, die met verlof in stad was. Hij vertelde mij uit zekere bron vernomen te hebben dat de tegenaanvallen die ons leger waagde op de Nethe, vruchteloos gebleven waren en aan ons volk verschrikkelijke verliezen hadden gekost. De stille kempische rivier lag vol lijken en vloeide rood van bloed. Het fort van Dorpsveld was in de lucht gesprongen met zijn bevelvoerder en laatste verdedigers. Te Koningshoyckt was een munitie-magazijn ontploft en het fort onbruikbaar geworden. Tallaert lag vernield, Lier werd verlaten en ons leger was nu bepaald heelemaal achter de Nethe teruggeweken. "Onze forten zijn van karton" zoo voer mijn zegsman voort, met een bitteren lach van spijt en radeloosheid om de lippen, "van karton, zeg ik je, tegen die monsterkanonnen waar Brialmont nooit op gerekend had. Het is de eeuwige strijd tusschen het pantser en de bom en de bom moest onvermijdelijk overwinnen. Indien je geen duitsche pinhelmen als overwinnaars over enkele dagen in je straat wil ontmoeten, dan raad ik je stellig aan zoo haast mogelijk te vertrekken. De val van Antwerpen is beslist. Het is slechts een kwestie van dagen nog, wat zeg ik, van uren misschien."

Ik beproefde, zwakjes moet ik zeggen, die stellige verklaringen in twijfel te trekken, gesteund als ik was door den algemeenen geest die nog in de stad bleef heerschen en op eene onmogelijke verlossing wachtte, maar mijn vriend lachtte, ietwat medelijdend, alsof hij te zeker wist wat ons te wachten stond.

Toen ik weer alleen zat in mijn werkvertrek, werd ik voor 't eerst ten volle bewust van het onwederroepelijke. Het was hartverscheurend! Ik voelde mij in de stemming vaneen man, wien de dokter de ongeneesbaarheid en het aanstaande einde van een geliefd wezen heeft aangekondigd. Hij staat machteloos bij de sponde, nog gaat de ademhaling, nog klopt het hart heel zwakjes, maar de oogenblikken zijn geteld en vallen een voor een in de eeuwigheid als de laatste korrels van den Zandlooper.

Er was niets meer aan te doen!

O bitterheid der herinnering! Voor twee maanden leefden wij hier nog in gelukzaligen vrede, waren er schepen op de Schelde uit alle werelddeelen, klonk de beiaard uit O. L. V. Toren, bewogen de menschen blij en feestelijk langs de straten, stonden al die oude huizen en groote kerken daar met hun onveranderbaar gelaat vol oude rust en zekerheid.

De overweldigers die reeds Luik hadden ingenomen en Leuven en Brussel en Mechelen en zoovele steden en dorpen op onzen vadergrond, zouden ook Anwerpen binnenrukken met het hoonend geluid hunner gillende pijpers, Antwerpen, de stad van Rubens, de trotsche, blijde stad van stoeten en landjuweelen vol ongeziene pracht en schittering.

De val dezer stad had een tragischer beteekenis dan die van andere steden in het land. Zij was ons laatste toevluchtsoord en zij is gekend over heel de wereld. De waterbanen uit alle zeeën loopen er henen. De schepen uit Bombay en Calcutta, uit Melbourne en Valparaiso, uit New-York en Shanghaï hielden den steven naar haar gewend.

Ik heb deze stad bemind als geen andere op de wereld met eene liefde van alle dagen en alle nachten. Wanneer ik ver van haar was, heb ik naar haar verlangd met een ongeneesbar heimwee en, varend over vreemde zeeën, hoorde ik haar roemen door het scheepsvolk als een verre droomstad, verholen achter de eindeloosheid der zoute wateren, in de diepe rustige golf der breede en kalme Schelde…

En nu is haar val nabij. De zonen van heel het land vermogen niet haar te redden ten koste van hun bloed…

Waar zijn de millioenen-legers van de Russen, de Franschen, de Engelschen dat wij zoo gansch alleen aan ons droevig lot zijn overgelaten. Moet deze stad dan toch onwederroepelijk met hare onafzienbare kaaimuren en dokken, met hare torens en kerken, met hare onschatbare kunstgewrochten, de prooi worden van Duitschland en de uitspattingen zien der onbeschofte vreugde van een vijandelijken triomf! De klokken uit de domtorens van Keulen en Aken van Coblenz en Frankfurt, van Berlijn en van Weenen zullen feestluiden bij den ondergang van dit voor ons onaantastbaar heiligdom!

Heel den dag vervolgden mij die martelende gepeinzen.

Wanneer ik op straat kwam, las ik verslagenheid op alle gezichten. Voor het Sint Elisabeth-gasthuis zag ik de tramwagens volladen met de erbarmelijke vracht van nog hulpbehoevende gekwetsten… Het ongeluk hing in de lucht. Eene atmospheer van angst, van bange verwachting drukte zwaar over heel de stad. De dingen die gebeurden waren te geweldig dat zij niet, zelfs zonder mededeeling der kranten, op elk burger een weerslag zouden gehad hebben. Voorgevoel? Telepathie? wat weet ik, maar 't was zeker dat onze nederlaag op de Nethe en het openkraken onzer sterkste pantsertorens, ofschoon de menschen er niets juist over wisten, als door luchttrillingen tot in elk hart den zwaren klop verwekten van de hevigste ontroering. Zoodat alle menschen dof en moedeloos gingen loopen met een borst vol nijpend wee.

Ik zocht naar stilte en eenzaamheid. Werktuiglijk gingen mijn schreden naar de Wilrijcksche poort. In de groene koelte van het Nachtegaalpark, onder de hooge zwaarruischende beuken van Middelheim, heb ik zoo dikwijls over mijn leven nagedacht en rust en sterkte gevonden. Misschien kon ik er nu ook weer tot kalmte komen met mij zelf en leeren berusten in het Lot. Het zou daar eenzaam zijn en verlaten. Wie dacht nu in de stad aan die verre- koele boomen?

Maar ik was nauwelijks de poort uit of ik zag de baan afgesloten door soldaten en over heel de diepte van den steenweg op Wilrijck, de dichte drang van vluchtelingen stadwaarts gekeerd. De forten der tweede verdedigingslijn werden dus onder vuur genomen dat de dorpelingen van zoo dicht bij Antwerpen reeds op de vlucht sloegen. Het was een erbarmelijk gezicht: hoogopgestapelde karren vol meubels en beddegoed, voortgedreven koebeesten en schapen, handkarretjes met een arme huisraad volgeduwd en duizenden menschen, wien toegang tot de stad werd ontzegd. Waar moesten die dompelaars nu heen? Naar het Noorden en het Westen liepen nog de eenige vrije wegen.

Ik moest terug, er viel niet aan te denken door dat gewoel te geraken. Ik tramde weer tot in het hart der stad.

Eene groote verrassing wachtte mij daar: de engelsche mariniers waren aangekomen. De burgers liepen rond in blijde opgewektheid. De trieste stemming van heel den dag scheen geweken voor eene nieuwe opleving van hoop. Gezang van Tipperary klonk mij tegen van uit de kromming der Koornmarkt en weergalmde tegen de oude trapgevels. Ja, daar waren de Tommys in hunne kakhi-uniformen en hun flinke stap dreunde door de straat met het gerol hunner snelvuur-geweren. Zij hadden lachende gezichten, bij 't gejuich en geroep der links en rechts op de stoepen geschaarde menigte. Vrouwen wierpen bloemen uit en staken sneukelgoed en vruchten toe aan de kranig voorbij tiegende jongens. Zware marine-stukken waren over de vlotbrug van den vlaamschen oever gekomen en reden nu met een daverend geluid van ijzer over de kasseien der Suikerrui.

Wij waren dan toch niet heelemaal verlaten. Engeland ten minste kwam ons ter hulp. De regeering vertrok niet meer en de gasthuizen werden niet voort ontruimd. Churchill, de lord der engelsche admiraliteit, was naar Antwerpen gekomen en pleegde reeds overleg met onzen generalen staf. De zaken gingen een andere wending nemen onder zijn beheer! Antwerpen was gered!

Het waren de laatste opflakkeringen van hoop, zekere voorboden van het einde. Ik liet mij niet meer meeslepen in dien laatsten roes. Ik had de vlucht gezien van duienden aan onze poorten. Ik wist dat onze vesting openlag voor den vijand. Wat konden 2000 engelschen doen, wanneer vijftig—en honderdduizend niet voldoende waren geweest om den inval der Barbaren te stuiten. De avond begon te dalen en de straten lagen wit-grijs in de deemstering. Toen zag ik op O.L.V. Toren een rood-en-wit- gekartelde vlag verschijnen. De menschen in hunne vreugde begrepen niet dat nood-signaal. Het was een voorteeken van het aanstaande bombardement. De oude eerbiedwaardige steenen van Antwerpen riepen om genade.

XIX-De Kardinaal Te Antwerpen

O 't bitter zoete van dien laatsten zondag! Ik wandelde langs de boulevards, onder de groene platanen. Tot mij kwam het vele klokgewemel uit de oude stad, alle de klokken der groote kerken die luidden voor de hoog-mis. Dat gaf altijd eene stemming van feest, van blijde opgetogenheid, wanneer dan tusschendoor de schetterende fanfaren van eene voorbijtiegende harmonie maatschappij uit een verdere straat werden vernomen. Nu kwam de bittere herinnering op aan vroegere dagen van vrede en rust. Ik heb mij, kind zijnde, reeds zoo bewust gelukkig gevoeld bij die bekende klokke-muziek. Ik kende de vrome stemmen uit alle torens. God! het waren dezelfde zware gonzingen en de heldere bimbammen van altijd die mij den zondags-hemel blauwer deden schijnen en van zon de gevels lichter. Nu luidden zij den nood die in alle harten genesteld zat en 't kwam mij voor dat het blijde klankgeweef van vroeger bedeesder was geworden en schuchter om een geluk waarvan de broosheid thans was gebleken. Ons bleef niets meer dan bitterheid en spijt; de laatste illuzie van een mogelijke verlossing was nu voor goed dood. De klokken zongen ons leed.

Wit-en-rood-gekartelde vlaggen staken nu uit op alle publieke gebouwen. Ik zag er wapperen langsheen mijn wandeling, boven het Opera, den nederlandschen Schouwburg, het Atheneeum en dieper in de stad boven Sint Andries, Sint Jacob, en Sint Paulus. Flink-uitslaande vlaggen wekken altijd een gevoel van fiere vreugde. Maar nu… dat wit en rood gewemel op de zonnelooze en parel-grijze lucht deed denken aan de nood-signalen van schepen die vergaan.

Er was een groote rust overal, een doffe stilte en eene verschrikkelijke ijlte. Waagden de menschen 't niet meer buiten te komen en zaten zij te dubben in angstige verwachting achter al die bleeke zieke gevels van een stad die sterven ging?

Tegen den middag kwam er toch weer beweging in de groote straten, gingen de menschen met hun zondagschen tred over de Schoenmarkt en de Meir, toeterden weer de militaire auto 's en klonken dringender de bellen van de trams door de drukte en 't rumoer.

De meest besproken gebeurtenis van dien dag was de overkomst van Kardinaal Mercier naar Antwerpen. Dat gaf gerustheid tot in het meest dreigende gevaar. De blikken verhelderden. Dat voelden de menschen toen reeds: de regeering kon gedwongen worden te vertrekken, de Koning en het leger zouden misschien eerstdaags de stad en het land moeten verlaten, maar de Kardinaal was een macht en een kracht die zou blijven en 't ontredderde schip van 't Vaderland, met zekere hand en vasten blik voort sturen door de orkaan. Hij had toen nog niet die heldhaftige brieven en protesten geschreven, uitspraak van den nood, de verzuchtingen en de verontwaardigingen van een heel volk en die over heel de aarde weerklank zouden vinden. Hij had zich toen nog niet, met de imponeerende grootschheid van zijn onkreukbaar gezag, tegen duitsche dwingelandij en willekeur gesteld en woorden gesproken die ontzag en eerbied afdwongen en hem maakten, in afwezigheid van den Koning en de regeering, tot den Regent van het verdrukte en platgetrapte België, veel meer nog, tot de hoogste en zuiverste zedelijke macht, eenige toevlucht nog van het Recht en de Rechtvaardigheid en die als een arke Noachs zou uitsteken boven de wateren van den nieuwen zondvloed van alschrikkelijkheden die Europa gingen overweldigen en weldra de heele wereld.

Maar toen reeds was er glorie rond hem. Keerde hij niet pas weer uit Italië, waar hij bijna tot Paus van Rome werd verkozen, bij eene eerste stemming der fransche kardinalen in het jongste konklaaf. Frankrijk en Engeland hadden hem toegejuicht op zijn terugtocht, die werd als een triomf. En nu zou hij pontificeeren in de antwerpsche kathedraal en openbare gebeden opdragen voor het behoud der stad in haren uitersten nood.

Ik ging er heen. De reusachtige kerk was proppensvol. Ik vond met moeite slechts een plaatsje om tegen een der laatste pijlers te leunen, van waar ik de zee van menschen overzag die de zeven beuken vulden. Ik kon niets waarnemen van den dienst in de O. L. V. Kapel, niets dan de felle gloed der vele kaarsen op het wit- marmeren autaar, onder het donkere gewelf. Het orgel dreunde en de choralen zongen.

Toen plots, in de plechtige stilte die volgde, klonk de stem van den Kardinaal die de liturgische gebeden psalmodieerde.

Er ging een schok door mijn lijf. Ik dacht mij weer in het Paus college te Leuven, waar ik diezelfde stem gehoord had, twee jaar lang, bij de verklaring der wijsbegeerte. Ik deed mijn oogen toe. De oorlog was ver van mijn gedacht. Ik zag het vroeg-verouderde gelaat van mijn professor met de onvergeetbaar-zachte en diepe oogen, het beenderige gelaat met den machtigen schedel en het vooruitspringende stralende voorhoofd, waarover soms een lange grijze haarvlecht neerzakte en dat ging versmallen naar den milden, goeden mond met de zware onderlip boven de wilskrachtige kin. De twee diepe groeven, die van den scherpen neus naar de mondhoeken daalden, waren de zekere teekens van een ascetisch leven vol grondige overpeinzing. Ik zag weer zijne groote magere witte hand die, betoogend opgeheven, toen reeds was als de zegening van een middeleeuwschen kerkvader. Ik dacht hoe ik soms, na de lessen, naast zijne hooge eerbiedwaardige gestalte geloopen had, van het Paus-college naar de Vlaming-straat, pratend over mijn twijfelend gemoed of over lezingen die ik toen deed van Péladan en Léon Bloy en hoe zijn groot hart luisterde naar mijne jonge en onbesuisde woorden. Ik zag hem weer terug in zijn neo-gotisch huisje van het Leo XlII instituut, waar hij mij eens ontving en sprak over een zeldzaam werkje van St Thomas, De Pulchro et Bono en waar geschilderde reducties hongen van diezelfde Kruis-oprichting en Afdoening van Rubens die hier thans uit de kerk waren weggeruimd. Zijn leerend woord had velen van het jong geslacht gevormd die nu leden en streden voor het Vaderland. Zou ik ook misschien mijn bloed eens moeten geven?

Het lof was ten einde. De deken van Antwerpen zei de laatste gebeden. Luider dan de andere aanroepingen klonk het: Spaar heer, spaar uw volk, wil in eeuwigheid U niet vertoornen tegen ons… Het was waarlijk de smachtende verzuchting nu der duizenden die hier baden in deze oude kathedraal, terwijl een woeste en bloedgierige vijand met kanongebulder dreeg aan de poorten van de stad. Dat was als de echo, over eeuwen, van die algemeene smeeking die eens ging door oude abdijen en kloosterkerken: Van de woede der Noormannen verlos ons Heer!

Er kwam woeling onder het volk, wegen werden gebaand door de dichte drommen om de processie door te laten die nu, met vanen en flambouwen en gezang, traag kwam getogen uit den ommegang van het verre koor, tot de uiterste diepten der groote kerk. Het goudlaken der koorkappen van de zingende priesters glom in 't licht der wassen kaarsen. Onder een zijden baldakijn ging de Kardinaal met de blinkend-gouden remonstrans in handen. Belgerinkel trilde en damp van wierook steeg geurend omhoog en hing te drijven door de beuken.

Ik ging de kerk uit en wilde naar het zuider-wandel-terras aan de Schelde. De nauwe straatjes die de kathedraal omgeven krielden van het volk. Over de Koornmarkt en langs de Suikerrui reden zwaar-daverende londensche autobussen, met de kleurig-beschilderde reclame-borden, en waar de aanwijzingen van London bridge, Liverpool street, Charing Cross of Golders Green nog op te lezen stonden. Zij waren van binnen volgeduwd met oorlogsmateriaal en buiten, op de hooge impériales zaten de kakhi-soldaten en lachten lustig naar de opgetogen wandelaars.

Het wandelterras zag zwart van het vriemelende volk. Over de deinende houten brug voor het Steen, kwamen de laatste roode-en- gele autobussen van den vlaamschen oever aangerold. De late zon speelde met gulden schijnen op de wemelende menigte. Ik had nog even den vluchtigen indruk van eene blij-levende stad langs den glorierijk-begloorden Schelde-stroom.

Heerlijk avonduur dat argeloos genoten werd, dien laatsten zondag in het vrije Antwerpen! Wat zou de dag van morgen brengen?

XX-De Groote Vooravond

Dinsdag avond, 6 october. Het was reeds nacht en omstreeks 11 uur. Ik zat in mijn werkkamer te lezen in den stillen schijn van een elektrisch lampje. Ik had Gezelle's Tijdkrans in handen genomen.

De seizoenen van Vïaanderen gingen aan mijn oogen voorbij in die liefelijke gedichten. Het was winter: het ruwrijmde, het brimmelde, de bonte kraaien vlogen over de sneeuwvelden; het werd lente: daar viel een leeksken licht op des dichters handen, hij ging de gedaagde doornhagen vragen waarom zij nog niet bloeiden, hij vond de lieve Leie vol breedgerugde waterkimmen, de leeuwerik vloog als een pijl naar den hemel, de nachtegaal zong zijn klagend lied, de nieuwe blaren stonden als geluw-groene le-gerscharen op de boomen, de bloemen ontloken bij de watergracht, de avonden werden zacht en zoet van heilige rust; de zomer kwam: de dichter ging naar 't koren luisteren, "t vaart een fijn gelispeld leven—deur de toppen allemaal—daar de diepere stammen beven—deunende als een donder taal", hij stond als een kind aan zee, bewonderend het spel te volgen van de blijde witgetopte baren; de herfst begon en de blaren rezen, het regende droefgeestigheid en de dichter dacht in weemoed aan de dood en riep om hulp van uit zijn donkere diepten.

Milde en machtig mededoogen keert uw onbermhertig oogen toch niet af van mijn nietheid die benepen voelt de dood haar henensiepen naar het graf.

Ik las… en dof kwam aan mijn ooren, bij poozen het verre brommen van 't kanon.

Hoe waren deze gedichten bloemen van een vrede! Ik zag ze nu als de hoogste bloei van een reeds besloten tijd. Het was het beste dat wij hadden voortgebracht. Wanneer zouden wij dergelijk geluid nog ooit vernemen in ons platgetrapte land? Want 't was nu de roode wijn-oogst voor ons Volk. De vruchten van een traag-barende Lente en van een Zomer die ons zonder einde scheen gingen nu de wijnpers in en onder den pletterenden voet van den geweldigen wijngaardman. Waren de besten uit de jongelingschap, die nu vocht en stierf, niet innerlijk gevormd geweest door des grooten dichters woord? Het Vaderland waar zij hun bloed voor gaven was het paradijs van zijne zangen. Hij leerde het beminnen met de onstuimige liefde die opvoert naar die hoogten waar de heldendaden worden gesteld…

Weer gromde luider het kanon. Het bleef aanhouden en de losbrandingen versmolten in elkaar door de verte. Ik moest mijn lezing staken, heel de lucht was vol gedommel en het trok nu heel mijn aandacht. Het werd geweldiger nu ik luisterde in de groote stilte van den nacht. Het was als het gebrom der aarde zelf die geweld leed in de duisternis. Het scheen mij of de wereld overspannen stond door een koepel van geluid, door een reusachtige en voortdurend-ronkende bronzen gong. Ik dacht aan de trompen van den Apocalyps die zoo, op den jongsten dag, uit de vier windstreken, over de aarde moeten ronken en de menschen- drommen oproepen voor het laatste oordeel.

Ik sloeg mijn mantel om en liep de straat op in de richting van 't centraal station. De geweldige koepel had glimmingen van een stalen pantser in het blauwig vuur dat de stad overbrandde. Donker bonkte de vierkante onderbouw omhoog als een babylonisch terras. Wat waren al die trotsche opstapelingen van steen die, in een oogwenk, konden storten in elkaar.

Ik wandelde voort door de verlaten, donkere straten, in de richting van Borgerhout, van waar het oorlogs-geluid mij scheen te komen. De huizen blokten kolossaal op de vlammige lucht. Ik hoorde den stap en de stemmen van de nachtwakers, die sinds korten tijd, op eigen initiatief der burgers, wacht hielden tegen Zeppelin-gevaar.

Gedurige flikkeringen gloorden door de lucht als de lichtstriemingen van een ver onweer. Toen plotseling kraakte een slag zoo geweldig dat ik staan bleef en den bons voelde van mijn hart. De straat schokte en dreunde, er liep als eene siddering van de aarde onder mijne voeten. Ging de stad zelf nu werkelijk beschoten worden? Was het een fort dat in de lucht sprong of een Zeppelin die bommen wierp? Ik hoorde, ver en bij, door de straten, de onzichtbare wakers alarm kleppen en verschrikt op de deuren der huizen bonzen om de menschen te manen naar hunne kelders te vluchten.

Maar 't werd na een poos weer stiller, het staag kanongegrom zelf scheen te bedaren in de verte.

Toen kwam een ander groot lawaai aanstuwen uit den nacht. Ik bleef staan en luisterde aandachtig naar die vreemde gonzing van de lucht. Het werd ontzettend. Het was een benauwelijk gejoel als door doolhoven. Dan vernam ik duidelijk het gedreun van honderden en honderden paardenhoeven. Het werd een duivelachtig leven. De nacht rondom mij werd als een hel waardoor heel de ruiterij van den afgrond aan kwam draven.

Eindelijk trokken aan mij voorbij de eerste donkere ruiters en het bleef een stoet zonder einde die de stad introk. Ik kwam terug op mijne stappen en bleef loopen naast het dreunend getrappel van de paarden. Het was de aftocht van ons leger. Het hoofd van den stoet moest reeds diep in het hart der stad toegekomen zijn, en nog altijd joeg aan mij voorbij het gedraaf van nieuw-aanrukkende, bijna onkennelelijke ruiters, die nu met rammelende kanonnen en caissons door de dreunende straten reden.

Ik volgde den sleep tot aan de Schelde. In den zwakken schijn van een halve maan, die zilverig gloorde in den breeden zwarten stroom, zag ik de donkere, nare vlucht, kleintjes voortschuiven naar den Vlaamschen oever, over de lange houten brug waarvan de balken schokten.

Toen ik weer t' huis was en te slapen poogde, rommelde het nog heel den nacht door van rollende kanonnen.

XXI-De Aankondiging Van Het Bombardement

In den morgen van woensdag 7 october, stond er te lezen in de bladen dat het bombardement der stad aanstaande was en de burgers konden vluchten langs de eenig overgebleven vrije wegen van het Noorden en het Noord-Westen.

Ik was reeds vroeg de straat op. Overal stonden de menschen aan hunne deuren, in groepjes, de noodlottige aankondiging te bespreken. Het was te zien dat het nieuws algemeene ontzetting verwekte in de stad. Bij de meeste luidjes gingen immers nu eerst de oogen met verbazing open. Zonder eenigen overgang werden zij plotseling gesteld voor het allerschrikkelijkste: het bombardement hunner huizen, den val hunner stad. Wat wisten zy anders van den oorlog dan hetgeen zij stil op hunne kamers in hun antwerpsch krantje hadden gelezen en dat vertelde hun gisteren nog dat de zaken goed stonden, dat er geen de minste reden was tot verontrusting, het nachtelijk kanon-gebulder zelfs mocht niemand beangstigen: het waren proefscheuten met de zware engelsche marine-stukken.

Toch ontstond er geen paniek. De burgers beoordeelden kalm wat hen te doen stond. Tot vluchten werd vrij algemeen besloten, maar de middelen om die vlucht te verwezenlijken bleven een ernstig vraagstuk. Nagenoeg alle taxi's en de meeste paarden werden sinds lang voor oorlogsdienst gerekwireerd. Het trein-verkeer over de twee nog-bruikbare lijnen, Vlaamsch hoofd-Gent en Antwerpen- Esschen, was onzeker en beperkt en de Vlaamsche lijn bleef dan nog voorbehouden aan de laatste trekkende soldaten en eerst en vooral aan de gekwetste en herstellende die nu in een rampzaligen stoet van alle kanten toekwamen aan de vlotbrug voor het Steen.

Het was deerniswekkend om aan te zien: vele die zich voortsleepten op krukken met nog dik-omzwachtelde voeten, andere bleek en zwak met in-witte-windels-gedragen armen of het hoofd omwonden en die door verpleegsters moederlijk werden ondersteund, enkele zelfs die, meer dood dan levend, op berrie's moesten worden aangedragen. Het was als de toevlucht van alle ziekten en misères op de beroemde ets van Rembrandt, maar zij kwamen niet naar een Christus die hen zou genezen, zij vluchtten de dood of de gevangenschap die hen wachtte wanneer zij bleven in de stad.

Toen ik weer huiswaarts keerde, door een arme volkstraat, zag ik een van die lange zwarte koolwagens vol stoelen zetten om zoo een paar buur-gezinnen naar de nederlandsche grens te voeren.

Mijn huisgenooten besloten ook dienzelfden ochtend te vertrekken naar ons landhuisje te Cappellenbosch, waar het voor 't oogenblik nog veilig scheen. Zij hadden gelukkig nog een rijtuig kunnen huren dat hen tot in Cappellen zou voeren. Met verkropt gemoed werd het oude familie-huis verlaten met niets dan het allernoodigste voor de onzekere reis. Wij bleven samen tot aan Deurne-poort. Hier moest afscheid worden genomen… nog de laatste wuiving van een hand uit het portier en ik zag de zwarte koets voortrijden in den onafgebroken stoet van allerhande gespannen en te midden een reeds drukke toeloop van beklagenswaardige vluchtelingen. Ik bleef alleen van ons gezin achter in het bedreigde Antwerpen.

Ik wilde terug de stad in, maar in de hemel-ruimte, boven het plein voor de vestingpoort, beschreef eene duitsche Taube hare reusachtige kringen, heffend en dalend tusschen de openknarsende schrapnels onzer kanonnen die over de huizen donderden. De menschen vluchtten ijlings naar alle kanten om eene beschutting te zoeken onder het rood-steenen gewelf der poort of achter de muren der omliggende gebouwen. Een zuster, die waarschijnlijk pas uit de stilte van haar klooster was vertrokken, bleef alleen achter op het groote plein en stond daar bedremmeld en hulpeloos. Ik ging haar halen en bracht ze veilig onder de poort.

De Taube dreef weer af naar het Noorden, als het ware om de burgers op hunne vlucht te volgen en schrik aan te jagen, want bommen werden toen niet geworpen.

Op de Turnhoutsche baan zag ik menschen hunne keldermonden met kolen, zand of aarde dichtsluiten. Er was groote ontsteltenis overal, maar velen die nog aarzelden of zij wel trekken zouden, velen ook die niet weg konnen of zich geen volle rekenschap gaven van 't gevaar.

De antwerpsche historie telt meer dan een bombardement. Dat van Baron Chassé in het jaar '30 lag nog zoo ver niet in 't verleden en ieder had er in zijn familie, door grootvader of grootmoeder, wel eens hooren van vertellen. De sinjoren zouden dat nu ook wel doorkomen en zij hielden eerst en vooral van hun huis.

In 't voorbijgaan, trok ik even het centraal-station binnen. Alle winketten waren gesloten. De reizigers liepen vrij de groote hal binnen langs de hooge marmeren trappen. Ik volgde den drang en zag een trein bestormen die, reeds volgepropt, op vertrekken stond naar Holland. De menschen klauterden tot op de daken en hielden zich vast op de stijgplanken. Het werd hier een zinnelooze vlucht die op paniek geleek.

Ik ging van daar naar de Kipdorp-vest, waar het bestuur gevestigd was waarvan ik door mijn nieuwe bezigheden afhing. Al de bureelen waren met de regeering reeds naar Oostende vertrokken. Geene verplichting weerhield mij langer nog in de stad. Ik was vrij maar nog besluiteloos.

Toen ik weer in mijn buurt kwam zag ik hoe nog maar steeds alle menschen aan hunne deuren stonden en, als om raad of hulp of een bemoedigend woord, uitkeken naar de voorbijgangers. Luidjes die mij vroeger niet schenen te kennen groetten mij nu als met een innigheid. "Die is nog hier en rustig in 't gevaar!" zoo blikten hunne vertrouwende oogen mij hartelijk te gemoet.

Over de andere stoep kwam burgemeester Jan de Vos aangestapt, op zijn dagelijksche gang naar het stadhuis. Hij liep verstrooid in zijn donker-grijze redingote, de licht-grijze girondin op het hoofd, ietwat gebogen, zwaar van kommer en verantwoordelijkheden, in deze hachelijke uren. Hij beantwoordde geen enkelen groet van de vele lieden die hem eerbiedig nakeken en nu eerst recht gevoelden hoe hij was de burgervader waarop men rekenen mocht. De innerlijke overweging volgend, keken star de afwezige oogen van achter de glimmende lorgnonglazen, waarvan het zijden koordje argeloos neerhing langs zijn zwart en witte snor en zijn rood gerimpeld gelaat. Ik had den indruk van een man die eenvoudig een held zou zijn als 't noodig was en het eigen leven niet zou achten in 't gevaar.

In den namiddag ging ik een vriend opzoeken om te vernemen wat hij zinnens was te doen.

—"Wat zijt ge bleek!" zoo was de bezorgde vraag die mij begroette "Uw gelaat draagt de sporen van ontzetting. Voelt ge u niet wel of is het angst?"

Ik keek verwonderd op doch stelde mijn vriend gerust:

—"Ik voel mij wel, goddank, mijn huisgenooten zijn weg, in veiligheid en 'k ben van dien kant zonder kommer. Voor mij zelf ken ik geen vrees en, indien ik angst gevoel, dan is 't voor deze stad en alles wat hier kan vergaan. Voelt gij het ook niet, beste, er is iets nieuws over ons gekomen, onze weelderige vrede is voor goed verstoord, al de trotsche kooplui dezer stad zijn geschokt in hunne ikzuchtige genieting, de koffers worden geledigd, de fortuinen storten in elkaar, een rukwind waait alle vensters open en jaagt zelfs oude en zieke menschen op de straat langs alle wegen van de wereld. Ons volk lijdt, wij gaan nu lijden met ons volk, wij gaan ons deel hebben in de moorderijen, in de brandstichting, in de vermorzeling van dit geslacht, heel het grootsche gebouw van onze voorvaders stort in puin. Ja ik weet het, door onze kleinheid tegenover het almachtige Duitschland heeft onze strijd eene glorie verworen, die aan de antieke tijden denken doet. Als wij uit dien oorlog vrij en onafhankelijk weer eens te voorschijn komen, dan is er met ons in de geschiedenis iets gebeurd, dan hebben wij een roem verworven die van geslacht tot geslacht zal voortgegeven worden als de kostbaarste schat onzer nationale fierheid. De gemakzucht en de zinnelijkheid die alle zedelijke energie gingen sloopen, die alle enthousiasme verzwakten hebben van de zweep gekregen en komen zoo gauw niet meer weerom. Er overkomt ons iets dat ons diepste wezen moet veranderen en ons tot een volk maken dat eerbied afdwingt voor heel de wereld. Maar nu, nu op dit oogenblik, nu lijden wij, nu voelen wij alleen de gruwelen van dezen tijd en hoe de ijzeren hand van den dwingeland reeds op ons weegt, wij lijden omdat wij voor lang niet meer volledig zullen kunnen leven, wij lijden om alles wat vergaat voor eeuwig in het aanschijn van ons lieve land. Die pijnlijke ondervinding mag te lezen staan op ons gelaat. Het is niet te verwonderen dat wij er de sporen van dragen, ik zou mij eer schamen moest het anders wezen."

Mijn vriend aanhoorde geduldig mijn ietwat zenuwachtige uitval, die zijn kijk op mijn innerlijk gemoed bij mij had uitgelokt. Wij gingen kalmtjes voort met praten over de mogelijkheden die nog in de lucht hingen. Hij wilde weg, maar aarzelde zijn mooi huis, met de schilderijen, de boeken, de zeldzaamheden die hem lief waren te verlaten. Ik werd gewaar dat in die uiterste oogenblikken niet slechts de wil en de koele redeneering—te veel onbekenden kwamen in het vraagstuk voor—maar wel de omstandigheden, een onvoorzien voorval, een luim, de beslissende daad uitlokten van te blijven of te gaan en wij namen nog geen besluit.

Ik ging weer naar mijn huis. Over de Schoenmarkt reed er een grijze auto aan mij voorbij. Ik erkende den Koning. Het was ongeveer drie uur in den namiddag. Hij reed langs de Koornmarkt naar de Schelde toe, Ik kende die richting, zij was voor dagen reeds de baan van allen aftocht. Onze vorst verliet dus ook de stad! Onze ministers en de vreemde gezanten waren vertrokken, ons leger was nagenoeg geheel over den stroom en op weg door Vlaanderen, Winston Churchill was weg in een auto naar Oostende. Mijn besluit stond vast. Ik zou vertrekken. Deze stad ging in de handen van den vijand vallen, ik zou moeten de gehate soldaten en de trotsche officieren door mijn straat en aan mijn huis zien voorbij gaan. Wij zouden ons aan den willekeur van een glorie-dronken overwinnaar moeten onderwerpen. Wat waren geld en goed en alle duurbaarste herinneringen, vergeleken bij de vrijheid daarbuiten, met alle mogeijlkheden om naar mijn beste krachten voor het vaderland te werken?

XXII-De Laatste Uren

Ik lag in mijn zetel, keek mijn kamer rond en peinsde.

Hier heb ik zoo vele dagen van mijn leven hard gewerkt. Hier heb ik eindelijk klaarte gezien in mijn jonge droomen. Hier ben ik uit de onbewustheid losgeworsteld en heb ik geestdrift gekend tot groote daden.

Langs de wanden stonden de vele boeken die mij lief waren, hingen de prenten en de schilderijtjes die bij mijn leven hoorden en bij de bewegingen van mijnen geest. Ik keek naar de ronding en de kleuren van een vaasje; ik zag het slanke gebaar van de tanagrabeeldjes boven mijn boekenkast; aan den donkeren wand naast het venster was de bittere mondplooi van een Beethoven- masker.

Ik voelde weemoed naar boven komen.

—Er valt nu niets meer te doen dan kalm van alles te scheiden. Hoe nutteloos is al ons gehaast, heel onze zenuwachtige bedrijvigheid het was een waan. Wij meenen soms tot iets noodzakelijk te zijn en alles gaat voort als wij verdwijnen. Hoe ijdel blijken nu al de gewichtige gesprekken die hier werden gevoerd! De werken waar ik met heel mijn ziel aan hing zullen voor jaren moeten rusten en misschien nooit meer hernomen worden. Een andere tijd begint en een nieuw leven. Al het oude wordt als een versleten kleed afgelegd en daargelaten.

—Daar in die schuiven liggen brieven van geliefde wezens die ik op mijn zwerftochten door de wereld heb ontmoet en die uit de millioenen onbekenden naar mij zijn toegekomen en boven alles lief geweest. Die brieven bevatten de uitspraak van hun hart, van hun innigste denken, van hun beste geloof, van hun vurigste betrachting en verlangens.

Ik trok de schuiven open.

—Zou ik ze meenemen? Neen er viel niet aan te denken. Wat zou ik kunnen dragen op een tocht, te voet misschien naar de grenzen, niets dan mijn eigen noodzakelijkste goed. Zou ik ze verbranden? Neen dat mocht niet, 't was onmogelijk al het teerste en schoonste te vernietigen, dat in momenten van hoogste zielestemming was ontloken of geklaagd werd van uit afgronden van smart. Ik zou misschien alles eens terug vinden, wie weet?

Ik sloot de schuiven en borg den sleutel.

Ik liep het huis af, een laatsten keer, alle kamers door, waar wij zoovele jaren hadden geleefd en vreugde en droefheid gekend en gedeeld. Mijn voorzaten keken mij aan van uit hunne oude vergulde kaders, al die stille en verre menschen die geleefd hadden in tijden van rust en onverstoorbaren vrede: grootvader met zijne bakkebaarden en de roze hand op den hecht van zijn krommigen officierssabel uit den tijd van Leopold I; Grootmoeder uit Holland, met haar strak-gesloten mond vol stil-verbeten droefheid, haar vader vocht in 't verre Indië en zij was vroeg verlaten en alleen; Overgrootmoeder met de witte muts en de zware gouden halsketting en de gouden horlogie op het blinkend zwart zijden kleed; een vroeg gestorven tante uit Haspengouw, als een meisje, met een roode roos in haar hand en een fijn juweeltje dat van uit de haarschijding neerhing op haar maagdelijk voorhoofd tusschen de platgestreken bandeaux. Ik was de eenige die hier overbleef om een laatste blik te wisselen met hunne onveranderbare oogen, een laatste blik voor dat die oude en vertrouwde gestalten voor eeuwig zouden vergaan misschien in de verwoesting dezer stad!

Overal stonden of lagen voorwerpen die herinneringen opwekten aan blijde en droeve dagen, aan verre reizen. Ik nam een geciseleerde dolk in mijn handen dien ik eens meebracht uit een duisteren juweelenwinkel van den Arminski Bazar te Tiflis. Mijne vingers gleden langs een poolsch tapijt dat ik kocht in de oude hallen van Krakow.

Ik bleef staan droomen voor een schilderij van mijn vriend Lefebvre, een groot landschap dat in de voorkamer een heele wand bedekte. Het was de Lente, de kerzelaars stonden in de bloem, een witte weelde zoover de oogen gingen en heel kleintjes aan den einder was daar een kerktorentje en wat huizen van Mortsel-dorp, waar ik vroeger eens woonde. De zon speelde door die witte maagdelijkheid en deed de purpere anemonen in de weiden tintelen van glans. Het was een feest van kleuren en van licht. Het werd zoo dwaas in dit angstig uur, het was om te huilen dat die kunst zoo onbewogen bleef, vol paradijs-geluk, wanneer alles over enkele uren in elkaar kon storten en de flarden van dit schilderij niet meer zouden te vinden zijn onder de puinen en het stof of de verkoolde balken van dit huis.

Het is de tijd om aan alles vaarwel te zeggen. Het is de tijd om uit zich zelf alleen te leven, om te weten, eens voor goed, dat niets belang heeft dan onze eigen denkende, voelende, onsterfelijke ziel. Wat heeft dit stoffelijk leven te beduiden? Waarom, als de bode van de dood nu tijgend aan de deur staat, nog willen talmen en uitrekenen dat het beter straks dan nu, over een jaar dan dezen nacht zou zijn. Het ware laf een stond daarover te dubben of even maar te aarzelen.

Wat is het zelfs dat deze schoone stad ten onder gaat wanneer haar lot beslist is?

De historie moet haar verloop hebben. Daar is niets tegen te doen. De O.L.V. Toren zal instorten wanneer zijn uur gekomen is. Rome en Athene en Carthago zijn ook verwoest door overwinnende legers. Andere steden zijn vergaan voor eeuwig. Het was noodig om een nieuwe orde in de wereld.

Er gebeuren dingen waar wij of niemand op deze aarde de regeling van bezitten. Wij zijn niet meester van het Lot. Zijn wij meester zelfs over ons zelf? Alles is ijdel, alles is waan. God alleen bestaat en regeert de wereld. Al wat gebeurt is aanbiddelijk en goed.

Er kwam berusting in mijn hart. Ik voelde geen haast meer, geene drift, geene eigenliefde, geen verwijt tegen het lot. Ik sloeg mijn mantel om, stak mijn tasch onder den arm, sloot de deur en trok de straat op.

Het was omtrent acht uur. De stad lag doodsch en grijs alsof een vroege nacht er reeds begon te dolen. Er waren bijna geen menschen meer op de baan. De huizen al gesloten. Hier en daar werd nog haastig een kelder met aarde en assche toegestampt, bangelijk en geniepig. De winkelramen waren dicht gemaakt met geel houten planken, andere die haastig nog de luiken voor kregen.

Het was tragisch die stad te zien liggen in de angstige verwachting van hetgeen te gebeuren stond. Zij was gaaf nog en heel, maar over een paar uren moesten de bommen, als een regen van vuur, over haar nederkomen en de roode haan zou kraaien over hare torens en huizen. Zij zou den inval kennen der Barbaren. Langs hare straten en op hare pleinen zouden misschien de moorderijen en de slachtingen herhaald worden van Aerschot, Dinant, Andenne, Tamines, Leuven en Dendermonde. Dezen langen weerstand zou de vijand doen uitboeten in een bad van bloed. De groote markt zou de orgieën zien van vreugde-dronken overwinnaars, die Deutschland ueber alles, brallend zouden zingen in den rossen gloed der oude gildehuizen, als roode toortsen opbrandend naar den hemel.

Werktuiglijk stapte ik het centraal station binnen, als wilde ik weer, lijk vroeger, de trein gaan vinden die mij, na de dagtaak, elken avond voerde naar de verre rust der mastebosschen. Alle bareelen stonden open, geen toezicht nergens meer. Het was geen uur om nog een trein te treffen en toch ik vond er een die op vertrekken stond naar Esschen. Ik kreeg een plaatsje in de volgepropte wagens, De menschen waren zenuwachtig opgeruimd. Alles ging zoo broederlijk gemeenzaam toe. De angst van 't oogenblik werd als geloochend door de onverschillig en drukdoende tongen. Have en goed werd weliswaar verlaten, maar 't was immers maar voor korten tijd, en 't leek zoo aardig dat kosteloos reisje naar Holland.

De trein was in beweging gekomen, traag van de over groote vracht. Ik zocht door de vensters een laatste glimp van O. L. V. Toren die wit-grijs uitstak boven de daken op de sombere avondlucht; de slanke naalden van Sint Josef spietsten boven de duistere boomen van het park. Het stadszicht gleed voorbij en was verzwonden, wij reden de donkere velden in.

Rond half tien was ik te Cappellenbosch. Hoe gelukkig scheen het gele lamplicht mij tegen van uit het verre vaderhuis in den van- geuren-loomen avondtuin. Ik vond mijn gezin weer gezeten rond de wijde tafel met vrienden, die uit samenhoorigheidsgevoel, in deze bange tijden, nu kwamen huizen onder ons dak.

XXIII-De Vlucht Der Honderd-Duizend

De nacht was over ons landhuis, de groote, heilige nacht, waarin geen arbeid meer verricht wordt, zegt het Evangelie. Maar de werklieden der duisternissen waren bezig. Rond middernacht, het verschrikkelijk uur, begon het en de slapende aarde schokte van 't geweld.

De ramen van mijn slaapvertrek stonden open en ik lag te luisteren met een kloppend hart.

Het was of de donkere koepel van den nacht op een ontzettend rythme geramd werd en de doffe bonzen nadreunden door de ledige ruimte. En telkens volgde de stilte, zoeter na 't geweld, en door het zwijgen van de lucht ging het gemurmel van de dennen, het knerzelend schuren van twee takken op elkaar, het gorgelend gekwaak van een late puid in den vijver… Ik zag de nachtelijke blauwte met sterren boven de zwart-fluweelige boomkruinen… tot weer klonk de mokerslag, almachtig, en de nachtkoepel trilde van den donderenden schok.

Ik lag te druilen en te droomen en wanneer ik soms toch indommelde vernam ik na een poos weerom het brommend geluid, alsof het nader was gekomen, alsof een geweldige man nu dringend op de zware huisdeur bonsde, zoodat de gang galmde als een klok en de muren daverden.

En weer gewekt, ging mijn gedacht naar de verre stad. Elke schok die hier werd gevoeld deed ginder een huis of een kerk misschien instorten of opbranden in den nacht. Werd er mogelijk nog gevochten, een radeloos tweegevecht door de laatste bres tusschen de duitsche en de engelsche kanonnen. Ik luisterde en wilde de donders onderscheiden van elkaar. Neen het was niet mogelijk nog te blijven hopen. Het was telkens de zelfde slag, dezelfde davering, dezelfde bons, als vernomen door dikke muren, boemmm… boemmm… regelmatig, zonder ophouden, zonder genade.

Toen de morgen klaarde, hoorde ik over den steenweg, voor ons hof, het honderdvoudige gerucht van massa's in beweging: wagens rolden over de kasseien, paardenhoeven stampten, honden blaften, koeien loeiden lang en klagend, als riepen zij de weiden, en aldoor ging het moede slepende geluid van duizenden voetzolen. Het was het groot tumult van een heel volk dat verhuizde. Het was aangekomen van ver uit de deemstering van den ochtend en het zwol als het geruisch van vele waters, als de vloed van een zee door een dijkbreuk en erbovenuit klonk, onverbiddelijk, het ontzettend rythme van de verre losbrandingen boemmm…boemmm…

Wij waren allen vroeg op en zaten sprakeloos rond de groote tafel ons morgenbrood te breken. Wij dachten aan Antwerpen dat geen stad meer was maar een vuurpoel, wij dachten aan de honderduizenden die vluchtten over alle wegen naar het Noorden. Het oud moederken van onze vrienden lachtte krankzinnig met haar oud doorrimpelde gezichtje en prevelde schietgebeden.

Ik liep den hof door, naar den straatweg toe en zag nu den onafgebroken stoet van vluchtelingen trekken, ellendig! Paarden en wagens, stootkarren en fietsen spoedden voorbij, als voortgezweept onder de dreiging van een ijselijk onweer; kudden van beurelende runders en kudden van angstige menschen; moeders die huilende kinders voortsleepten aan beide handen, zonen die een lammen of zieken vader op een kruiwagen vervoerden, luidjes die, met vereende krachten, trokken of stieten aan karretjes, volgestapeld met een paar stoelen, een tafel, een matras, een kacheltje, een vogelkooi, mannen met afgetrapte zolen en barvoets, vrouwen met krom-geloopen hooge hakken en een bebloemden en bepluimden zomerhoed die afhing op hare losgeraakte haren, absurd.

Ik bleef staan kijken, als aan den grond genageld en de tranen braken uit mijn oogen. Het was mijn volk dat vluchtte en die duizenden joegen voort, als zinneloos en verloren, met rood- vlammende gezichten, zij ijlden als verjaagde dieren die de dood ontvluchten, alsof uhlanen met gevelde speer hun op de hielen zaten; zij gingen met starre blikken en gebogen hoofden alsof de zoldering van den hemel ging instorten bij 't gedaver van de aarde. Want door den grond, onder de voeten der rampzaligen, ging, maar aldoor voort, het sidderend gedreun der verre losbrandingen… boemmm… boemmm… als een aanhoudend dreigement dat vloekte door de lucht.

Het was een visioen van Isaïas! Het was een Dies irae vol verschrikking, de Godsteistering van een heel volk.

Ik ging stroomopwaarts van de vliedende menigte. Hier en daar lag een groepje te rusten aan den boord van den weg. Zij konnen niet verder meer van ochtend. Er waren er die kwamen van Lier, van Heijst-op-dea Berg, van Kessel… Er waren er die reeds acht volle dagen vluchtten en onder den blooten hemel hadden geslapen. Twee natiewagens van Antwerpen rolden nu traag voorbij met trossen van mannen, vrouwen en kinders. Ik begon stilaan in de vlucht enkele bekende gezichten te ontmoeten. Ja die menschen had ik nog meer gezien. Die kwamen voorzeker reeds uit Antwerpen. Ik hield ze staan praten. Zij woonden "op het Zuid". Zij waren van vier uur in den morgen reeds op weg. Rond middernacht was het bombardement begonnen. Het was om krankzinnig te worden in de kelders, waar zij gevlucht hadden gezeten.

Uur na uur klonken de donders der ontploffingen en tusschenin floten de bommen door de lucht, het was als een gehuil van katten in den nacht, als het geklaag van moegemartelde kinderen en dan weer ging de knal van een doeltreffend projectiel of smolten de losbrandingen in elkaar tot een gebrom van onbeschrijfelijk geweld. Door de keldermonden zagen zij den rooden gloed, door de brandende huizen geprojecteerd, op den zwarten hemel der in volledigste duisternissen gedompelde stad. De trompen der brandweer-motorwagens gingen gillend door de straten, maar alleen de stoomspuiten konden gebezigd worden in de nabij-de- dokken-gelegen wijken, want iedereen wist dat, sedert den val van Waelhem, de stad zonder water was. Verlaten honden huilden jammerklagend en dan dreunde weer een bons, gevolgd door het gekraak van honderden ruiten en het gekletter van den scherven- regen op de kasseien. Er waren menschen die een Zeppelin hadden zien drijven boven de stad, donker en afschuwelijk, als een ontzaglijk monster dat het vernielingswerk bestuurde. Zij waren eindelijk, vol angst en vrees uit hunne kelders gekropen en langs de boulevards gevlucht. Het liep er toen reeds vol van volk. Over de Zuiderlei, de Nijverheidslei, de Kunstlei, de Handelslei dreef de onafgebroken stroom van allerlei rijtuigen, wagens en menschen in de richting van het Noorden. Het was eene begankenis, eene boetprocessie van rampzaligen; uit alle straten kwamen zij toe, geladen met pakken en korven, met het allernoodigste of het kostbaarste en meestbeminde dat zij hadden willen redden. Toen brandden reeds vele huizen op het Zuid. In de Kasteelpleinstraat, in de Tolstraat waren heele rijen, vlammend in elkaar gestort. Bommen vielen dien nacht op het Gerechtshof en de Bank. Het Museum stond in brand vertelde mij iemand en heel Berchem en Zurenborg "lagen al plat".

Een oude dokwerker uit het schipperskwartier vertelde mij van de vlucht die hij gezien had langs de Schelde. Trekschuiten, mosselbakken, slepers, roeibooten, zeilschepen, al wat maar varen kon werd gebruikt, om de verschrikking der beschoten en brandende stad te ontkomen. De menschen sprongen van op de hooge kaaimuren in de tot-zinkens-toe volgeladen vaartuigen. Het was een wemeling van zwarte booten op de vlakte van den breeden stroom in den rooden gloed der petroleum-tanks die brandden in de richting van Hoboken.

Met een zwaar hart kwam ik weer op ons landhuis. De groote weide rond den vijver lag vol grazende koeien. Eene witte huifkar was tot voor de huistrappen gereden en twee boeren-gezinnen kampeerden onder onze vensters. Zij kwamen van Berlaer en hadden gevraagd om den nacht in onzen hof door te brengen. De beesten konnen niet verder meer en de menschen waren dood- vermoeid.

Ik vond mijn huisgenooten besloten van naar Engeland te trekken. De pakken waren reeds gemaakt. De vlucht der honderdduizenden werkte aanstekelijk. Het werd als een nood ons te mengen in den naren aftocht, ons deel te nemen in het droeve lot van ons wreed- geteisterde volk. Maar al die laatste handelingen gebeurden als in slaapwandel terwijl, ginder ver, maar aldoor ging het doffe geblaf der zware duitsche kanonnen.

Ik dacht aan de duizenden vluchtelingen die op dat zelfde oogenblik op weg moesten zijn door Vlaanderen, langs alle wegen, naar de zee. Een half millioen menschen zonder dak te midden der herrie van een aftrekkend leger van afgebeulde soldaten en moeizaam voortrollende oorlogswagens.

XXIV-Op Den Weg Der Ballingschap

De dag ging voorbij en de avond begon te dalen. Nog immer gonsde het rumoer der vlucht over den steenweg. Ik zag het witte hoofd van mijn ouden vader uitsteken tusschen de perelaars van zijn moestuin. Nog wrocht hij met zijn hakje om wat onkruid te wieden langsheen de groenten-bedden. Hij kon van zijn hof niet scheiden.

Maar het uur was gekomen. Ik zag vader, na een laatsten oogslag op zijne boomen naar het huis toewandelen met zijn tragen zekeren stap. Ik hoorde hem buiten achter den muur nog eenige laatste aanduidingen geven voor het verzorgen der planten en het bergen van de bloemknollen. Dan trad hij de kamer binnen.

—"Zijn wij gereed", vroeg hij "en is er niets vergeten? Dan zullen wij maar optrekken."

Voor de achterdeur van het huis stond een karretje gereed met een ezel, armelijk gespan dat door de boeren, die den nacht op ons goed zouden doorbrengen, geleend werd om ons gepak tot aan de grens te voeren. Alles was reeds opgeladen. Het oud moederken werd vooraan gezet en liet haar kinderen lijdzaam met haar begaan. Onze vrienden stonden al buiten te wachten. Een oude benediktijner monnik uit het nabijgelegen klooster, die ons op 't laatste oogenblik kwam bezoeken, zou nu meeloopen tot aan Putte. Moeder en mijn zuster zochten nog iets boven, ik stak nog een boek in mijn zak. Vader knoopte zijn overjas toe, zette zijn groote, zwarten vilt op en greep naar zijn wandelstok, den pelgrimstaf voortaan.

Wij waren buiten. Vader sloot de deur en zorgzaam als altijd borg hij den sleutel alsof hij over een paar weken ons weer behouden terug ging brengen naar zijn huis.

Hij zou die gesloten deur nooit meer openen weerom….

—"Wij zullen langs den boschkant gaan", zei hij, "dan ontkomen wij 't gewoel". Hij was de geleider die de wegen kende en hij ging voorop met zijn nog kloeken, vasten stap. De kleine karavaan volgde.

Wij moesten nog een tijdje langs den steenweg. Het vluchten der honderdduizenden duurde daar maar aldoor voort. Strompelend spoedden de menschen den dreigenden avond in. Er reed een stootkar aan ons voorbij, waarboven, op een matras, een oude man bewustloos neerlag met een wasgeel onbewogen gelaat en toeë oogën. Was het een stervende of reeds een lijk dat daar werd weggevoerd? Uit het duister van een groepje dennen klonken de snijdende hulpkreten vam eene vrouw in barensnood. Honden huilden naar den kwijnenden hemel en in de verte ging, zonder ophouden, het doffe brommen van 't kanon.

Wij namen een zijweg langs den boschkant naast de Calmpthoutsche heide, die eindelooze heide waar ik zoo dikwijls, in den vroegen morgen, te paard was doorgedraafd en waar mijn oogen nu het "Huis ten Heuvel" zochten van mijn vriend Em. de Bom…

Ik zag een groepje jonge antwerpsche schilders met pak en zak, de wijde rosse vlakte intrekken, in de richting van de Kambuis. In de verte staken nog de witte duintoppen omhoog in de laatste klaarte.

Klein en hulpeloos was onze vlucht tegen de lage sparreboomen, waar de nacht reeds woonde. Soms glom een lichtje daar binnen van een vuurtje of een kaars en de omzittende menschen deden aan als roovers uit een angstige vertelling. Wij gingen door het mulle zand met de knerzelende mastspelden. In den staal-blauwen koepel, over de heide, ontvonkten de eerste starren. Ik dacht aan een Kerstnacht… wanneer, langs alle wegen, de volkeren op weg waren voor de optelling van Caesar Augustus. Reisden wij ook niet naar eene optelling van alle doolaards door de wijde wereld? De kleine koewachter had moeite om ons ezelken voort te drijven en wij moesten duwen soms aan het piepende karretje met onze pakken en het krankzinnig-lachende oude moederken. De grijze monnik met zijn zwarte pij en de afhangende kap scheen wel Sint Jozef, zooals hij ging, ietwat gebogen, onder zijn grooten hoed, langsheen de diepe grauwe vlakte. De jonge vrouw van een onzer vrienden droeg een kindje onder haar hart. Zouden wij wel plaats vinden in een gasthof dezen nacht en in welken verlaten stal ging dat nieuwe kindje geboren worden?

Wij kwamen aan de nederlandsche grens. Hier liepen wij verloren in den immer-zwellenden stroom van vluchtelingen, die in dichte massa's aandrongen op de grens-bareelen. Maar hier waren soldaten die vriendelijk deden met de menschen. Wij stapten verademend en haast-gelukkig op nederlanschen bodem.

Toen blikten wij terug naar het Zuiden. Boven de vlakke landen, aan den einder, waaierde wijd, den hoogen hemel in, een ontzaglijke aureool die, frambozig-roos, naar alle kanten den lucht-koepel begloorde. Antwerpen brandde achter de kim en onze verbijsterde gezichten zagen rood van het verre vuur.

Wij namen afscheid van den goeden ouden pater en hij trok met den koewachter, het ezelken en het piepende karretje weer terug naar het donkere van kanon-gebulder doorvloekte land.

Nergens was er nog plaats, zelfs maar een stoel te vinden in de dorpsherbergen. Zoo zat er alles volgepropt. Onder het borstbeeld van Jordaens—den vlammenden schilder der vlaamsche vreugde, die vroeger zoo gemoedelijk lachend neerzag op de luidruchtige kermissen van Putte en de rondedansen van boeren en stedelingen, onder het gewaai der vlaggen en bij het gespeel der zinderende muziek—lagen nu de moede kudden van de ontelbare dakloozen, neergehurkt in stomme lijdzaamheid.

Een jonge luitenant van de hollandsche grenswacht, die van den kerktoren kwam daarover, vertelde ons wat hij gezien had van de verre gloeiende stad.

—"Staat O. L. V. toren nog recht?" vroeg mijn zuster.

Waarachtig het was het eenige dat ons nog bekommerde van al wat wij ginder achter lieten.

—"Ja, goddank, geen enkele toren werd getroffen, maar het brandt schier overal, groote rookwolken gaan op ten zuiden van de stad" zoo zei de luitenant en hij ging vriendelijk voort met ons te praten. Hij moest met zijn motocyclette naar Bergen-op-Zoom. Hij zou een auto voor ons doen komen. Onze vrienden vonden bij hunne Putsche familie een onderkomen voor den nacht. Wij bleven daar wachten ook tot de beloofde auto kwam, die ons veilig voerde naar het eerste hollandsche stadje.

Wij keken door de ramen naar den verren gloed aan den einder, het ontzettend vreugdevuur bij den triomf der vijanden van ons land. Vader en moeder die over ons zaten, kwamen mij plots veel ouder voor, nu die ontwortelde menschen schommelend reden door den nacht, op den weg der ballingschap, het onbekende te gemoet.

Dienzelfden avond konden wij nog vertrekken met den trein naar Middelburg en, diep in den nacht, werden wij daar onthaald door hartelijke menschen die ons brachten naar een gastvrij huisje, in de Lange Delft.

's Anderdaags werden wij wakker bij de klingelende muziek van vele klokjes op den toren van 't Stadhuis. Dat geluid van vrede stemde ons weemoedig, na al wat wij ondervonden van den oorlog.

Wij bleven daar tot zondag ochtend eer wij weg konnen naar Londen. De rust van het aardige schilderachtige stadje, de genegen goedheid van de menschen die ons herbergden, waren een troost voor onze pijnlijk-geschokte harten. Ik liep te dwalen langs de oude straatjes met de lachende glimmende huizekens. Ik zag de oude ruime kerk als een schilderij van Saenredam,—van bleek ivoor schenen de zware zuilen en de hooge wanden met paarse schaduwen hier en daar, blauw en rozig lagen de vlakke plavuizen, lichtblauw was de hemel door de in-lood-gevatte ruitjes van de spitsboogramen, huisnokken en roode daken schemerden daar door en heldere dag gleed langs de koperen kroonluchters en de kleurige schilden in de zwarte lijsten. Ik wandelde langs de rechte kanalen van het eiland Walcheren. Vlak en vreedzaam lagen, beneden de dijken, de groene weiden vol grazend vee. Ik wilde weer rustig worden, den oorlog vergeten. Het kon niet lang meer duren toch…

Zaterdag avond, 10 October, had ik te mijmeren gezeten op het rustige binnenhof met de roode klinksteenen van de oude abdij waar de najaarsblaren rezen, waar de beiaard-liedekens en de vrome zware stem van de kerkklok klonken als rustige stemmen uit den hoogen hemel boven de karteling van huizen en gekanteelde muren.

Ik ging weer aankloppen in de Lange Delft. Onze gastvrouw stak mij sprakeloos een kranten-buletin toe: Antwerpen was overgegeven! De Duitschers hadden hunne intree gedaan binnen onze stad. Ik liep naar boven. Vader stond sprakeloos door het venster te turen. Moeder en zuster weenden.

Antwerpen was gevallen!

Neuilly-sur-Seine, Lente 1917.

Het Einde

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings