Note 6 — Y. S.1
Albin de Kazimirski Biberstein translation
Om deze plaats te verklaren, geven de uitleggers het volgende verhaal: Het volk van Antiochië was uit afgodendienaars samengesteld, weshalve Jezus twee zijner leerlingen daarheen zond om er te prediken. Toen zij de stad naderden, vonden zij Habib, bijgenaamd al Najjar, of de timmerman, die schapen weidde en dien zij met hunne boodschap bekend maakten. Hij vroeg hun daarop, welk bewijs zij voor hunne waarachtigheid hadden, tengevolge waarvan zij verhaalden, dat zij de zieken, de blinden en de melaatschen konden genezen; en om de waarheid te bewijzen van hetgeen zij zeiden, legden zij hunne handen op een hem toebehoorend kind, dat ziek was, en gaven het onmiddellijk de gezondheid terug. Habib was door dit wonder overtuigd en geloofde, waarna zij de stad binnentrokken en de vereering van den waren God predikten, terwijl zij een groot aantal menschen van verschillende gebreken genazen. Eindelijk kwam de zaak echter ter oore van den vorst, die bevel gaf hen gevangen te nemen, daar zij getracht hadden het volk te misleiden. Toen Jezus dit hoorde, zond hij een ander zijner leerlingen, die algemeen verondersteld wordt Simon of Petrus te zijn geweest, en die, naar Antiochië komende en een ijverig afgodendienaar schijnende te zijn, spoedig in de gunst der bewoners en van hunnen vorst wist te dringen, en eindelijk de gelegenheid te baat nam, zijn verlangen te kennen te geven, dat de vorst bevel zou geven, de beide personen, die, naar hij vernomen had, wegens het verspreiden van nieuwe meeningen in de gevangenis waren geworpen, voor hem te brengen om ondervraagd te worden, welk verzoek werd toegestaan. Nadat Petrus hen vooraf in het geheim had gewaarschuwd, niet te doen blijken dat zij hem kenden, vroeg hij hun, wie hen had gezonden, waarop zij antwoordden: God, die alle dingen heeft geschapen, en geen metgezel heeft. Hij vroeg hun daarop om een overtuigend bewijs voor hunne zending, waarop zij een blinden man het gezicht teruggaven, en eenige andere wonderen verrichtten. Petrus scheen daarmede niet tevreden, omdat volgens sommigen, ook hij diezelfde wonderen kon verrichten, maar hij verklaarde, dat, indien hun God hen in staat kon stellen de dooden op te wekken, hij hen zou gelooven. De apostelen namen deze voorwaarde aan, waarop een jongeling werd gebracht, die reeds sedert zeven dagen dood was en op hunne gebeden weder levend werd. Daarop verklaarde Petrus zich overtuigd: hij liep weg, vernietigde de afgodsbeelden; een groot aantal des volks volgde hem, en omhelsde het ware geloof, maar zij die niet geloofden, werden verdelgd door den kreet van den engel Gabriël (Al Zamakshari, Al Beidâwi, enz.). Zie Maracc. in Alc. p. 580.