Note 1 — Hoofdstuk III.
Reading edition
Toen De Silva door tegenwerking van den fiskaal Alvarado en de Audiencia gedwongen was geweest zijn krijgsplannen bloot te leggen, werd hem naar aanleiding daarvan lichtzinnigheid verweten. Hij verzweeg, zeide men, de zwarigheden, opdat hij niet zou behoeven te wachten. Hij zag voorbij, dat hij een machtigen en ervaren vijand tegenover zich had, die zonder twijfel van zijn plannen op de hoogte was en geen hulp meer noodig had, daar hij volgens de berichten van Padre Ribero, 37 schepen bezat. In plaats van alles te winnen, zooals hij zich verbeeldde, vreesde men, dat hij alles zou verliezen en van de vloot schip noch man zou ontkomen1. Alvarado en de andere leden van de Audiencia zagen den toestand echter te donker in, stelden zich onze waakzaamheid te groot, onze alwetendheid te absoluut voor. De Hollandsche admiraal Van der Haghen verkeerde in de stellige overtuiging, dat De Silva rechtstreeks naar de Molukken zou gaan en verliet in die meening, na de Portugeesche galjoenen voor Malakka vernield te hebben, de straat van dien naam, om nog tijdig met den moesson in de Molukken te komen2. Ook zelfs de president van de factorij te Bantam, J. P. Coen, werd er eerst den 10en April 1616 van op de hoogte gebracht, dat de vloot niet naar de Molukken, maar naar Malakka was gegaan. “Ende alsoo ten voors. tijde, doen van de compste der Spanjaerden advyse bequamen, het westelijcke mousson verloopen was ende wij van jachten gantsch onversien waeren, soo en conden naer de Molucques geen advyse zenden”3, schrijft Coen aan de bewindhebbers.