Note 1 — De Zotheid vooral maakt de Goden aantrekkelijk.
J. B. Kan translation
Maar wat spreek ik tot nog toe over de stervelingen? Neemt den geheelen hemel in oogenschouw en de eerste de beste mag mij van mijn naam een verwijt maken, als hij onder alle goden er één vindt, die de gunst en de achting, waarin hij staat, niet aan mijn goddelijke macht te danken heeft. Waarom toch is Bacchus altijd een jong man met dik haar? Wel, omdat hij dronken en dol met gastmalen, danspartijen, reidansen en pretmaken zijn geheele leven doorbrengt en zich zelfs in de verte niet met Pallas inlaat. Kortom, hij is er zoo ver af, dat hij voor wijs wil doorgaan, dat hij het liefst boertend en schertsend wil gediend worden. Hij voelt zich dan ook volstrekt niet gekwetst door het spreekwoord, dat hem den bijnaam “dwaas” geeft: het luidt zoo ongeveer: Nog doller dan Morychus1. Den naam Morychus leidt men verder daarvan af, dat de landlieden in hun brooddronkenheid hem, als hij voor de deur van zijn tempel zit, met most en versche vijgen plegen te besmeren2. Wat werpt verder het oude blijspel3 hem niet voor hatelijkheden naar het hoofd! Wat een flauwe God, zeggen zij; hij verdient uit een dij4 geboren te worden. Maar wie zou niet liever zoo’n flauwe en zoutelooze God zijn, altijd vroolijk, altijd weer jong, altijd voor allen vol pret en plezier, dan zelfs die arglistige, bij allen gevreesde Jupiter of Pan, die, de geheele wereld door allerlei angsten in rep en roer brengend,5 haar een bron van ergernis is en verdriet, of de vol asch zittende Vulcanus6, die er altijd even vuil uitziet van ’t arbeiden in zijn werkplaats, of ook Pallas zelf zoo vreeslijk door haar Gorgo7 en speer, die altijd even zuur kijkt. Waarom blijft Cupido altijd een knaap? Waarom anders dan omdat hij altijd een beuzelaar is en nooit iets verstandigs doet noch denkt? Waarom bloeit de gulden Venus altijd weer in jeugdige schoonheid? Wel, omdat zij met mij verwant is en om deze reden draagt haar gelaat ook de kleur mijns vaders en heet zij bij Homerus de gulden Aphrodite. Voorts lacht zij eeuwig, wanneer wij tenminste de dichters of hun mededingers, de beeldhouwers, mogen gelooven. Welke godheid hebben de Romeinen meer eerbied bewezen dan Flora8, de moeder van alle zingenot?