← Table of contents
De Koran

Note 27 — De Profeten1.

Albin de Kazimirski Biberstein translation

De Mahomedaansche schrijvers verhalen dat Job tot het geslacht van Ezau behoorde en met een talrijk gezin, benevens overvloedige rijkdommen, was gezegend, maar dat God hem beproefde, door hem alles en daarbij zelfs zijne kinderen te ontnemen. Des niettegenstaande ging hij voort God te dienen en hem niet minder dankbaar dan gewoonlijk te zijn. Daarop werd hij door eene afzichtelijke ziekte getroffen, waardoor zijn lichaam vol wormen was. Deze ziekte was zoo akelig, dat hij op een mesthoop lag en niemand het kon uithouden hem te naderen. Zijne vrouw (die door sommigen gezegd wordt de dochter van Ephraïm, Jozefs zoon, en door anderen Makhir, de dochter van Manasse te zijn) verpleegde hem echter met groot geduld, en ondersteunde hem met hetgeen zij door haren arbeid verdiende. Eens verscheen haar nochtans de duivel, die haar den vroegeren voorspoed herinnerde, en haar daarna beloofde, dat, indien zij hem wilde aanbidden, hij alles zou teruggeven wat zij verloren had. Zij vroeg daarop de toestemming van haren echtgenoot, die zoo boos om dat voorstel werd, dat hij zwoer zijne vrouw honderd slagen te zullen geven als hij hersteld zou zijn. Nadat Job het op deze plaats vermelde gebed had uitgesproken, zond God Gabriël, die Job bij de hand nam en hem deed opstaan. Op hetzelfde oogenblik ontsprong er eene fontein aan zijn voet, waardoor, nadat Job er van gedronken had, al de wormen van zijn lichaam vielen; en toen hij zich vervolgens met dat water wiesch, herkreeg hij zijne vroegere welvaart en schoonheid. Daarna gaf God hem alles dubbel terug, terwijl zijne vrouw weder jong en schoon werd en hem zesentwintig zonen baarde. Job werd, om zijn eed te vervullen, door God geleid, waardoor hij haar een slag met een palmtak gaf, waaraan zich honderd bladeren bevonden (Al Beidâwi, Jallalo’ddin, Abulfeda enz. Zie d’Herbel. Bibl. Orient Art Aioub). Sommigen zeggen, teneinde de groote rijkdommen uit te drukken, welke aan Job na zijn lijden werden geschonken dat hij twee dorschvloeren bezat: een voor tarwe en de andere voor gerst, en dat God twee wolken zond, die goud op den eenen en zilver op den anderen deden regenen, tot zij overliepen (Jallalo’ddin). De overleveringen verschillen nopens den duur van Jobs martelingen: de eene zegt dat het achttien jaren was, een andere dertien, een andere drie en een andere juist zeven jaren, zeven maanden en zeven dagen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings