Note 1 — De bisschoppen der Duitschers.
J. B. Kan translation
Tot nog toe verkeer ik in onzekerheid, of sommige bisschoppen der Duitschers hiertoe het voorbeeld gegeven, dan of zij veeleer hun levenswijze hieraan ontleend hebben. Zij laten eenvoudig zelfs den eeredienst, het uitspreken van den zegen en alle dergelijke ceremoniën achterwege en gedragen zich geheel als wereldlijke landvoogden, zoodat zij het haast laf en voor een bisschop weinig betamelijk achten, elders dan op het slagveld hun dapperen geest aan God te geven. Natuurlijk, dat het gros der priesters het als een gruwel beschouwt in heiligheid voor zijn voorgangers onder te doen en als echte soldaten voor zijn tiendrecht met zwaarden, schichten, steenen, en allerlei wapentuig oorlog voert. En wat zijn ze scherp van gezicht op dit ééne punt, of er iets uit de geschriften der ouden te halen valt om hun kuddeke bang te maken en hen te overtuigen, dat men nog meer dan tienden verschuldigd is! Maar intusschen komt het hun niet in den zin, hoeveel er overal te lezen is over den plicht, dien zij op hun beurt jegens het volk te vervullen hebben. En allerminst herinnert hen de geschoren kruin, dat een priester van alle begeerten dezer wereld vrij behoort te zijn en dat hij over niets dan over de hemelsche zaken behoort te peinzen. Maar die lieve menschen beweren zich van hun plicht al duchtig gekweten te hebben, als zij hun gebeden, hoe dan ook, hebben afgepreveld, ofschoon het mij waarlijk zeer zou bevreemden, als eenige god deze of hoorde of begreep, daar zij zelf, als zij ze opdreunen, ze haast evenmin hooren als verstaan. Maar dit hebben de priesters zeker met de oningewijden gemeen, dat zij allen goed wakker zijn, als het er op aankomt om voordeelen binnen te halen, en dat geen van hen dan onbekend is met de wetten1. Maar is er hun soms een last opgelegd, dan schuiven zij dien zeer wijselijk op de schouders van anderen en kaatsen elkander den bal toe. Zoo gaat het immers ook met de wereldlijke vorsten: evenals zij de taak van het rijksbestuur aan plaatsvervangers opdragen, en de eene plaatsvervanger die weer aan een ander overdoet, zoo laten ook zij uit zedigheid de betrachting der godsdienstplichten geheel aan het volk over. Het volk schuift deze weer op hen, die het de mannen der kerk noemt, alsof het zelf in ’t geheel geen gemeenschap heeft met de kerk, alsof de geloften van den doop volstrekt niets te beteekenen hadden. Van hun kant wentelen de priesters, die zich wereldlijke noemen, alsof zij der wereld, niet Christus gewijd waren, dezen last op de regulieren2, de regulieren op de monniken, de monniken van een ruimeren op die van een strengeren leefregel, allen te zamen op de bedelmonniken, de bedelmonniken op de kartuizers3, die de eenigen zijn, bij wie de vroomheid begraven en verscholen ligt, en wel zoo, dat men ze schier nooit te zien kan krijgen.