Note 2 — Nadeelen der wijsheid.
J. B. Kan translation
Wat heeft hem voorts, toen hij aangeklaagd was, tot het drinken van den giftbeker gebracht dan die wijsheid? Want terwijl hij over wolken en ideeën philosopheerde, de pooten van een vloo mat, de stem van bromvliegen onderzocht, bleef hij onbekend met de eischen van het dagelijksch leven.2 Maar tot verdediging van den leermeester, wiens leven gevaar loopt, verschijnt zijn leerling Plato, zeker een uitstekend pleitbezorger, die door het geraas van den volkshoop zoo van zijn stuk geraakte, dat hij ternauwernood de helft van zijn volzin kon uitspreken.3 Omtrent Theophrastus4 behoef ik hierbij zeker niets te voegen, die voor het volk opgetreden eensklaps geen geluid meer kon geven, alsof hij een wolf gezien had.5 Hoe zou hij de soldaten in den oorlog aangemoedigd hebben! Isocrates6 heeft om zijn angstigen aard zelfs nooit een mond durven opendoen. Marcus Tullius7, de vader der Romeinsche welsprekendheid, placht altijd met een ongegronde vreesachtigheid als een hakkelende jongen te beginnen en dit verklaart Fabius8 voor een bewijs, dat hij een verstandig pleiter was, die zijn verantwoordelijkheid begreep. Erkent hij echter door dit beweren niet openlijk, dat de wijsheid een hinderpaal is voor de goede behandeling eener zaak? Wat zullen zulke luidjes aanvangen, als de beslissing aan het zwaard is, zij, die nu reeds van vrees buiten zichzelf geraken, als er enkel met woorden te strijden valt? En na dit alles heeft men, God betere ’t, nog den mond vol van Plato’s beroemd gezegde, dat de staten gelukkig zullen zijn, als óf de philosophen heerschers óf de heerschers philosophen zijn. Integendeel, wanneer gij de geschiedenis raadpleegt, komt ge zeker tot het besluit, dat geen vorsten verderfelijker voor den staat geweest zijn dan de een of ander philosophaster (onbeduidend wijsgeertje) of letterminnaar, zoo in hun handen soms de hoogste macht geraakt is. Een voldoende bewijs hiervoor leveren, naar ik meen, de twee Cato’s9, van wie de een door zijn dolzinnige aanbrengerijen de rust in den staat verstoorde en de ander de vrijheid van het Romeinsche volk, die hij in zijn al te groote wijsheid trachtte staande te houden, geheel omverwierp. Voeg hierbij mannen als Brutus, Cassius10, de Gracchen11 en vergeet Cicero zelf niet, die niet minder verderfelijk voor den Romeinschen staat was dan Demosthenes12 voor dien der Atheners. Verder Marcus Antoninus, ook al geven wij toe, dat hij een goed keizer geweest is,—déze erkentenis zou ik u kunnen afdwingen—was toch juist daarom onverdragelijk en gehaat bij zijn medeburgers, omdat hij zulk een wijsgeer was. Maar ook al geven wij toe, dat hij goed geweest is, dan was hij toch in allen gevalle meer verderfelijk voor den staat door het nalaten van een zoon als Commodus, dan hij hem door zijn bestuur van nut was geweest13. Immers dit soort van menschen, die zich aan de wijsbegeerte wijden, pleegt, behalve in alle andere opzichten, bovenal in het voortplanten van hun geslacht hoogst ongelukkig te zijn, omdat de natuur, naar ’t mij voorkomt, zorgt, dat die wijsheidskwaal zich niet te ver bij de menschen verbreide. Zoo weet men, dat Cicero een ontaarden zoon had, en de kinderen van den wijzen Socrates geleken meer op hun moeder14 dan op hun vader d.i. zij waren, volgens de lang niet verkeerde opmerking van zekeren schrijver, dwaas.