← Table of contents
De Nederlanders in de Philippijnsche Wateren vóór 1626

Note 7 — Hoofdstuk III.

Reading edition

François Wittert zou na Van Noort de eerste zijn, die zich voor den hoofdzetel van het Spaansche gezag in de Oost zou vertoonen. Voor wij echter over kunnen gaan tot de beschrijving van dezen tocht, zien we ons genoodzaakt een oogenblik te verwijlen bij de verrichtingen van twee andere vlootvoogden, namelijk den admiraal Pieter Willemsz Verhoeff en schipper Simon Jansz Hoen, die den 15en Februari 1609 voor Bantam verschenen. Lang vertoefden zij hier niet, maar vertrokken direct naar Banda, om die eilanden aan de Compagnie te verbinden “met tractaat ofte met geweld”. Verhoeff viel aldaar als slachtoffer van de trouweloosheid der Bandaneezen, waarna aan Simon Jansz Hoen als vice-admiraal het opperbevel werd opgedragen. Nadat Hoen de opdracht zijner principalen op Banda had volbracht, door er na heftigen strijd het fort Nassau gebouwd en den Bandaneezen een tractaat afgedwongen te hebben, stelde hij Hendrik van Bergel7 daar als gouverneur aan en zeilde naar Ternate. Hier kwam hij den 23en Sept. aan, versterkte op Ternate het plaatsje Tacomi, dat Willemstad gedoopt werd, en was daarna zoo gelukkig aan de macht der Compagnie een groote uitbreiding te geven door de verovering van Batjan. Tidore kon hij helaas niet machtig worden, daar de dood hem in Januari 1610 wegrukte, waardoor dit gedeelte der vloot, uit gemis aan een aanvoerder en door onderling krakeel, niets van belang meer heeft kunnen uitrichten. Vóór Verhoeff naar Banda vertrokken was, had hij volgens besluit van den breeden raad zijn vice-admiraal François Wittert bevel gegeven met vier schepen naar Makasar te zeilen, om aldaar rijst en andere levensbehoeften voor de Molukken te koopen en tevens pogingen in ’t werk te stellen om een verbond met den vorst te sluiten. Het is hier de plaats niet te verhalen, hoe Wittert geslaagd is. Genoeg zij het te vermelden, dat hij, na te Makasar eenige maanden vertoefd te hebben, den 22en Juni 1609 voor Ternate verscheen. Na hier vernomen te hebben, dat Van Caerden gevangen was genomen, versterkte hij het eilandje Motir, sloot een voordeelig tractaat met de Ternatanen en ging daarna den 22en September, juist één dag voor de aankomst van Hoen te Ternate, naar de Philippijnen onder zeil. De weinig energieke gouverneur van die eilanden, Telez de Almansa, was in 1609 opgevolgd door Don Juan de Silva. Deze had, zoodra hij aan het bestuur kwam, de haven Cavite en andere forten op de Philippijnen versterkt en één der vijf door hem meegebrachte compagnieën soldaten onder Fernando de Ayala tot hulp naar de Molukken gezonden. Uit deze maatregelen blijkt wel, dat Wittert een krachtig tegenstander tegenover zich zou vinden. Of hem de tocht naar Manila te Bantam reeds was aanbevolen, weten wij niet, maar het is wel zeer waarschijnlijk, daar hij zich geheel houdt aan het advies, dat Matelieff aan Van Caerden hieromtrent 4 Jan. 1608 heeft gegeven8. Na eerst op de moeilijkheid te hebben gewezen, om met onze vuile schepen de vlug bezeilde Chineesche jonken in de Philippijnsche wateren te achterhalen, geeft hij den raad om met twee groote vaartuigen, die krachtig genoeg waren om den vijand te weerstaan, en twee jachten “dapper op de seylage gemaeckt”, voor Manila te gaan kruisen. Tevens acht hij het wenschelijk eenige plaatsen van de Spanjaarden daar af te loopen, voornamelijk Otong op het eiland Panay, van waar uit veel rijst en vleesch naar Manila wordt gestuurd. “Verzeker u echter eerst”, zegt Matelieff, “van de hulp der Mindaers”. Geheel overeenkomstig dit advies van Matelieff aan Van Caerden, richtte nu Wittert zijn tocht in. Den 25en October kwam hij met het schip De Amsterdam en drie jachten: De Valk, De Arend en De Pauw, voor Otong aan. Hier konden ze echter weinig uitrichten, daar Ayala, die, zooals wij gezien hebben, met hulptroepen voor de Molukken onder weg was, zich nog op deze plaats bevond. Wel gelukte de landing, maar toen zij hier buiten verwachting zoo’n krachtigen tegenstand ontmoetten, trokken zij zich weder terug op de schepen en zetten hun tocht voort. Ook Cavite was door Juan de Silva te goed versterkt, om dit met eenige kans op succes te kunnen aanvallen. Wittert voer nu terug en stationneerde zich aan den ingang der baai voor het eilandje El Frayle, waar hij alle schepen uit China, Macao en Voor-Indië komende, overviel en zonder de minste moeite buit maakte. Drie-en-twintig rijk geladen jonken bemachtigde hij hier9, behalve nog twee Japansche, die hij echter weder vrij liet. Deze rijke gemakkelijk verkregen buit en misschien ook de hoop dat hij nog het zilverschip uit Mexico zou bemachtigen, verleidde hem langer te blijven dan met de voorzichtigheid overeenkwam. Wanneer hij echter dacht, dat de Spanjaarden zonder verzet zouden aanzien, dat Wittert op deze wijze de welvaart van Manila bedreigde en de bron van inkomsten deed opdrogen, had hij buiten den energieken De Silva gerekend. Alle krachten spande deze in, om een behoorlijke vloot uit te rusten. Dag en nacht werd gearbeid, het ijzer der hekwerken gebruikt en kerkklokken vergoten tot geschut. Op deze wijze verkreeg hij een vloot van acht schepen, twee galjoenen, twee galeien en vier kleinere schepen, bemand met 1000 koppen, bijna alle Spanjaarden, onder aanvoerders als Pedro de Heredia en Gallinato. Hierbij voegde zich nog een in Marinduque gemaakt schip. Het opperbevel over deze scheepsmacht verkreeg De Silva’s neef Don Fernando de Silva. Op 21 April 1610 verliet Fernando met zijn vloot Cavite en 25 April raakte hij met drie schepen van Wittert slaags—een jacht en een sloep van het schip Delft lagen aan de andere zijde van de baai op wacht. De uitslag was niet twijfelachtig, de overmacht te groot. Wittert en velen met hem sneuvelden, twee schepen werden genomen en het derde vloog in de lucht. Toen het jacht De Pauw en de sloep, op het schieten afkomende, den uitslag bemerkten, vluchtten zij en kwamen behouden in Patani10. Bijna de geheele Hollandsche macht voor Manila was dus vernietigd, en dit niet alleen: ook de ontzaglijke buit11 der Hollanders en hunne papieren vielen in handen der Spanjaarden, 125 man werden krijgsgevangen gemaakt, en 50 stukken geschut van de Hollandsche schepen zouden voortaan tegen die Hollanders zelf hunne goede diensten bewijzen. Van de krijgsgevangenen bleven zij gespaard, die door de vermaningen der Jezuïeten—en misschien ook door de vrees voor den dood, of liever door de hoop op het leven, tot het katholicisme werden bekeerd.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings