← Table of contents
De Prins en Johan de Witt

Hoe Johan de Witt zijn plan volvoerde.

Reading edition

“Ik had reeds vroeger bij Uwe Hoogheid willen komen, om naar Hare gezondheid te vernemen,” begon de grijsaard. “Ik vond het echter geraden, te wachten tot Uwe Hoogheid zich van de vermoeienissen der reis hersteld had.”

“Ik dank U zeer, mijnheer Van Heenvliet,” antwoordde de Prins, “voor Uwe attentie, en ik durf u verzekeren, dat mijne reis mij zeer goed bekomen is en niet anders dan aangename impressies kan nalaten.”

“Men heeft U te Amsterdam luisterrijk ontvangen, naar ik hoor,” hernam Heenvliet.

“Ik zal Amsterdam roemen,” gaf de Prins ten antwoord. “De vroedschap heeft een groot festijn te mijner eere aangericht.”

“En het volk, hoor ik, heeft luide geroepen om Uwer Hoogheids bevordering, en U zelfs met veel gejuich uitgeleide gedaan,” ging Heenvliet voort.

“Zoo, mijnheer Van Heenvliet,” antwoordde de Prins, met het onnoozelste gezicht ter wereld. “Ik kon niet recht verstaan wat zij riepen. Maar de maaltijd was overheerlijk. Inderdaad ik wist niet, dat zij in de grootste koopstad van het land zulke uitmuntende koks hadden. Ik dacht altijd, dat die goede Amsterdamsche kooplieden zich slechts bezighielden met hun handel.”

“En met de staatkunde,” voegde Heenvliet er stekelig bij. “En hoe heeft Uwe Hoogheid het te Rotterdam gehad?”

“Daar ben ik door den burgemeester Ewout van der Horst vorstelijk onthaald. Een uitmuntend mensch, die Van der Horst.”

“Ik ken hem. Hij is een trouw aanhanger uwer zaak.”

“Dat heb ik gemerkt,” antwoordde de Prins weder heel onnoozel, “want dat maal heeft hem nog al wat gekost. Er waren heerlijke oesterpartijen.”

“Ook daar zijt gij door het volk met veel gejuich begroet.”

“O, ja, de Rotterdamsche menschen schijnen heel vriendelijk te zijn. Toch zou ik niet graag hier in Den Haag altijd zooveel volk om mijn karos zien.”

“Geen wonder, Uwe Hoogheid,” gaf Heenvliet ten antwoord. “Maar het volk hier ziet Uwe Hoogheid dagelijks. Daarom is het toch evenzeer Uwe partij toegedaan en wenscht niet minder Uwe bevordering. Ook hooggeplaatste personen verlangen die. Zelfs uw oom, de Keurvorst van Brandenburg, heeft U aan de Staten-Generaal tot de hooge krijgsambten aanbevolen.”

“En de Heeren Staten hebben daarop geantwoord, dat de Keurvorst zich liever met zijne eigene zaken moest bemoeien en zich niet in die van anderen moest steken.”

“En dan,” merkte Zuijlestein aan. “En dan, om te bewijzen, hoe weinig zij om den Keurvorst geven, hebben zij den Prins van Tarente tot overste der ruiterij, den Heer Van Noordwijk tot overste van het geschut, den graaf Van Hoorne tot sergeant-majoor en den Heer Pain-et-vin tot luitenant-kolonel gemaakt.”

“Daar heeft Zeeland dan ook dapper tegen geijverd,” hernam Heenvliet.

“En wat heeft het Zeeland geholpen?” vraagde Zuijlestein. “Het antwoord, dat Holland gegeven heeft, bewijst genoegzaam zijn onwil.”

“Omdat Holland mij niet wil bevorderen, alvorens ik den ouderdom van achttien jaren zal bereikt hebben,” zeide de Prins op scherpen toon. “Zij hebben gelijk, de Heeren Staten,” vervolgde hij schijnbaar luchthartig. “Wat zou een knaap als ik, ziekelijk en tenger, in het krijgswezen doen?”

“En dan uwe voorouders Prins!” riep Heenvliet uit. “Heeft men hun ooit de hun toekomende ambten onthouden? Maar Uwe Hoogheid zelf moet zich laten kennen, en een oproeping....”

“Vergeef mij, mijnheer Van Heenvliet, dat ik U verzoeken moet, zulke taal niet in mijne presentie te voeren. Mijne vrienden mogen voor mij doen wat zij willen—ik wil van hunne handelingen niets weten. Ik verlang geen promotie dan langs den rechtmatigen weg. Maar, zeg mij, hebt gij sinds gisteren uw zoon ook gesproken?”

“Ik zag hem sedert drie dagen niet, Uwe Hoogheid,” antwoordde Heenvliet. “Had hij mij wat belangrijks mede te deelen?”

“Zeker. Gij moet weten, mijnheer Van Heenvliet, dat ik een paar dagen geleden twee schoone Friesche paarden heb aangekocht. Het zijn prachtige beesten. Gij moet ze eens zien.—Gij zijt immers ook een kenner?”

De Heer Van Heenvliet zuchtte; hij kon niet begrijpen, hoe de Prins op dat oogenblik over paarden kon spreken, en wilde juist antwoorden, toen de ritmeester Buat de kamer binnentrad, zich tot den Prins wendde, en met een geheimzinnig gelaat en op half fluisterenden toon zeide:

“Met de Prinses-weduwe!” riepen de drie Heeren, die bij het vuur zaten, te gelijk.

“Zooals ik u zeide,” antwoordde de ritmeester. “En wat meer is, alvorens naar de vergadering der Staten te gaan, is Zijne Edelheid nogmaals aan het Hof van Brandwijk aangereden, en heeft ruim een kwartier bij Hare Hoogheid doorgebracht.”

“En nu twijfelde Uwe Hoogheid nog aan Hare promotie!” riep Heenvliet uit. “Begrijpt Zij dan niet, dat de Raadpensionaris niet langer durft weerstand bieden aan den aandrang Harer vrienden, die hoe langer hoe luider wordt?”

“De Heer De Witt zal wel moeten toegeven,” zeide Boreel, die tot nog toe gezwegen had. “Als Zijne Hoogheid maar eerst Generaal der ruiterij is, zal Zij wel spoedig Veldmaarschalk zijn.”

“En dan”—hervatte Heenvliet triomfeerend. “Dan zal de Raadpensionaris spoedig vallen en dan—dan maken wij vrede met Engeland.... en....”

“Maar gij hebt mij nog niet gezegd, mijnheer Van Heenvliet, wanneer gij mijn Friesche paarden zoudt komen zien,” hernam de Prins bedaard.

“Als het Uwe Hoogheid schikte, morgen om elf uur,” antwoordde de Heer Van Heenvliet, terwijl hij zijn prachtig gouden met diamanten bezette horloge uit den zak haalde. “Maar Uwe Hoogheid zal mij thans excuseeren, dat ik Haar quitteer. Ik heb nog dringende zaken te doen.”

“Ik dank U voor uw bezoek, mijnheer Van Heenvliet,” zeide de Prins. “Vergeet vooral niet, morgen om elf uur, mijne paarden te komen zien. Ik zal zorgen ook in den stal te zijn. Denk er aan, dat ik hoogen prijs stel op uw opinie.”

De Heer Van Heenvliet boog en verliet het vertrek.

“Hij moet zeker naar de “Oude Zwaen,” dat hij zoo’n haast maakt,” zeide Boreel glimlachend. “Daar zal hem wel de een of andere vriend met het verkeerbord wachten.”

“Zoudt gij het denken?” vraagde de Prins.

“Voorzeker, Uwe Hoogheid,” zeide Buat. “De Heer Van Heenvliet is een der trouwste bezoekers van de “Oude Zwaen.” Men kan hem daar alle dagen vinden.”

“Ziedaar het voorrecht van hen, die in het Noordeinde wonen,” zeide de Prins. “Zij bespieden niet alleen de gangen van de personen, die op het Hof van Brandwijk komen, maar weten ook, wie de “Oude Zwaen” bezoeken.”

“Met uw verlof, Uwe Hoogheid,” hernam Boreel. “Onze goede vriend Buat is zelf een trouw bezoeker van genoemde herberg. Zeker heeft hij Heenvliet daar dikwerf ontmoet.”

“En wat zegt gij van dat herhaalde bezoek bij hare Hoogheid, de Prinses-weduwe?” vraagde Zuijlestein.

“Wat zal ik er van zeggen, Zuijlestein,” antwoordde de Prins. “Wat de Heer De Witt voor mij gedaan heeft, is zelden tot mijn voordeel geweest. Ik durf mij nog niet vleien.”

“De Raadpensionaris is voorzichtig,” merkte Boreel aan. “Hij zal begrijpen, dat het tijd is, voor de noodzakelijkheid te bukken.”

“Beste Buat,” zeide de Prins. “Laat ons toch de huid niet verkoopen, alvorens de beer geschoten is.”

Zoudt gij niet denken, mijne lezers, dat de Prins zeer onverschillig was omtrent zijne bevordering?—En toch—wanneer gij in dat hart hadt kunnen lezen, dat vol scheen van maaltijden en paarden en onvatbaar voor elke opwekking tot iets groots, dan hadt gij daar meer eerzucht in gezien, dan zelfs Heenvliet misschien wel zou gewenscht hebben,—een eerzucht die zich niet alleen uitstrekte tot het kapitein-generaalschap, maar ook tot het stadhouderschap, hetwelk zijne vaderen met zooveel lof bekleed hadden.

Wij willen het viertal niet verder in hunne gesprekken volgen, en keeren omtrent twee uren later in het vertrek van den Prins terug, waar wij hen allen, behalve Boreel, terugvinden. Op het oogenblik, waarvan ik spreek, dient de kamerdienaar den Raadpensionaris aan.

“Goede tijding, Willem!” fluisterde Zuijlestein, terwijl hij den Prins de hand reikte. “Ik wensch u geluk met uwe benoeming.”

“Ik ben verheugd, dat ik een der eersten zal zijn, die de goede tijding verneem,” zeide Buat.

Op dit oogenblik kwam de Raadpensionaris het vertrek binnen. De prins stond op en ging hem te gemoet. Beiden plaatsten zich tegenover elkander op de stoelen, door Zuijlestein en Buat nedergezet.

“Ik heb mij gehaast,” begon de Raadpensionaris, “U zelf het eerst de heuglijke tijding mede te deelen van de favorabele resolutie, welke de Heeren Staten wel hebben gelieven te nemen ten aanzien van het verzoek van Uwer Hoogheids grootmoeder, de Prinses-weduwe.”

’s Prinsen gelaat klaarde op: hij voelde een zenuwachtige trilling door zijn geheele lichaam. De beide Heeren bleven in gespannen aandacht bij den schoorsteen staan.

“Een verzoek van mijne geachte grootmoeder,” zeide de Prins. “Wat hield dat verzoek in, als ik vragen mag?”

De Raadpensionaris haalde eenige toegevouwen papieren uit zijn zak, legde die op de tafel neder en nam er beurtelings een van op.

Terwijl De Witt deze woorden uitte, was de Prins beurtelings rood en bleek geworden. Om zich niet te verraden, had hij den zakdoek voor den mond gehouden en worstelde thans met een hevige hoestbui.

“En heeft mijne grootmoeder dat verzoek herhaald?” vraagde hij met een van aandoening trillende stem aan De Witt.

“Wie anders dan zij?” vraagde De Witt, terwijl geen spier in zijn gelaat de vreugd deed blijken, die er in zijn hart huisvestte. Ook de Prins had zich hersteld; want met kalmte wendde hij zich tot Buat en zeide:

“Wees zoo goed, te zorgen, dat mijn karos straks voorkome. Ik moet naar het Noordeinde om Harer Hoogheid mijnen dank te betuigen.”

“Ook Uwe Edelheid?” hernam de Prins op een toon, die weinig twijfel liet aan den onaangenamen indruk, welken deze tijding op hem maakte.

“Ook mij. Is dat Uwer Hoogheid ongevallig?”

“Integendeel. De lijst dier onbekende Heeren was mij onaangenaam. Uwe Edelheid ken ik.”

Illustration from De Prins en Johan de Witt of ons land in het tweede tijdperk der eerste stadhouderlooze regeering

Hier hield De Witt op. Ook de Prins zweeg. Eindelijk vatte deze het woord, en zeide:

“Alzoo hebben de Heeren Staten van Holland mij, op vijftienjarigen leeftijd, gemaakt tot....”

“Tot kind van den Staat,” voleindigde De Witt, die wel zag, dat de Prins niet bij machte was het woord te uiten.

“Ik verzoek u, mijnheer de Raadpensionaris,” zeide de Prins kalm, maar met fonkelende oogen, “Hunnen Edel-Groot-Mogenden mijn dank te brengen voor hunne goedheid, en hun te verzekeren, dat ik alle pogingen zal aanwenden, om mij die goedheid zooveel mogelijk waardig te maken.”

“Zulke gevoelens vereeren den afstammeling van den grooten Zwijger,” zeide De Witt. “Men moet leeren zich in de omstandigheden te schikken, en Uwe Hoogheid mag zich gelukkig rekenen, dat Hunne Edel-Groot-Mogenden geen gehoor hebben gegeven aan de stem van een partij, die, als men naar haar hoorde, het Land zou ten onder brengen. Intusschen heb ik hier nog een derde resolutie van de Heeren Staten.”

“Betreffende deze zaak?” vraagde de Prins, die hoop voedde, dat misschien bij het verklaren tot “kind van den Staat” een benoeming gevoegd was.

“Juist, betreffende deze zaak. Hunne Edel-Groot-Mogenden hebben terecht begrepen, dat Uwe Hoogheid geheel aan den invloed van onze vijanden, de Engelschen, moet worden onttrokken, en dus geresolveerd, dat Uwe geheele hofhouding zal worden veranderd.”

“Hoe, mijnheer De Witt!” riep de Prins uit, een oogenblik zijne bedaardheid verliezende. “Mijne trouwe vrienden en mijne oude bedienden zoo maar aan den dijk te zetten!”

“Verontrust u over hen niet. Zij zullen, indien zij er slechts om vragen, met andere posten worden begiftigd. Mijnheer Van Zuijlestein,” ging De Witt voort, zich tot dezen wendende, “de Heeren Staten zullen u vijf jaren lang een wedde van vierduizend gulden uitkeeren.”

“Maar ik zal mijn pupil niet verlaten, mijnheer de Raadpensionaris,” zeide deze driftig. “De Heeren Staten hebben er zeker niet aangedacht, dat ik mijne aanstelling heb van de Prinses-weduwe.”

“En Uwe Edelheid vergeet, dat hare Hoogheid hare rechten als voogdes op de Heeren Staten heeft overgedragen. Gij zult wel vertrekken, mijnheer Van Zuijlestein.”

“Maar, mijnheer De Witt!” zeide de Prins smeekend. “De Staten zullen mij toch wel niet van al mijne vrienden willen berooven. Ik smeek het u: laat mij slechts Zuijlestein, Boreel en Buat.”

“Dat is onmogelijk,” hernam De Witt.—“De Heer Van Zuijlestein zal worden vervangen door den Heer Van Gendt, gecommitteerde van Gelderland.”

“Ik zal mij per request tot de Heeren Staten wenden, om slechts die drie te behouden,” hernam de Prins.

”’t Zal Uwe Hoogheid weinig baten,” hervatte De Witt. “Intusschen, Uwe Hoogheid kan het beproeven. En thans wachten mij mijne bezigheden. Misschien vindt Uwe Hoogheid mij nog wel bij Hare Hoogheid de Prinses-weduwe, wanneer Gij haar Uwen dank komt betuigen.”

En met deze woorden nam de Raadpensionaris afscheid. Nauwelijks was hij vertrokken, of de Prins barstte in tranen uit.

Illustration from De Prins en Johan de Witt of ons land in het tweede tijdperk der eerste stadhouderlooze regeering

Zoo had De Witt de luisterrijkste overwinning behaald, die hij ooit in zijne staatkundige loopbaan heeft mogen behalen: op hetzelfde oogenblik dat zijne vijanden meenden, dat hij vallen zou, plaatste hij zich vaster dan ooit in den zetel des bestuurs. De arme Prins echter werd, op hetzelfde oogenblik dat hij hoopte werkzaam te zijn ten dienste van den Staat, geheel en al een werktuig van De Witt en toch was deze tijd van verdrukking onder den Goddelijken zegen nuttig voor hem en deed in hem vermogens en krachten rijpen, die nimmer in hem zouden zijn ontwikkeld, als hij reeds op vijftienjarigen leeftijd was bevorderd tot eene betrekking, waartoe hij nog niet in staat was geweest.

Wij verlaten nu Den Haag, en begeven ons een maand later, in de helft der maand Mei, naar de vloot van De Ruyter, die bij Texel lag. ’t Was een schoon gezicht, die vijf en tachtig oorlogsschepen daar zoo rustig te zien liggen met hunne hooge kampanjes, wier glasruiten in de zon schitterden, en wier van lof- en snijwerk voorziene borstweringen en lantaarns zoo sierlijk afstaken bij de lompe, bruine bodems. ’t Was een schoon gezicht, die tallooze masten met hun touwwerk en raas, met hunne uitgespannen zeilen en ontelbare vlaggen en wimpels, die vroolijk in de lucht fladderden en, door den oostenwind bewogen, schenen te wijzen naar de Engelsche kusten, waar de vijand van het vaderland hen verwachtte, om te beslissen wie de sterkste zou zijn. Ik wil u niet opnoemen, welke Admiraliteiten die schepen hadden laten bouwen, noch hoe de namen van al die vaartuigen waren;—ik ga liever met u naar het Luitenant-admiraalsschip van onzen onsterfelijken De Ruyter, waar wij alles in drukke bezigheid vinden. Ziet maar, hoe die vlugge matrozen in het want klimmen, alsof zij de zeilen wilden innemen; hoe zij dat echter niet doen, maar als koorddansers over de raas loopen en op de nokken blijven zitten; hoe de anderen daar op het dek en op de andere dekken bezig zijn de geschutpoorten te openen en de kanonnen te richten; kortom, hoe men alle mogelijke scheepsmanoeuvres maakt, als ware men in volle zee en in het gezicht van den vijand.

Wanneer wij ons naar het roer begeven, dan vinden wij daar onzen ouden kennis, den stuurman Klaas weder, die met Pieter en Jonker Engel in gesprek is, terwijl zij hunne oogen onafgewend gevestigd houden op twee jachten, die niet ver van daar liggen en eene menigte groote Heeren en hooge personages aan boord hebben.

“Ziet gij daar,” zeide Pieter, “dien mageren, tengeren knaap, die zooveel pret schijnt te hebben in de vlugheid onzer matrozen, met die wapperende veer op zijn hoed en dien donkerblauwen fluweelen mantel, dien hij zoo dicht om zich heengeslagen heeft? Dat is Zijne Hoogheid.”

“Waar?” zeide Engel. “O, ik zie het al. Daar staat hij. Wie zou die Heer zijn, met wien hij zoo druk aan het spreken is en die hem schijnt te zeggen, wat het een en ander beteekent?”

“Ik ken hem niet,” antwoordde Pieter.

“Dan zal het de Heer van Gendt zijn,” zeide Engel, “die eerst sedert kort tot ’s Prinsen goeverneur is benoemd. In Amsterdam heb ik daar veel over hooren spreken. Zie, die daar met zijn zwart fluweelen mantel is de Heer Johan de Witt, de Raadpensionaris, die als gemachtigde der Heeren Staten het uitloopen der vloot zal bevorderen.”

“Zijne kleeding steekt nog al af bij die van al deze groote Heeren,” zeide Klaas Dirkz. “Ik geloof dat er jannen onder zijn. Maar daar wenden zij. Ha, zij komen aan ons boord. Daar lossen zij reeds de saluutschoten.”

En waarlijk praaiden de beide jachten “de Zeven Provinciën,” waar de Luitenant-admiraal de Heeren in zijn statiekleeding ontving. Eerst kwam de Keurvorst van Brandenburg en toen de Prins van Oranje.

“Behoedzaam, neefje!” zeide de eerste tot den Prins. “Doe bist hier nicht op das Pinnenhof of op das hof von Prandweich, waar de treppen mit tapeeten bedekt zind. Het is hier noer eene sjeepstreppe.”

“Onze Luitenant-admiraal heeft toch voor een gemakkelijke trap gezorgd,” antwoordde de Prins lachende, terwijl hij reeds den voet op het dek zette. “Aha! daar is Zijne Edelheid. Mijn hartelijken groet, Heer Luitenant-admiraal!”

“Mijn welkomsgroet zij Uwer Hoogheid toegebracht,” zeide de ronde Zeeuw, terwijl hij den hoed afnam.

“Ik heb recht schik gehad in de vlugheid uwer matrozen,” hernam de Prins. “Zij zijn goed geoefend.”

“Dat behoort ook zoo, Uwe Hoogheid,” hernam De Ruyter, die den Prins over het dek naar de kampanje leidde, waar eenige ververschingen gereed stonden.

Zij werden gevolgd door den Keurvorst van Brandenburg, door de Vorsten van Holstein en Anhalt, door den Prins van Nassau, de graven van Solms, Dhona en Hoorne, de Heeren Van Brederode en Van Gent en eene menigte andere aanzienlijke personages. Nadat men iets gebruikt had, leidde De Ruyter de gevolmachtigden en de Heeren het geheele schip rond, terwijl de Prins een kennis van de zeevaart aan den dag legde, die ieder verwonderde. Toen men weder aan de statietrap was gekomen, zeide De Ruyter:

“Ik ben zeer gehonoreerd geweest, zoo vele notabele Heeren aan mijn boord en bij mijn geringen persoon te zien. Meer genoegen echter zou het mij doen en tot meer eer zou het mij strekken, als de Heeren mij op morgen het contentement wilden aandoen, om op mijn schip den maaltijd te gebruiken, ten minste als zij zich mijn zeemanskost willen laten smaken.”

“O, volgaarne! Wij nemen het aan!”

Daarna gingen zij weder in de jachten, voeren de vloot rond, door al de schepen met saluutschoten verwelkomd en gingen nog aan boord van de Luitenant-admiralen Van Nes en Tromp. Op het laatste schip juichte het volk onophoudelijk “leve de Prins van Oranje!” en dat gejuich scheen aanstekelijk te zijn; want zoo lang de jachten door de vloot voeren, klonk het onophoudelijk: “leve de Prins van Oranje!” Op elk der admiraals-schepen werd het volk met vijftien ton zwaar bier beschonken. Of dit geschenk van wege het land of van wege de hooge gasten was, vind ik niet geboekt. Des avonds voeren de beide jachten naar Den Helder, waar de genoodigden en gemachtigden den nacht doorbrachten.

Den volgenden dag reeds vroegtijdig stapten onze hooge personages weder in hunne beide scheepjes, en voeren andermaal naar de vloot, waar zij nog de schepen van den kapitein Van der Zaan, van de Vice-admiralen De Liefde en Van der Hulst en van den kolonel der zeesoldaten, Willem Jozef van Gent, bezichtigden. Daarna voeren zij weder aan De Ruyters boord, waar zij heerlijk en heusch onthaald werden. Ik zal u geene beschrijving geven van hetgeen onze zeeheld opdischte; alleen durf ik u verzekeren, dat de hooge gasten uiterst tevreden waren over zulk een zeemanskost en dat er geen gebrek was aan verscheidenheid van wijn. Ook ontbrak het pekelvleesch niet; want De Ruyter zou niet gegeten hebben, wanneer er dàt niet of ten minste geen sterk gezouten vleesch voorhanden was.

“Ik mocht wel einmaal ein tochtje met U op das meer doen,” zeide de Keurvorst van Brandenburg tegen De Ruyter.

“Uwe Hoogheid zou daarvan spoedig den buik vol hebben,” antwoordde deze. “Het zou al heel gauw wezen: Zet mij maar weer aan land; want ik word zoo kwalijk.”

“En de Herr De Witt heeft daar vergangen jaar wel de phroef van genommen en toch ganz viel sjtormen doorgesjtanden,” merkte de vorst Van Anhalt aan.

“Ja, waaroem soltte der herr Raadpensionair dagegen kunnen en wir’s nicht vermeugen?” vraagde de Keurvorst.

“Laat Zijne Edelheid Uwer Hoogheid dat zelf beantwoorden,” zeide De Ruyter. “Ik weet niet, welk een wonderman Mijnheer De Witt is; maar op mijn woord als Zeeuw kan ik U verzekeren, dat Zijne Edelheid geen zweem van zeeziekte gehad heeft. En wij hadden nog al wat boos weer.”

“Ich denke,” zeide de graaf Van Solms, “dat Zijne Edelheid den kop te vol sjaatsaffaires heeft, om an den magen te denken en dass doerch het sjommelen van het schiff kein invloess op hem heeft.”

“En ich denke, dat der Herr Raadpensionair früher wohl einmal ter zee gefaren heeft,” meende de Vorst Van Holstein. “Gij vergeet, dass Dordrecht, Zijner Edelheids geboorteplaats, ein hafen ist.”

“Uwe Hoogheid vergist zich,” zeide De Witt glimlachend. “De stad Dordrecht drijft wel veel handel, maar is volstrekt geen zeestad. Intusschen ben ik in mijne jeugd meermalen met boos weer op de Moerdijk geweest en het is misschien daaraan toe te schrijven, dat ik van die lastige zeeziekte ben verschoond gebleven. Als ik U echter de ware reden moet zeggen: ik schaamde mij om zeeziek te worden in de tegenwoordigheid van een man als den Luitenant-admiraal onzen gastheer, op wien ik U wel verzoek uw glas te ledigen. Leve onze Luitenant-admiraal De Ruyter en moge Zijne Edelheid spoedig aan de Engelschen leeren, dat de Hollandsche zeeleeuw den Britschen panter nog niet vreest!”

“Leve de Luitenant-admiraal De Ruyter!” riepen allen, terwijl zij hunne glazen ledigden.

“Ik dank de Heeren wel en den Heer Raadpensionaris in het bijzonder voor de goedheid om mijner in hunnen dronk te gedenken,” zeide De Ruyter, terwijl hij opstond en een zijner bedienden een wenk gaf. Op hetzelfde oogenblik knalden er twaalf schoten van het admiraalsschip.

“Was ist das?” riep de vorst Van Anhalt uit. “Die Engelsjen zijn doch nicht gekommen, dass gij met hen sjlaags zijt geraakt? Indien das waar was, zoo zouden wir das onuitsjpreekliche genügen haben einen zeesjlag bij te wonen.”

“Dien zal Uwe Hoogheid zien,” antwoordde De Ruyter. “Mijne Heeren! ik noodig u allen uit, mij naar het dek te volgen, dan zult gij in het klein een zeestrijd aanschouwen.”

“Bravo! bravo!” juichten al de gasten en volgden De Ruyter op het dek.

Het was een prachtige aanblik, die hen daar wachtte. De twee kleine fregatten of adviesjachten “’t Hert” onder kapitein Pieter van Wijnbergen en “Zwolle” onder kapitein Dirk de Munnik, het eerste van zestien en het andere van acht stukken, leverden elkander een spiegelgevecht, voeren telkens op elkander aan en gaven malkander dan de volle laag met los kruit, zeer ten genoegen van al de hooge personages, meer dan de kunsten van een der matrozen, die zich boven op den bal van den vlaggestok der groote bramsteng begaf en daarop met zijn hoofd ging staan, terwijl hij beide beenen in de lucht stak. Het was dan ook een noodeloos waagstuk; want een mensch mag niet zoo met zijn leven spelen.

De Prins van Oranje had zich intusschen weder bij De Ruyter gevoegd.

“Mijnheer de Luitenant-admiraal,” begon hij, “Uwe Edelheid heeft aan uw boord een zekeren Pieter Pietersz, niet waar?”

“Die mij door Uwe Hoogheid is aanbevolen?”

“Juist, dezelfde. Hoe maakt hij het? Past hij goed op?”

“Uitmuntend. Hij is een knap timmerman en heeft verleden jaar met de stormen vrij wat dienst bewezen. Ook geloof ik, dat er moed onder zijn matrozenbuis steekt.”

“Moed, Admiraal? Meer dan Uwe Edelheid misschien denkt.” En de Prins verhaalde hem, wat er met Pieter op Hondsholredijk en op het veldijs gebeurd was.

“Inderdaad—dat zijn trekken van groote courage en onversaagdheid, die veel beloven. En toch geloof ik niet, dat uw gunsteling voor zeeman in de wieg is gelegd.”

Illustration from De Prins en Johan de Witt of ons land in het tweede tijdperk der eerste stadhouderlooze regeering

“Ik zou hem gaarne eens zien,” hernam de Prins. “Ik heb al naar hem rondgekeken.”

De Ruyter wenkte een matroos en gebood dien, Pieter te roepen. Binnen weinige oogenblikken was hij bij hen.

“Je bent groot geworden, Pieter,” zeide de Prins. “Ik zou je niet herkend hebben. Hoe oud ben je thans?”

“Achttien jaren, Uwe Hoogheid,” antwoordde Pieter.

“Dan ben je mij vooruit,” hervatte de Prins. “En ik hoor, tot mijn genoegen, dat mijnheer de Luitenant-admiraal over je tevreden is.”

“Wie zou niet oppassen, als hij zulk een voorbeeld voor oogen heeft, als onzen Luitenant-admiraal!” zeide Pieter.

“Daarin heb je gelijk,” antwoordde de Prins. “En hoe vaart je oom, de stuurman Klaas Dirksz?”

“Hij is springlevend,” antwoordde Pieter. “Maar vergun mij, dat ik Uwer Hoogheid iets vrage. Ik heb onder het gevolg Uwer Hoogheid tevergeefs naar mijn broeder Karel gezocht. Hij is toch niet ziek, of uit uwen dienst?”

Het gelaat van den Prins betrok; het waren treurige herinneringen, welke Pieter bij hem te voorschijn riep.

“Hij is niet meer in mijn dienst, Pieter,” gaf hij ten antwoord. “Het is echter buiten zijn schuld en er is voor hem gezorgd.”

Tegen het vallen van den avond vertrokken de vorsten en heeren, vergezeld door de sloepen van al de oorlogsschepen, naar den wal. De Keurvorst had honderd zilveren ducatons (ƒ 315) aan de matrozen van De Ruyters schip gegeven en toen de heeren aan land kwamen, opgewacht door een tallooze menigte, wierpen zij eenig goud- en zilvergeld onder het volk te grabbelen. Op den eersten Juni daaraanvolgende, stevende de vloot het ruime sop in.

Illustration from De Prins en Johan de Witt of ons land in het tweede tijdperk der eerste stadhouderlooze regeering
Illustration from De Prins en Johan de Witt of ons land in het tweede tijdperk der eerste stadhouderlooze regeering

Notes in this chapter

Note 1 · Zie Bladz. 88.Note 2 · Het Oude Hof, vroeger het paleis van koning Willem I en thans dat van onze tegenwoordige koningin, in het Noordeinde.Note 3 · De Heer Buat was ritmeester van een regiment, dat in Bergen op Zoom lag en slechts bestond uit een luitenant, een sergeant en een werf-officNote 4 · Leiding.Note 5 · Grondregels of instellingen.Note 6 · Hetgeen hier volgt, is grootendeels in de resolutiën van den 2den tot den 15den April vervat. Ik neem ze hier maar bij elkander.Note 7 · Krachtige.Note 8 · Toen de Staten bezig waren over dit onderwerp, zeide een voornaam Lid van hunne Vergadering: “De geachte spreker meent te maken van den PrinNote 9 · “Weet Uwe Hoogheid reeds, dat de Raadpensionaris dezen morgen op het Hof van Brandwijk2 is geweest en een langdurige conferentie heeft gehad Note 10 · “Het zou zeker een verstandige trek van hem zijn,” hervatte Buat. “En mocht Uwe Hoogheid een aanstelling erlangen, dan beveel ik mij in HareNote 11 · “Hare Hoogheid de Prinses-weduwe heeft op heden, den tweeden van Grasmaand, aan mijne Souvereinen, de Edel-Groot-Mogende Heeren Staten over Note 12 · “Voorzeker,” antwoordde De Witt. “Maar niet minder dankbaar zal Uwe Hoogheid aan mijne Souvereinen, de Heeren Staten, zijn voor de goedgunstNote 13 · “En Hunne Edel-Groot-Mogenden hebben mij specialen last en bevel gegeven om bij alle fortable7 middelen onder Gods genadigen zegen voornamelNote 14 · “Groote God!” riep hij uit. “Ik kind van den Staat! Ik de ondergeschikte van De Witt!—Zuijlestein! mijn oom, mijn eenige vriend! Gij van mijNote 15 · Niet tevergeefs hadden de Heeren in De Ruyters kampanje gedronken op het welzijn van den Luitenant-admiraal en had de Raadpensionaris in die
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings