← Table of contents
De Nederlanders in de Philippijnsche Wateren vóór 1626

Note 14 — Hoofdstuk III.

Reading edition

Het is te verwonderen dat de Hollanders, ondanks deze tochten buiten de baai van Manila, niets hebben bemerkt van hen, wier bondgenootschap zij in dezen zoo uitnemend hadden kunnen gebruiken, nl. de Mindanaers. Deze maakten gebruik van de gelegenheid, dat de Hollanders de baai bezet hielden, om zooveel mogelijk te rooven en te vrijbuiten. Eerst hadden zij aan de kust van Camarines een daar op stapel staand schip en twee jachten verbrand en dertig Spanjaarden gevankelijk meegevoerd, en verder hun strooptochten uitgestrekt tot Panay. Hier werden zij echter door den reeds boven genoemden Quinones verslagen en uit elkaar gedreven. Een andere afdeeling der Mindanaers op Balayan, aan de zuidkust van Luçon geland, vernielde daar een magazijn van touwwerk der Spanjaarden. Aan deze strooptochten trachtten onze vijanden een einde te maken. Twee galeien wisten de Hollanders te verschalken door bij nacht uit Cavite te sluipen. Zij staken naar Mindoro over, waar zich de vloot der Mindanaers bevond, maar konden door den wind de rivier niet op zeilen, waarvan de Mindanaers gebruik maakten, om zich zoo snel zij konden te verwijderen. Gelukkig voor de Spanjaarden, dat Lam niet wist, hoe dicht in zijne nabijheid zich bondgenooten bevonden14. Den 7en Maart besloten de Hollanders naar Wittertseiland, een der Islas Hermanas, te zeilen, omdat zij daar beter op de Chineesche jonken konden letten. Zij vertoefden er eenige dagen, toen een Japansch gezagvoerder zich bij hen vervoegde. Deze zeide een der door de Spanjaarden uitgezonden boodschappers te zijn, die in last hadden de Chineesche jonken te Ilocos, Pangasinan of Capo Fraile, op de westkust van Luçon, te waarschuwen. De Japanner vroeg en verkreeg als belooning voor zijn bericht een Chineesche jonk en een Hollandschen stuurman, om zich daarmee naar Japan te begeven. Dadelijk werd De Aeolus (dit was dus voor de derde maal) naar Ilocos gezonden, drie dagen later, den 23en Maart, gevolgd door De Engel van Delft. Den 6en April zette het schip De Roode Leeuw koers daarheen om De Engel terug te roepen. De Nieuwe Maen en Ter Veer werden naar Wittertseiland gestuurd om De Aeolus, die met twee buitgemaakte jonken tot daar teruggekeerd was, in het lossen te helpen, en De Vlissingen naar Pangasinan, om daar De Aeolus te vervangen. Zoo had Lam dus slechts drie schepen: De Nieuwe Son, De Oude Son en De Oude Maen, onder zijn onmiddellijk bevel, toen hij den 14en April een vijandelijke scheepsmacht op zich zag afkomen. Deze vloot, onder bevel van Ronquillo, bestond uit zeven groote galjoenen, waarvan het admiraalschip uitstekend gemonteerd was, drie galeien, een jacht en nog eenige kleinere vaartuigen. Lam retireerde met zijn drie schepen naar de andere drie, die bij Wittertseiland lagen, waarmee hij zich ’s avonds nog kon vereenigen. Na gehouden scheepsraad werd den volgenden dag het besluit genomen nog verder noordwaarts te retireeren, om zich zoodoende bij de laatste drie: De Roode Leeuw, De Vlissingen en De Engel te voegen15. Dit mislukte door de betere bezeildheid van drie der Spaansche schepen, waardoor zij gedwongen werden bij te draaien. Gezamenlijk besloten zij nu het admiraalschip aan te tasten. Maar na elk schip, dat voorbij voer, de volle laag met interest teruggegeven te hebben, vond ook Ronquillo het raadzamer eerst zijn overige schepen, die hij vooruitgezeild was, af te wachten, zoodat er dien dag niet meer gevochten werd. Den volgenden dag begon eerst de eigenlijke strijd. De Spaansche admiraal enterde het schip van Lam, De Nieuwe Son. Drie uur duurde het gevecht, waarna de Spanjaard, uit vrees van te zinken, de enterdreggen doorhakte om zich te redden. Ook het Hollandsche admiraalschip was geheel doornageld en verdween weldra in de diepte. Gelukkig dat Lam en het volk zich hadden kunnen redden op De Oude Son. De Ter Veer ging in vlammen op; De Aeolus werd reddeloos geschoten en is daarna “opgesprongen” zegt ’t Hoofling, de vice-admiraal van de vloot. “De swaerste furie van deze batailie was geëndicht” en de drie overige schepen: De Oude Son, De Nieuwe Maen en De Oude Maen namen de vlucht, elk zijns weegs koers zettende naar Ternate. De Oude Son werd echter door tegenwind hierin verhinderd, waarop zij besloten naar Patani te zeilen om aldaar de gekwetsten, waarvan er zich meer dan 70 op het schip bevonden, te ververschen. Maar toen ook dit de tegenwind belette, trachtten zij, langs de kust van Kambodja loopende, eenige ververschingen in te nemen. Den 21en Mei gelukte het hun ten laatste met veel moeite om daar levensmiddelen voor drie maanden te koopen, waarna zij besloten eerst naar Macao te zeilen en vandaar met den noordermoesson Ternate op te zoeken16. Terwijl zij met dit doel langs de Chineesche kust voeren, werd de hoop op buit weder bij hen wakker en gaven zij er de voorkeur aan te trachten de karak, die jaarlijks van Macao naar Japan voer, of eenige der Chineesche jonken, die op Manila handel dreven “waar te nemen”17. Dit kwam bijzonder overeen met den wensch van Coen, want den 20en ontmoetten zij twee schepen: De Zwarte Leeuw en De Galjas18 van Hoorn, die den 9en Mei Bantam hadden verlaten met een instructie, welke op hetzelfde neerkwam. Zij namen nu het besluit om gezamenlijk naar Nagasaki te zeilen en als de karak zich daar reeds bevond, deze desnoods tegen den wil der Japanners in de haven aan te tasten. Dit werd echter om verschillende redenen ondanks den uitdrukkelijken last van Coen nagelaten. Zij hadden nl. bericht gekregen, dat van twee Hollandsche schepen, te weten De Roode Leeuw19 en Vlissingen, en een Chineesche jonk, die voor Firando lagen, De Roode Leeuw, na zijn goederen reeds te hebben gelost, alsook de Chineesche jonk door storm op den wal waren geworpen, en vreesden nu, dat de Japanners deze goederen in ruil voor de karak in beslag zouden nemen. Zij staken dus weer in zee en besloten eerst het advies van Specx, vertegenwoordiger van de O.-I. Compagnie in Japan, af te wachten. Ook dit luidde ontkennend. De kraak lag, aldus verontschuldigde Specx zich bij Coen20, in de haven van Sassinots onder het eiland Amacusa (10 mijlen bezuiden Nagasaki), en het was niet mogelijk een aanval op haar te wagen, daar de haven nauw besloten was en er een harde tegenwind blies. Ook vreesde Specx dat wij dan met de Japanners in onmin zouden komen en wij daardoor de rijst zouden missen, die van hieruit vooral naar de Molukken werd gestuurd, sinds wij die, na de oneenigheid met Makasar, niet meer vandaar konden bekomen. Toen de kraak daar nog niet in de haven lag, had Specx plan gehad De Roode Leeuw uit te zenden om haar op te zoeken21; maar een zware typhon had dit belet. Nadat Lam en de zijnen besloten hadden, de kraak niet aan te tasten, zeilden zij naar Firando. Hier werd den 8en Aug. bepaald, dat De Swarte Leeuw met de buit gemaakte goederen naar Bantam zou gaan. De Roode Leeuw, die men niet had kunnen lichten, werd gesloopt en Lam ging, na op De Vlissingen te zijn overgegaan, in Jan. 1618 met provisie naar de Molukken onder zeil, en wierp 11 Febr. 1618 voor Ternate het anker uit. De Nieuwe- en Oude Maen, met Lam den Spanjaarden ontvlucht, waren 7 Aug. 1617 behouden aldaar aangekomen, gelijk het zevende schip De Engel reeds den 27en Juni van dat jaar22. De Oude Son met De Galjas zouden nog een poging wagen om de karak, die met zilver naar Macao ging, te vermeesteren en daarna naar Cochin-China varen. In de instructie van Coen, aan De Swarte Leeuw en De Galjas gegeven, stond nl. uitdrukkelijk, dat zij, zoo zij de kraak misten, naar Cochin-China moesten zeilen om aldaar te trachten handelsbetrekkingen aan te knoopen, en gelukte dit niet, dan de Chineezen vandaar “gelijck van Manila soecken te wercken om hun alsoo t’ onswaerts te dringen”.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings