← Table of contents
De Koran

Note 33 — De Buit1.

Albin de Kazimirski Biberstein translation

Onder de zeventig gevangenen, die door de Moslems in dezen slag werden prijs gemaakt, behoorden Al Abbas, een van de ooms van Mahomet, en Okail, de zoon van Aboe Taleb en broeder van Ali; toen zij voor Mahomet werden gebracht, vroeg hij zijne volgelingen, hem te raden, wat hij met hen moest doen. Aboe Bekr was er voor, hen tegen betaling van losgeld vrij te laten; zeggende, dat zij naaste bloedverwanten van den profeet waren, en dat God hen misschien na hun berouw zou vergeven; maar Omar was er voor hunne hoofden af te slaan, daar zij bepaalde beschermers van het ongeloof waren. Mahomet nam de laatstgenoemden raad niet aan, maar deed opmerken, dat Aboe Bekr op Abraham geleek, die voor misdadigers tusschenbeide trad, en dat Omar op Noach geleek, die voor de geheele uitroeiing der zondige menschen van de eerste wereld bad. Daarop besloot men, het losgeld van hen en hunne medegevangenen aan te nemen. Spoedig daarop ging Omar in de tent van den profeet, waar hij dezen en Aboe Bekr weenende vond. Toen hij hun naar de oorzaak hunner tranen vroeg, zeide Mahomet, dat dit vers was geopenbaard, waarin hunne handelingen, omtrent de gevangenen, werden veroordeeld; dat zij daarvoor ter nauwernood de goddelijke wraak waren ontkomen, en dat, indien God het niet had laten voorbijgaan, zij zekerlijk allen waren verdelgd, uitgenomen alleen Omar en Saad Ebn Moadh, welke laatste mede had aangeraden de gevangenen ter dood te brengen. (Zie Hoofdstuk XXXIII.) Deze misdaad bleef echter niet geheel ongestraft, daar de Moslems in den slag van Ohod juist zeventig man verloren, zijnde gelijk aan het getal gevangenen, te Bedr prijs gemaakt (zie Hoofdstuk III, vers 134, in de noot), hetgeen aldus door God was bevolen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings