← Table of contents
De Lof der Zotheid

Note 16 — Religieuzen en monniken.

J. B. Kan translation

Zeg mij eens, welken potsenmaker, welken marktschreeuwer zoudt gij liever willen zien dan die luidjes, wanneer zij bij hun preeken zoo allerpotsierlijkst redevoeren en toch daarbij, tot aller vermaak, de voorschriften trachten op te volgen, welke de meesters in de welsprekendheid gegeven hebben? Goede hemel, wat maken zij een gebaren, wat weten zij naar omstandigheden hun stem te veranderen, wat spreken zij zangerig, wat zwaaien zij heen en weer, wat trekken zij telkens weer andere gezichten, wat vullen zij de heele kerk met hun geschreeuw! En deze kunst van preeken gaat van hand tot hand van het eene broedertje naar het andere, alsof het een groot geheim was. Ofschoon ik er eigenlijk niets van mag weten, wil ik toch op de gis af het een en ander daaromtrent meedeelen. Eerst roepen zij de hulp van boven in, een gewoonte, die zij van de dichters overgenomen hebben; vervolgens, als zij over de christelijke liefde het woord zullen voeren, ontleenen zij hun inleiding aan de Egyptische rivier den Nijl, of als zij de geheimenis van het kruis zullen uiteenzetten, dan is het zeker een gelukkige vondst met den Babylonischen draak Bel16 te beginnen, of als zij over het vasten willen spreken, dan vangen zij aan met de twaalf teekens van den dierenriem, of als zij het geloof tot hun onderwerp gekozen hebben, houden zij een lange voorafspraak over de kwadratuur van den cirkel. Zelf ben ik onder het gehoor geweest van iemand, die bij uitstek zot was—ik vergiste me, geleerd was, wilde ik zeggen—: toen hij voor een zeer talrijk gehoor de geheimenis van de goddelijke drieëenheid zou uiteenzetten sloeg hij, om een proef te geven van zijn buitengewone geleerdheid en tevens de ooren der Godgeleerden te voldoen, een geheel nieuwen weg in. Hij begon namelijk met de letters, de lettergrepen en de woorden en behandelde verder de overeenstemming van naamwoord en werkwoord, van bijvoegelijk en zelfstandig naamwoord tot groote bevreemding van velen, van wie sommigen reeds het bekende gezegde van Horatius in hun baard bromden: Wat wil hij toch met al dien flauwen onzin? Ten slotte kwam zijn betoog hierop neer, dat in de eerste beginselen der spraakkunst het beeld der geheele drieëenheid in zulke scherpe omtrekken voorhanden was, dat geen wiskunstenaar het op het bord duidelijker kon teekenen. Aan deze rede had deze groote godgeleerde volle acht maanden zoo in het zweet zijns aanschijns gewerkt, dat hij ook thans nog slechter ziet dan een mol; geen wonder, want hij heeft zeker al de scherpte zijner oogen verbruikt aan het wetten van zijn geest. Maar de man voelt volstrekt geen spijt over het verlies van zijn gezicht en hij gelooft veeleer, dat hij zijn roem voor een geringen prijs heeft gekocht. Ik heb ook onder het gehoor van een anderen prediker van tachtig jaar gezeten, die zulk een Godgeleerde was, dat men kon meenen Scotus zelf in levenden lijve weer voor zich te zien. Toen hij de geheimenis van Jezus’ naam den volke zou uitleggen, betoogde hij met een verbazende scherpzinnigheid, dat al wat daaromtrent kan gezegd worden, reeds in de letters zelf van het woord school. Want dat het woord slechts in drie naamvallen verbogen wordt, was volgens hem, blijkbaar een beeld van de goddelijke drieëenheid. Voorts was hierin een onuitsprekelijke geheimenis verborgen, dat de eerste naamval Jesus uitging op s, de vierde Jesum op m en de derde Jesu op u, want door deze drie lettertjes werd aangeduid, dat hij de summus, medius en ultimus17 is. Met den passer was een nog diepzinniger geheim in het woord te vinden. Hij splitste Jesus zoo in twee gelijke deelen, dat natuurlijk de derde letter in het midden bleef staan. Vervolgens bewees hij, dat die letter in het Hebreeuwsch Syn heet, welk woord in de Schotsche taal, zoo ik mij niet vergis, zonde18 beteekent, waaruit zonneklaar zou blijken, dat Jesus de zonden der wereld wegneemt. Naar dezen zoo vreemden aanhef zaten allen, bovenal de Godgeleerden, van verbazing met open mond te luisteren, zoodat het weinig scheelde, of het ware hun gegaan als vroeger Niobe19; maar mij zou haast hetzelfde overkomen zijn als den Priapus van vijgenhout, die tot zijn ongeluk toeschouwer was van Canidia en Sagana20. Daar bestond waarlijk wel reden voor. Want wanneer heeft bij de Grieken de beroemde Demosthenes, of bij de Romeinen Cicero zulk een slimme inleiding uitgedacht? Zij beschouwden elke inleiding als gebrekkig, die niet behoorlijk samenhing met hun onderwerp: zij vroegen, of niet ook de zwijnenhoeders op zoo’n wijze beginnen, wier eenige leermeesteres immers de natuur is. Maar deze geleerde lui meenen, dat hun “voorlooper”—zoo noemen zij het—dan eerst bij uitstek aan de eischen der redekunst zal voldoen, als hij nergens iets met den overigen inhoud gemeen heeft, zoodat hun hoorder vol verwondering die bekende woorden21 bij zichzelf mompelt: Waar moet dat nu heen? In de derde plaats22 verklaren zij, als eigenlijke preek, een klein stukje uit het evangelie, maar zij doen dit haastig en oppervlakkig, terwijl dit alleen hoofdzaak behoorde te zijn. In de vierde plaats neemt de spreker een geheel ander karakter aan en brengt een theologische kwestie ter sprake, welke dikwijls tusschen hemel en aarde zweeft, in de meening, dat ook dit tot de kunst behoort. Dan eerst komt de theologische trots recht voor den dag en zij proppen ons de ooren vol met allerlei prachtige namen, als daar zijn: verheven leeraars, scherpzinnige en hoogstscherpzinnige leeraars, onweerlegbare leeraars23, enz. Dan schermen zij tegenover het domme volk met syllogismen, maior’s, minor’s24, conclusies, corollariën25, de flauwste supposities en meer dan scholastieken onzin. Zoo rest nog het vijfde bedrijf, waarin de spreker zich een volmaakt kunstenaar behoort te toonen. Dan komen zij me aan met het een of ander zot en dom sprookje, ontleend, zoo ik het wel heb, aan den Spieghel historiael26 of de Jeesten der Romeinen27, en geven er een allegorische, zedekundige en godsdienstige verklaring van. En op deze wijze raken zij gereed met hun Chimaera, een monster, zooals zelfs Horatius zich niet kon voorstellen, toen hij een schilderij beschreef waarop een wezen voorkwam o.a. met een vrouwenkop op een paardennek28. Maar zij hebben een klokje hooren luiden, dat het begin eener rede bedaard en volstrekt niet schreeuwerig behoort te zijn. Daarom beginnen zij, als zij aanheffen, zoo zacht, dat zij zelf hun eigen stem niet hooren, alsof het eenig nut had iets te zeggen, dat niemand verstaat. Hun is ter oore gekomen, dat men nu en dan heftige uitroepen moet gebruiken om de harten der hoorders te roeren. Daarom verheffen zij, terwijl ze overigens zacht spreken, nu en dan plotseling hun stem en schreeuwen als bezetenen, ook wanneer dit volstrekt niet noodig is. Men zou zweren, dat de man nieskruid29 noodig heeft, daar hij meent, dat zoo’n stemverheffing een onverschillige zaak is. Daarenboven omdat zij gehoord hebben, dat de taal der preek gaandeweg warmer behoort te worden, zetten zij bij de verschillende deelen, na het begin, zoo goed als het gaat, te hebben voorgedragen, spoedig hun stem ook bij het dorste onderwerp op een verbazende wijze uit, zoodat men eindelijk, als zij ophouden, denkt, dat hun de adem begeven heeft. Ten slotte hebben zij geleerd, dat ook de boert een eisch der redekunst is, en daarom trachten zij ook zelf hun rede met eenige kwinkslagen te kruiden, maar lieve Venus30, zoo geestig en zoo van pas, dat men er niets anders van kan zeggen dan: Een ezel bij de lier31. Ook bijten zij somtijds, maar zij doen dit zoo, dat ze meer kittelen dan wonden. Dán kan men hen het zekerst vleiers noemen, als zij het willen doen voorkomen, dat zij ronduit de waarheid zeggen. Kortom hun geheele voordracht is van dien aard, dat men zou zweren, dat zij alles van marktschreeuwers geleerd hebben, die het trouwens verre van hen winnen. Toch gelijken beide soorten van lieden zoozeer op elkander, dat niemand kan twijfelen, of dezen hebben van genen of genen van dezen hun kunst van spreken geleerd. Natuurlijk door mijn toedoen vinden dezen toch nog lieden, die, als zij naar hen luisteren, meenen zich onder het gehoor van onvervalschte Demosthenessen en Cicero’s te bevinden. Hiertoe behooren voornamelijk de kooplieden en de vrouwen, wier ooren zij alleen trachten te behagen, omdat de eersten hun een klein gedeelte van het oneerlijk verworven goed als buit plegen af te staan, als zij hun maar goed naar den mond weten te praten. De laatsten zijn om deze reden vooral dien stand genegen, omdat zij gewoonlijk in hun boezem alle grieven uitstorten, die zij soms tegen hun mannen koesteren. Nu ziet ge, geloof ik, wel in, hoeveel verplichting dit slag van menschen jegens mij heeft, daar zij door allerlei onbeduidende plechtigheden en belachelijke dwaasheden, gepaard aan een hard geschreeuw, een soort van tirannie over de wereld uitoefenen en zich met mannen als Paulus en Antonius32 op een lijn stellen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings