← Table of contents
De Lof der Zotheid

Note 1 — Dwazen, die zich op hun adellijken titel laten voorstaan.

J. B. Kan translation

De een brengt zijn geslacht terug tot Aeneas1, een tweede tot Brutus2, een derde tot Arcturus3. Zij laten u overal de beelden en portretten van hun voorouders zien. Zij tellen het aantal hunner over- en betovergrootvaders en vermelden hun oude bijnamen, terwijl zij zelf niet veel beter zijn dan een stom beeld, ja haast nog minder dan die konterfeitsels, waarmee zij pralen. Desniettemin leiden zij tengevolge van deze zoete eigenliefde een allergelukkigst leven en het ontbreekt niet aan even groote zotten, die tegen dit soort van stomme dieren als tegen goden vol eerbied opzien. Maar wat spreek ik over het een of andere soort van menschen, alsof er niet bewijzen genoeg zijn, dat die eigenliefde overal de meesten onbeschrijfelijk gelukkig maakt. Immers de een, al is hij leelijker dan elke aap, verbeeldt zich in allen opzichte een Nireus4 te zijn; een ander gelooft, zoodra hij drie lijnen met een passer getrokken heeft, dat hij op ende op een Euclides5 is; een derde zingt bij de lier als een ezel en, schoon zijn stem nog leelijker klinkt dan die van een haan, als hij zijn hen bijt, acht hij zich toch een tweeden Hermogenes6. Maar verreweg de aangenaamste soort van waanzin bestaat hierin, dat sommigen snoeven op elke gave, die een der hunnen bezit, alsof zij zelf die bezaten. Tot dezen behoorde die gelukzalige rijkaard bij Seneca7, die als hij een verhaaltje zou vertellen, slaven bij de hand had om hem de namen zijner helden in te fluisteren; ja, hij zou zelfs niet geaarzeld hebben zich aan een vuistgevecht te wagen, ofschoon hij zoo zwak was, dat men hem slechts met kunst en vliegwerk in het leven hield, in het volle vertrouwen op het aantal reusachtig sterke slaven, die hij thuis had. Waartoe behoef ik nog te spreken over de beoefenaars van kunst en wetenschap? Zij bezitten allen zonder onderscheid zulk een bijzonder soort van eigenliefde, dat men onder hen eerder iemand aantreft, die van zijn aanspraken op een van zijn vader geërfd stukje grond dan van die op vernuft afstand wil doen. Bovenal is het echter een eigenaardigheid van tooneelspelers, zangers, redenaars en dichters, dat de grootste stumper het onbeschaamdst is in zijn zelfbehagen, het meest zijn eigen lof verkondigt en overal rondbazuint. En—ieder vindt een spekje voor zijn bekje, of laat ik het liever zoo zeggen, hoe onzinniger iets is, des te meer bewonderaars vindt het. Het gaat hiermee als met al hetgeen verkeerd is, dat allerwege met bijval wordt opgenomen, en wel omdat de meeste menschen, zooals wij boven opmerkten, aan de Zotheid onderworpen zijn. Daarom, als iemand een stommerik is en hij daardoor niet alleen voor zichzelf veel aangenamer is, maar ook een grooter schaar bewonderaars trekt, waarom zou hij dan toch wel aan de ware geleerdheid de voorkeur geven, die hem vooreerst veel kost, hem dan vervelender en blooder maakt en eindelijk bij veel minder in den smaak valt?

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings