Note 1 — Getuigenissen uit de Heilige Schrift.
J. B. Kan translation
Maar misschien hechten de Christenen aan het aangevoerde weinig waarde. Laten wij daarom ook, zoo gij het goedvindt, den lof, dien wij ons zelf toekennen, met getuigenissen uit de Heilige Schrift schragen of, zooals de geleerden zeggen, er een fundament aan geven, na eerst verlof aan de Godgeleerden gevraagd te hebben, dat het met hun genadig goedvinden ons geoorloofd zij; voorts, omdat wij een moeilijke taak aanvaarden en het misschien verkeerd zou zijn opnieuw de Muzen van den Helicon te roepen1 tot het ondernemen van zulk een lange reis, vooral daar de zaak minder bij haar thuis behoort, zal het misschien gepaster zijn te wenschen, dat, zoolang ik als Godgeleerde optreed en mij temidden van die doornen voortbeweeg, de geest van Scotus, die nog stekeliger is dan een stekelvarken of een egel, een tijd lang uit zijn Sorbonne in mijn binnenste zijn intrek neme2 en spoedig daarop weder verhuize, waarheen hij wil, desnoods naar de hel. Het zij mij geoorloofd ook een ander gelaat aan te nemen en mij te kleeden als een Theoloog. Ik vrees echter hiervoor, dat men mij van diefstal zal aanklagen, alsof ik heimelijk de papieren onzer Magisters weggenomen heb, omdat ik zooveel van de theologie weet. Maar het moet u niet zoo bijzonder vreemd voorkomen, als ik uit den langdurigen innigen omgang, dien ik met de theologie heb, het een en ander heb opgedaan, daar zelfs die god uit vijgenboomhout, Priapus3, eenige Grieksche woorden, doordat zijn heer hardop las, opteekende en onthield en de haan van Lucianus door een lang verkeer met menschen de menschelijke taal op en top verstond4. Maar eindelijk ter zake—onder goede voorteekenen.