Note 1 — Godgeleerden.
J. B. Kan translation
Misschien zou het beter zijn de Godgeleerden met stilzwijgen voorbij te gaan en niet in dezen modderpoel te roeren of slapende honden wakker te maken, omdat dit slag van menschen verbazend laatdunkend en prikkelbaar is. Zij zouden mij misschien bij drommen met duizenden conclusies te lijf gaan en dwingen te herroepen om, als ik dit mocht weigeren, op staanden voet de beschuldiging van ketterij uit te galmen. Want zij staan altijd dadelijk klaar om met dezen bliksem een ieder angst aan te jagen, wien zij niet bijzonder genegen zijn. Inderdaad, al valt het hun meer dan anderen zwaar mijn weldaden te erkennen, toch hebben ook zij groote verplichting aan mij. Gelukkig door hun eigenliefde zien zij, alsof zij zelf in den derden hemel1 woonden, op alle overige stervelingen als op aardwormen uit de hoogte haast met een gevoel van medelijden neer. Veilig achter een drom van magistrale bepalingen, sluitredenen, gevolgtrekkingen, ontwikkelde en ingewikkelde voorstellingen bezitten zij zulk een tal van schuilhoeken, dat zelfs de ijzeren netten van Vulcanus hen niet kunnen vasthouden2. Zij weten te ontsnappen door middel van onderscheidingen, waardoor zij alle knoopen als met een bijl van Tenedos doorhakken3, en altijd hebben zij pas uitgedachte woorden en monsterachtige uitdrukkingen in voorraad. Zoo verklaren zij verder geheel naar hun goedvinden de ondoorgrondelijkste geheimenissen bijv., op welke wijze de wereld geschapen is en geordend; langs welke wegen de erfzonde over het nageslacht gekomen is; op welke wijzen, in welke grootte en in hoe weinig tijd Christus in den schoot der heilige maagd voldragen is; hoe bij het avondmaal bijkomstige dingen afgescheiden van de substantie kunnen bestaan4. Maar dit is werk voor Jan en alleman. De volgende strijdvragen achten zij eerst groote en, om hun eigen woorden te bezigen, verlichte Godgeleerden waardig. Daarom worden zij bij deze, als zij soms voorkomen, recht wakker: kan er sprake zijn van een meetbaar tijdstip bij de goddelijke geboorte? Is Christus in meer dan één opzicht God’s zoon? Is de stelling mogelijk: God, de vader, haat den zoon? Kan God de gestalte aannemen van een vrouw, een duivel, een ezel, een pompoen of een keisteen? Maar dan: hoe zou een pompoen gepreekt en wonderen verricht hebben en hoe had hij moeten gekruisigd worden? Wat zou Petrus gewijd hebben, als hij het misoffer had opgedragen gedurende den tijd, dat Christus’ lichaam aan het kruis hing? Zou men Christus gedurende dienzelfden tijd een mensch hebben kunnen noemen? Zal het na de opstanding geoorloofd zijn te eten of te drinken? Blijkbaar willen zij reeds nu voorzorgsmaatregelen nemen tegen dien honger en dorst in de toekomst. Zij beschikken verder over een eindeloos aantal nog fijner haarklooverijen, over begrippen, betrekkingen, algemeene vormen, bijzondere eigenaardigheden, wezenlijkheden, zaken, alleen zichtbaar voor de oogen van hem, die zulke scherpe oogen bezit, dat hij in staat is ook door de dikste duisternis heen het nergens bestaande waar te nemen. Voeg hierbij nu hun stelregels, zoo paradoxaal, dat zelfs die orakelspreuken der Stoïcijnen5, die men paradoxen pleegt te noemen, in vergelijking hiermede voor de platste en meest alledaagsche volkswijsheid kunnen doorgaan; zoo beweren zij bijv., dat het een lichter misdrijf is, duizend menschen van kant te maken dan éénmaal op den dag des Heeren een schoen voor een armen drommel te naaien, en dat het beter is de geheele wereld met al haar hebben en houden te laten vergaan, dan een enkel leugentje te zeggen, hoe onschuldig het ook moge zijn. Dan maken zij deze haarfijne fijnigheden nog fijner door allerlei middelen der scholastiek, zoodat men nog eerder uit de ergste doolhoven een uitweg kan vinden dan uit de ingewikkelde vertoogen der Realisten, Nominalisten, Thomisten, Albertisten, Occamisten, Scotisten6; en nu heb ik nog niet eens alle, maar slechts de voornaamste sekten opgenoemd. Zij allen bezitten zooveel geleerdheid, maar zijn ook zoo moeilijk te begrijpen, dat de apostelen zelf, naar ik meen, een geheel anderen geest zouden noodig hebben, als zij over deze onderwerpen met dit nieuwerwetsche geslacht van Godgeleerden moesten handgemeen worden. Zeker Paulus zou zijn geloofsmoed kunnen toonen, maar als hij zegt:7 Het geloof is een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet, dan strookt zijn bepaling al zeer weinig met den geest onzer magisters. Al was hij ook een voorbeeld van de christelijke liefde, zoo voldoen toch zijn verdeelingen evenmin als zijn bepalingen in het 13de hoofdstuk van den 1sten brief aan de Corinthiërs8 aan de voorschriften der disputeerkunst. Wel vierden de apostelen vroom het avondmaal, maar als men hen ondervraagd had over de transsubstantiatie en de tijdgrenzen, waarbinnen die valt, over de wijze, waarop hetzelfde lichaam op verschillende plaatsen kan zijn, over het verschil tusschen Christus’ lichaam in den hemel, aan het kruis en bij het sacrament van het avondmaal, op welk tijdstip de transsubstantiatie9 plaats heeft, daar toch het geheel der rede, waardoor zij tot stand komt, zich in elkaar opvolgende woorden laat oplossen, dan zouden zij, mijns bedunkens, niet met dezelfde scherpzinnigheid geantwoord hebben, als waarmee de jongeren van Scotus dit alles bespreken en onderscheiden. Zij kenden Jezus’ moeder, maar wie hunner wist zoo wijsgeerig als onze Godgeleerden aan te toonen, hoe zij bewaard is gebleven voor de van Adam geërfde zonde? Petrus ontving de sleutels en hij ontving ze van dengene, die ze zeker niet aan een onwaardige zou toevertrouwen, maar toch geloof ik niet, dat hij de fijne kwestie begrepen heeft—in alle gevalle heeft hij haar nergens aangeroerd—, hoe de sleutel der wetenschap ook in het bezit van hem kan zijn, die geen wetenschap bezit10. Zij doopten overal en toch hebben zij nergens onderwezen, waarin de bepaling van den doop bestaat, wat vorm en materie, bewerkende oorzaak en strekking betreft11, en evenmin vindt men bij hen van zijn uitwischbaar of onuitwischbaar karakter12 melding gemaakt. Zij baden wel, maar in den geest, zich houdend aan het bekende Evangeliewoord: God is een geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid13. Maar het blijkt niet, dat hun toen geopenbaard is, dat men met denzelfden eerbied als tot Christus zelf moet bidden tot een beeldje, met houtskool op een wand geteekend, als het slechts twee uitgestoken vingers, lang haar en aan den aan het achterhoofd bevestigden stralenkrans drie punten heeft.