Note 4 — Hoofdstuk III.
Reading edition
De Silva’s geheimhouding van het eigenlijke plan had dus wel degelijk doel getroffen. En moge de grootsche onderneming zelf ook al geheel mislukt zijn, de misleiding van den vijand ten opzichte van de beraamde plannen is voor de Spanjaarden, zooals wij nader zullen zien, zeer zeker van onberekenbaar belang geweest. Drie weken toch, nadat Don Juan de Silva met zijn vloot uit Manila vertrokken was, verscheen Joris van Spilberghen daar in de baai. Deze was reeds den 6en Aug. 1614 uitgezeild met last om door de straat van Magelhaens te varen, den Spanjaarden aan de Westkust van Amerika zooveel mogelijk nadeel toe te brengen en zich daarna naar de Oost te begeven. Deze last was nauwkeurig door hem opgevolgd. Wel had De Silva van de aankomst van Spilberghen in Zuid-Amerika gehoord, maar toen hij in ongeveer twee jaar niets meer van hem had vernomen, meende de Spaansche gouverneur, dat die Hollandsche vloot vernietigd was en hij Manila dus gerust verlaten kon. Den 9en Febr. bereikte Spilberghen echter de Philippijnen, voorzag zich op het eilandje Capoel van levensmiddelen en zeilde daarna langs de Zuidkust van Luçon naar Manila. Natuurlijk heerschte hier na zijne verschijning algemeene ontsteltenis. De stad was zoo goed als weerloos. Geen troepen, geen geschut; wapens, ammunitie, alles ontbrak. De bewoners vreesden reeds weldra de Hollanders in hun stad te zullen zien. Hun stadhouder Don Andrés de Alcazar nam echter alle maatregelen, die hij nemen kon en bracht de daar nog liggende schepen zoo goed mogelijk in staat van tegenweer, deed de kanonnen herstellen en liet, om hiervoor ijzer te verkrijgen, de vroeger weggeworpen slakken zelfs weer smelten. De Chineezen bekwamen voor iedere drie arrobas4 erts, die ze hieruit verkregen, een loon van drie realen. Burgers en monniken oefenden zich in den wapenhandel5, en toch zou alles vergeefs geweest zijn, indien Spilberghen niet van gevangenen het bericht had vernomen, dat De Silva naar de Molukken was afgezeild. Nu besloot hij, na 15 dagen in de baai vertoefd en vergeefs getracht te hebben eenige gevangenen te bevrijden, om zoo spoedig mogelijk naar deze eilandgroep te gaan. Den 20en Maart kwam hij te La Caldera. Hier vernam hij de valsche tijding, dat de vijandelijke vloot zich nog in Otong op Panay bevond. Hij werd tusschen La Caldera en het eiland Basilan, in de straat Basilan, door windstilte een tijd lang opgehouden, van welke gelegenheid de Mindanaers gebruik maakten om hem hun hulp tegen de Spanjaarden aan te bieden met een vloot van 50 “scheepkes”, terwijl ze hem een brief van Reaal vertoonden, waarin deze hen zijn groote vrienden noemde6. In Ternate gekomen deelde hij natuurlijk onmiddellijk aan Reaal mede, dat, zooals hij ook werkelijk meende, de Spanjaarden zeer spoedig in de Molukken zouden verschijnen. Men besloot dus den vijand hier af te wachten. Den 1en Juni voegden zich nog bij hen eenige schepen uit Banda en Ambon7, waarop zich Van der Haghen en de andere raden uit Indië bevonden, waarna deze overgingen tot het kiezen van een nieuwen gouverneur-generaal. De keuze viel op Reaal. Nu rees de vraag op welke wijze deze groote macht, zeventien schepen, die hier toevallig bijeen was, het best kon worden gebruikt tot heil en voordeel van de Compagnie. Zouden ze in de Molukken blijven en trachten het Spaansche fort op Ternate of Tidore te veroveren; of was het beter den vijand in de Philippijnen te bestoken? Tot het laatste besloot men. Jan Dirksz Lam werd als bevelhebber aangesteld en den 1en Sept. vertrok hij met een vloot van tien schepen van Malayo. Reeds den 17en arriveerde hij aan La Caldera om daarna op advies van Reaal Otong op Panay aan te doen. Den 30en Sept. bereikten zij deze plaats, waar de Spanjaarden een fort hadden, dat men den volgenden dag gewapenderhand zou trachten te nemen, om vandaar ongehinderd eenige beesten te halen, “die er in abondantie te becomen zijn”8. Dit mislukte echter. Quinones, de aanvoerder der Spanjaarden, gewaarschuwd door Geronimo de Silva, ontving hen dapperder dan zij hadden verwacht, en met verlies van 14 of 15 man9 en eenige gekwetsten werden zij teruggeslagen. Lam zegt, “tselve door ons binnen 8 ofte 10 dagen door belegh wel hebben connen geforceert geworden”, maar dit achtten zij niet raadzaam, omdat dan de moesson te veel zou verloopen. Denzelfden dag scheepten zij zich dus weer in, deden 16 Oct. Marinduque aan om water in te nemen, van welke gelegenheid drie man gebruik maakten om naar den vijand over te loopen, verbrandden kort daarop het dorp Baradero en kwamen den 18en Oct. in de baai van Manila aan. Eerst den 12en dezer maand hadden zij vernomen, dat Don Juan de Silva te Malakka was gestorven en de vloot reeds vier à vijf maanden geleden deze plaats had verlaten. Zoodra Lam was aangekomen liet hij de sterkte van den vijand verkennen. Men telde acht groote schepen, drie groote galeien, vijf of zes fregatten en eenige kleinere vaartuigen, “die wij met devotie sullen verwachten ende naar uit- en invaren sooveel doenlijck is te beletten, soodat UEd. voor dit moeson in de Molukken voor ’s viants macht niet en hebt te vreesen”, schrijft Lam aan Reaal10. Slechts nu en dan zond hij eenige schepen naar de kust van Luçon om Chineesche jonken buit te maken. Hierin waren zij echter niet gelukkig, zoodat het hen aan alle mogelijke ververschingen begon te ontbreken en zij besloten11 wegens de vele zieken aan boord—De Oude Maen, Vlissingen en Walcheren konden zelfs zonder hulp van andere hun ankers niet lichten—om het laatste schip met advies en de zieken naar Ternate te sturen. Ook gelukte het hun niet het zilverschip te verschalken. Den 8en Dec. hadden zij bericht gekregen, dat het in Japan had overwinterd en in Ilocos12 lag, maar De Aeolus en De Walcheren, die er op uitgezonden werden, konden het niet vinden. Toen zij den 8en Jan. 1617 nogmaals hetzelfde vernamen, werd De Aeolus er weder heen gestuurd. Deze bracht helaas ook nu niet het zilverschip mee, wel vier Chineesche en één Japansche jonk en het bericht, dat het zilverschip wel degelijk te Ilocos had gelegen, maar dat het geld (300,000 realen van achten) en 400 man13 over land naar Manila was gebracht. Zoodra De Aeolus op het schip afkwam, werd dit door de bemanning zelf in brand gestoken, wat eveneens met de twee daar liggende fregatten gebeurde.