← Table of contents
De Koran

Note 5 — Lokman.1

Albin de Kazimirski Biberstein translation

De Arabische schrijvers zeggen, dat Lokman de zoon was van Baüra, de zoon of kleinzoon van een zuster of tante van Job en dat hij eenige eeuwen, tot den tijd van David leefde, met wien hij in Palestina verkeerde. Volgens de beschrijving welke zij van dezen persoon geven, moet hij zeer misvormd zijn geweest. Zij zeggen namelijk, dat hij een zwarte huid had (vanwaar sommigen hem voor een Ethiopiër houden), met dikke lippen en gespleten voeten. Daarentegen ontving hij van God wijsheid en welsprekendheid in een hoogen graad, welke hem, volgens sommigen, in een visioen werden gegeven, waarbij hij de wijsheid boven de gave der profetie verkoos, welke hem beide werden aangeboden. Algemeen houden hem de Mahomedanen daardoor niet voor een profeet maar alleen voor een wijs man. Wat zijn stand betreft, zeggen zij, dat hij een slaaf was, maar dat hij zijne vrijheid bij de volgende gelegenheid verkreeg: Zijn meester gaf hem eens eene bittere meloen te eten, en hij betoonde daarbij zooveel gehoorzaamheid dat hij de vrucht geheel opat, waarop de meester zich zeer verwonderde en hem vroeg: Hoe hij zulk eene vrucht kon eten? Hij antwoordde daarop, dat het geen wonder was, dat hij eens eene bittere vrucht aannam uit dezelfde hand, van welke hij zoovele gunsten had ontvangen. (Al Zamakhsh, Al Beidâwi, enz. Zie d’Herbel, Bibl. Orient, p 516 en Marracc, in Alc. p. 547). De uitleggers vermelden verschillende snedige antwoorden, die door Lokman zouden zijn gegeven, en welke, gevoegd bij de boven vermelde omstandigheden, zoo zeer overeenkomen met hetgeen Maximus Planudes van Esopus heeft geschreven, dat daarom, en ook door de fabelen, welke door de Oosterlingen aan Lokman worden toegeschreven, de laatste algemeen is aangenomen de Esopus der Grieken te zijn geweest. Desniettegenstaande is Sale van oordeel, dat Planudes een groot deel van zijn leven van Esopus aan de overleveringen heeft ontleend, welke hij in het Oosten nopens Lokman ontmoette, daaruit afleidende, dat zij één persoon vormden, omdat zij beiden slaven waren en verondersteld worden, de schrijvers te zijn van de fabelen, welke onder hunne verschillende namen doorgaan, en veel op elkander gelijken. Het is toch reeds voorlang door geleerden opgemerkt, dat het grootste deel van dit verhaal van den monnik Planuder, een samengeflanste roman is, welke door geen bewijs der oude schrijvers wordt gestaafd (Zie vie d’Esope par M. de Meziriac Bayle, Dict. Historique, Art Esope Rem. B.).

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings