Note 9 — Hoofdstuk V.
Reading edition
De orde werd op genoemden tweeden tocht beter gehandhaafd. Coen schrijft hierover9: “Desen tocht is redelyck en vredich gegaen, ’t schijnt, dat ’t ééne mes ’t andere in de schede gehouden heeft; d’ eerste reys dreeft d’ een d’ ander met gewelt uytde joncken. In Firando wapende hun d’ een tegen d’ ander, vochten niet weinich ende eenige bleven doodt, waarop den Raedt elck over de syne recht deedt, maer deze reys is ’t Godt loff beter gegaen”9. Toch zouden deze gezamenlijke ondernemingen niet meer hervat worden. De Engelschen waren niet in staat ze verder voort te zetten, tengevolge waarvan Adams dan ook bevel had ontvangen met zijne schepen terug te keeren. Ook de Nederlanders wenschten dergelijke tochten niet meer. Coen had aan Willem Jansz opgedragen zich op behendige wijze van de Engelschen te ontslaan door te zeggen, dat hij niets meer in Japan te doen had, maar op avontuur naar Patani, Chiampa of China wilde varen. Hij moest zich dan vereenigen met de vloot, die in April 1622 van Batavia naar China was gezonden10. Overeenkomstig dezen last vertrok Jansz 18 Sept. 1622 uit Japan naar Pehou; den 25en stak echter een hevige storm op, waardoor hij genoodzaakt werd terug te keeren. Maar niet alle schepen liepen behouden te Firando binnen. De St. Crux11 leed schipbreuk. Den 27en Oct. poogde Le Febvre met drie en 5 Nov. de admiraal W. Jansz nogmaals, eveneens met drie schepen, den door Coen gegeven last op te volgen, maar vergeefs. De vaartuigen geraakten van elkander en door het onstuimige weder bezuiden de Pescadores, waarna zij genoodzaakt waren door te zeilen naar Batavia. Achtereenvolgens kwamen ze hier behouden aan.