Note 33 — Jonas1.
Albin de Kazimirski Biberstein translation
Zijnde de inwoners van Ninweh, dat op of nabij de plaats stond, waar zich thans al Mawsil bevindt. Daar dit volk zich zelf, door afgoderij, in het verderf had gestort, werd Jonas, de zoon van Mattai (of Amittai, dat, volgens de veronderstelling der Mohammedanen de naam zijner moeder was), een Israëliet van den stam van Benjamin, door God gezonden, om voor hen te prediken en hem terecht te brengen. Toen hij het eerst begon, hen tot berouw te vermanen, behandelden zij hem zeer slecht, in plaats van naar hem te luisteren, zoodat hij genoodzaakt was de stad te verlaten, terwijl hij bij zijn vertrek dreigde dat zij binnen drie dagen, of volgens anderen, binnen veertig dagen zouden worden verdelgd (Jonas III : 4.) Maar toen de tijd naderde en zij den hemel met eene zwarte wolk bedekt zagen, die vuur uitschoot en de lucht met rook vervulde, en welke juist boven hunne stad hing werden zij door een onbeschrijfbaren schrik bevangen en vluchtten met hunne gezinnen en vee naar de velden. Zij hulden zich in zakken en verootmoedigden zich voor God, luid om vergiffenis roepende en onrecht berouw toonende over de door hen bedreven zonden. Daarop behaagde het Gode hun te vergeven, en woei het onweder over (Al Beidâwi, Jallalo’ddin, Abulfed. Zie Hoofdstuk XXI en XXVII).