Note 1 — Hoofdstuk V.
Reading edition
Wij hebben gezien, dat de Nederlanders alle pogingen in het werk stelden om den winstgevenden Chineeschen handel aan de Spanjaarden te onttrekken. In dezen zelfden tijd werd tegen de Spanjaarden in de Molukken slechts zeer weinig, zoo goed als niets ondernomen. Reeds is er door mij op gewezen, dat Lam door J. P. Coen werd teruggeroepen, daar hij de bevelen omtrent het slechten der forten niet had uitgevoerd, terwijl ook het feit, dat hij de Ternatanen hulp had verleend tegen de Tidoreezen en Spanjaarden, Coen’s misnoegen had verwekt. De Houtman werd als zijn opvolger aangewezen. Maar ook deze vond, evenals de meeste ambtenaren in de Molukken, de hem in zijn instructie meegegeven bevelen verkeerd. Ontnamen wij den Ternatanen de hen beschermende forten, dan zouden zij zich vereenigen met de Tidoreezen en de Spanjaarden en zeker onze ergste vijanden worden, meenden De Houtman en zijn raden. Coen was het echter niet met hem eens en dus werd De Houtman eveneens teruggeroepen en in Maart 1623 vervangen door Jacques le Febvre. Wij zien, Coen hield hardnekkig vast aan zijn eens genomen besluit en zijn opvolger Pieter de Carpentier drukte nauwkeurig zijn voetstappen. De gelden, die de Compagnie jaarlijks moest uitgeven voor de Molukken, waren niet evenredig met de voordeelen. De kosten moesten verminderd worden en dus—enkele forten gesloopt! Hadden wij dan al onze krachten op de kust van China en tegen de Philippijnen verspild? Waren wij niet bij machte de Spanjaarden uit de Molukken te verdrijven, zooals De Houtman dit wilde? Was dit geschied, zou men dan niet op betere wijze tot vermindering van uitgaven zijn gekomen? Volgens Coen, niet. Hij wantrouwde de Ternatanen, ook dan wanneer zij schenen onze vriendschap te zoeken. Hij zag wel in, dat zij zeer gaarne hun gewesten hadden bevrijd van vreemdelingen, die hen dwongen hunne producten voor minder dan de helft van de waarde af te staan, terwijl dat mindere dan nog werd betaald in rijst en kleederen van twijfelachtige qualiteit. Dat nu deze Ternatanen ook aandrongen op de verdrijving van de Spanjaarden, zou Coen reeds huiverig gemaakt hebben aan hun verlangen te voldoen, maar er was meer. Hij begreep, dat ze door de nabijheid der Spanjaarden ook beter in bedwang werden gehouden, daar zij onzen steun niet konden missen, zoolang de Spanjaarden hen bedreigden. Bovendien zouden wij ons nog op andere wijze benadeelen door het nemen der Spaansche forten. Men liep dan toch gevaar, dat de Engelschen, volgens het ons bekende in 1619 gesloten accoord, aanspraak zouden maken op het medebezit van het veroverde. Dit waren dus de eigenlijke redenen, waarom de Nederlanders zoo weinig in de Molukken tegen hunne vijanden uitrichtten. Ofschoon de macht der O.-I. Compagnie in de Molukken in deze jaren zeer gering was,—Le Febvre schreef in 1624 dat hij slechts één jacht, dat lek was, tot zijn beschikking had1,—ondernamen de Spanjaarden toch niets tegen ons. Zij waren daartoe niet in staat en hadden in de Molukken gebrek aan alles. Steeds werden de Tidoreezen gepaaid met beloften, maar de hulp die opdaagde, was ternauwernood voldoende om de zaken loopende te houden. De vriendschap der Ternatanen voor ons nam toe of af, alnaarmate de hulp, die de Spanjaarden uit Manila ontvingen, klein of groot was. In 1624 werden er zelfs door den gouverneur-generaal en raden aan de bewindhebbers geruchten meegedeeld van een vereeniging van de Spanjaarden, Tidoreezen en Ternatanen tegen ons. Deze geruchten bleken waarheid te bevatten. In Mei 1623 was de nieuwe Spaansche gouverneur der Molukken, Pedro de Heredia, met een vrij groote macht, twee galeien, drie kleine fregatten en nog een ander vaartuig, uit Manila gearriveerd, waarvan de genoemde vereeniging het gevolg was geweest. Bovendien werd de komst van nog twee galeien in ’t vooruitzicht gesteld. Le Febvre zag hier tegen een harden strijd tegemoet en vroeg dus een versterking van twee à drie schepen. Ofschoon gouverneur-generaal en raden niet geloofden, dat het zoo’n vaart zou loopen, stuurden zij toch een flink schip, De Trouw, met 109 koppen naar de Molukken. Men had in Batavia echter goed gezien. De Ternatanen konden ter wille van den buit niet nalaten een klein Portugeesch fregat te nemen, wat natuurlijk den oorlog met de Spanjaarden weder deed uitbreken. Met de Tidoreezen bleven zij echter in vrede2. In de Molukken was dus voor de Spanjaarden, tengevolge van de door de Nederlanders gevoerde politiek, de toestand wel eenigszins verbeterd. Wij hebben, in het vorig hoofdstuk gezien, dat de handel in Manila zeer was achteruitgegaan, waardoor alles er zeer duur was geworden en dat ernstige klachten tegen den gouverneur Fajardo waren ingebracht. Ondanks dien tegenspoed,—misschien was het, den aard der Spanjaarden in aanmerking genomen, beter gezegd, tengevolge van dien tegenspoed,—betoonden de Spanjaarden in 1623 en volgende jaren een grootere bedrijvigheid. Naar Japan hadden zij in 1623 een ambassadeur gezonden met groote geschenken voor den keizer, om dezen gunstig te stemmen voor een hernieuwing van de vriendschapsbetrekkingen met Spanje en hem den dood van Philips III mede te deelen. Dit mislukte echter. De geschenken, waaronder een gouden servies, een wagen met muildieren enz. werden geweigerd en de gezant keerde onverrichterzake naar Manila terug met een uit Nova-Spanje gekomen schip, dat met 300 koppen bemand was3. De vrij aanzienlijke macht, die onder Heredia in de Molukken was aangekomen, moest niet alleen dienen om de forten op genoemde eilanden te versterken, maar was tevens bestemd tot vestiging van de Spaansche macht te Menado op Celebes door het stichten van een fort aldaar, dat de Spanjaarden, uit Manila naar de Molukken komende, dan eerst zouden aandoen om volk en levensmiddelen in te nemen. Ook Macao was op verzoek der Portugeezen in hetzelfde jaar met een afdeeling van 120 soldaten van Manila uit versterkt4. Toen in 1624 de gehate Fajardo was gestorven, werd de ons bekende oud-gouverneur der Molukken Geronimo de Silva wederom, evenals na den dood van Don Juan de Silva, tot gouverneur ad interim benoemd5. Er waren dit jaar twee schepen uit Amerika te Manila aangekomen met een groot kapitaal aan zilver en veel soldaten, en hiervan maakte de nieuwe gouverneur gebruik om de Molukken te versterken met twee fregatten, uit Otong daarheen gezonden. Ook was een eskader naar de Molukken onderweg geweest, maar teruggekeerd, omdat de vlootvoogd en veel volk onderweg gestorven waren6. Op de rivier van Siam werd er zelfs offensief opgetreden door de Spanjaarden. Het jacht Cleen Zeeland, 16000 realen Japansch zilver en “twee cassen roode lakenen” inhebbende, werd den 26en Aug. 1624 door hen genomen. De Siameezen maakten op bevel van hun koning, daartoe door de onzen aangezet, het jacht den Spanjaarden wel is waar weder afhandig en gaven het ons terug, maar de inhoud was en bleef zoek7. Het laatste wat door Geronimo de Silva tijdens zijn gouverneurschap tegen de onzen werd ondernomen, was een poging om een Hollandsche scheepsmacht uit de Philippijnsche wateren te verdrijven.