Note 1 — Hoofdstuk V.
Reading edition
Terwijl W. Jansz. met zijn vloot in 1622 voor Manila lag, was de toestand, waarin zich de Spanjaarden bevonden, oogenschijnlijk verre van rooskleurig. De inwoners van Cagayan in het noorden van Luçon en Zanbales op de westkust van dat eiland waren tegen hen in opstand; in Manila waren de levensbehoeften tot ongekend hoogen prijs gestegen, hoofdzakelijk, omdat wij de haven geblokkeerd hielden1, en over hun gouverneur Fajardo hadden zij volstrekt geen redenen om tevreden te zijn. Integendeel, de Audiencia van Manila had reeds in 1621 herhaaldelijk haar beklag over hem ingediend bij den koning en om een nieuwen gouverneur verzocht. Zij verweet hem in drie jaar tijds drie millioen onnut te hebben verspild, zonder dat hij iets tegen den vijand had uitgericht en daartegenover één millioen als particulier eigendom naar Nova Spanje had gezonden2. Toch hadden de Spanjaarden en de Portugeezen tot het jaar 1622 nog geen reden tot klagen. Hoeveel hun handel met China en Japan alleen nog beteekende, leeren wij uit de berichten van Coen aan bewindhebbers. Den 20en Dec. 1621 schreef hij3, dat zes fregatten dat jaar van Macao naar Japan waren gegaan met een waarde van ± drie millioen gulden, terwijl wij uit een volgend bericht van hem4 vernemen, dat den 2en Aug. 1621 twee schepen van Manila naar Nova Spanje waren vertrokken, waarvan er een te Mindoro was gestrand. Het verlies hiervan werd geschat op vijf millioen. Die van Macao, verhaalt hij in denzelfden brief, zonden jaarlijks een kapitaal van 4 à 5000 taels in kleine scheepjes naar Japan en zouden dit jaar wel het dubbele of drie millioen gulden in retour bekomen. Niet minder hadden zij dit jaar naar Manila gezonden. Volgens Coen’s berekening zou de vijand in het geheel wel een 50 millioen alleen aan kapitaal in Indië gebruiken. En dan meenen bewindhebbers al heel wat te doen als zij jaarlijks 5 à 600,000 realen zenden; maar het is een boon in een brouwketel. Geen wonder, dat Coen alles wilde aanwenden om dezen handel, al was het slechts voor een deel, tot ons te trekken. Nadat hij herhaaldelijk hierover aan bewindhebbers had geschreven, gaven deze hem in 1620 en 21 hun wensch te kennen, dat hij op de kust van China een handelsstation zou vestigen.