Tweede Bedrijf.
L. A. J. (Leendert Alexander Johannes) Burgersdijk translation
Eerste Tooneel.
In het huis van Antipholus van Ephesus.
Adriana en Luciana komen op.
Adriana. Mijn man blijft weg, zijn dienaar eveneens, Dien ik zoo aandreef vlug zijn heer te zoeken! En, Luciana, twee uur moet het zijn.
Luciana. Een koopman heeft hem moog’lijk uitgenoodigd, Zoodat hij van de markt ter maaltijd ging. Laat ons gaan eten, zusje; wees niet boos; De man is van zijn doen en laten baas; Hem is de tijd de baas; hij ziet: ’t is tijd; En gaat of komt; dus zusjelief, wees kalm.
Adriana. Wat is ’t, dat hem die meerd’re vrijheid geeft?
Luciana. ’t Is dat hij buitenshuis zijn zaken heeft.
Adriana. Deed ik als hij, hij nam ’t mij kwalijk af.
Luciana. Met recht: zijn wil voert over u den staf.
Adriana. Een ezel is ’t, die zulk een staf verdraagt!
Luciana. Wee haar, die aan een stug verzet zich waagt! Bij wat ge op aard, in lucht of water ziet, Voert één deel over ’t ander steeds gebied; Zie ’t vee, den visch, den vogel in de lucht, ’t Is steeds de man, die orde houdt en tucht; De man, half god, van alle scheps’len ’t eerst, Die ’t breede land, de woeste zee beheerscht, Door ziel en geest, die krachtig in hem leven, Ver boven vogels, vee en visch verheven, Is van zijn vrouw de heer en vorst, dus stil! En plooi ùw willen naar des meesters wil.
Adriana. U schrikt van de’ echt die slavernij wis af?
Luciana. Neen, eer maakt angst voor huwlijkszorg mij laf.
Adriana. Zijt ge eens getrouwd, dan wilt ge ook wel regeeren.
Luciana. ’k Wil onderwerping eerst, dan liefde leeren.
Adriana. Maar als uw man zijn toevlucht elders nam?
Luciana. Ik zou het dragen, tot hij wederkwam.
Adriana. Als niets ons tergt, geduldig zwijgt de mond; Zacht blijft men, is voor ’t tegendeel geen grond. Een armen mensch, door ’t nijdig lot geplaagd, Vermanen wij tot kalm zijn, als hij klaagt; Maar drukte eens òns hetzelfde leed als hem, Niet min, licht meer, verhieven we onze stem; Zie, zoo roemt gij, nog door geen man gekrenkt, Van ’t voos geduld, dat dit verlichting schenkt; Maar huw eens, word gekrenkt als ik, en ras Blijkt uw geduld u dwaas en smelt als was.
Luciana. Nu ’k huw wel eens en neem de proef er van.—42 Daar komt uw dienaar; spoedig volgt uw man.
(Dromio van Ephesus komt op.)
Adriana. Nu, is de komst uws tragen heers op handen?
Dromio van Ephesus. O, spreek mij niet van zijn handen, mijn ooren weten er al genoeg van en kunnen er van meepraten.
Adriana. Gij hebt hem dus gesproken? en wat doet hij?
Dromio van Ephesus. Zijn doen? dat heeft hij mij aan ’t oor verteld. Vervloekt zijn hand, ik kon hem nauw verstaan.
Luciana. Sprak hij zoo zacht, dat gij ’t niet vatten kondt?
Dromio van Ephesus. Neen, hij sloeg wel zoo hard, dat ik zijn slagen maar al te goed kon voelen en met dat al zoo onduidelijk, dat het mijn bevatting te boven ging.
Adriana. Maar ’k bid u, zeg mij, komt hij nu naar huis? Hij leeft, zoo ’t schijnt, om mij pleizier te doen.
Dromio van Ephesus. Nu, meesteres, hij is een dolle stier.
Adriana. Een dolle stier, gij schelm?
Dromio van Ephesus. Niet dat hij horens draagt, maar hij is dol. Toen ik hem vroeg om thuis te komen eten, Vroeg hij mij naar een duizend mark in goud; “’t Is etenstijd,” riep ik; “mijn goud!” riep hij; “Uw maal brandt aan,” riep ik; “mijn goud!” riep hij; “Komt gij naar huis?” riep ik; “mijn goud!” riep hij, “Waar hebt gij, zeg, mijn duizend mark, gij schelm?” “Het vleesch brandt aan,” riep ik; “mijn goud!” riep hij; “Heer, de eedle vrouw,—” riep ik; “hang op uw vrouw! “Wat weet ik van uw vrouw? weg met uw vrouw!”
Luciana. Dat zeide, wie?
Dromio van Ephesus. Dat zeide hij, mijn meester; “’k Weet niets,” riep hij, “van huis of vrouw of lief.” 71 En zoo breng ik, door zijne schuld, mijn boodschap, Niet op mijn tong, maar op mijn schouders thuis, Want, kort en goed, zijn rans’len dreef mij voort.
Adriana. Terug, schavuit, en breng uw meester hier.
Dromio van Ephesus. Terug? en dan met slagen weer naar hier? Om Gods wil, laat een ander nu eens gaan.
Adriana. Terug, of rondom zal het hoofd u gloeien.
Dromio van Ephesus. En hij zou ’t gloeien doen met rooden schijn; Zoo schonkt gij beiden mij een heil’genglorie.
Adriana. Weg, domme prater, haal uw meester hier!
Dromio van Ephesus. Zeide ik goedrond de waarheid, ben ik dáárom Te schoppen als een bal van hier naar ginds? Gij schopt mij weg, hij schopt gewis mij weer, Als ik dat uit zal houden, zoo naai mij eerst in leer.
(Dromio van Ephesus af.)
Luciana. Foei, wat misvormt de gramschap uw gelaat!
Adriana. Wis zit hij bij het een of ander liefje’ en praat, Terwijl ik naar een enk’len lach verlang. Ontnam reeds rimp’lige ouderdom mijn wang Haar boeiend schoon? Wie heeft het mij geroofd, Dan hij? Is geest en scherts in mij verdoofd? Neemt iets aan vlug en lucht gekout den moed, ’t Is barschheid, ruw en hard als steen, die ’t doet, Lokt and’rer fraai gewaad hem van mijn zij, ’t Is mijn schuld niet, want hij koopt mij kleedij. Wat is in mij vervallen en is ’t niet Door hem? Ja, zoo hij mij vervallen ziet, Hij ziet zijn eigen werk; één zonnestraal Van hem, mijn schoon herleeft in morgenpraal. Doch grillig springt mijn hert naar jonger hout En nieuwe wei, ik arme ben hem te oud.
Luciana. Wat plaagt u de ijverzucht!—Foei, schaam u toch!
Adriana. ’k Moest dwaas, gevoelloos zijn, verdroeg ik ’t nog. Ja, elders wordt zijn oog geboeid, gewis; Waarom is hij niet hier, zoo ’t dit niet is? Gij weet, hij zou me een gouden keten geven, Waar’ enkel dit, dit achterweeg gebleven, En steeds zijn liefde mijn, voor mij alleen! Ik zie het nu, de fijnst geslepen steen Verliest zijn glans, en blijve goud ook goud, Hoe vaak betast, zijn vol gewicht behoudt Het niet aldoor; en op den schoonsten naam Werpt valschheid en verleiding vaak een blaam. Ach, nu mijn schoon zijn oog niet meer kan laven, Wil ik ’t in tranen met mijzelf begraven.
Luciana. Wat de ijverzucht bespott’lijk door kan draven!
(Beiden af.)

De klucht der vergissingen, Tweede Bedrijf, Tweede Tooneel.
Tweede Tooneel.
Een plein.
Antipholus van Syracuse komt op.
Antipholus van Syracuse. Het goud, dat ik aan Dromio gaf, ligt veilig En wel in den Centaur; de trouwe borst Is uitgegaan, bezorgd, om mij te zoeken. Naar wat ik reken en de waard mij zeide, Kon ik hem nog niet spreken, sinds ik ’t eerst Hem van de markt naar huis zond. Zie, daar komt hij.
(Dromio van Syracuse komt op.)
Zoo, man, is thans uw joligheid wat uit? Scherts weder zoo, als gij in slagen lust hebt, Gij weet van geen Centaurus? van geen goud? Mijn vrouw doet mij door u voor ’t eten roepen? De Fenix heet mijn huis? Wat dolheid was ’t, Zoo dol bescheid te geven op mijn vragen?
Dromio van Syracuse. Heer, welk bescheid? en wanneer zeide ik dat?
Antipholus van Syracuse. Zoo pas, en hier, geen half uur nog geleden.
Dromio van Syracuse. Ik heb u niet gezien, sinds gij mij ’t goud Van hier naar den Centaurus brengen liet.
Antipholus van Syracuse. Wat, schurk! gij hebt de ontvangst van ’t goud geloochend, Van een meest’res en van een maal gesproken, Maar weet nu, hoop ik, dat die grap niet smaakt.
Dromio van Syracuse. ’t Verheugt mij, dat ge in scherts behagen hebt. Maar wat bedoelt gij, heer? wil ’t mij verklaren.
Antipholus van Syracuse. Zoo, waagt gij ’t weer, den draak met mij te steken? Acht gij dat scherts? Hier, neem dan dit, en dat!
(Hij slaat hem.)
Dromio van Syracuse. Om gods wil, heer! houd op, uw jok wordt ernst. Wat jokte ik dan, dat gij mij zoo betaalt?
Antipholus van Syracuse. Omdat ik soms gemeenzaam scherts en keuvel, Als met een nar, misbruikt ge in overmoed Mijn vriendlijkheid en neemt mijn ernstige uren, Alsof ze u toebehoorden, in beslag. Maar dans’ de mug ook in den zonneschijn, Zij kruipt in reten, als de lucht betrekt; Begluur, als gij wilt schertsen, mijn gelaat, En richt uw doen naar mijnen blik, of ik Leer op uw bol u beter maat te houën. 34
Dromio van Syracuse. Op mijn bol, heer, zegt gij? als gij het slaan wildet laten, zou ik het liever voor een hoofd houden, maar als gij met dat ranselen voortgaat, moet ik een bolwerk voor mijn hoofd dienen te krijgen en het goed dekken, of mijn beetje verstand in mijn schouders zoeken te bergen. Maar ik bid u, heer, waarom word ik geslagen?
Antipholus van Syracuse. Weet gij ’t nog niet?
Dromio van Syracuse. Ik weet alleen, dat ik geslagen ben.
Antipholus van Syracuse. Moet ik dus zeggen, waarom?
Dromio van Syracuse. Ja, heer, gaarne, want ieder waarom heeft zijn daarom, zegt het spreekwoord.
Antipholus van Syracuse. Waarom?—vooreerst, gij dreeft den spot met mij. Waarom nog eens?—gij dorst het tweemaal doen.
Dromio van Syracuse. Liep ergens ooit een man zoo ongerijmd als ik er in? In geen van deze twee daaroms is rijm noch slot noch zin. Toch, heer, dank ik u.
Antipholus van Syracuse. Zoo, dankt ge mij? waarvoor?
Dromio van Syracuse. Wel, meester, voor dat iets, dat gij mij gaaft voor niets.
Antipholus van Syracuse. Ik zal het de volgende maal weer goed maken en u eens niets voor iets geven. Maar zeg, man, is het etenstijd?
Dromio van Syracuse. Neen, heer, ik geloof, dat aan het vleesch nog iets ontbreekt, dat ik heb.
Antipholus van Syracuse. Een mooi ding, en wat?
Dromio van Syracuse. Het geklopt zijn.
Antipholus van Syracuse. Zoo, man, dan zal het niet malsch zijn.
Dromio van Syracuse. Als het zoo is, heer, dan bid ik u, eet er niets van.
Antipholus van Syracuse. Waarom niet?
Dromio van Syracuse. Het mocht u de gal doen overloopen en mij een tweede klopping bezorgen.
Antipholus van Syracuse. Nu, man, leer dan op zijn tijd te schertsen; er is een tijd voor alles. 66
Dromio van Syracuse. Voordat gij zooveel overloop van gal hadt, zou ik dit hebben durven ontkennen.
Antipholus van Syracuse. Op welken grond, man?
Dromio van Syracuse. Wel, heer, op een grond zoo glad als de gladde kale kop van Vader Tijd zelf.
Antipholus van Syracuse. Laat hooren.
Dromio van Syracuse. Voor niemand is er een tijd, dat hij zijn haar terugkrijgt, als de natuur hem eens kaal gemaakt heeft.
Antipholus van Syracuse. Is geld niet bij machte het hem terug te bezorgen?
Dromio van Syracuse. O ja, als hij een pruik koopt en daardoor zijn verloren haar herkrijgt van een ander man.
Antipholus van Syracuse. Waarom is de Tijd zoo schriel met haar, terwijl het toch zulk een welige uitbotting is?
Dromio van Syracuse. Omdat het een zegen is, waar hij beesten mee beschenkt; en wat hij den mensch in haar heeft te kort gedaan, dat heeft hij in verstand vergoed.
Antipholus van Syracuse. Zoo, maar er zijn menschen genoeg, die meer haar hebben dan verstand.
Dromio van Syracuse. Maar ook van die heeft elk nog verstand genoeg om zijn haar te verliezen.
Antipholus van Syracuse. Zoo, gij hebt daar harige lieden voor onnoozele halzen zonder verstand verklaard.
Dromio van Syracuse. Hoe onnoozeler iemand is, des te eer zorgt hij het kwijt te raken; maar hij verliest het met een soort van genot.
Antipholus van Syracuse. Om welke reden?
Dromio van Syracuse. Om twee redenen, en wel zeer gezonde.
Antipholus van Syracuse. Neen, gezonde juist niet.
Dromio van Syracuse. Nu, zekere redenen dan.
Antipholus van Syracuse. Zekere? in een zoo bedrieglijke wereld, neen. 95
Dromio van Syracuse. Bepaalde redenen dan.
Antipholus van Syracuse. Noem ze maar op.
Dromio van Syracuse. De een is, dat hij het geld voor friseeren uithaalt, de andere, dat zij hem aan tafel niet in zijn soep kunnen vallen.
Antipholus van Syracuse. Gij hadt mij nu al dezen tijd moeten bewijzen, dat er niet voor alles een tijd is.
Dromio van Syracuse. Zeker, heer, en dat heb ik gedaan; namelijk dat er geen tijd is om haar, van nature verloren, terug te krijgen.
Antipholus van Syracuse. Maar uw reden gaf den grond niet aan, waarom er geen tijd is om het terug te krijgen.
Dromio van Syracuse. Dan wil ik het zoo versterken: de Tijd zelf is kaal en zal dus tot het eind der wereld kale volgelingen hebben.
Antipholus van Syracuse. Ik dacht al wel, dat het op een kaal besluit zou uitloopen. Maar stil! wie wenkt ons daar?
(Adriana en Luciana komen op.)
Adriana. Antipholus, ja blik maar vreemd en koud; Een ander liefje ziet gij teeder aan; Ik ben niet Adriana, niet uw vrouw. Er was een tijd, dat ge ongevergd mij zwoert: Geen enkel woord was in uw oor muziek, Geen enk’le blik welsprekend voor uw oog, Geen enk’le handdruk lieflijk voor uw hand, Geen enk’le spijs welsmakend voor uw tong, Dan woord of blik of druk of spijs van mij. Van waar thans, o mijn gade, o spreek, van waar, Dat gij thans zoo vervreemd zijt van uzelf? Uzelf, zeg ik, daar gij van mij vervreemd zijt, Van mij, die met u een, ondeelbaar, beter Dan ’t beet’re deel ben van uw dierbaar ik. O scheur niet, mijn geliefde, u van mij los, Want ja, geloof mij, in de woeste branding Laat ge even licht een waterdroppel vallen En schept dien onvermengd er weder uit, Verminderd noch vermeêrd, dan dat ge uzelf Aan mij ontneemt, en niet mijzelf er bij. Hoe trof ’t u niet in ’t diepste van uw ziel, Zoo gij slechts hoordet, dat ik trouwloos was, Dat dit mijn lichaam, heilig u gewijd, Bevlekt zou zijn met booze’, onkuischen lust! Zoudt gij niet op mij spuwen, mij vertrappen, Uw naam van gâ mij sling’ren in ’t gezicht, De huid mij scheuren van ’t boeleerend voorhoofd, Den trouwring snijden van mijn valsche hand, Dien breken met een vloek van eeuw’ge scheiding? Ik weet, dit kunt gij doen; zoo doe het nu. Ik ben geschandvlekt met het merk van echtbreuk; Mij woelt een overspeel’ge lust in ’t bloed; Want zijn wij tweeën één en zijt gij valsch, Dan stroomt het gif van uw bloed in het mijn’, En door uw smetstof word ik tot boelin. Dies, heilig zij u steeds het huwlijksbed, Dan leeft gij ononteerd, ik onbesmet. 148
Antipholus van Syracuse. Geldt mij dit, schoone vrouw? Ik ken u niet. Twee uren pas ben ik in Ephesus, En vreemder dan de stad is mij uw taal; Want, hoe ik napluis, wat ik heb gehoord, ’k Begrijp van alles, wat gij zegt, geen woord.
Luciana. Foei, zwager, zijt ge een ander dan voorheen? Wanneer hebt ge ooit mijn zuster zoo bejegend? Zij liet door Dromio voor het maal u roepen.
Antipholus van Syracuse. Door Dromio?
Dromio van Syracuse. Door mij?
Adriana. Door u, en met dit antwoord kwaamt gij thuis: Hij had u afgeranseld en, bij ’t slaan, Mijn huis als ’t zijn, mij als zijn vrouw geloochend.
Antipholus van Syracuse. Dus hebt ge met deze edelvrouw gesproken? Van waar die afspraak? en wat wilt ge ermee?
Dromio van Syracuse. Ik, heer? ik heb haar nooit gezien voor nu.
Antipholus van Syracuse. Gelogen, knaap! want juist, wat gij daar zegt, Was uwe boodschap aan mij op de markt.
Dromio van Syracuse. Ik heb haar van mijn leven nooit gesproken.
Antipholus van Syracuse. Hoe komt het dan, dat ze ons bij name noemt? Of is dit door een geest haar ingefluisterd?
Adriana. Hoe kwalijk strookt het met uw waardigheid, Dit guichelspel te spelen met uw slaaf, Hem aan te zetten, dat hij dus mij terg’! Lijd ik het onrecht, dat gij mij verlaat, Hoop niet op onrecht onrecht door uw smaad. Laat toe, dat ik om u mijn armen sla; Ik ben een wingerd, gij een olm, mijn gâ; Mijn zwakheid, om uw forschen stam gerankt, Gevoelt, erkent, dat ze alle kracht u dankt: Wat tusschen ons zich dringe en u omvaam’, ’t Is onbeschaamd klimop of mos of braam; Het snoeimes kappe ’t weg; ’t zou u verderven, Uw groei verstikken, leven van uw sterven.
Antipholus van Syracuse. Het is tot mij, dat zij die reed’nen houdt! Wat! ben ik in den droom met haar getrouwd? Of slaap ik nu en meen ik, dat ik hoor? Wat vreemde waan verdwaast mijn oog en oor? Maar kom, tot mij dit raadsel wordt verklaard, Zij de opgedrongen dwaling thans aanvaard.
Luciana. Dromio, ga, zeg hun, ’t eten op te dragen. 189
Dromio van Syracuse. Mijn rozenkrans! en fluks een kruis geslagen! Dit is een tooverland! O wee ons, wee! Al wie hier spreekt, is spook en uil en fee. Verzetten we ons, dan brengen ze ons in ’t nauw, En knijpen voor het minst ons bont en blauw.
Luciana. Wat praat gij in uzelf en staat nog daar? Dromio, gij doeniet, slak, gij leuteraar!
Dromio van Syracuse. Ik ben vervormd, betooverd, heer, niet waar?
Antipholus van Syracuse. Ja, zeker is ’t uw geest, zooals de mijne.
Dromio van Syracuse. Naar geest en lichaam beide, of ik slaap.
Antipholus van Syracuse. Uitwendig niet.
Dromio van Syracuse. Ja toch ik werd een aap.
Luciana. Wat zoudt gij wezen, als ’t geen ezel was?
Dromio van Syracuse. ’t Is waar, zij drijft mij en ik snak naar gras. Ja ’t moet wel zijn, dat ik een ezel ben, Wijl zij mij kent, ik haar volstrekt niet ken.
Adriana. Kom, kom, zoo dwaas wil ik niet langer wezen, Dat ik mij de oogen wrijf en bitter ween, Nu heer en dienaar spotten met mijn nood. Kom, man, aan tafel.—Dromio, wees portier.— ’k Wil heden boven met u spijzen, man; Gij zult mij al uw dolle streken biechten.— Knaap, als u iemand naar uw meester vraagt, Dan spijst hij elders: laat geen sterv’ling toe.— Kom, zuster.—Dromio, wees een goed portier.
Antipholus van Syracuse. Wat is het, hemel, hel of aarde, hier? Slaap, waak ik? Ben ik wijs of buiten west? Ik ken mijzelven niet en zij mij best. Hoe ’t zij, ’k wil meegaan zonder verder vragen, En blindlings in dit avontuur mij wagen.
Dromio van Syracuse. Is ’t uw wil, heer, dat ik de wacht hier houd?
Adriana. Laat ge iemand in, weet dat het u berouwt!
Luciana. Kom, kom, Antipholus, of ’t maal is koud.
(Allen af.)

De klucht der vergissingen, Derde Bedrijf, Eerste Tooneel.