← Table of contents
De Nederlanders in de Philippijnsche Wateren vóór 1626

Note 8 — Hoofdstuk V.

Reading edition

Hierna werd bijna onafgebroken de handel der Chineezen op Manila belemmerd door de aanwezigheid van Hollandsche vaartuigen op de kust van China, hetzij uitgezonden om te onderhandelen, hetzij bepaaldelijk om te kruisen. Tot laatstgenoemd doel bevonden zich De Groningen en De Engelsche Beer aldaar van 21 Juli tot 21 Sept. Nadat men de hoop om langs vredelievenden weg8 den Chineeschen handel te bekomen opgegeven en daarom den 2en Oct. den oorlog verklaard had, werd Nieuweroode er den 17en met acht schepen heen gezonden, die in het geheel 50 koopvaardij- en 30 oorlogsjonken vernietigden. Den 7en Dec. keerde Van Nieuweroode naar de Pescadores terug en veroverde op den tocht daarheen nog een jonk, die op weg was naar Manila, met een lading van “cleeden en weynich zijde” ter waarde van ƒ 9000. In de baai van Amoy had hij nog vier schepen achtergelaten onder bevel van den opperkoopman Sael. Wel is waar werden door dezen spoedig hierna de vijandelijkheden gestaakt en weder onderhandelingen aangeknoopt, maar voor de Manila-vaarders bleef de haven gesloten. Ja er waren in Amoy zelfs plakkaten aangeslagen, waarin verboden werd naar eenige Spaansche of Portugeesche plaats te varen, omdat de oorlog daaruit ontstaan was. Toch werd door dit alles volgens de meening van Reyersz en zijn raad de handel op Manila nog niet geheel verhinderd, zoodat zij den 14en Aug. besloten het schip De Zierikzee en De Goede Hoope, benevens een jacht, “soo hetzelfde connen missen”, naar de Philippijnen te zenden om op de jonken, die ons te Chinchu mochten ontsnappen, te kruisen en van daar naar kaap Spiritu Sancto te gaan om de zilverschepen buit te maken. Aan dit besluit konden zij echter voorloopig geen gevolg geven. Den 11en Nov. zagen zij zich gedwongen van hun voornemen af te zien. Het groot aantal zieken was hiervan de oorzaak, terwijl ze bovendien meenden niet te kunnen rekenen op de hun toegezegde hulp, die onder commandeur Jansz zich uit Japan bij hen zou vervoegen, maar naar hunne berekening wel voorbij de Pescadores was gedreven. Ook Nieuweroode was, vreesden zij, door den moesson te veel zuidwaarts gedrongen om er zich nog tegen te kunnen opwerken9. Eerst in het volgend jaar zou het plan tot uitvoer komen. Nadat Reyersz de onderhandelingen, door Sael opnieuw opgevat, voortgezet had en daarvoor zelfs, zooals wij gezien hebben, eene reis had gedaan naar den in Hoktsioe zetelenden gouverneur, keerde hij over Amoy terug. Hij had, zonder het ooit van plan geweest te zijn, den gouverneur beloofd de Pescadores te verlaten. Over het opgeven van den handel op Manila had hij niet eens durven spreken. Toch werd hem nog in Amoy zijnde verteld, “dat de gouverneur een houten bord in zijn provincie heeft laeten omdragen datter niemand en zoude vermoogen van dat jaer naer eenige onzer vijanden plaetse vaeren, oock mede geen zijde waeren uyt laeten voeren, anders dan de twee voorname joncken, die naer Batavia souden gaen”10. Dit verbod is echter óf nooit uitgevaardigd óf spoedig ontdoken, want den 15en Maart 1623 naar Pehou teruggekeerd, hoorde Reyersz den 2en April reeds, dat er twee jonken uit Amoy waren vertrokken naar Siam en eenige naar Manila, terwijl acht of tien dagen later nog eenige naar laatstgenoemde plaats hoopten onder zeil te gaan. Reeds voor Reyersz dit ter oore was gekomen, had hij den 29en Maart besloten een schip naar Manila te zenden om den handel op die plaats te belemmeren, maar nu de Chineezen aldus “contrarie haer belofte” handelden, kwam men den 6en April in zooverre op die resolutie terug, dat er niet één maar twee schepen heen gezonden zouden worden, te weten De Zierikzee en De Engelsche Beer, die “met d’ allereerste bequamen wint ende weder na de Manilhas sullen vertrecken, om aldaer op de joncquen te passen, ende soo lange op do cust te houden, als gevoechlijck can geschieden, al waer het tot ultmo. May, ende alsdan van daer vertrecken na Maccauw”11. Tot opperbevelhebber over deze beide schepen werd aangesteld Theunis Jacobsz Engel, schipper van De Zierikzee. Den 7en April gingen ze onder zeil en keerden 4 Juni terug. Zij hadden op de kust van Luçon twee jonken buit gemaakt, die zij, na bemanning en lading er uitgelicht te hebben, aan de vlammen prijs gaven. Een derde jonk, die den 18en Mei op den terugweg werd veroverd, namen zij mede. De waarde van de veroverde goederen was zeer gering, maar het aantal gevangen gemaakte Chineezen bedroeg het vrij aanzienlijke getal van 800. Naar de kust van China12 werden hierna nog herhaaldelijk tochten ondernomen. Van den 30en Juni tot 16 Aug. kruisten daar vier schepen, onder bevel van den ons bekenden Christiaan Francxz. Nog den 20en van dezelfde maand ging Reyersz naar Amoy met vier schepen om nu weder eens te pogen met de Chineezen in onderhandeling te treden. Voor Manila bleef dit echter hetzelfde. We lezen dit duidelijk uit een brief door Reyersz, aldaar zijnde, aan den totock Chiam Soutchia geschreven. “Ons is niet onbekent, dat UE ondersaten vele jaren met die van Manilha gehandelt hebben. UE is ook niet ontwist dat die van Manilha ende Macau ons doodtvijanden zijn, derhalven volgens den last van onsen prins niet connen toelaten, dat hun van eenige natien toevoer geschieden”13. De haven bleef bezet tot 6 Sept, den datum waarop Reyersz weder naar de Pescadores vertrok; maar den 5en Oct. werd Francxz er reeds weder met vier schepen heengezonden om de onderhandelingen voort te zetten. Ook hij had geen succes, maar werd op verraderlijke wijze door de Chineezen gevangen genomen, waarna de schepen werden terug geroepen. Het gevolg van het verraad der Chineezen was, dat den 20en Jan. 1624 drie schepen naar Amoy onder zeil gingen om over die trouwelooze daad wraak te nemen. Van deze keerde De Engelsche Beer niet naar de Pescadores terug, maar kwam den 30en Maart in Batavia aan. Van de beide andere vaartuigen staat niets vermeld; wij kunnen alleen nagaan, dat zij eenigen tijd gekruist hebben langs de Chineesche kust. Nemen we nu nog in aanmerking, dat behalve door deze gemelde tochten, de zee voortdurend onveilig werd gemaakt door schepen die af- en aanvoeren van Batavia naar Pehou, dan wekt het zeker onze bewondering, dat er nog Chineezen gevonden werden, die ondanks de gevaren, waaraan zij zich blootstelden, den moed bezaten naar Manila over te steken. Dat echter alle opofferingen, die men zich gedurende twee jaar had getroost om het monopolie te verkrijgen, geheel nutteloos waren geweest, zooals Groeneveldt betoogt, is mijns inziens onjuist14. Wij hadden onzen vijanden zeer zeker een geduchte schade berokkend. Deze te berekenen is natuurlijk niet doenlijk, daar de vrees om in handen der Hollanders te vallen minstens even vele jonken heeft weerhouden, als er door ons genomen zijn. ’t Is waar, gouverneur-generaal en raden schrijven spijtig aan bewindhebbers: “Sij en wij hebben nu oock bij experientie bevonden, dat we alle canalen van de rivier van Chincheo niet bezet kunnen houden; item, dat onse sobere macht de ruime see soo niet besetten can ofte van 26 joncken, die ’t voorleden jaer van Chincheo en andere quartieren gegaen zijn, echappeerten ongelijk meer als er genomen werden”15. Voor Carpentier is het dan ook eene teleurstelling geweest, dat zij den handel der Chineezen niet met één slag konden doen ophouden. Hij, hierin gesuggereerd door zijn voorganger Coen, had er stellig op gerekend, en toen dit niet mogelijk bleek, was spijt natuurlijk de grondtoon van zijn schrijven en kon hij er niet mee tevreden zijn alleen te hebben verkregen, dat Manila was achteruitgegaan. Door het turen naar het begeerlijk doel, monopolie, was men blind voor het reeds verworven voordeel. Toch was het niet onbekend, dat Manila veel schade leed. Een gezaghebber van een Portugeesch navet had medegedeeld, dat er maar één klein scheepje uit Nova-Spanje met 200.000 realen in Manila was aangekomen, terwijl er nog drie andere verwacht werden. Volgens hem stond de handel daar slecht. In twee jaar waren er geen Chineesche jonken geweest en geen schepen uit Japan of Macao, dan een klein Portugeesch vaartuig met hout. Van daar dan ook, dat vele inwoners naar Nova-Spanje verhuisden. Ja, indien er in Europa geen algemeene vrede werd gemaakt, dan zou men den geheelen Portugeeschen en Spaanschen staat in Indië voor verloren kunnen houden. Ook vermeldde dezelfde berichtgever nog, dat er eenige galjoenen en galeien op stapel waren gezet16. Deze berichten waren, het valt niet te ontkennen, overdreven. In 1623 waren in Amoy nog aan 14 jonken passen gegeven voor Manila. De mededeeling echter omtrent Manila’s achteruitgang wordt bevestigd door een brief van Pieter de Carpentier aan bewindhebbers, waarin hij schrijft, dat in Wancan, een plaats omtrent zeven mijlen benoorden Tayouan, een jonkje uit Manila was aangekomen, waarvan de gezagvoerder had gezegd, dat in 1624 geene Chineesche jonken in Manila geweest waren en dat vele Chineezen en Japanners vandaar vertrokken “wegens de doode neeringen en tevens ’t quaet tractement van de Spanjaarden”17. Ook het bericht, dat er een Spaansche vloot werd uitgerust, is juist18. De Spanjaarden hoopten hiermee de onzen van de kust van China te verjagen19. Zoover is het niet gekomen, maar er blijkt uit, dat zij er zeer veel aan hechtten, er groote onkosten voor over hadden om den handel op China wederom onbelemmerd te zien20.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings