Note 2 — De Zotheid schenkt aan alle menschen haar zegeningen.
J. B. Kan translation
Zeker staat onder de vele lofwaardige eigenschappen van Bacchus deze terecht het hoogst, dat hij de muizenissen wegspoelt, maar dit geschiedt slechts voor een korte poos, want zoodra iemand zijn roes heeft uitgeslapen, komen de beslommeringen, aanstonds met een wit vierspan2, zooals men zegt, aanrennen. Hoeveel rijker en krachtiger is niet mijn gave, waardoor ik den geest in een voortdurenden roes doe verkeeren en hem volop vreugde en genot en opgewondenheid schenk en wel, zonder dat het eenige moeite kost. Want ik onthoud niemand ter wereld mijn weldaden, terwijl de overige goden aan verschillende menschen verschillende voorrechten schenken. Niet overal wast edele en zachte wijn3 om de zorgen te verdrijven en rijke hoop in de aderen te storten. Hoe weinigen viel een bevallige gestalte, de gave van Venus, ten deel. Nog zeldzamer is Mercurius’ geschenk, de welsprekendheid. Niet bijzonder talrijk zijn zij, die schatten aan Hercules’4 gunst te danken hebben. De Homerische Jupiter geeft niet den eersten den besten de heerschappij. Vaak is Mars geen van beide legers gunstig. Niet weinigen gaan bedroefd weg van Apollo’s drievoet5. Dikwijls bliksemt Saturnus’ zoon6. Phoebus7 zendt nu en dan door zijn schichten dood en verderf. Neptunus vernietigt meer levens dan hij redt. Om nu niet uit te weiden over wezens als die Veiovis8, Pluto9, Ate10, Poena11, Febris12 en andere van dit slag, geen goden maar beulen,—ik, Zotheid, ben de eenige, wier zegeningen ten allen tijde allen zonder onderscheid omvatten.