← Table of contents
De Koran

Note 25 — Hoed1.

Albin de Kazimirski Biberstein translation

Dit is een van de bergen, waardoor Armenië, ten zuiden, wordt gescheiden van Mesopotamië en het deel van Assyrië, dat door de Kurden wordt bewoond; vanwaar de bergen den naam van Cardu of Gardu hebben ontleend. De Grieken noemen dien Gordyaeî, of geven er andere namen aan. (Zie Bochart, Phaleg lib. I, Cap. 3). De berg al Jûdi welks naam eene verbastering schijnt te zijn, hoewel die steeds door de Arabieren in plaats van Jordi of Giordi wordt geschreven, wordt ook Thamanin genaamd (Georg. Num. p. 202), waarschijnlijk naar eene stad, die aan zijnen voet ligt (d’Herbelot Bibl. Orient., p. 404 en 676 en Agathiam, lib. XIV, p. 135), aldus genaamd naar het aantal personen, die in de ark werden gered, daar het woord thamanin, tachtig beteekent, terwijl men van deze plaats de streek, Diyâr Rabiah kan overzien, nabij de steden Mawsel, Forda en Jazirat Ebn Omar, welke laatstgenoemde plaats, volgens de verzekering van een uitlegger, op slechts vier mijlen afstands van de plaats der ark ligt. Hij voegt er bij, dat daar van de overblijfsels van dat vaartuig door den Khalif Omar Ebn Abd’alaziz, dien hij verkeerdelijk Omar Ebn Khattab noemt, een Mahomedaansche tempel werd gebouwd (Benjamin, Itiner p. 61). De overlevering, waarbij het bevestigd wordt, dat de ark op deze bergen is gebleven moet zeer oud zijn, daar zij van de Chaldeeuwen afkomstig is (Berosus apud Joseph Antiq. lib. I. cap. 4). De Chaldeeuwsche paraphrasten ondersteunen deze meening (Onkelos et Jonathan in Gen. VIII, 4), welke lang te voren gevestigd was, vooral bij de Christenen in het Oosten (Eutych. Annal., p. 41). Ter bevestiging daarvan verhaalt men, dat de overblijfselen der ark op de Gordyaansche bergen zichtbaar waren. Berosus en Abydenius verklaren beide, dat er zulk een verhaal in hunnen tijd bestond (Berosus, apud Joseph t. a. pl. Abydenius, apud Euseb. Praep. Ev., lib. IX, cap. 4). De eerste doet opmerken, dat verscheidene inwoners het pek, der planken afschraapten, om het als eene zeldzaamheid te bewaren, en dit als een amulet bij zich droegen; de laatstgenoemde zegt, dat zij het vaartuig met verwonderlijk gevolg tegen verschillende ziekten aanwendden. Ook waren hier de reliquieën van de ark zichtbaar, in den tijd van Epiphanius, indien wij hem mogen gelooven (Epiph. Haeres 18), en men verhaalt, dat keizer Heraclius zich van de stad Thamanin op den berg al Jûdi begaf waar hij de plaats van de ark zag (Elmacin, lib. I, cap. 1). Vroeger stond hier ook een groot klooster, het klooster van de ark genaamd, dat op een der bergen gebouwd was, waar de Nestorianen gewoon waren een feestdag te vieren, op de plek, waar zij veronderstelden, dat de ark bleef; maar in het jaar 776, na Chr., werd dit klooster, met de kerk, door een onweder vernield, terwijl er zich eene talrijke gemeente in bevond. (Zie Chronic. Dionysii Patriarch. Jacobitar. apud Asseman, Bibl. Orient., tome II. p. 113). Sedert dezen tijd, schijnt echter het geloof aan deze overlevering verminderd te zijn, en voor eene andere plaats gemaakt te hebben, die thans gevestigd is, en volgens welke de ark op den berg Mazis in Armenië bleef, die door de Turken Agdir dagh, de zware of de groote berg genoemd wordt en omstreeks twaalf mijlen ten zuidoosten van Erivan ligt (Al Beidâwi).

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings