← Table of contents
De Lof der Zotheid

Note 12 — Getuigenissen uit de Heilige Schrift.

J. B. Kan translation

Hiermede komt overeen het gezegde van Christus zelf in het Evangelie, dat men niemand goed moet noemen, dan God alleen12. Verder, als op gezag der Stoïcijnen, ieder dwaas moet heeten, die niet wijs is, en ieder die goed is, ook wijs, dan moet de Zotheid ongetwijfeld alle stervelingen omvatten. Wederom zegt Salomo in het 15de hoofdstuk13: De dwaasheid is den verstandelooze blijdschap, waardoor hij zeker duidelijk erkent, dat er zonder dwaasheid geen zoetheid in het leven is. Hiertoe behoort ook dit bekende gezegde: Die wetenschap vermeerdert, vermeerdert smart en in veel wijsheid is veel verdriet14. Erkent dit ook niet openlijk die uitstekende Prediker in het 7de hoofdstuk15: Het hart der wijzen is in het klaaghuis, maar het hart der zotten in het huis der vreugde? En daarom stelde hij zich niet tevreden met de beoefening der wijsheid, maar voegde er ook zelfkennis aan toe. Als gij mij niet geheel vertrouwt, hoort dan zijn eigene woorden, die hij neerschreef in het 1ste hoofdstuk16: En ik begaf mijn hart om wijsheid en wetenschap te weten, onzinnigheden en dwaasheid. Hierbij valt zeker op te merken, dat het is om de dwaasheid te eeren, dat hij haar achteraan geplaatst heeft. De Prediker heeft het geschreven en gij weet, dat deze volgorde bij de predikers bestaat, dat hij, die de eerste in rang is, de laatste plaats inneemt, waarbij hij ongetwijfeld het voorschrift des Evangelies volgt17. Maar dat de dwaasheid voortreffelijker is dan de wijsheid, dat getuigt ook zonneklaar die Prediker18, wie hij dan ook moge geweest zijn, in het 44ste hoofdstuk19, wiens woorden ik echter U niet eerder zal mededeelen, voordat gij mij bij mijn inductieve bewijsvoering door een gepast antwoord helpt, zooals bij Plato zij doen, die met Socrates redetwisten20. Wat van beiden past het eerder op te bergen, wat zeldzaam en kostbaar of wat algemeen verkrijgbaar en goedkoop is? Waarom antwoordt gij niet? Ook al wilt gij voor uw gevoelens niet uitkomen, dan antwoordt toch het bekende Grieksche spreekwoord in uw plaats, dat zegt “de waterkruik aan de deur”21, en opdat men niet de snoodheid bega dit te verwerpen: Aristoteles22, de God onzer Magisters, haalt het aan. Is er wel iemand uwer zoo dwaas, dat hij edelgesteenten en goud op de straat laat staan? Waarachtig niet, zou ik denken. In de binnenste binnenkameren van uw huis bewaart gij het en daarmee nog niet tevreden, in de geheimste hoeken van de allerstevigste kasten, terwijl gij het slijk op de straten laat: Derhalve als het kostbaarste wordt opgeborgen, maar wat weinig waarde bezit, voor iedereen te zien blijft, is het dan niet duidelijk, dat de wijsheid, die hij23 niet wil wegbergen, minder waarde heeft dan de dwaasheid, die hij wenscht opgeborgen te zien? Hoort dan nu zijn eigen woorden: Beter is de man, die zijn dwaasheid verbergt, dan de man, die zijn wijsheid verbergt. Zelfs kent de Heilige Schrift den dwaas bescheidenheid toe, terwijl de wijze daarentegen niemand aan zichzelf gelijk acht. Want zoo versta ik hetgeen de Prediker in het 10de hoofdstuk zegt24: Maar de dwaas op den weg wandelende beschouwt, terwijl hij zelf onverstandig is, allen als dwaas. Is dat niet een bewijs van bijzondere bescheidenheid, allen aan u zelf gelijk te stellen, en terwijl ieder immers hooge gedachten omtrent zichzelf koestert, toch uw lof te deelen met allen? Daarom schaamde zelfs die groote koning zich dien bijnaam niet, want hij zegt in het 30ste hoofdstuk zijner spreuken25: Voorwaar, ik ben onvernuftiger dan iemand. Ook Paulus, die groote leeraar der Heidenen, laat in zijn brief aan de Corinthiërs26 zich niet ongaarne den bijnaam van dwaas welgevallen: Als een dwaas, zegt hij, spreek ik: meer ben ik27, even alsof het schandelijk is, zich in dwaasheid te laten overtreffen. Maar intusschen schreeuwen mij eenige ellendige Grieken28 de ooren doof, die zooveel knappen Godgeleerden van onze dagen de loef trachten af te steken door met hun onbekookte aanteekeningen de oogen van anderen te verblinden, onder welk troepje mijn Erasmus, zooal niet de eerste, dan toch zeker de tweede plaats inneemt, wiens naam ik meermalen met eerbied noem. “Welk een inderdaad zotte en der Zotheid zelve waardige aanhaling” zeggen zij. “De apostel bedoelt geheel iets anders dan waarvan gij droomt. Want het is hem met deze woorden er niet om te doen, voor dwazer dan de overigen door te gaan, maar na gezegd te hebben: zij zijn dienaars van Christus, en ik (ook), en zich, als het ware met zelfverheffing, ook in dit opzicht met de overigen gelijk te hebben gesteld, voegde hij er verbeterend bij: meer ben ik, in de overtuiging, dat hij niet slechts met de overige apostelen in de bediening des Evangelies op één lijn stond, maar zelfs nog eenigszins hooger. En alhoewel hij wenschte, dat zij dit als waar erkenden, heeft hij de dwaasheid als voorwendsel gebezigd om te zorgen, dat dit gezegde niet als te aanmatigend hun ooren zou kwetsen. Hij bezigde de woorden: als minder wijs spreek ik, omdat hij wist, dat het een voorrecht der dwazen is om alleen zonder te kwetsen de waarheid te spreken”29. Maar ik laat het aan hen zelf over om te beredeneeren, wat Paulus bedoeld heeft. Ik houd mij aan de groote, vette, dikke en algemeen geprezen Theologen, met wie, bij den Hemel, een groot gedeelte der geleerden zeker liever wil dwalen dan een juist inzicht hebben met die mannen, die de drie talen30 verstaan. Niemand schat die ellendige Grieken dan ook hooger dan kraaien31, vooral omdat een zeker roemruchtig Theoloog, wiens naam ik met opzet verzwijg, opdat niet onze kraaien al aanstonds hem dit schimpwoord naar het hoofd werpen: “De ezel en de lier”32, op magistrale en theologale wijze deze plaats verklarende, met deze woorden: Als minder wijs spreek ik, meer ben ik, een nieuw hoofdstuk begint en—hetgeen slechts met de grootste inspanning zijner redekunstige krachten kon geschieden—er een nieuwe afdeeling bijvoegt, waarin hij op de volgende wijze een uitlegging geeft (ik wil zijn eigen woorden aanhalen niet slechts in den vorm33, maar ook naar den inhoud): Als minder wijs spreek ik, d.i. als ik u dwaas voorkom door mij gelijk te stellen met de valsche apostelen34, zal ik u nog minder wijs voorkomen door mij boven hen te stellen. En toch komt diezelfde man, alsof hij zichzelf vergeten had, een weinig later tot een geheel ander besluit.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings