Note 8 — Hoofdstuk V.
Reading edition
Reeds den 23en April 1623 was een vloot van elf schepen bemand met 1637 koppen, uitgerust op last van de staten-generaal volgens een ontwerp van prins Maurits, uit Goeree vertrokken onder bevel van Jacques l’Hermite, G. H. Schapenham en Jan Willemsz Verschoor. Het doel van deze vloot was “naar Amerika te zeilen, den vijand daar zooveel mogelijk afbreuk te doen, te trachten de galjoenen, die jaarlijks uit Manila te Acapulco binnenvielen, zoo mogelijk te onderscheppen en daarna naar de Philippijnen over te steken, om de Chineesche jonken waar te nemen”. De resultaten van dezen tocht, voorzoover zij met ons onderwerp in betrekking staan, zullen wij eerst later behandelen, om ons nu bezig te houden met de hulp, die de gouverneur-generaal P. de Carpentier en zijne raden besloten hadden deze vloot, de Nassausche genoemd, in de Philippijnsche wateren te doen toekomen. Aan Sonck en zijn raad op Pehou (toen reeds op Formosa) en den admiraal l’Hermite werd overgelaten te bepalen, wat met de vereenigde vloten tegen Manila zou worden uitgericht. Sonck en zijn raad vonden goed zes schepen en drie Chineesche jonken naar Manila te zenden, onder bevel van Pieter Muyser. Hem was opgedragen de Nassausche vloot, die in April ongeveer voor Manila verwacht werd, van victualiën te voorzien en zich met haar te vereenigen. Hij moest zooveel mogelijk zorgen, dat geen Chineesche jonken, noch Spaansche- of Portugeesche jachten de Philippijnen bereikten en verder den vijand zooveel mogelijk afbreuk doen. Sonck achtte het niet geraden “iets tegen Manilha of het fort Cavite te attenteeren,” maar, schreef hij, “hebben voorgedragen en gerecommandeert eenige vliegende tochten in ’t landt te doen om menigte van volck ter peuplatie van Batavia, Amboyna en Banda te becomen”8. Den 27en Jan. ging Muyser met Het Wapen van Zeelandt, Noord-Hollandt, Oranje en de jachten De Haen, Victoria en De Fortuin van Formosa onder zeil. De bemanning bestond uit 432 koppen en men had voor acht maanden levensmiddelen aan boord. De Fortuin en De Victoria werden vooruit gezonden om de drie9 Chineesche jonken te waarschuwen, dat de Hollandsche schepen zee gekozen hadden. De Fortuin keerde denzelfden avond nog terug zonder de jonken gezien te hebben; De Victoria zullen we later eerst weer ontmoeten. De vijf overige schepen kregen 2 Febr. reeds kaap Bolinao in het gezicht en den 3en Wittertseiland, waar zij bemerkten, dat de Spanjaarden van hun komst aan de bewoners van Manila bericht gaven door het branden van vele vuren. In de baai van Manila aangekomen, stelden de onzen een onderzoek in naar de macht van den vijand; Oranje en Noord-Hollandt waagden zich zoo dicht bij de stad en het fort, dat ze het hadden kunnen beschieten en de menschen zeer goed konden waarnemen. Over de daar aanwezige scheepsmacht behoefden zij zich voorloopig niet ongerust te maken. Deze bestond uit een vrij groot schip en vier galjoenen, die echter alle in zulk een toestand verkeerden, dat ze niet binnen een maand zouden kunnen uitloopen. Slechts één galei en één jacht waren in goeden staat. De Hollandsche schepen hielden zich geruimen tijd bij het eiland Mariavele op, waar ze ook eenige keeren landden om hout en ballast in te nemen. Den 17en Febr. werden ze bij een dergelijken landtocht overvallen, wat het verlies van zeven man tengevolge had. Slechts twee lichamen vonden de onzen terug, waarvan de vijand de hoofden als zegeteekenen had meegevoerd. De vijf anderen waren den Spanjaarden blijkbaar levend in handen gevallen en als gevangenen meegevoerd. Den 18en naar Wittertseiland onder zeil gegaan, namen zij een Chineesche jonk met hout geladen, waarop zich slechts zeven Chineezen bevonden. Na nog eenige dagen vergeefs gekruist te hebben, ontdekten zij den 26en een zeil, wat tot groote vreugde beiderzijds het jacht Victoria bleek te zijn. Dit schip had de opdracht volbracht en de jonken gewaarschuwd. Deze hadden echter niet in zee kunnen komen, naar hun zeggen, wegens den lagen waterstand. Tot den avond van den volgenden dag wachtte De Victoria te vergeefs op de Chineesche scheepjes en zeilde toen weg naar de Philippijnen, in de hoop aldaar de Hollandsche vloot aan te treffen. Hierin was het jacht niet gelukkig. Bijna een maand kruiste het langs de kust, waagde zich zelfs tot op vijf mijlen voor de baai van Manila, zonder iets van de vloot te bemerken, tot eindelijk de lang verwachte Hollandsche zeilen zich aan den horizont vertoonden, terwijl den volgenden dag, den 27en Febr. zich ook eindelijk twee van de drie Chineesche jonken bij de vloot voegden. Zij vertelden zes dagen na het vertrek van De Victoria te zijn uitgeloopen; één van de drie echter, niet goed bezeild zijnde, was terug gekeerd en had waarschijnlijk koers gezet naar Tayouan. “De ware rede zal wel zijn,” schrijft Muyser aan Sonck, “dat die derde jonk is terug gekeerd om een dergelijk scheepje, dat door hen afgeloopen was, in veiligheid te brengen”. Veel voordeel hebben ze niet van de Chineezen gehad, daar ze steeds van de vloot afdwaalden, zich liever ophoudende in de nabijheid van de kust, dan in open zee. Na den 3en Maart verdwenen ze voor goed, waarover Muyser en zijn tochtgenooten zich echter niet al te zeer bedroefden, omdat ze meer last dan nut van hen hadden ondervonden. Van veel meer ongerief was het gebrek aan drinkwater, waardoor zij herhaaldelijk genoodzaakt waren aan land te gaan, om te zien of ze geen plaats konden ontdekken, waar dit geschikt te bekomen was. Den 15en was het geluk hen gunstig. Op 16° 15´ vonden zij een baai, door hen betiteld “Muyserbaai”, waar niet ver van het strand, het water uit drie aderen uit den grond te voorschijn kwam. De qualiteit was “schoon en liefelijck”, de quantiteit “soude men nauwelijks verwenschen”10. De inwoners toonden zich zeer vijandig en moesten door musketschoten op een afstand gehouden worden. Het land ingaande kwamen zij in een dorp, dat door de bewoners verlaten was. Er werd daar suikerriet en bananen aangetroffen. Muyser had streng bevel gegeven niets te beschadigen om te zien of de bewoners naderhand niet eenigszins gewilliger zouden toestaan, dat er water gehaald werd. Na hiervan een voldoende hoeveelheid ingenomen te hebben, kozen ze weder zee en ontdekten den 13en April zeven zeilen, welke zij dadelijk voor Spaansche herkenden. Toen deze vijandelijke vloot op hen afkwam, besloten Muyser en zijn raad verder zeewaarts te gaan, om de Spanjaarden van een aanval te weerhouden. Deze toch bleven liefst dicht onder de kust, om zich aldus in tijd van nood met een vaartuig, dat zij daartoe altijd tot hun beschikking hadden, gemakkelijk te kunnen redden. Zij schenen nu echter hunne beschroomdheid te overwinnen en trachtten de onzen in te halen, wat hun niet dadelijk gelukte, ofschoon het jacht De Haen slechts zeer langzaam vorderde. Maar den volgenden dag waren zij in de nabijheid der Hollanders gekomen en nu moest men wel tot het gevecht overgaan. Het jacht Victoria, dat voor den wind gaande zeer slecht bezeild was, zou door de bemanning, nadat het in brand gestoken was, verlaten worden, indien de galei er op afkwam. De schipper van dit jacht, een zekere Keyser, behoorde blijkbaar niet tot de heldhaftigen, daar hij al zeer spoedig bevel gaf het jacht te verlaten, “vóór het in eenig peryckel was”, schrijft Muyser, en zelf een der eersten was, die zich in de boot bevond, terwijl hij verzuimd had het aan de vlammen prijs te geven. Overigens ontvingen de drie Hollandsche schepen—De Fortuin en De Haen zeilden vooruit, daar zij niets konden uitrichten—de Spanjaarden zoo goed, dat zij moesten afdeinzen. Bij den tweeden aanval “trommelden (zij) er met (hun) driën gelijckelijck, principalijck op hunnen admirael soo op, dat zij genoodsaeckt waren ’t aen boort comen voor die tijt t’ excuseeren”. De Spaansche admiraalsvlag werd ingenomen en bleef gedurende twee uur om den stok geslagen, terwijl de galei tusschen het kleine jacht en het admiraalschip af- en aanvoer. De Hollanders veronderstelden, dat dit plaats had, omdat de admiraal Geronimo de Silva gesneuveld was en er een andere moest benoemd worden door de zich misschien aan boord van het jacht bevindende leden van de Audiencia. Dit was echter, zooals wij later zullen zien, niet het geval; maar wat ook de reden geweest zij, de aanval werd niet hernieuwd, de vijand liet de onzen langzamerhand van zich wegloopen en keerde zelf landwaarts. Reeds den volgenden dag besloten Muyser en zijn raad wederom naar de kust te zeilen, maar daar in de instructie uitdrukkelijk stond zich voor den vijand te wachten, zoolang de Nassausche vloot niet met hen vereenigd was, werd er bepaald zeven à acht mijlen van de kust heen en weer te kruisen. Den 17en Mei eerst mocht het hun gelukken, tenminste eenig resultaat van hun volharding te verkrijgen. Zij bemachtigden een jonk van Chinchu naar Manila gaande, waarop zich 219 Chineezen bevonden. De inhoud was van zeer weinig waarde. “Als gij hier waart geweest”, schrijft Muyser aan Sonck, “zoudt ge de jonk met lading en al in den grond of in brand hebben gestoken........ als alles op ’t strand gelegen had, ick meyne niet één van ons daarvoor 200 realen van achten had gegeven”11. Nadat alles van waarde er uit genomen was, werd de jonk verbrand, en daar de gezagvoerder meegedeeld had, dat er met hem nog vijf à zes dergelijke scheepjes waren uitgevaren, bleef men nog eenige dagen kruisen. Maar toen men niets meer ontdekte en ten laatste de hoop had opgegeven de Nassausche vloot nog te zullen aantreffen, besloot men den 22en Mei dit vaarwater te verlaten. De Noord-Holland werd met de gevangene Chineezen naar China gezonden om daar te wachten op den noordermoesson en dan verder naar Batavia door te zeilen. De Haen werd opgedragen naar Tayoean te gaan12 terwijl de overige schepen, Het wapen van Seelandt, Oranje en De Fortuin eerst Macao zouden aandoen en daarna naar Tayoean koers zetten. Tot nog toe had men niet veel menschenlevens te betreuren, slechts 26, terwijl er 20 zieken waren. Den 1en Juni kregen de laatstgenoemde schepen de kust van China in ’t gezicht, waar ze nog eenigen tijd bleven kruisen en het geluk hadden op de hoogte van Macao twee Portugeesche jachten buit te maken, waarvan er een in plaats van het verlorene Victoria gedoopt werd13, het andere, Tayoean. Den 7en zagen zij tot hun verwondering De Noord-Holland weder. Dit schip was door tegenwind opgehouden. Den 2en Juli ging het op nieuw naar Batavia onder zeil en kwam den 23en Nov. 1625 aldaar behouden aan. De Chineezen hadden het echter hard te verantwoorden gehad. Van de 219 waren er slechts 46 in leven gebleven en deze werden nog doodziek aan wal gebracht. Op denzelfden dag dat De Noord-Holland voor de tweede maal naar Batavia op weg ging, vertrok P. Muyser met Het wapen van Seelandt en het veroverde jacht Tayoean naar Formosa, terwijl De Oranje, De Fortuin en De Victoria nog eenigen tijd voor Macao zouden blijven kruisen. Pieter Muyser kon er zich niet op beroemen veel tot nut van de Compagnie te hebben uitgericht. Hiervoor was zijn vloot echter ook niet voldoende uitgerust. Terecht schrijft De Carpentier dan ook aan bewindhebbers: Het succes had grooter kunnen zijn, indien ’s lands vloot “haar ordre in het aandoen van Manilla beter hadde naergecomen, gelijck se sonder eenich verlet wel hadde conne doen”. Waarom het dan niet gebeurd is? Hierop is geen afdoend antwoord te geven. Misschien moet men de oorzaak zoeken in het ontijdig sterven van den admiraal van de Nassausche vloot, Jacques l’Hermite. Nog niet halfweg, moest hij reeds den 2en Juni 1624 den tol aan de natuur betalen en werd als admiraal opgevolgd door Gheen Huigen Schapenham. Deze beschrijft ons zijn tocht in een brief aan Carpentier14. Na den Spanjaarden op de kust van Amerika eenig nadeel te hebben berokkend, is de vloot naar het eiland Puna gezeild, van waar zij naar Acapulco vertrok om er den 28en Oct. aan te komen. Daar bleven zij kruisen tot eind Nov., waarna het besluit genomen werd naar de Ladrones over te steken, omdat de tijd waarop de schepen gewoonlijk uit Manila in Acapulco kwamen toch voorbij was. Den 26en Januari 1625 werden de ankers voor de Ladrones uitgeworpen: “en na ons alhier eenigszins ververscht te hebben,” schrijft Schapenham, “soo is bij mij ende den Raedt geresolveert, dat men de enterprise, die ons bij de instructie belast wordt, op de chineesche joncken in de Manilhas in het werck te stellen, soude laten berusten ende ons cours recht toe naer de Moluccas stellen om dies wille, dat het de vlote, die als doen maer van drie maenden victualie voorzien was, onmogelick soude geweest zijn, de comste van de Chineesche joncken in de maendt van April te verwachten, maer door faulte van vivres genoodsaekt zijn geweest voor de comste derselver uit de Manilhas te scheijden”. Schapenham wist dus niet, dat de vloot onder Muijser hem voor Manila zou opwachten met levensmiddelen. Het stond trouwens ook niet in de instructie15. Mij rest nu nog slechts te melden, dat de admiraal van de Spaansche vloot, Geronimo de Silva, die tegen Muijser slag had geleverd, niet was gesneuveld, zooals de Hollanders dachten, maar behouden met de vloot in Manila was teruggekeerd. Zeer tevreden was men echter niet over zijn beleid. Hij had meende men, wel eenige schepen kunnen veroveren en werd dientengevolge wegens nalatigheid gevangen gezet en eerst bevrijd na de aankomst van den nieuwen, uit Amerika gezonden gouverneur, ad interim, Don Fernando de Silva16.