Note 1 — Religieuzen en monniken.
J. B. Kan translation
Het dichtst bij hun geluk komen zij, die zich gewoonlijk religieuzen en monniken1 noemen: beide benamingen zijn geheel onjuist, omdat niet alleen een aanzienlijk gedeelte van hen verre van religieus is, maar men hen ook meer dan andere menschen op alle plaatsen aantreft. Ik ben overtuigd, dat nergens ellendiger wezens zouden bestaan, als ik hun niet in veel opzichten te hulp kwam. Want ofschoon allen dit slag van menschen zoozeer verfoeien, dat ook een toevallige ontmoeting vast voor een slecht voorteeken doorgaat, koesteren zij in hun eigenliefde van zichzelf toch de hoogste gedachten. Vooreerst achten zij het een bewijs van de hoogste vroomheid, als zij zich zoo ver houden van alle wetenschap, dat zij zelfs niet kunnen lezen. Voorts als zij hun psalmen, die zij wel tellen, maar niet begrijpen, met hun ezelsstemmen in de kerken uitbalken, dan gelooven zij de ooren der heiligen hoogst aangenaam te streelen. Er bevinden zich ook eenigen onder hen, die met hun morsigheid en armoede te koop loopen en voor de deuren met luid gebrul brood vorderen, ja zelfs in alle herbergen, voer- en vaartuigen het hoogste woord voeren, waarlijk niet zonder groote schade voor de overige bedelaars. En op zulke wijze beweren die lieve luidjes door smerigheid, onwetendheid, lompheid en onbeschaamdheid ons het beeld van de apostelen weer voor oogen te stellen! Maar wat is koddiger dan hen alles te zien doen volgens een voorschrift, als het ware onder toepassing van wiskundige berekeningen, die het zonde zou zijn te verwaarloozen! Dit geldt van het aantal knoopen van hun sandalen, van de kleur hunner gordels, van het verschil in kleeding en de stof, waaruit die vervaardigd is, van de breedte van hun gordel in stroohalmen gemeten, van den vorm en omvang, die hun kap moet bezitten, van de grootte hunner tonsuur in duimen uitgedrukt en van de uren, die men behoort te slapen. En toch ziet iedereen duidelijk in, hoe ongelijk deze gelijkheid is bij zulk een verschil tusschen de menschen naar lichaam en geest. Zij echter achten zich op grond van deze beuzelingen niet slechts hoog boven anderen verheven, maar zij minachten ook elkander onderling en die belijders van de apostolische liefde brengen hemel en aarde in beweging wegens een kleed met een gordel buiten model of eenigszins te donker van kleur. Men kan onder hen eenigen aantreffen, die zoo streng religieus zijn, dat zij geen ander opperkleed willen gebruiken dan van geitenhaar en geen ander onderkleed dan van fijne wol; anderen daarentegen dragen boven linnen, onder wol; weder anderen zijn even bang voor het aanraken van geld als voor het zwaarste vergif, zonder dat zij zich daarom van wijn of vrouwen onthouden. Eindelijk geven zij zich hiervoor verbazend veel moeite om onderling in levenswijze geheel te verschillen. Wel verre van zich in te spannen om aan Christus gelijk te worden, is het hun veeleer te doen om ongelijk te zijn aan elkander. Voorts bestaat een groot gedeelte van hun geluk in hun bijnamen. Dezen scheppen behagen in den naam van Koorddragers (Kordeliers), van wie eenigen Coleten2, anderen Minderbroeders3, weer anderen Minstebroeders4, nog anderen Bullisten5 heeten. Dezen noemen zich Benedictijnen 6, genen Bernardijnen7, dezen Brigidensen8, genen Augustijnen9, dezen Willemieten10, genen Jacobieten11, alsof het waarachtig te min ware Christenen te heeten. Velen hunner hechten zooveel aan hun ceremoniën en kinderachtige, door menschen geschapen, gewoonten, dat zij één hemel nog een schrale belooning achten voor hun schitterende verdiensten, waarbij zij niet bedenken, dat Christus, zonder op dit alles te letten, rekenschap van hen zal vorderen omtrent het opvolgen van zijn hoofdgebod, dat der christelijke liefde. De een zal dan op zijn buikje wijzen, dat dik en gespannen is door ’t eten van allerlei visch12. Een ander zal optellen, hoe duizenden malen hij gevast heeft en zal in rekening brengen, dat zijn buik zoo vaak door een enkelen maaltijd haast gebarsten is. Nog een ander zal met een hoop ceremoniën aankomen, zoo groot, dat ze nauwelijks op zeven vrachtschepen kunnen vervoerd worden. Nog een ander zal er zich op beroemen, dat hij gedurende zestig jaar nooit een stuk geld heeft aangeraakt, dan met twee paar handschoenen om de vingers. Nog een ander zal met een monnikskap komen aandragen, zoo vuil en grof, dat zelfs geen schipper die aan zijn lijf zou willen hebben. Weer een ander zal in herinnering brengen, dat hij meer dan vijf en vijftig jaar als een spons zijn leven gesleten heeft, altijd vastgehecht aan dezelfde plek. Nog een ander zal aankomen met een stem heesch door zijn onafgebroken zingen, weer een ander met slaapziekte, die hij zich door het leven in de eenzaamheid op den hals heeft gehaald, een ander met een tong, die onbruikbaar is geworden door zijn onafgebroken stilzwijgen. Maar Christus zal hen in hun anders eindelooze snoeverijen stuiten met de vraag: “Vanwaar komt toch wel dit nieuwe soort van Joden13? Slechts één enkele wet erken ik in waarheid als de mijne, de eenige, waarover ik niets hoor. Reeds vroeger heb ik openlijk en onbewimpeld, zonder mij van eenige gelijkenis te bedienen, de erfenis mijns vaders beloofd niet aan monnikskappen, schietgebedjes of langdurig vasten, maar aan het betrachten van de liefde. Evenmin ken ik hen, die hun eigen goede werken maar al te goed kennen: zij, die voor nog heiliger dan ik willen doorgaan, mogen, zoo ’t hun lust, zich een plaats verwerven in de hemelen der Abraxiërs14 of voor zich een nieuwen hemel laten bouwen door hen, wier praatjes zij gesteld hebben boven mijn lessen.”