Note 6 — Hoofdstuk V.
Reading edition
Het jaar 1619 dreigde ons ook op andere wijze niet gunstig te zullen zijn. In Jan. toch kwam Kaitsjil Soliman, zoon en gezant van den koning van Mindanao, steun van de Compagnie verzoeken tegenover den koning van Boaya, die vertegenwoordigd werd door den reeds verdreven vorst van Sarangani. Gouverneur-generaal en raden wenschten door partij te kiezen niet een der vorsten in de armen der Spanjaarden te voeren en bewandelden dus een middelweg. Beide vorsten werden met een kluitje in ’t riet gestuurd. Coen en later Lam, aan wien de beslissing door den gouverneur-generaal was overgelaten, zeiden, dat zij eerst wilden trachten de twee vorsten te verzoenen, daar beide toch vrienden van ons waren, dat wij zeker wel een gezantschap zouden hebben gestuurd om de verzoening tot stand te helpen brengen, maar dat wij daarvoor, wegens de twisten met de Engelschen, nu geen schip konden missen. Ook waarschuwde Lam in een brief, aan Kaitsjil Soliman voor diens vader meegegeven, voor de geheime bedoelingen van hun gezamenlijke vijanden, de Spanjaarden, om vijandschap en twist te verwekken en hen dan op het onvoorzienst te overvallen en “tot de uiterste extremiteiten” te brengen6. Op deze wijze wist men nog gelukkig de goede verstandhouding met beide vorsten te bewaren. Het moet dezen echter wel wat vreemd voorgekomen zijn, dat de Hollanders het volgend jaar wel weder schepen beschikbaar hadden voor een tocht naar de Philippijnen. Nu had men het echter niet gemunt op Chineesche jonken. Dezen keer hoopte men Manila in één slag geducht te knakken en zich een grooten buit te verschaffen. Men wilde toch het zilverschip van Acapulco vermeesteren. Mocht dit gelukken, dan werd den Spaanschen handel een gevoelig, ja bijna onoverkomelijk verlies toegebracht. Met dit doel had Coen aan Van Speult, den gouverneur van Ambon, in een geheim gehouden lastbrief opgedragen den 1en of uiterlijk half April drie schepen uit te zenden naar kaap Spiritu Sancto op 12½° N.B. Van Speult kon zich echter niet stipt aan den tijd houden, omdat de schepen, waarmee hij moest uitzeilen, te laat in Ambon aankwamen. Den 13en Mei 1620 eerst verlieten De St. Michiel, De Swaen en De Expeditie van Ambon onder bevel van Bartholomeus v. Spilbergen7 het eiland Ambon. Coen meende gegronde hoop te mogen koesteren op het welslagen van den tocht, daar een Spaansche stuurman, die reeds tweemaal de reis van Acapulco naar Manila meegemaakt had, zich als gevangene op de vloot bevond. Eerst moesten zij, volgens den wil van Coen, Ternate aandoen om den vijand geheel en al te misleiden en daarna tot het laatst van Juni omtrent Kaap Spiritu Sancto kruisen. En waarlijk, het geluk scheen Spilbergen te dienen. Den 26en Juni kwamen de zilverschepen in het gezicht. Gewoonlijk werd het zilver door slechts één schip overgebracht, dezen keer waren het er drie8 onder bevel van Fernando de Ayala. In de meening dat het schepen waren, die de in 1618 nieuwbenoemde gouverneur der Philippijnen Fajardo, hun tegemoet gezonden had, kwamen zij met volle zeilen op de Hollanders af. Na zonsondergang waren zij zoo dicht genaderd, dat zij van weerszijden elkander konden hooren spreken. Toen eerst ontdekten de Spanjaarden hun vergissing. Door de ingevallen duisternis en het ruwe weer gelukte het hun te ontkomen. Een der schepen werd echter door de Hollanders op het strand van Albay (ten Noorden van de straat van Bernardino) gedrongen. Aan Coen werd bericht, dat het twee millioen zilver in had. Deze schreef hierop aan bewindhebbers: “’t Heeft Godt niet gelieft, dat die becomen zouden, want daer d’onze meenden, dat het zilverschip al hadden, zijn door een uit der maten grooten storm daer van geraect en alle te samen in groot peryckel van stranden gecomen”9. In denzelfden brief meldt Coen, dat naar men zegt, het zilver door de Spanjaarden geborgen is en dit stemt overeen met de door Blumentritt gebruikte Spaansche bronnen. Ayala liet het, nu op zijn hoede voor de Hollanders, over Borongan aan de kust van Samar met karren naar Manila voeren. Van onze drie schepen kwamen slechts De Expeditie van Ambon en De Swaen behouden te Firando. De Expeditie echter ging, reeds in behouden haven, toch nog voor onze vloot verloren, daar het door harden wind in de haven omsloeg. Van de St. Michiel, waarop Spilberghen was, werd nimmermeer iets vernomen. “Waarschijnlijk”, schrijft Coen, “is het met man en muis in de storm gesoncken”10.