Note 4 — Hoofdstuk III.
Reading edition
Dat Matelieff reeds zeer goed het groote nut inzag, dat wij konden trekken uit de vijandschap van dezen sultan met de Spanjaarden, blijkt wel uit den raad, dien hij aan den Hollandschen vlootvoogd Van Caerden gaf, toen deze den 6en Januari 1608 te Bantam verscheen4. Hij haalde hem over naar de Molukken te stevenen en drukte hem op het hart toch vooral de Spanjaarden op Ternate niet roekeloos aan te tasten, maar zich veeleer met den sultan van Mindanao te verbinden, opdat hij met diens hulp den Spanjaarden allen toevoer uit Manila zou kunnen afsnijden. Van Caerden deed dit niet, maar zette, na een mislukte poging om Djohore te bereiken, direct koers naar Ambon en vandaar naar Ternate, waar hij den 18en Mei 1608 aankwam. Hoewel een achttal bodems onder zijne bevelen hebbende, voelde hij zich, misschien gedachtig aan de waarschuwing van Matelieff, niet sterk genoeg om de Spanjaarden op Ternate of Tidore aan te tasten, maar werd er besloten een aanval te wagen op het fort Makjan, dat slechts door Tidoreezen bezet was. Ofschoon goed verdedigd, werd het fort stormenderhand genomen en met nog twee andere plaatsen op Makjan opnieuw in staat van verdediging gebracht, waarna men er 120 man achterliet onder bevel van Appollonius Schotte. Alle hoofden van het eiland kwamen daar toen samen om zich aan het Nederlandsch gezag en de Ternatanen te onderwerpen. Met de verovering van dit nagelrijke en voor de Compagnie zoo rentengevend eiland stelde Van Caerden zich niet tevreden, maar ontnam den Spanjaarden ook nog een sterkte Tjio op het eiland Morotai ten Oosten van Gilolo. Doch hierna daalde zijn gelukzon en werd ons een gevoelig verlies toegebracht door Pedro de Heredia, die met twee Spaansche galeien het fregat van Van Caerden aanviel en den bevelhebber met zijn manschappen den 17en Sept. 1608 dwong zich over te geven. Wel werden er weldra weer 34 van hen ingewisseld tegen Spanjaarden van een veroverd Spaansch fregat, dat van Manila naar Ternate wilde om de Spanjaarden aldaar te proviandeeren5, maar Van Caerden zelf bleef voorloopig nog de gevangene van Juan de Esquivel, die als losprijs niets meer of minder eischte dan de overgave van de forten op Makjan en van Malaya op Ternate. Gelukkig was deze eisch den Hollanders wel wat al te kras, hoewel toch “door verblint verstant der Hollandern Maleyo offte de fortresse op Ternate gelegen, Orangie, voor des Admiraels rantsoen werde geoffreert en gebooden”. Op deze voorwaarde wilde Esquivel Van Caerden echter niet vrijlaten; “tot grote ontlastinge van degene die sulx hadden gepresenteert”6, zegt de briefschrijver er bij. Door gevangenschap werd Van Caerden dus verhinderd, uitvoering te geven aan zijn plan om een tocht naar de Philippijnen te ondernemen.