← Table of contents
De Nederlanders in de Philippijnsche Wateren vóór 1626

Note 1 — Hoofdstuk III.

Reading edition

Zooals wij in het vorige hoofdstuk gezien hebben, was in 1610 de toestand in de Molukken verre van rooskleurig. Van Caerden was gevangen genomen, Hoen plotseling gestorven en Wittert gesneuveld. In Februari 1610 kwam een Spaansche versterking, bestaande uit zes fregatten, in de Molukken. Gelukkig maakten de Hollanders zich van een dezer schepen meester, waardoor zij in staat gesteld werden Van Caerden in te wisselen tegen de zich daarop bevindende officieren en paters. Dadelijk werd Van Caerden als gouverneur erkend, maar niet lang daarna voor de tweede maal krijgsgevangen gemaakt door de Spanjaarden, die hem nu naar Manila voerden, waar hij in de gevangenis omkwam. Zoo waren de Molukken dus weer zonder een erkend hoofd. Wel zou het Bestand in Oost-Indië 9 April 1610 ingaan, maar de Spanjaarden hadden hiervan nog geen bericht ontvangen. En toen zij dit later van de Hollanders vernamen en met de stukken overtuigd werden, weigerden zij toch het bestaan ervan, zonder last van hooger hand, te erkennen1. Integendeel, Don Juan de Silva maakte zich gereed tot een tocht naar de Molukken. Uit de buitgemaakte papieren van Van Caerden had hij den juisten toestand, waarin zich de forten in de Molukken bevonden, leeren kennen, en in de hoop den Nederlanders voor de tweede maal een even geduchte nederlaag toe te brengen, als in het vorige jaar, besloot hij, tegen het gevoelen der Audiencia in, aan zijn voornemen gevolg te geven. In 1611 verscheen hij met een vloot, waarop zich 2000 soldaten en matrozen en vele inboorlingen bevonden. Reeds spoedig bemerkte hij, dat de forten in veel betere conditie waren, dan hij zich had voorgesteld, zoodat hij den ongelukkigen sultan Sahid, die door hem uit Manila was meegebracht, in de Spaansche vesting achterliet en wederom met zijn vloot naar Manila vertrok. Op dezen terugtocht maakte hij zich van Gilolo en Saboegoe, twee door de Hollanders versterkte plaatsen op de Westkust van Halmaheira, meester. Deze beide plaatsen waren daarom wel van eenig belang, omdat van daar uit Ternate en Tidore gemakkelijk van levensmiddelen konden worden voorzien. Er verliepen een paar jaar voor de Hollanders zich sterk genoeg gevoelden een tocht naar de Philippijnen te ondernemen. Weliswaar bevond de eerste gouverneur-generaal Both zich in 1613 met dertien schepen in de Molukken en werd toen het voorstel gedaan om een kaapvaart naar de Philippijnen te doen, maar Both en de meerderheid der bevelhebbers vonden het van meer belang eerst de forten in de Molukken in flinken staat van verdediging te brengen, zoodat er toen geen gevolg aan werd gegeven2. Laurens Reaal bleef als gouverneur in de Molukken achter. Steeds liepen onder diens bewind geruchten omtrent de aanstaande komst der Spanjaarden3. Wij zullen later zien, dat deze niet uit de lucht gegrepen waren.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings