Note 1 — Dichters.
J. B. Kan translation
Minder verplichting aan mij hebben de dichters, ofschoon zij zeker uit den aard van hun beroep tot mijn partij behooren, want zij zijn vrije menschen, zooals het spreekwoord1 wil, wier eenig genot bestaat in het streelen van de ooren der dwazen en dan nog wel met loutere nietigheden en belachelijke verhaaltjes. Desniettemin meenen zij, hoe vreemd het moge klinken, op grond hiervan niet alleen zichzelf, maar ook anderen de onsterfelijkheid en een godenleven te mogen beloven. Met deze bent staan bovenal Eigenliefde en Vleierij2 op een zeer vertrouwelijken voet en bij geen enkel slag van menschen vind ik oprechter of standvastiger aanbidders. Verder behooren de redekunstenaars, hoewel zij soms valsch spel spelen en heulen met de wijsgeeren, zeker ook tot onze partij, hetgeen vooral hieruit blijkt, dat ze, behalve andere beuzelarijen, zoo nauwkeurig en zoo veel over de kunst van schertsen geschreven hebben3. Zoo geeft de schrijver van de aan Herennius opgedragen Redekunst4, wie hij dan ook moge geweest zijn, de dwaasheid zelfs een plaats onder de soorten van geestigheden en komt bij Quintilianus5, verreweg den eersten man van dezen kring, een hoofdstuk voor over het lachen, dat nog uitvoeriger is dan de Ilias6, en hechten zij zooveel waarde aan de zotheid, dat dikwijls een uit gebrek aan bewijsgronden verloren zaak, desniettemin door lachen gewonnen wordt. Niemand zal toch wel van oordeel zijn, dat het buiten het gebied der Zotheid ligt door lachwekkende gezegden de menschen te doen schateren en dat nog wel volgens de regelen der kunst. Tot deze klasse behooren ook zij, die door het uitgeven van boeken jacht maken op onsterfelijken roem. Zij hebben allen de hoogste verplichting aan mij, maar in de eerste plaats zij, die louter beuzelarijen op het papier kladden. Want zij, die hun wetenschappelijke geschriften inrichten naar den smaak van een paar geleerden en geen bezwaar hebben tegen een vonnis van Persius of Laelius7, zijn, mijns inziens, meer te beklagen dan te benijden, omdat zij zichzelf voortdurend kwellen. Zij voegen in, veranderen, schrappen, schrijven opnieuw, herhalen, werken om, dikken aan, houden negen jaar lang hun werk weggesloten8, zonder zichzelf ooit te voldoen, en koopen een ijdele belooning bestaande in den lof van zeer weinigen, tot zulk een hoogen prijs, ten koste van zooveel nachtwaken en met zooveel opoffering van den zoo genotrijken slaap, voor zooveel zweetdroppels, voor zooveel kruisen. Voeg nu daarbij het verlies van gezondheid, het ruïneeren der schoonheid des lichaams, slechte oogen of zelfs blindheid, armoede, den haat der menschen, onthouding van alle genoegens, een vroegen ouderdom, een ontijdigen dood en wat dies meer zij. Ten koste van zooveel leed meent die wijze de goedkeuring van een paar leepoogen9 te moeten koopen. Maar de schrijver naar mijn hart—hoeveel gelukkiger is zijn waanzin, als hij zonder eenig hoofdbreken alles, juist zooals het hem invalt of uit de pen vloeit, zelfs zijn droomerijen op staanden voet te boek stelt, wat hem alleen maar een beetje papier kost, overtuigd, dat hoe beuzelachtiger beuzelarijen hij neerschrijft, hij op de goedkeuring van des te meer menschen, namelijk van alle zotten en stommeriken, mag rekenen. Het valt toch zeker niet moeilijk zich onverschillig te toonen voor het oordeel van anderhalven geleerde, zoo zij al die geschriften lezen. Of wat zal de stem van enkele wijzen beteekenen te midden van den ontelbaren hoop van lieden, die daartegenin schreeuwen? Maar nog wijzer zijn zij, die werken van anderen voor de hunne uitgeven en den roem, door dezen ten koste van veel arbeid verkregen, op hun naam weten over te brengen, in ’t vertrouwen natuurlijk, dat al worden zij ook volkomen overtuigd van letterdieverij, hun intusschen toch het genot voor eenigen tijd ten goede zal komen. Het is de moeite waard op te letten, hoezeer zij met zichzelf ingenomen zijn, als zij algemeen geprezen worden, als men onder het volk op hen wijst zeggend “daar heb je dien knappen kerel,” als hun werken bij de boekverkoopers te koop liggen, als er aan het hoofd van alle bladzijden drie namen10 te lezen staan, vooral als deze uit den vreemde zijn en gelijken op tooverwoorden. Maar bij den Hemel, wat zijn het anders dan namen? Voorts, hoe weinigen zullen ze kennen, als men let op den reusachtigen omvang der wereld, en hoeveel kleiner zal nog het aantal zijn van hen, die ze zullen prijzen, in aanmerking genomen, dat de smaken ook van de ongeleerden zoo verschillend zijn. Daarenboven worden die namen zelf niet zelden verdicht of aan de boeken der ouden ontleend, daar de een gaarne Telemachus11 wil heeten, een ander Sthenelus12 of Laërtes13, deze Polycrates14, gene Thrasymachus15, zoodat men al even goed op den titel den naam Kameleon of Pompoen, of in de taal der wijsgeeren Alpha of Beta16 zou kunnen zetten. Maar het aardigste is, als die dwazen en domooren elkander over en weer in brieven, gedichten en lofzangen ophemelen. Zoo verklaart deze genen voor een Alcaeus, gene hem voor een Callimachus17, gene staat volgens dezen boven M. Tullius18, deze acht hem geleerder dan Plato. Ook zoeken zij soms een tegenstander om door een wedstrijd met hem zich een grooteren naam te verwerven: