Note 1 — Navolging der redekunstenaars.
J. B. Kan translation
Gij kent dus mijn naam, gij—hoe zal ik U anders betitelen dan, gij groote zotten? De Godin Zotheid kan haar ingewijden immers geen vereerender naam geven dan dezen? Maar omdat allen niet evenzeer met mijn afkomst bekend zijn, wil ik U al aanstonds met behulp der Muzen op de hoogte daarvan brengen. Mijn vader was evenmin Chaos als Orcus1 of Saturnus2 of Japetus3 of eenig ander van dat slag van versleten en versmeten Goden, maar Plutus4, hij alleen, de vader van menschen zoowel als van Goden5, ook al mogen Hesiodus6 en Homerus en zelfs Jupiter dit ontkennen. Door zijn wenk alleen wordt, evenals vroeger, zoo ook nu nog al het heilige en onheilige, hemel en aarde dooreengemengd. Zijn willekeur bestiert alles, oorlog en vrede, bevelhebberschappen en raadszittingen, rechtspraak en volksvergadering, huwelijken, verdragen, verbonden, wetten, kunsten en wetenschappen, ernst en scherts, kortom—de adem begeeft mij reeds—alle openbare en bijzondere zaken der menschen. Zonder zijn hulp zou die geheele bent van dichterlijke Godheden, of laat ik het stouter uitdrukken, zou ook die uitverkorenen kring van Goden òf in ’t geheel niet bestaan, òf in allen gevalle altijd thuis een eenvoudig maaltje hebben en zoo een hoogst armzalig leventje leiden.7 Al wie hem tegen zich heeft, zal bij Pallas zelfs geen voldoenden steun vinden, maar wien hij genadig is, die kan zelfs den hoogsten Jupiter met zijn bliksem naar den duivel wenschen. Op het bezit van zulk een vader beroem ik mij! En hij heeft mij niet uit zijn hersenpan doen voortkomen, zooals Jupiter die norsche en kribbebijtrige Pallas, maar hij verwekte mij bij een alleraardigste en allergeestigste Nymf, Jonkheid genaamd, en hij had zich aan haar niet verbonden door een vervelenden huwelijksband—ge weet, dat zoo die manke smid (Vulcanus) geboren werd—maar, wat wel zoo aangenaam is, hij was met haar in liefde vereenigd, zooals onze Homerus zegt. Maar gij moet niet denken, dat ik het leven te danken heb aan dien afgeleefden en blinden Plutus van Aristophanes, neen, hij werd mijn vader, toen hij nog in de kracht van ’t leven was en gloeide niet alleen van het vuur der jeugd, maar nog veel meer van den nectar, dien hij op een godenmaal wat al te ruim en al te sterk gedronken had.