Een mooie Aprilmorgen in ’t Haagsche Bosch.
Reading edition
Langs het vijvervlak door een koeltje gerimpeld, glanst vroolijk de lentemorgenzon. Blij schallend vieren de vogels hun hoogtij in ’t woud. De fijne bolsters hebben den drang van ’t jonge leven niet langer weerstaan. Tusschen de zware stammen zijn de heesters reeds geheel met lichtgroen omhuifd, en ook de iepen en beuken tooiden zich reeds met een zachtgroen waas. De rosse knopjes der eiken glimmen hooger, bottende in ’t zonlicht. Frisch groen breekt het bruin van den sierlijk golvenden bodem, die bedekt is met een glanzige bloemensneeuw van duizenden bosch-anemonen.
Verrukkelijk bosch! Trotsch in den zomer, als ge uw rijkdom van lommer aan den frisschen vijverzoom huwt; prachtig in ’t najaar, als de schuine zonnestralen tinten tooveren in uw dieper groen en bruin; liefelijk, betooverend schoon in ’t voorjaar, als het koeltje suist, en de zonnestraal spreekt van lieven en leven.
En gewis, alles stroomt er naar buiten; oud en jong, rijk en arm, nu de zon, na malschen regen de lustwarande der hofstad zoo prachtig tooit voor het groote jaarfeest der Natuur....? Zacht wat! Nu ik aan ’t eind van den breeden vijver,—als zoo dikwijls reeds op dit vriendelijk plekje—de zoete stemmen van een eersten lentemorgen beluister, nu bespeur ik, noch langs die vijverzoomen, noch op de paden tusschen ’t hout, eenig spoor van menschelijk leven. Doch zie, een woudduif schrikt op. ’t Geklinklang van een bungelend wapen doet zich hooren. Achter den heuvel, waar ’t zwartaarden rijpad slingert, worden twee ruiters ten deele zichtbaar. In galop schieten ze langs ’t malsche heestergroen voorbij. Ginds, bij ’t klimmen van den heuvel, verrijzen ze even, maar duiken ook aanstonds weer weg achter den zoom der bosch-anemonen.
Hoe! is er in dit vriendelijk morgenuur—en immers nog vóór bureautijd—geen enkele wandelaar in ’t prachtige Haagsche Bosch?
Ja toch, ginds in de verte daar gaat “de grijze mijnheer,” en daar, op ’t groote pad, keert de altijd lezende bakkersjongen met zijn leege broodmand als naar gewoonte dood-langzaam naar de stad terug. Of hij wijsheid of dwaasheid zoekt....? Natuurschoon en ’s meesters voordeel zeker niet. Ei zie, ’t is waarlijk druk dezen morgen; daar komen nog twee personen de kleine brug af, en gaan mijn zitplaats voorbij.
“Nein! Traviata nicht gesehn, nein!”
—’t Is egoïstisch misschien maar bij ’t vernemen van iets dergelijks, krijgt men er vrede mee, dat het ’s morgens vóór den pantoffeltijd, zoo kalm blijft in het heerlijke bosch.
En bij ’t stil genieten van ’t jonge leven in ’t ronde, is ’t zeker niet vreemd dat de geest terugdwaalt naar de lente van ’t leven, die reeds zoolang voorbij is. Wat was ’t een heerlijke tijd, die blonde jeugd! ... vroolijk, vrij, zonder zorg, in dartele onschuld genietende....
Straks bij ’t opstaan zal ik ’t eerst begrijpen hoe David Bot mij plotseling zoo klaar voor den geest is gekomen.
’t Was in den knikkertijd. David had me al mijn knikkers afgenomen, en bovendien was ik er hem nog twintig schuldig gebleven—twintig met inbegrip van twee albasters.
“Willen we quite ou double?” zei David.—“Wat is dat kiet oe doebel?”—David was drie jaar ouder en veel sterker en ook knapper dan ik.—“Wel we doen even of oneven; als je ’t raadt ben je me niemendal schuldig, en anders dubbel zooveel.”—Goed! Ik raadde even. ’t Was oneven. “Da’s veertig!” zei David: “Nog eens!”—“Oneven”—”’t Is even” zei David: “da’s tachtig.” Ik kreeg het vreeselijk warm.—“Nog eens?” vroeg. David. “Neen, neen!”—“Niet? Ben je mal; als je ’t raadt heb je alles weerom!”—“Nou! oneven.”—“Mis!” zei David: “da’s honderd zestig.”—nou win je ’t!”—“Even!”—“Alweer mis, driehonderd-twintig.” De tranen sprongen mij in de oogen.
“Nogeens!” riep David. En nog eens raadde ik mis, en David lachte, en telkens stak hij mij zijn roode saamgeknepen hand toe; en toen ik nog vijf malen met bevende stem had misgeraden, toen grinnikte David: “Nou schei ik er uit! Twaalf duizend vierhonderd tachtig knikkers ben je me schuldig. Je zult ze me geven hoor of anders ben je een dief en je komt aan de galg!”
O zalige kindertijd! Acht dagen lang heb ik in doodsangsten doorgebracht. Ellendiger kan de totaal geruïneerde huisvader zich niet gevoelen, dan ik mij gevoelde; vooral wanneer die kleine propperig dikke David, mij, sarrende, telkens papiertjes in handen speelde, waarop dat schrikkelijke cijfer geschreven stond, o, dan brak mij het angstzweet uit, en eens, midden onder schooltijd, toen hij de lei omhoog hield met een poppetje aan de galg er op en alweer dat cijfer er onder, toen wenschte ik dat ik dood was. Eerst nadat ik alles aan mijn goede moeder gezegd en zij mij honderd knikkers gekocht had, ademde ik weer vrijer, want de propperige David vond—evenals ik—tusschen de getallen 1 2 4 8 O en 100 zoo’n groot onderscheid niet.
Blijde kinderjaren! Mijn nichtje Anna had een bakkesje om te stelen, en op de kinderbals dansten we meestal samen. Eens had zij tegen David gezegd, dat zij niet met hem dansen wilde, omdat hij zoo gniepig met mij gespeeld had. Den volgenden dag zei David tegen mij, dat Anna scheel zag, en van de pokken geschonden was. Ik ben toen woedend geworden, want Anna was als een meikers zoo glad, en mooier oogjes waren er niet in de heele wereld! Hoewel David zooveel ouder en sterker was dan ik, heb ik hem toch een duchtigen slag gegeven. Maar David heeft me daarop met zijn stevige knuisten zoo erbarmelijk toegetakeld, dat mijn linkeroog bont en blauw zag. ’t Was om razend te worden! Meester zei dat ik was begonnen en daarom moest schoolblijven, en duizendmaal schrijven: Ik mag mijn kameraden niet slaan. Toen David naar huis ging, stak hij de tong tegen mij uit en fluisterde: “Weet je, ze is scheel en mottig!”
En ik, die duizendmaal schrijven moest, dat die leelijkerd mijn kameraad was!! Toen ik thuis kwam zei mijn vader, dat meester mij stellig niet onrechtvaardig zou gestraft hebben, en moeder, dat het van David zeker een grapje geweest was.
In den zwaren beukestam ginds, staat met kolossale letters de naam DAVID gesneden; en David Bot heeft mij aan die donkere dagen herinnerd, en aan nog zoovele andere uit die vroolijke zorgelooze jeugd, uit die nooit volprezen lente van ’t leven.
In ’t midden van een breed uitgesneden hart, staat in dienzelfden beukestam, ter linkerzij en veel hooger den naam Maria.
Maria! En ik denk aan het schoone jonge vrouwtje dat haar Eduard aanbad. Hij—hij droeg haar op de handen. Hun liefde was hun hemel. En—nog was het kindje niet geboren, dat hun echt bekronen zou, toen zij starend neerzat in ’t sombere rouwkleed. Geknakte lelie! En uw zomer zou zoo schoon zijn! Maar uw kind werd uw liefde en rijkdom. Zoo had de zomer dan toch zijn bloemen voor u, trouwe moeder.
In dien boomstam staan nog een menigte naamcijfers en jaartallen. Misschien bezie ik de kloeke beuken, die de herinnering aan meer dan drie geslachten bewaren, later wel eens wat nauwkeuriger; nu is ’t genoeg. Met de frissche morgenlucht heb ik tevens een fiksche teug uit den frisschen levenskelk genoten. Neen, als de lente herleeft, en land en bosch jubelt in den zonnestraal met de zachtste tinten en kleuren, dan droomen we niet van een zoet weleer, dat slechts in de herinnering zoo vlekkeloos schoon was; dan leven we evenmin in een toekomst, hunkerende naar een zorgloozen ouderdom, die nooit zal komen; maar dan leven we in het heden en roemen in de heerlijke lente, die nu weer haar schatten ontplooit.... Maar zie, bij ’t genietend voortwandelen langs het lichtste groen van iepen en eschdoorns, terwijl hooger de vogelkers met zijn sierlijk witte bloemtrossen, honinggeuren door ’t bosch verspreidt, komt toch een droeve toon, een toon van smart en rouw en vervlogen kracht en geluk het hart beroeren: Ginds op een bank zit een grijsaard. ’t Is een arme; een houten kruk staat naast hem; om zijn versleten zeer rossen hoed, zit een breede nog rosser rouwband. Zijn gezicht moet hij missen, want de drie kinderen, die slechts op zeer korten afstand anemonen plukken, hij roept ze en waarschuwt hen toch niet te dicht bij het water te komen—ofschoon de vijver nog op grooten afstand is.
Arme tobber, eens kondt ge zien; eens kondt ge de lente genieten; eens kondt ge u vrij bewegen, dartel zooals die kleinen ginds, of rustig zooals hij die uw zitplaats nadert.
En de kinderen keeren met hun bloemen tot grootvader terug; en, als ze hem hun schat toonen—alsof hij dien zien kon—en het kleinste meisje hem de anemonen onder den neus drukt, dan lacht hij tevreden en niest, om zijn verrukking aan ’t kind te toonen. En terwijl grootvader de roode wangen van het lieve bloemplukstertje streelt, roept haar oudere zusje: “Nou draaien, grootvader! Toe!” En zie, zij heeft den oude het eind van een lang touw reeds in de hand gegeven. “Ja kom, nu lustig aan ’t springen,” zegt grootvader: “Jij Jan, ’t eerst meedraaien.” En de grijsaard draait het springtouw. En met luisterend oor, het hoofd een weinig ter zij, bespiedt hij den lustigen touwdans der kleinste. Ei, ’t oudste zusje, ongeduldig, springt mee in de bocht. En grootvader glimlacht, want: Ja ja, hij bemerkt het wel. Maar ze mag het wel doen! En het touw vervat hij gedurig van de eene in de andere hand. “Neen, ga je gang maar; grootvader zal wel draaien, als jelui maar pret hebt!”
Hij zou wel draaien, als die kinderen maar pret hadden!—En nog een poos zag ik naar ’t lustig gespring der kleinen, die, eerlijk om beurten met grootvader het touw draaiden; en ook zag ik naar dien oude met zijn vergenoegden lach op het kennelijk door smarten gegroefd gelaat. En weer voortgaande langs het tintelend weefsel van doorschijnende blaadjes, dacht ik nogmaals aan dat ziekelijk dwalen in verleden en toekomst; en het bosch met zijn stemmen van vogels en kleuren en geuren het riep mij nogmaals toe: Prachtig is deze lente! ’t Is niet te denken dat er voor u schoonere zullen komen! Geniet dan, o mensch, en klaag en zucht niet om ’t geen voorbij is, en hunker en jaag niet naar.... uw graf. Als ge zelf niet meer springen kunt, welnu draai dan het touw voor de kleinen. Als anderen lachen en vroolijk zijn dan zult ge nog mee genieten. Leef in het heden! zie—de zon in die blaadjes, ze lacht zelfs voor den zwaarst beproefden sterveling.
Juist bij ’t uitgaan van ’t bosch gaat Flanor mij voorbij. “Prachtig in ’t bosch!” roep ik hem toe.—“Overheerlik!” is zijn antwoord.
Of het Flanor werkelijk ernst is de ij af te schaffen? Ik weet het niet; maar, nu zijn overheerlik mij nog in de ooren trilt, en ik hem in ’t groote bosch langzamerhand zoo heel klein zie worden.... nu geloof ik toch dat hij in zijn “Spectator” bij ongeluk God zonder hoofdletter heeft geschreven. Ik nam het voor ernst, en vond het.... kinderachtig. De oorsprong van alle bestaan; de bron van alle leven door het zonnestofje mensch, onder vele namen ook GOD geheeten; dat hoogste waarnaar de wijsheid vorschte sinds ’s werelds bestaan, Flanor zal het alvast eenvoudig geen hoofdletter waardig keuren! Maar neen, de kerel meent het niet, hij heeft er te veel hart en verstand voor. Straks als hij ’t Groote orkest der natuur in ’t bosch zal gehoord hebben, dan lacht hij er zelf om—of, hij lacht er niet om, en misschien is ’t nog beter.