Front matter (continued 2)
Karel Johan Hendrik Wasch translation
De archivaris schoof den student Anselmus zachtjes de deur uit, die hij daarop toesloot en hij bevond zich in de kamer, waar hij gegeten had, en welker eenige deur naar het voorhuis voerde. Verdoofd door de wonderlijke verschijningen bleef hij voor de voordeur staan, tot boven hem een venster openging. Hij zag op; het was archivaris Lindhorst; volkomen de oude man met grijswitten mantel, zooals hij hem bereids gezien had. — Hij riep hem toe: „Wel, waarde heer Anselmus, waarover peinst u zoo, ik wed, dat het Arabisch niet uit uw hoofd wil? Wees zoo goed, mijnheer den conrector Paulmann te groeten, wanneer u hem wellicht bezoekt en komt u morgen met klokslag van twaalven terug. De bezoldiging voor vandaag bevindt zich al in uw rechter vestzak.” — De student Anselmus vond inderdaad den blanken, gemunten Thaler in den aangewezen zak, maar hij verheugde er zich volstrekt niet over. —
„Wat er van dit alles worden moet, weet ik niet,” sprak hij tot zichzelf, „moge mij ook slechts begoocheling en spokerij omstrikt houden, in mijn binnenste leeft en heerscht toch de liefste Serpentina en liever dan van haar af te laten, wil ik geheel en al ondergaan, want ik weet immers, dat de gedachte in mij eeuwig is en door geen vijandig element kan vernietigd worden; maar is die gedachte ook wel iets anders, dan Serpentina’s liefde?”
ZEVENDE NACHTWAAK
Hoe conrector Paulmann zijn pijp uitklopte en naar bed ging. — Rembrandt en de helsche Breughel. — De tooverspiegel en het voorschrift van dokter Eckstein tegen een onbekende ziekte.
indelijk klopte conrector Paulmann zijn pijp uit en zeide: „Het is nu toch tijd, om ons ter ruste te begeven.” „Zeker,” antwoordde de door het lange opblijven haars vaders ontruste Veronica, „want het heeft al lang tien uur geslagen.” Nauwelijks was de conrector dan ook naar zijn studeer- en slaapvertek gegaan, nauwelijks gaf het zwaarder ademhalen van Fransje aan, dat zij inderdaad vast ingeslapen was, of Veronica, die zich voor den schijn ook te bed gelegd had, stond zacht, heel zacht weer op, kleedde zich aan, wierp een mantel om en ontsloop het huis.

Van het oogenblik af, dat Veronica de oude Lize verlaten had, kwam haar onophoudelijk Anselmus voor oogen, en zij kon zelve niet begrijpen, welke vreemde stem in haar binnenste maar immer en immer weer zeide, dat zijn weerstand door een haar kwaadgezind persoon veroorzaakt werd, die hem in banden hield, welke Veronica door de mysterieuse middelen der magische kunst zou kunnen verbreken. Haar vertrouwen in de oude Lize groeide met den dag en zelfs stompten zich de verontrustende, huiveringwekkende indrukken af, zoodat al het wonderlijke en buitengewone van haar omgang met de oude terugbleef in den luister van het niet-alledaagsche en romaneske, dat haar juist zoo aantrok. Derhalve rustte in haar ook het voornemen, op gevaar af gemist te worden en in velerlei onaangenaamheden verwikkeld te geraken, het avontuur der dag-en-nachtevening door te maken. Zoo was dan eindelijk de gevolgenrijke nacht van het Aequinoctium, waarin de oude Lize haar hulp en troost toegezegd had, ingetreden en Veronica, al lang vertrouwd geraakt met de gedachte aan den nachtelijken tocht, was blij gemoed. Pijlsnel vloog zij door de eenzame straten en lette niet op den storm, die de lucht doorwoelde en haar zwaren regendroppen in ’t gelaat wierp. — Met dof doordreunende klank sloeg de klok van den Kruistoren elf, toen Veronica doornat voor het huis der oude stond. „Ha, lief kind, lief kind, zijt gij daar al! — wacht even, wacht maar even!” — klonk het van boven — en dadelijk daarna stond de oude, beladen met een korf en van haar kater vergezeld, voor de deur. „Nu zullen wij dus heengaan om te beginnen en te volvoeren, wat geschieden moet en vrucht draagt in den nacht, die het werk gunstig gezind is;” dit zeggende greep de oude met kille hand de rillende Veronica, die zij den zwaren korf te dragen gaf, terwijl zij zelf een ketel, een drievoet en een spade opnam. Toen zij in het veld kwamen regende het niet meer, maar de storm was krachtiger geworden; een veelstemmig gehuil vervulde de lucht. Een ontzettende, hart-doorsnijdende klacht weerklonk uit de zwarte wolken, die zich snel-varend tezamendichtten en alles in dikke donkerte wikkelden. Doch haastig schreed de oude voort en riep galmend-schel „licht — maak licht, jongen!” Toen kronkelden en kruisten zich blauwe weerlichten voor hen uit en Veronica werd gewaar, hoe de kater haar onder knetterend vonkgesproei voordanste, terwijl zij zijn benauwd, huiveringwekkend wanhoopsgeschreeuw hoorde, als de storm een oogenblik stil was. — Haar adem begaf haar, het was of ijzige klauwen grepen in heur binnenste, doch met kracht hervatte zij zich en terwijl zij zich sterker aan de oude vastklemde, sprak zij: „Het moet nu alles volbracht worden, er kan gebeuren, wat er wil.” „Goed zoo kind!” antwoordde de oude, „blijf maar flink standvastig, dan zal ik u iets moois geven en Anselmus nog bovendien.” Eindelijk stond de oude stil en zeide: „Nu zijn wij ter plaatse.” Zij groef een gat in den grond, schudde daar kolen in en zette er den drievoet boven, waarop zij den ketel plaatste. Dit alles begeleidde zij door bijzondere gebaren, terwijl de kater zich in kringen om haar heen bewoog. Vonken spetten uit zijn staart, een smallen vuurring vormend. Spoedig begonnen de kolen te glimmen en eindelijk sloegen blauwe vlammen van onder den drievoet uit. Veronica moest mantel en sluier afleggen en bij de oude neerhurken, die hare handen greep en strak vasthield, het meisje met fonkeloogen aanstarend. Nu begonnen de vreemde zelfstandigheden — of het bloemen, metalen, kruiden, dan wel dieren waren, viel niet te onderscheiden — die de oude uit den korf genomen en in den ketel geworpen had, te koken en te bruisen. De oude liet Veronica los, zij greep een ijzeren lepel, die zij midden in de gloeiende massa stak en die daarmede doorroerde, terwijl Veronica op haar gebod met onafgewenden blik in den ketel zien en haar gedachten op Anselmus richten moest. Opnieuw wierp nu de oude blinkende metalen en een haarlok, die Veronica zich van de kruin geknipt had, alsook een ringetje, dat zij langen tijd had gedragen, in den ketel, terwijl zij onverstaanbare, den nacht huiver-aanjagend schel-doorgalmende klanken uitstiet en de kater rusteloos rondrennend krijschte en steunde. —
Ik wou, dat gij, genegen lezer, den drie-en-twintigsten September op reis naar Dresden geweest waart; tevergeefs had men beproefd u, toen het laat op den avond werd, ter laatste pleisterplaats te doen blijven; de vriendelijke waard betoogde, dat het toch àl te hard regende en stormde en dat het tòch al niet geraden was in den nacht van het aequinoctium zoo maar de duisternis in te rijden, maar daar lettet gij niet op, doordat gij zeer terecht aannaamt: ik zal aan den postillon een vollen Thaler drinkgeld geven en dan ben ik op zijn laatst om één uur in Dresden, waar mij in den Gouden Engel of bij Helm of in De Stad Naumburg een smakelijk avondmaal en een zacht bed wachten. Als gij op deze wijze in het donker voortrijdt, ziet gij in de verte opeens een vreemd-flakkerend licht. Naderbij gekomen ontwaart gij een ring van vuur, te midden waarvan, bij een ketel, waaruit dichten damp welt en rood-bliksemende stralen en vonken schieten, twee gedaanten zitten. De weg voert recht door dat vuur, maar de paarden proesten en trappelen en steigeren — de postillon vloekt en bidt — hij striemt de paarden met zweepslagen — zij komen niet van de plaats. — Onwillekeurig springt gij uit den wagen en stormt eenige passen voorwaarts. Klaar ziet gij nu het slanke, liefste meisje, dat in een dun, wit nachtgewaad bij den ketel knielt. De storm heeft haar vlechten losgewoeld en het lange kastanjebruine haar fladdert ongehinderd in den wind. Het engelmooie gelaat wordt geheel omgeven door den verblindenden gloed der van onder den drievoet opflakkerende vlammen, maar in de ontzetting, die haar ijzigen stroom eroverheen goot, werd het tot doodsbleekheid verstard en in den staarblik, in de opgesperde wenkbrauwen, in den mond, die zich tevergeefs tot den kreet van doodsangst opent, welke zich niet kàn losscheuren van de door namelooze pijn gefolterde borst, ziet gij haar huiver, haar ontsteltenis; krampachtig houdt zij de kleine handen saamgevouwen omhoog, als bad zij de beschermengelen, haar te bewaren voor de gedrochten der hel, die gehoorzaam aan de macht der toovenarij, elk oogenblik kunnen opdoemen! Zij ligt daar onbewegelijk geknield, een marmerbeeld gelijk. Tegenover haar neergehurkt op den grond zit een lang, schraal, kopergeel wijf met een scherpen haviksneus en vonkelende kattenoogen; de naakte, knokige armen strakken uit den zwarten mantel, dien zij omgeworpen heeft en terwijl zij roert in het helsche brouwsel lacht zij en roept met krijschende stem in den bruisend woedenden storm. Ik geloof wel, dat u, genegen lezer, al kendet gij ook anders angst noch vreeze, bij het zien van dit, nu in ’t werkelijke leven verplaatste, schilderij van Rembrandt of den helschen Breughel, van ijzing de haren te berge gerezen zouden zijn. Maar uw blik kon niet aflaten van het in helsche doening bevangen meisje en de electrische schok, die al uw zenuwen en fijnste vezelen doorsidderde, ontstak met de snelheid van den bliksem in u het stoute denkbeeld de geheimzinnige machten van den vuurkring te trotseeren; daarin verging uw ijzing, neen, eigenlijk kwam dat denkbeeld juist op uit die ijzing en ontzetting. Het kwam u voor, als waart gij zelf een van de beschermengelen, die het tot den dood beangste meisje aanriep en als moest gij nu dadelijk uw zakpistool te voorschijn brengen, om de oude zonder meer dood te schieten. Maar, dewijl gij dat zoo levendig dacht, riept gij luid uit: Hé daar! of: wat gebeurt daar! of: wat doet gij daar toch!
De postillon stiet schetterend in zijn hoorn, de oude buitelde midden in haar brouwsel en alles was opeens verdwenen in dichten damp. — Of gij het meisje, dat gij nu met innig verlangen in de duisternis gingt zoeken, zoudt gevonden hebben, durf ik niet beweren, maar de spokerij van het oude wijf hadt gij verstoord en den ban van den magischen cirkel, waarin Veronica zich lichtzinnig begaf, gebroken. — Noch gij, genegen lezer, noch iemand anders, reed of ging echter den drie-en-twintigsten September in den doorstormden, voor heksenkunst geschikten nacht dien weg uit en Veronica moest in doodsangst bij den ketel verbeiden, totdat het werk der voltooiïng nabijkwam. — Zij merkte wel, hoe het rondom haar huilde en bruiste, hoe allerlei afschuwelijke stemmen door elkaar balkten en kwaakten, maar zij sloeg de oogen niet op, want zij gevoelde, dat het zien van al het weerzinwekkende en ontzettende, waardoor zij omgeven werd, haar in ongeneeslijken, vernielenden waanzin zou kunnen storten. De oude had opgehouden in den ketel te roeren, al lichter werd de damp en eindelijk brandde maar een flauw alcoholvlammetje meer op den bodem van den ketel. Toen schreeuwde de oude: „Veronica, kind, liefje, kijk eens tot diep op den bodem! — Wat ziet gij dan — wat ziet gij dan?” Maar Veronica kon niet antwoorden, ofschoon het haar toescheen, alsof allerlei verwarde gestalten in den ketel dooreendraaiden; duidelijker en duidelijker doemden figuren op en opeens trad de student Anselmus uit des ketels diepte, terwijl hij haar vriendelijk aanzag en de hand reikte. Toen riep zij uit: „O, Anselmus! Anselmus!”
Snel opende de oude de aan den ketel zich bevindende kraan en gloeiend metaal stroomde sissend en spetterend in een vormpje, dat zij erbij had gezet. Daarna sprong het wijf op en krijschte met woeste, gruwelijke gebaren zich draaiend: „Het werk is volbracht — Dank zij u, jongen! — gij hieldt wacht. — Heu — Heu — daar komt hij! — bijt hem dood — bijt hem dood!” Maar toen werd de lucht hevig doorbruist, het was, of een ontzachbre adelaar omlaagruischte, terwijl hij met de vlerken in ’t ronde sloeg en een verschrikkelijke stem riep: „Hé, hé, — gespuis! nu is ’t uit, — nu is ’t uit — weg naar huis!” Jammerend stortte de oude neer, maar Veronica verloor haar bezinning.
Toen zij weder tot bewustzijn kwam, was het klaar dag, in bed lag zij en Fransje stond voor haar met een geurend kop thee, zeggende: „Maar vertel toch eens, zuster, wat u scheelt, ik sta nu al een uur of langer voor u en gij ligt maar bewusteloos als in de hitte van de koorts, terwijl gij steunt en zucht, dat wij er bevreesd door worden. Vader is om uwentwil vandaag niet naar school gegaan en komt dadelijk terug met den dokter.” Zwijgend nam Veronica de thee aan; terwijl zij die gebruikte, kwamen al de schrikbeelden van den nacht haar weder kleurrijk voor oogen. „Dan was dit dus toch maar een benauwde droom, die mij gekweld heeft? — Maar ik ben toch gisterenavond werkelijk naar de oude toegegaan en het was toch den drie-en-twintigsten September? Ik moet dan gisteren al wel zwaar ziek zijn geworden en heb mij dit alles maar ingebeeld en ik kan van niets anders ziek zijn geworden, dan van het eeuwige denken aan Anselmus en de wonderlijke oude vrouw, die zich voor Lize uitgaf en mij daarmede slechts wilde beetnemen.” Fransje, die weggegaan was, kwam weer binnen met Veronica’s doornatten mantel in de hand. „Zie eens zuster,” zeide zij, „wat er met uw mantel gebeurd is; de storm heeft vannacht het venster opengerukt en den stoel, waarop de mantel lag, omgeworpen; daar heeft het toen zeker ingeregend, want de mantel is heelemaal nat.” — Dit drukte Veronica zeer terneer, want zij zag nu wel in, dat haar geen droom gekweld had, doch dat zij werkelijk bij de oude geweest was. Angst en siddering bevingen haar en koortskoude trok haar door de leden. Bevend en geschokt haalde zij den deken vast over zich heen; doch toen voelde zij hoe iets hards haar op de borst drukte en toen zij er met de hand naar tastte, scheen het haar een medaillon te zijn; zij bracht het te voorschijn, toen Fransje met den mantel was heengegaan en het bleek een kleine, ronde, glanzend-gepolijste spiegel van metaal. „Dat is een geschenk van de oude,” riep zij blij gezind uit en het scheen, of vurige stralen uit den spiegel schoten, die in haar gemoed drongen en het weldadig verwarmden. De koortskoude was gevloden en een onbeschrijfelijk gevoel van welbehagen en voldoening doorstroomde haar. — Zij moèst aan Anselmus denken en toen zij sterker en sterker haar gedachten op hem vestte, glimlachte hij haar vriendelijk tegen van uit den spiegel, die als een levend miniatuur-portret was. Doch spoedig scheen het, als zag zij niet meer de afbeelding — neen — den student Anselmus zelf in levenden lijve. Hij zat in een hoog vreemd-ingericht vertrek en schreef vol vlijt. Veronica wilde tot hem gaan, hem op den schouder kloppen en zeggen: „Mijnheer, Anselmus, kijkt toch eens om, ìk ben er!” Maar dat was volstrekt ondoenlijk, want hij was als van een stralenden vuurstroom omgeven, doch toen Veronica scherper toezag, bleken het slechts groote boeken met vergulde snede. Maar eindelijk gelukte het Veronica in den kring van Anselmus’ blik te komen, toen was het alsof hij bij het aanzien zich harer eerst herinneren moest, doch ten slotte glimlachte hij en zeide: „Ah! — is u het, beste Mademoiselle Paulmann? Waarom behaagt het u toch zoo van tijd tot tijd als een kleine slang op te treden?” Veronica moest luid lachen om deze zonderlinge woorden; daardoor ontwaakte zij als uit diepen droom en snel verborg zij den kleinen spiegel, toen de deur openging en conrector Paulmann met dokter Eckstein de kamer betrad. Dokter Eckstein ging dadelijk naar het bed toe, hield, langen tijd in diep nadenken verzonken, Veronica’s pols vast en zeide toen: „Zoo! — Zoo!” Daarna schreef hij een recept, nam nog eens haar pols, zeide nog eens: „Zoo! Zoo!” en verliet de patiënte. Uit deze ontboezemingen van dokter Eckstein kon conrector Paulmann waarlijk niet nauwkeurig opmaken, wat Veronica dan toch wel scheelde. —
ACHTSTE NACHTWAAK
De palmboomenbibliotheek. — Lotgevallen van een ongelukkigen Salamander.8 — Hoe de zwarte ganzepen een beetwortel liefkoosde en griffier Heerbrand zich sterk bedronk.
e student Anselmus had nu reeds verscheidene dagen bij den archivaris gearbeid; deze werkuren waren voor hem de gelukkigste zijns levens, want staag van lieflijke klanken, van Serpentina’s troostwoorden omvloten en vaak zelfs lichtelijk door een langsvliedenden ademtocht beroerd, doorstroomde hem een nimmer gevoelde behaaglijkheid, die dikwijls zelfs tot een hoogtepunt van geluk steeg. Al de ellende, al de kleine zorgen van zijn behoeftig bestaan waren uit zijn gedachte en voelen verdwenen en in het nieuwe leven, dat hem als in zonnehellen glans was opgegaan, verstond hij alle de wonderen van een hoogere wereld, die hem tot dusver met verbazing, zelfs met ijzing vervuld hadden. Met het copieeren ging het zeer vlug, dewijl het hem steeds meer voorkwam, dat hij slechts langgekende teekens op het perkament schreef en nauwelijks naar het origineel behoefde te zien, om alles met de meeste nauwkeurigheid na te trekken. Behalve in het tafeluur liet de archivaris Lindhorst zich slechts nu en dan zien, doch telkenmale verscheen hij precies op het oogenblik, dat Anselmus de laatste teekens van een handschrift voltooid had en gaf hem dan een ander, om hem dadelijk weder zwijgend te verlaten, nadat hij slechts met een zwart staafje den inkt omgeroerd en de gebruikte ganzepennen voor andere scherper gepunte verwisseld had. Eens, toen Anselmus met het slaan van twaalven reeds de trap opgestegen was, vond hij de deur, waardoor hij altijd was heengegaan, afgesloten en archivaris Lindhorst kwam in zijn wonderlijken, als met schitterende bloemen bezaaiden slaaprok van de andere zijde te voorschijn. Luide riep hij: „Gij moet vandaag maar hier binnen komen, beste Anselmus, want wij moeten zijn in het vertrek waar ons de meesters van Bhogovotgita9 wachten.” Hij schreed de gang door en voerde Anselmus door dezelfde vertrekken en zalen als de eerste maal. — De student Anselmus verbaasde zich opnieuw over de wonderbare schoonheid van den tuin, doch nu zag hij duidelijk, dat vele van de vreemde bloesems, die aan de donkere struiken hingen, eigenlijk in stralende kleuren pralende insecten waren, die met de vleugels op en neder sloegen en door elkaar heen dansend en draaiend elkander met de zuigslurfjes schenen te liefkozen. Daarentegen waren weer de roos-kleurige en hemelsblauwe vogels geurige bloemen en de reuk, dien zij verbreidden steeg uit hare kelken omhoog in zachte, lieflijke tonen, die met het geklater van de verre fonteinen, met het gesuizel der hooge struiken en boomen samensmolten tot de geheimzinnige accoorden van een diep-klaaglijk verlangen. De spotvogels, die hem de eerste maal zoo geplaagd en bespot hadden, omfladderden hem weder het hoofd en riepen met hun fijne stemmetjes zonder ophouden: „Mijnheer de student, mijnheer de student, loop niet zoo hard. — Kijk niet zoo in de wolken — gij zoudt op uw neus kunnen vallen. — Hé, hé, mijnheer de student — sla den poedermantel10 om — Vader Schuhu11 moet uw paruikje krullen.” Zoo ging het voort met allerlei dwaas gebabbel, totdat Anselmus den tuin verlaten had. Archivaris Lindhorst trad eindelijk in het azuurblauwe vertrek; het porphier met de gouden vaas was verdwenen en inplaats daarvan stond er een met violet fluweel belegde tafel — waarop zich het aan Anselmus zoo bekende schrijfgerei bevond — in het midden der kamer en een evenzoo bekleede leuningstoel stond ervoor.

„Beste mijnheer Anselmus”, zeide de archivaris Lindhorst, „gij hebt nu reeds menig handschrift snel en goed tot mijn groote tevredenheid gecopieerd; gij hebt mijn vertrouwen weten te winnen; maar het belangrijkste blijft nog te doen, dat is het overschrijven of juister nateekenen van zekere in ongewone teekens vervatte werken, die ik in dit vertrek bewaar en die slechts ter plaatse gecopieerd kunnen worden. — Voortaan zult gij dus hier werken, maar ik moet u de grootst-mogelijke omzichtigheid en oplettendheid aanbevelen; een verkeerde haal of wat de Hemel verhoede, een inktvlek op het origineel gespet, stort u in ’t ongeluk.” —
Anselmus bemerkte, dat uit de goudene stammen der palmboomen kleine smaragdgroene bladeren naar voren staken, de archivaris vatte een dezer bladeren en Anselmus werd gewaar, dat het blad eigenlijk een rol perkament was, die de archivaris loswikkelde en voor hem op tafel uitspreidde. Niet weinig verwonderde Anselmus zich over de vreemd verwonden teekens, en bij het aanschouwen van de vele kleine punten, streken, halen en sierkrullen, die nu eens planten, dan mossen en dan weer diergestalten schenen voor te stellen, wanhoopte hij er bijna aan, dit alles zoo getrouw na te kunnen teekenen. „Vat moed, jonge man!” sprak luid de archivaris, „wanneer gij beproefd geloof en ware liefde bezit, zal Serpentina u helpen.” Zijn stem klonk als luidend metaal en toen Anselmus heftig-geschrokken opkeek, stond archivaris Lindhorst voor hem in de koninklijke gestalte, waarin hij hem bij het eerste bezoek aan het bibliotheekvertrek verschenen was. Het werd Anselmus te moede, als moest hij van eerbied vervuld op de knieën zinken, maar reeds steeg de archivaris Lindhorst langs den stam van een palmboom omhoog om te verdwijnen in de smaragden bladeren. — De student Anselmus begreep, dat een geestenkoning met hem gesproken had en nu in zijn studievertrek was opgestegen, wellicht om zich met de stralen, die enkele planeten hem als boden gezonden hadden, te beraden, wat er nu met hem en de lieflijke Serpentina geschieden moest. — Ook kan het zijn, dacht hij verder, dat er hem nieuws wacht van de bronnen van den Nijl of dat een Magiër uit Lapland hem bezoekt — mij voegt het slechts ijverig aan den arbeid te gaan. En alzoo begon hij de vreemde teekens van de perkamentrol te bestudeeren. De wondervolle muziek uit den tuin klonk tot hem door en omgaf hem met zoete streelige geuren; eveneens hoorde hij de spotvogels snetteren, doch verstond hunne woorden niet, hetgeen hem ook zeer welkom was. Een enkele maal was het wel of de smaragden bladeren der palmboomen ruischten en dan de zoete kristalklanken, die Anselmus op dien noodlottigen avond onder den vlierboom hoorde, als stralen in de kamer waren. De student Anselmus, wonderdadig gesterkt door deze klanken en schijnselen, vestte zijn gemoed en gedachte steeds meer op het opschrift van de perkamentrol en weldra gevoelde hij, als komende uit zijn eigen innerlijk, dat die teekens niets anders konden beduiden dan de woorden: „Over de verbintenis van den Salamander met de groene Slang.” — Toen weerklonk krachtig een drievoudig accoord van heldere kristalklokjes. — „Anselmus, lieve Anselmus” zuchtte het hem uit de bladeren tegen en wonderlijk! langs den stam van den palmboom wond zich de groene slang naar omlaag. — „Serpentina, liefste Serpentina!” riep Anselmus in de vervoering der hoogste verrukking, want toen hij scherper toekeek, was het een lieftallig, heerlijk meisje, dat hem — onder een aanzien met de donkerblauwe oogen, zooals zij in zijn gedachte-innerlijk leefden — tegemoet zweefde. De bladeren schenen zich te laten vallen en zich te vergrooten, alom sprongen doornen uit de stammen, doch Serpentina wond en kronkelde zich behendig er doorheen, terwijl zij haar fladderend, als van weerschijn-gevende tinten schitterend gewaad achter zich aan trok, zóó, dat het om haar slanke lichaam werd gewikkeld en nergens bleef haken aan de uitstekende punten en doornen der palmboomen. Zij zette zich naast Anselmus op denzelfden stoel, terwijl zij hem met de armen omvatte en tegen zich aan drukte, zoodat hij den adem die haar van de lippen stroomde en de electrische warmte van haar wezen voelde. „Lieve Anselmus!” begon Serpentina, „nu zult gij spoedig geheel de mijne zijn, door uw geloof, door uwe liefde wint gij mij en ik zal u de gouden vaas brengen, die ons beiden gelukkig maakt voor altijd.” —
„Mijn schoone, liefste Serpentina,” zeide Anselmus, „wanneer ik u slechts bezit, wat deert mij dan al het overige; als gij maar de mijne wordt, wil ik gaarne ondergaan in al het wonderlijke en ongekende, dat mij omvangt sedert het oogenblik, waarop ik u zag.” „Ik weet wel,” ging Serpentina voort, „dat het vreemde en wonderrijke, waarmede mijn vader u vaak slechts uit grilligheid omgaf, huiver en afkeer in u verwekt heeft, doch thans zal het, hoop ik, niet meer geschieden, want ik ben hier in dit oogenblik slechts, om u, mijn lieve Anselmus, alles en alles uit het diepst van mijn gemoed, het diepst van mijn ziel haarfijn te verhalen, wat gij noodig hebt om mijn vader geheel te kennen en ganschelijk te verstaan, hoe het tusschen hem en mij is gesteld.”
Het scheen Anselmus, als ware hij door de teere, lieflijke gestalte zoo geheel omringd en omwonden, dat hij zich slechts mèt haar zou kunnen verroeren of bewegen en als ware het haar polsslag alleen, die zijn zenuwen en diepste roerselen doortrilde; gespannen aanhoorde hij ieder harer woorden, die tot zijn diepste innerlijk doorklonken en als schitterende stralen hemelsche gelukzaligheid in hem ontstaken. Hij had den arm om haar slanker dan slanke lijfje gelegd, doch de tintspelige, glanzige stof van haar kleed was zoo glad, zoo smijdig, dat het hem scheen, als kon zij, door zich snel van hem los te wikkelen, onweerhoudbaar ontglippen en hij ontroerde bij die gedachte. „Verlaat mij toch niet, liefste Serpentina,” riep hij onwillekeurig uit, „want in u slechts leef ik!” — „Vandaag niet,” zeide Serpentina, „voor ik u alles verhaald zal hebben, wat gij door uw liefde tot mij verstaan kunt.”
„Weet dan, liefste! dat mijn vader uit het wonderlijke geslacht der Salamanders stamt en dat ik mijn bestaan dank aan zijn liefde tot de Groene Slang. In oerouden tijd heerschte over het wonderrijk van Atlantis de machtige geestenvorst Phosphorus, die door de geesten der elementen gediend werd. Eens ging de Salamander, dien hij boven allen liefhad (dit was mijn vader) in den schitterenden tuin rond, dien de moeder van Phosphorus met haar schoone gaven zoo heerlijk getooid had, toen hij hoorde hoe een hooge lelie in zachte tonen zong: „Druk de kleine oogen toe, tot mijn geliefde, de morgenwind, u wekt.” Hij trad dichterbij; door zijn vurigen adem beroerd, ontsloot de lelie hare bladen en hij aanschouwde haar dochter, de groene slang, die in de kelk sluimerde. Toen werd de Salamander door gloeiende liefde voor de schoone slang overweldigd en hij ontroofde haar der lelie, wier geuren als een sprakelooze klacht vergeefs in den ganschen tuin naar de verloren dochter uitgingen. Want de Salamander had haar in Phosphorus’ slot gedragen en smeekte hem: huw mij met de geliefde, dat zij mijn worde voor altijd. „Verdwaasde, wat verlangt gij!” sprak de Koning der geesten, „weet, dat de lelie eens mijn geliefde was en met mij heerschte, maar de vonk, die ik in haar wierp, dreigde haar te vernielen en slechts de zegepraal over den zwarten draak, dien de geesten der aarde nu in ketenen gebonden houden, kon de lelie behouden, zoodat hare bladen sterk genoeg bleven om de vonk in zich op te sluiten en te bewaren. Doch, wanneer gij de groene slang omarmt, zal uw gloed haar lichaam verzengen en een nieuw wezen snel opwassend zich van u loswinden.” De Salamander achtte de waarschuwing van den vorst der geesten niet; van brandend verlangen vervuld sloot hij de Groene Slang in de armen, zij verteerde tot asch en een gevleugeld wezen aan de asch ontstegen ruischte heen door de lucht. Toen werd de Salamander door wanhoops waanzin gegrepen, vuur en vlammen schietend ijlde hij door den tuin en verdelgde dien met wilde woede, zoodat de schoonste bloemen en bloesems verbrand neerzonken en haar klacht de lucht vervulde. In oppersten toorn greep de koning der geesten den Salamander aan en zeide: „Nu heeft uw vuur uitgewoed — uw vlammen zijn gedoofd, uw stralen verdofd — zink thans neder tot de geesten der aarde, dat zij u kwellen en hoonen en in gevangenschap houden, tot aan het oogenblik, dat de vuurstof zich weder ontsteekt en met u in nieuwe gedaante aan de aarde ontstraalt.” Glansloos verzonk de arme Salamander, maar toen kwam de oude, knorrige aardgeest, die de hovenier van Phosphorus was, naderbij en sprak: „Heer! wie zoude meer zich over den Salamander beklagen, dan ik. — Heb ik niet alle de schoone bloemen, die hij verzengd heeft, met mijn mooiste metalen gesierd, heb ik hare kiemen niet wakker gekoesterd en verzorgd, en zoo menige kostelijke kleur aan haar besteed en toch trek ik mij het lot van den armen Salamander aan, dien slechts de liefde, die ook u, Heer, zoo vaak beving, — tot wanhoop dreef, welke hem den tuin deed verwoesten. — Scheldt hem de te harde straf kwijt. —”
„„Thans is zijn vuur gedoofd,” sprak de Koning der geesten, „maar in den rampzaligen tijd, wanneer de sprake der natuur voor het ontaarde geslacht der menschen niet meer verstaanbaar zal zijn, wanneer de geesten der elementen binnen hunne regionen gebannen, slechts uit eindelooze verte door doffe herinneringen tot de menschen zullen spreken, wanneer aan den harmonischen kringloop ontrukt, enkel een oneindig verlangen hem de duistere konde brengen zal van het wondervolle rijk, dat hij eens mocht bewonen, toen geloof en liefde zijn gemoed nog vervulden, — in dezen rampzaligen tijd zal de vuurkracht van den Salamander zich opnieuw ontsteken, doch slechts tot mensch wast hij op en hij moet, geheel opgaand in zijn kommervol bestaan, diens droefenis dragen. Doch niet slechts de herinnering aan zijn oertoestand blijft hem bij, opnieuw zal hij opleven in heilige samenstemming met de geheele natuur, haar wonderen verstaand en met de macht der vermaagschapte geesten te zijnen dienste. In een leliestruik vindt hij dan de Groene Slang weder en de vrucht van zijn echt met haar, zal een drietal dochters zijn, die den menschen in de gestalte der moeder zullen verschijnen. In den lentetijd zullen zij zich door den donkeren vlierstruik slingeren en hare lieflijke kristallen stemmetjes doen klinken. Wanneer dan in dien dorren, rampzaligen tijd van innerlijke versteening een jongeling gevonden wordt, die haar gezang hoort, in wien, wanneer een der kleine slangen hem met haar bezaligende oogen aanziet, die blik het voorvoelen ontsteekt van dat verre, wondervolle land, tot waartoe hij zich stout kan verheffen, als hij slechts den last van het alledaagsche afwerpt en in hem met de liefde voor de slang het geloof wast aan de wonderen der natuur en vol gloed en leven aan zijn eigen bestaan te midden van die wonderen, dan wordt die slang de zijne. Doch niet aleer er drie zulke jongelingen gevonden zijn en zich met de drie dochters verhuwelijkt hebben, mag de Salamander zijn drukkenden last afwerpen en tot zijn broederen gaan.” „Veroorloof mij, heer,” zeide de aardgeest, „dat ik de drie dochters een geschenk geef, dat heur leven met den gevonden gemaal zal opluisteren. Elke zal van mij een vaas ontvangen van het schoonste metaal dat ik bezit en die ik wil polijsten met stralen, aan den diamant ontleend; in haar glans zal zich ons wonderlijk rijk, zooals het in harmonie met de geheele natuur bestaat, in verblindend-heerlijken weerschijn afspiegelen, uit haar binnenste echter in het oogenblik der verhuwelijking een vuurlelie opbloeien, wier eeuwige bloesem den beproefd gevondenen jongeling met haar zoete roke omgeeft. Dra zal hij dan haar sprake en de wonderen van ons rijk verstaan om zelf met de geliefde in Atlantis te wonen.” — Gij weet nu wel, lieve Anselmus! dat mijn vader juist die Salamander is, waarvan ik u vertelde. Ondanks zijn hoogere afstamming moest hij zich aan de engste benauwingen van het gewoonte-leven onderwerpen en daaruit komt vaak het grillige leedvermaak voort, waarmede hij velen kwelt. Hij heeft mij bij herhaling gezegd, dat men voor de innerlijke geestesgesteldheid, die de geestenvorst Phosphorus eertijds als voorwaarde voor de uithuwelijking aan mij en mijne zusters bepaald heeft, thans eene uitdrukking kent, die echter te vaak op zeer ongepaste wijze misbruikt wordt; men noemt die een kinderlijk, dichterlijk gemoed. — Dikwijls vindt men dit gemoed bij jongelingen, die om den hoogen eenvoud van zeden en omdat het hun gansch aan zoogenoemde wereldlijke vorming ontbreekt, door het gemeen bespot worden. O, liefste Anselmus — gíj verstondt onder den vlierstruik mijn gezang — mijn blik — gij hebt de Groene Slang lief, gij gelooft aan mij en wilt de mijne zijn voor altijd! De schoone lelie zal uit de gouden vaas opbloeien en wij zullen gelukkig en vereend in Atlantis wonen. Doch ik mag u niet verbergen, dat in een gruwelijken kamp met de Salamanders en aardgeesten de zwarte draak zich losrukte en door de lucht wegsuisde. Wel houdt Phosphorus hem weder geketend, doch uit de zwarte pennen, die in den strijd op de aarde stoven, ontsproten vijandige geesten, die overal de Salamanders en aardgeesten weerstaan. Die vrouw, die u zoo vijandig gezind is, liefste Anselmus en gelijk mijn vader zeer goed weet, het bezit van de gouden vaas nastreeft, heeft haar bestaan aan de liefde van zulk een uit den vlerk van den draak gestoven pen tot een beetwortel te danken. Zij is zich haar oorsprong en macht bewust, want uit het steunen, uit de stuiptrekkingen van den gevangen draak werden haar de geheimenissen van menige wonderlijke constellatie openbaar en zij neemt alle middelen te baat, om van buiten af op het innerlijke te werken, waartegenover mijn vader haar met de bliksems, die uit het binnenste van den Salamander schieten, bestrijdt. Alle vijandige oerkrachten, die in schadelijke planten en giftige diersoorten huizen, gaart zij bijeen en verwekt, door ze bij gunstigen sterrestand te mengen, menige booze verschijning, die het verstand der menschen met huiver en ontzetting slaat en hen aan de macht der demonen, die de in den strijd bezwijkenden draak baarde, onderwerpt. Neem u in acht voor de oude, lieve Anselmus, zij is u vijandig gezind, omdat uw kinderlijk-vroom gemoed reeds verscheidene harer booze tooverijen heeft vernietigd. — Blijf trouw, trouw aan mij, weldra bereikt gij het doel.” „O, mijn eigen, mijn eigen Serpentina,” riep de student Anselmus, „hoe zou ik u ooit kunnen laten, wat kan ik anders dan u eeuwig liefhebben.”
— Een kus gloeide op zijn mond, als uit een diepen droom ontwaakte hij. Serpentina was verdwenen en het sloeg zes uur; toen viel het hem als een zwaarte in, dat hij hoegenaamd niets gecopieerd had; bezorgd, wat de archivaris wel zeggen zou, blikte hij neer op het blad en — wonderlijk! de copie van het geheimzinnige manuscript was gelukkig ten einde gebracht en hij geloofde, toen hij de teekens scherper beschouwde, Serpentina’s verhaal over haren vader, den lieveling van den geestenvorst Phosphorus in het wonderland van Atlantis, te hebben overgeschreven. Nu trad de archivaris in zijn lichtgrijzen rokjas, den hoed op het hoofd en den stok in de hand, binnen. Hij keek het door Anselmus beschreven perkament in, nam een flink snuifje en zeide glimlachend: „dat dacht ik wel. Nu, hier is de thaler, mijnheer Anselmus, thans zullen wij nog wat naar het Linkesche Bad gaan — volgt u mij maar!”
Snel schreed de archivaris door den tuin, waar zulk een tumult van zingen, fluiten en spreken doorelkander was, dat de student Anselmus versufte en den Hemel dankte, toen hij zich op straat bevond. Nauwelijks hadden zij eenige schreden gedaan, of zij ontmoetten den griffier Heerbrand, die zich vriendschappelijk bij hen aansloot. Voor de poort stopten zij de meegenomen pijpen; griffier Heerbrand klaagde erover geen tonder bij zich te hebben, toen riep archivaris Lindhorst nukkig: „Wat, tonder! hier is vuur, zooveel u wilt.” En tegelijk knipte hij met de vingers, waaruit groote vonken vlogen, die de pijpen spoedig ontstaken. „Ziet u dat scheikundige kunststukje,” zeide de griffier Heerbrand, maar de student Anselmus dacht niet zonder innerlijken huiver aan den Salamander.
In het Linkesche Bad dronk de griffier Heerbrand zooveel van het zware, donkere bier, dat hij, anders een goedmoedig, ingetogen man, met schreeuwerige tenorstem studentenliederen begon te zingen, kittelig aan iedereen vroeg, of hij nu zijn vriend was of niet en ten slotte door den student Anselmus moest worden thuisgebracht, toen archivaris Lindhorst reeds lang en breed was verdwenen.
NEGENDE NACHTWAAK
Hoe de student Anselmus eenigszins bij zijn verstand kwam. — De punch-genooten. — Hoe de student Anselmus conrector Paulmann voor een steenuil versleet, waarover deze zich zeer boos maakte. — De inktvlek en hare gevolgen.
l het vreemde en wonderlijke, dat den student Anselmus dagelijks was overkomen, had hem volslagen aan het gewone leven ontrukt. Hij ging met geen zijner vrienden meer om en wachtte iederen morgen gespannen en ongeduldig op het middaguur, dat hem zijn paradijs ontsloot. En toch, hoezeer zijn gansche innerlijk leven zich naar de lieflijke Serpentina en de wonderen van het sprookjesrijk bij archivaris Lindhorst gericht had, moest hij bij tijden aan Veronica denken, scheen het hem zelfs meer dan eens toe, dat zij tot hem kwam en hem blozend bekende, hoe innig zij hem beminde en hoe zij ernaar streefde, hem aan de phantomen, waardoor hij slechts geplaagd en bespot werd, te ontrukken. Tusschenbeide was het, als sleepte een vreemde, plotseling op hem aanstortende macht hem onweerstaanbaar naar de vergetene Veronica en het was, als moest hij haar volgen, waarheen zij zou willen, als ware hij aan haar vastgeklonken. Juist in den nacht, nadat hij Serpentina voor de eerste maal in de gestalte eener wonderlijk lieflijke jonkvrouw aanschouwd had, nadat hem hetwondervol -geheim der verhuwelijking van den Salamander met de Groene Slang was geopenbaard, kwam Veronica hem duidelijker voor oogen, dan ooit. Sterker! — eerst toen hij ontwaakte, werd het hem klaar, hoe hij slechts gedroomd had, want hij was overtuigd geweest, dat Veronica zich waarlijk bij hem bevond en er op diep-smartelijken toon, die tot in zijn gemoedsinnerlijk doorklonk, over klaagde, dat hij haar innige liefde aan de fantastische verschijningen, die slechts zijn innerlijke vernietiging zouden teweegbrengen, opofferen wilde en zoo aan zijn ongeluk en verderf zou geraken. Veronica was bekoorlijker, dan hij haar ooit gezien had; hij kon haar bijna niet uit de gedachten houden en deze toestand veroorzaakte hem een pijn, die hij door een morgenwandeling hoopte te verliezen. Een onbekende, magische macht trok hem tot voor de Pirnasche Poort en juist wilde hij een zijstraat inslaan, toen conrector Paulmann, die achter hem aan kwam, luide riep: „Hé hé — beste mijnheer Anselmus! — Amice, amice, waar zit gij in ’s Hemelsnaam toch, gij laat u in ’t geheel niet meer zien — weet gij wel, dat Veronica er op gespitst is weer eens samen met u te zingen? — Ga dan nu mede, gij wildet immers toch naar mij toe?” Noodgedwongen ging de student Anselmus met den conrector mede. Toen zij het huis binnenkwamen, trad Veronica hun bevallig en keurig gekleed tegemoet, zoodat conrector Paulmann vol verbazing vroeg: „Hé, waarom zoo gesmukt, werd er dan bezoek verwacht? — in elk geval breng ik hier mijnheer Anselmus mede.” —

Toen de student Veronica welgemanierd-bescheiden de hand kuste, voelde hij een zachten druk, die als een warmen stroom door zijn zenuwen en diepste roerselen schokte. Veronica was de vroolijkheid, de bekoorlijkheid zelve en toen Paulmann naar zijn studeerkamer was gegaan, wist zij Anselmus door allerlei plagerij en schalkschheid zoo op te voeren, dat hij alle beschaamdheid vergat en ten slotte met het uitgelaten meisje door de kamer ronddraafde. Toen kreeg echter opeens de demon der onhandigheid weer vat op hem, hij stootte tegen de tafel en Veronica’s sierlijke naaidoosje viel er af. Anselmus raapte het op, het deksel was opengesprongen en een kleine, ronde metalen spiegel blonk hem tegen, waarin hij bijzonderlijk bekoord, kijken bleef. Veronica sloop zacht achter hem, legde de hand op zijn arm en keek, terwijl zij zich dicht tegen hem aan vlijde; over zijn schouder mede in den spiegel. Toen was het Anselmus als begon in zijn binnenste een strijd — gedachten — beelden — bliksemden op en vergingen weder, — archivaris Lindhorst — Serpentina — de Groene Slang — tot het eindelijk stiller werd en het al-verwarde zich ordende en zich in klaar bewustzijn effende. Hij begreep nu, dat hij voortdurend slechts aan Veronica gedacht had, zelfs dat de gestalte, die hem gisteren in de blauwe kamer verschenen was, ook slechts Veronica kon geweest zijn en dat de verbeeldingsrijke sage over de verhuwelijking van den Salamander met de Groene Slang enkel door hem geschreven, doch hem geenszins verteld werd. Zelf verbaasde hij zich over zijn gedroom en schreef dit louter aan zijn, door de liefde tot Veronica ziekelijk-opgezweepten zielstoestand toe, alsook aan het werken bij archivaris Lindhorst, in wiens kamers het bovendien nog zoo wonderlijk-bedwelmend rook. Hartelijk lachen moest hij over de dwaze inbeelding, verliefd te zijn op een kleine slang en een goedgebouwden geheim-archivaris voor een Salamander te houden.
„Ja, zeker! — Veronica is het!” zeide hij luide, maar toen hij het hoofd omwendde, keek hij recht in Veronica’s blauwe oogen, waarin liefde en verlangen blonk. Een dof „O!” ontvlood haar lippen, die in dat oogenblik op de zijne gloeiden. „O, ik gelukkige,” zuchtte de verrukte student, „wat ik gisteren nog maar droomde, wordt mij vandaag nu in alle werkelijkheid deelachtig.” „En zul je nu heusch met mij trouwen, wanneer je hofraad bent?” vroeg Veronica. „Beslist,” antwoordde de student Anselmus; toen piepte de deur en conrector Paulmann trad binnen, zeggende: „Kom, beste mijnheer Anselmus, vandaag laat ik u niet gaan, u stelt zich wel met een soepje tevreden en dán zal Veronica een goed kopje koffie voor ons zetten, dat wij met den griffier Heerbrand, die beloofd heeft te zullen komen, gaan gebruiken.”
„Ja, waarde heer conrector,” antwoordde de student Anselmus, „maar u weet toch wel, dat ik naar archivaris Lindhorst moet, vanwege het copieeren?” „Kijk eens, amice!” zeide conrector Paulmann, terwijl hij hem zijn horloge voorhield, dat op half een stond. De student Anselmus zag nu wel in, dat het veel te laat was om nog naar archivaris Lindhorst te gaan en legde zich te liever bij de verlangens van den conrector neder, omdat hij zoodoende Veronica den geheelen dag zou kunnen zien en menigen heimelijken blik, menigen teederen handdruk hoopte te krijgen, o, zelfs wel erop rekende een kus te bemachtigen. Zoo hoog stegen al de wenschen van den student Anselmus en immer behagelijker werd het hem te moede, hoe meer hij er zich van doordrong, dat hij nu spoedig bevrijd zou zijn van alle fantastische inbeeldingen, die hem werkelijk tot een totaal-in-ongerijmdheden-zich-verliezenden dwaas hadden kunnen maken. De griffier Heerbrand verscheen inderdaad na tafel en toen men koffie gedronken had en de schemering reeds was gevallen, gaf hij meesmuilend en zich welgemoed de handen wrijvend te verstaan, dat hij iets bij zich had, hetgeen gemengd door Veronica’s mooie handjes en in den passenden vorm gebracht, om zoo te zeggen gefolieerd en gerubriceerd, allen op dezen koelen October-avond welkom zou zijn. „Voor den dag dan maar met het geheimzinnige ding, dat u bij zich hebt, geachte griffier,” riep conrector Paulmann; maar griffier Heerbrand greep in den diepen zak van zijn overjas en bracht in drie tempo’s een flesch arak, citroenen en suiker te voorschijn. Een half uur was nauwelijks verloopen, of er dampte reeds een keurige punch op Paulmann’s tafel. Veronica diende den drank op en onder de vrienden werden allerlei vroolijke gesprekken gevoerd. Doch zoodra de geest van den drank den student naar het hoofd steeg, kwamen ook de beelden van het wonderbaarlijke en vreemde, dat hij kortelings doorleefd had, weder terug. — Hij zag archivaris Lindhorst, in zijn damasten slaaprok, die fosforisch opglansde — hij zag het azuurblauwe vertrek, de gouden palmboomen, zelfs werd het hem weer zoo te moede, als moest hij toch aan Serpentina gelooven — het kookte en gistte in zijn binnenste. Veronica reikte hem een glas punch en terwijl hij het aanvatte, raakte hij even haar hand.
„Serpentina! Veronica!” zuchtte hij als in zichzelf. In diepte van droomen verzonk hij, doch de griffier Heerbrand riep luide: „Het blijft toch een wonderlijke, oude heer, waar niemand uit wijs wordt, die archivaris Lindhorst — Lang zal hij leven! Klinken, mijnheer Anselmus.” Toen steeg de student Anselmus boven zijn droomen uit en zeide, terwijl hij met griffier Heerbrand aanstootte: „dat komt daardoor, hooggeschatte Heer griffier, omdat de archivaris Lindhorst eigenlijk een Salamander is, die den tuin van den geestenvorst Phosphorus in toorn verwoestte, omdat de Groene Slang van hem was weggevlogen?” „Hein, wat?” vroeg Conrector Paulmann. „Ja,” ging de student Anselmus voort, „daarom moet hij nu archivaris zijn in koninklijken dienst en hier in Dresden huizen met zijn drie dochters, die echter niets anders zijn dan kleine goudgroene slangen, die zich in vlierboschjes door de zon laten koesteren, verleidelijk zingen en jonge mannen verlokken, als de Sirenen.” — „Mijnheer Anselmus, Mijnheer Anselmus,” riep conrector Paulmann, „is u aan het malen? — Wat voor onbeholpen nonsens gooit u er nu toch uit?” „Hij heeft gelijk,” viel de griffier Heerbrand in, „die kerel, die archivaris is vervloekt een salamander, die uit zijn vingers vuursnippers slaat, die iemand gaten in zijn overjas branden als gloeiende zwam. Ja, zeker, gij hebt gelijk, kameraad Anselmus, en wie het niet gelooven wil, beschouw ik als mijn vijand!” Tegelijk sloeg griffier Heerbrand met de vuist op tafel, dat de glazen rinkelden. „Griffier! — is u dol” riep de vertoornde conrector. „O, ongeluksstudent, ongeluksstudent, wat hebt gij nu weer uitgericht!” „Kom,” zeide de student, „U is toch ook maar een vogel — een steenuil12, die de pruiken krult, mijnheer de conrector!” „Wat? — ik een vogel — een steenuil — een kapper!” riep de conrector in volsten toorn — „Mijnheer, u is razend, razend!” — „Maar de oude13 zal hem overlast bezorgen,” riep griffier Heerbrand. „Ja, de oude is machtig,” viel de student Anselmus bij, „ofschoon zij maar van geringe afkomst is, want haar vader was slechts een voddige ganzevleugel en haar moeder een verachtelijke beetwortel, doch haar grootste macht dankt zij aan allerlei vijandige schepselen — giftig uitvaagsel — waardoor zij omgeven is.” „Dat is gruwelijke lasterpraat,” riep Veronica met boosglanzende oogen, „de oude Lize is een verstandige vrouw en de zwarte kater géén vijandig schepsel, doch een beschaafde jonge man met hoofsche manieren en haar germain-neef.” „Kan die Salamanders eten, zonder zich den baard te schroeien en jammerlijk om te komen?” zeide griffier Heerbrand. „Neen, neen,” riep de student Anselmus, „nooit ofte nimmer zal hij dat kunnen; en de groene slang heeft mij lief, want ik ben een kinderlijk gemoed en heb Serpentina’s oogen aanschouwd.” „De kater zal die uitkrabben,” riep Veronica. „De Salamander, de Salamander, kan ze allen bedwingen, allen,” brulde conrector Paulmann in een paroxysme van woede — „— maar ben ik dan in een gekkenhuis? ben ik zelf gek? — wat kraam ik dan toch voor ongerijmde praat uit? — zeker, ik ben ook gek — ook gek!” Tegelijk sprong conrector Paulmann op, rukte zich de pruik van het hoofd en slingerde die tegen de zoldering, zoodat de platgeslagen lokken een klaaglijk geluid gaven en in ganschelijke vernieling het poeder wijd in de rondte deden stuiven. Toen grepen de student Anselmus en griffier Heerbrand de kom met punch en de glazen, om die onder gejuich en gejubel tegen de zoldering te werpen, zoodat de scherven klinkend en kletterend rondsprongen. „Vivat Salamander — pereat — pereat de oude — slaat den metalen spiegel stuk, rijt den kater de oogen uit! — Vogeltje — vogeltje uit hooge luchten — eheu14 — eheu — evoe15 — Salamander!” — Zoo schreeuwden en krijschten de drie als bezetenen dooreen. Luid schreiend ijlde Fransje weg, doch Veronica bleef kermend van smartepijn op de sofa liggen. Toen ging de deur open, alles werd plotseling stil en er trad een klein mannetje in een grijs manteltje binnen. Zijn gelaat had iets vreemd gewild-ernstigs en de kromgebogen neus, waarop zich een groote bril bevond, onderscheidde zich bijzonderlijk van alle tot dusver geziene. Ook droeg hij zulk een eigenaardige pruik, dat het meer een muts van veeren scheen te zijn. „Ah, vriendelijk goeden avond,” rettelde het potsierlijke mannetje, „mijnheer de student Anselmus is zeker wel hier? Beleefde groeten van Mijnheer den archivaris Lindhorst en hij heeft Mijnheer Anselmus vandaag vergeefs gewacht, doch hij laat vriendelijk vragen, morgen toch niet het gewone uur te willen verzuimen.” Daarop stapte hij de deur weer uit en allen zagen nu zeer goed, dat het gewild-deftige mannetje eigenlijk een grijze papegaai was. Conrector Paulmann en griffier Heerbrand stootten een schaterlach uit, die dreunde door het vertrek, en daartusschendoor kermde en steunde Veronica als verscheurd door onuitsprekelijke ellende, maar de student Anselmus voelde zich doorschokt van den waanzin der innerlijke ontzetting en zonder bewustzijn stormde hij de deur uit en de straten door. Werktuigelijk hervond hij zijn woning, zijn klein vertrek. Spoedig daarna trad Veronica vredig en vriendelijk tot hem en vroeg, waarom hij haar in zijn roes zoo’n schrik aangejaagd had en dat hij zich toch voor nieuwe inbeeldingen mocht hoeden, wanneer hij bij den archivaris aan het werk was. „Goeden nacht, goeden nacht, mijn liefste vriend” murmelde Veronica zacht, terwijl zij zijn lippen in vluchtigen kus beroerde. Hij wilde haar met de armen omvangen, doch de droomgestalte was verdwenen en hij ontwaakte monter en verjongd. Nu moest hij zelf smakelijk om de uitwerking van den punch lachen, doch terwijl hij aan Veronica dacht, voelde hij toch hoe een behaaglijke aandoening hem doordrong. Aan haar alleen, zeide hij tot zichzelf, heb ik het te danken, dat ik van mijn zotte kuren ben teruggekomen. — Waarlijk, het ging mij al niet beter, als zeker iemand, die geloofde, dat hij van glas was, of als hem, die het vertrek niet durfde te verlaten, uit vrees door de hoenders te zullen worden opgegeten, omdat hij zich verbeeldde een gerstekorrel te zijn. Doch zoodra ik hofraad ben, huw ik eenvoudig Mejuffrouw Paulmann en ik word gelukkig. — Toen hij nu ’s middags door den tuin van archivaris Lindhorst ging, kon hij er zich niet genoeg over verbazen, hoe dat alles hem anders zoo vreemd en vol wonderen had kunnen toeschijnen. Hij zag niets dan wat gewone kamerplanten, verschillende soorten geraniums, myrtenstammen en dergelijke. Inplaats van de schitterende, bonte vogels, die hem anders plaagden, fladderden enkel wat musschen heen en weer, die een onverstaanbaar onaangenaam gekwetter begonnen, toen zij Anselmus bemerkten. Het blauwe vertrek kwam hem ook geheel anders voor en hij begreep niet, hoe het schelle blauw en de onnatuurlijk-gouden stammen der palmboomen met de onooglijke blinkende bladeren hem een oogenblik hadden kunnen bekoren.
De archivaris zag hem met een zeer eigenaardigen, ironischen glimlach aan en vroeg: „Nu, hoe smaakte u gisteren de punch, beste Anselmus?” „Ja, de papegaai heeft u zeker,” antwoordde de student Anselmus beschaamd, doch hij stokte, want hij moest er aan denken, dat ook de verschijning van den papegaai slechts een begoocheling van zijn bevangen zinnen geweest was. „Kom, ik was immers zelf in het gezelschap,” viel de archivaris Lindhorst hem in de rede, „hebt u mij dan niet gezien? Maar door de dwaze onbetamelijkheden, die gij bedreeft, was ik haast leelijk gekwetst, want juist in het oogenblik, dat de griffier ernaar greep, om haar tegen de zoldering te slingeren, zat ik nog in de kom en ik moest mij snel in den pijpenkop van den conrector terugtrekken. En thans, het ga u goed, mijnheer Anselmus! Arbeidt maar vlijtig door; ik zal u ook voor den gisteren verzuimden dag een zilveren Thaler geven, omdat gij totnutoe zoo flink gewerkt hebt.” „Hoe kan de archivaris nu toch zulke dwaasheden uitkramen,” zeide de student Anselmus tot zichzelf, en hij zette zich aan tafel om met het copieeren van het manuscript te beginnen, dat de archivaris als gewoonlijk voor hem ontrold had. Maar hij ontwaarde op de perkamenten rol zooveel wonderlijke krullerige halen en slingers door elkaar heen, die, zonder het oog een enkel rustpunt te bieden, den blik verwarden, dat het hem bijna onmogelijk scheen, dit alles getrouw na te teekenen. En zelfs, als men het geheel even overzag geleek het perkament slechts een bontgeaderd stuk marmer of een met mos bespikkelden steen. — Desniettegenstaande zou hij al het mogelijke doen en doopte wakker zijn pen in, doch de inkt wilde in het geheel niet vloeien, ongeduldig schudde hij de pen uit en — Hemelsche Goedheid — daar viel een groote inktvlek op het uitgespreide handschrift. Sissend en bruisend schoot een blauwe bliksemstraal uit de vlak op en slingerde zich krakend door het vertrek tot aan de zoldering. Toen brak uit de wanden een dikke damp, de bladeren begonnen te ruischen als door storm bewogen en met vurige flakkering schoten er schitterende hagedissen uit neder die den damp ontstaken, totdat de vlammende massa’s zich knetterend om Anselmus wentelden. De gouden stammen der palmboomen werden reuzenslangen, die haar afgrijselijke koppen met doordringend metaalgeluid tegen elkander stieten en Anselmus met de geschubde lichamen omwonden.
„Waanzinnige, onderga thans de straf voor hetgeen gij in onbeschaamden moedwil misdreeft.” — Dit riep de geweldige stem van den gekroonden Salamander, die boven de slangen als een verblindend stralen te midden der vlammen opkwam en nu spoten uit haar opengesperde muilen watervallen van vuur op Anselmus neder tot het was als verdichtten zich deze vuurstroomen om zijn lichaam tot een vaste, ijskoude massa. Doch terwijl de ledematen van Anselmus in al nauwer en nauwer samentrekking verstarden, brak zijn denken. Toen hij weder bijkwam, kon hij zich niet meer bewegen, hij was, als door een glanzige helderheid omgeven, waaraan hij zich als hij slechts de hand heffen of zich anders verroeren wilde, stiet. Helaas! hij zat in een goedgesloten kristallen flacon op een boekenrek in de bibliotheek van archivaris Lindhorst. —
TIENDE NACHTWAAK
Het lijden van den student Anselmus in de glazen flacon. — Het gelukkige leven van Kruisscholieren en procureursklerken. — Het gevecht in het bibliotheek-vertrek van archivaris Lindhorst. — De overwinning van den Salamander en de bevrijding van den student Anselmus.
et recht durf ik eraan te twijfelen, goedgunstige lezer! of gij ooit in een glazen flacon opgesloten geweest zijt, tenzij een helle kweldroom u eens met een soortgelijke verwarrende betoovering had omvangen gehouden. Was dit zoo, dan zult gij den jammer van den student Anselmus zeer levendig gevoelen; hebt gij echter nimmer van iets dergelijks gedroomd, dan wil uw beweeglijke fantazie, mij en Anselmus ten gelieve, u wel voor enkele oogenblikken in het kristal opsluiten. — Gij wordt door verblindenden glans dicht omsloten, alle voorwerpen in het ronde schijnen u door stralende regenboogkleuren verlicht en omgeven — alles siddert en schokt en trilt in dien luister — bewegingloos en onmachtig zweeft gij in een bevroren aether, die u tezamen drukt, zoodat tevergeefs de geest over het doode lichaam gebieden wil. Steeds zwaarder en zwaarder drukt die centenaarslast tegen uw borst — meer en meer verbruikt uw ademtocht de koeltjes, die in de nauwe ruimte nog af- en aanzweefden — uw polsaderen zwellen op en van gruwelijken angst doorkerfd trekt iedere zenuw in verscheurenden doodsstrijd samen. Heb medelijden, goedgunstige lezer! met den student Anselmus, wien deze foltering in zijn glazen kerker aangreep; helaas, hij gevoelde wel dat de dood hem niet verlossen kon, want ontwaakte hij niet uit de diepe bezwijming, waarin hij door overmanning van pijn verzonken was, toen de morgenzon klaar en vriendelijk in het vertrek kwam binnenschijnen en begon toen de foltering niet van voren af aan? — Geen lid kon hij verroeren, doch zijn gedachten sloegen tegen het glas, hem verstompend door hun dissoneerend weergalmen en instede van de woorden, die anders de geest van uit zijn gevoelsinnerlijk sprak, vernam hij slechts het doffe geruisch van den waanzin. — Toen kreet hij in vertwijfeling: „O Serpentina — Serpentina, red mij uit dezen helschen nood!” En het was als omwaaiden hem zachte zuchten, die zich rondom de flesch legden als groene, doorzichtige vlierbladeren; het galmen hield op, de verblindende verwarrende schijn was verdwenen en hij ademde lichter. „Ik ben toch ook zèlf alleen de schuld van al mijn ellende, — o, heb ik niet tegen ù, lieve, liefste Serpentina! misdreven? — heb ik niet een verachtelijken twijfel jegens u gekoesterd? heb ik niet het geloof verloren en daarmede alles, wat mij diep gelukkig maken moest? — Ach, nu zult gij wel nooit de mijne worden, de gouden vaas is voor mij verloren, nooit zal ik haar wonderen mogen zien. O, kon ik u nog maar éénmaal zien, uwe lieflijke, zoete stemme hooren, liefste Serpentina!” — Zoo weeklaagde de student Anselmus in felle, snijdende smart, toen er naast hem iemand zeide: „Ik begrijp niet, wat gij toch wilt, mijnheer de student, waarom lamenteert gij zoo bovenmatig?” — De student Anselmus bemerkte, dat naast hem op hetzelfde boekenrek nog vijf flacons stonden, waarin hij drie kruisscholieren en twee procureursklerken16 bemerkte. „Maar, mijne Heeren, metgezellen in het ongeluk,” riep hij uit, „hoe is het u mogelijk zoo berustend, en zelfs vergenoegd te zijn, gelijk ik aan uw vroolijke gezichten bemerk? Gij zit toch even goed als ik in glazen flacons opgesloten en kunt u nòch bewegen nòch verplaatsen, ja zelfs niet eens iets redelijks uitdenken, zonder dat er een helsch lawaai van klinken en galmen ontstaat en zonder dat het op verschrikkelijke wijze kookt en ruischt in uw hoofd. Maar gij gelooft zeker niet aan den Salamander en de Groene Slang?” „Gij bazelt maar wat, mijnheer de student,” antwoordde een kruisscholier, „nimmer bevonden wij ons beter, dan thans, want de klinkende thalers, die wij van den dwazen archivaris krijgen voor al die zinnelooze copieën, bekomen ons best; wij behoeven nu geen Italiaansche koorgezangen meer uit het hoofd te leeren, iederen dag gaan wij naar Joseph of een andere kroeg, wij laten ons het donkere bier goed smaken, kijken wel eens een lief meisje in de oogen, zingen als echte studenten: „gaudeamus igitur17” en zijn oerfideel.” „De heeren hebben groot gelijk,” viel een procureursklerk in, „ook ik ben rijkelijk van zilveren thalers voorzien, evenals mijn waarde collega hiernaast en bewandel dapper den „Weinberg” inplaats van bij die verwenschte actenschrijverij tusschen vier muren te zitten.” „Maar beste, waarde heeren!” zeide de student Anselmus, „bemerkt gij dan niet, dat gij den een voor den ander in glazen flacons zit en u verplaatsen nòch verroeren kunt, laat staan rondwandelen?” — Toen lachten de kruisscholieren en procureursklerken luid-op en riepen: „die student is gek, hij verbeeldt zich in een glazen flesch te zitten, terwijl hij op de Elbebrug recht in het water staat te kijken. Laat ons toch verder gaan.” „Helaas,” zuchtte de student, „die hebben de lieve Serpentina nooit aanschouwd, die weten niet wat leven en vrijheid in geloof en liefde is, daarom bemerken zij den druk van hun kerker niet, waarin de Salamander hen om hun onverstand, hun oppervlakkige gezindheid heeft gebannen, maar ik, rampzalige, zal vergaan in schande en jammer, als zij, die ik zoo onzegbaar liefheb, mij niet redt.” — Toen waaide zachtkens suizelend Serpentina’s stemme door het vertrek: „Anselmus, geloof, bemin, hoop!” — En iedere toon blonk tot binnen Anselmus kerker, zoodat het kristal voor zijn macht moest wijken en zich verwijden, waardoor de borst van den gevangene zich bewegen, zich uitzetten kon. — Het pijnende van zijn toestand nam voortdurend af en hij begreep, dat Serpentina hem nog liefhad en dat zij het slechts was, die hem het verblijf in het kristal dragelijk maakte. Hij bekommerde zich niet meer om zijn lichtzinnige genooten in het ongeluk, maar richtte al zijn voelen en denken op de beminnelijke Serpentina. Doch plotseling kwam van de andere zijde een dof, weerzinwekkend gemompel op. Spoedig werd hij duidelijk gewaar, dat dit gemompel afkomstig was van een oude koffiekan met halfgebroken deksel, die tegenover hem op een kastje geplaatst was. Zoodra hij scherper toekeek, ontwikkelden zich steeds meer de stuitende trekken van een oud, verschrompeld vrouwengezicht en weldra stond het appelwijf van de Zwarte Poort voor het boekenrek. Zij grijnsde hem tegen en lachte om hem en riep met schelle gilstem: „Zoo, zoo, kindlief! — moet je hier zoo zitten? — In ’t kristal kwam je ten val! — heb ik dat niet al lang voorspeld?” — „Hoon maar en spot maar, vervloekt heksenwijf,” zeide de student Anselmus, „gij zijt van alles de schuld, doch de Salamander zal u weten te treffen, leelijke beetwortel.” „Wacht even!” antwoordde de oude, „Wees niet zoo hoogmoedig! Mijn zoontjes hebt gij in ’t gelaat geschopt, mij hebt gij den neus verbrand, maar toch ben ik u nog genegen, schelm, omdat gij overigens een welgemanierd mensch waart en mijn kleine dochter ziet u ook gaarne. Maar uit het kristal komt gij nu eenmaal niet, als ik u niet help; ik kan niet tot u omhoogreiken, maar mijn meter, de rat, die vlak over u, gelijkvloers woont, zal het plankje doorknagen, waarop gij staat, dan buitelt gij naar beneden en ik vang u op in mijn schort, zoodat ge uw neus niet stukvalt, doch mooi uw gave gezicht behoudt en ik breng u fluks naar het juffertje Veronica, dat gij zult huwen, zoodra gij hofraad zijt.”

„Laat af van mij, Satansgebroed,” riep de student Anselmus vol verbittering, „uw helsche kunsten alleen hebben mij aangezet tot het misdrijf, waarvoor ik nu boete moet doen. Maar gelaten zal ik alles dragen, want ik kan nergens anders wijlen dan hier, waar de liefste Serpentina mij met liefde troostend omgeeft! — Versta dit oude en vertwijfel! Uw macht zal ik trotseeren, ik bemin Serpentina tot in eeuwigheid — nooit zal ik hofraad worden — nooit Veronica meer zien, die mij door u tot het kwade verleidt! Kan de Groene Slang niet de mijne worden, dan wil ik sterven van smart en verlangen! — Pak je weg, pak je weg, verachtelijk duivelskind!”
Toen lachte de oude, dat het schrilde door het vertrek en riep: „Blijf dan en sterf, voor mij is het tijd aan het werk te gaan, want mijn taak hier omvat nog meer.” — Zij wierp den zwarten mantel af en stond in afgrijzenwekkende naaktheid, toen zwierde zij in kringen rond en groote folianten stortten neer, waaruit zij perkamenten bladen scheurde; die hechtte zij snel tot een kunstig maaksel aaneen, dat zij zich over het lichaam trok en was weldra als in een vreemd, bont, schubbenharnas gekleed. Vonkspattend sprong de zwarte kater uit den inktkoker, die op de schrijftafel stond en huilde de oude tegen, die luid juichte en met hem door de deur verdween. Anselmus zag, dat zij naar het blauwe vertrek waren gegaan en weldra hoorde hij in de verte gesis en gebruis, de vogels in de tuin kreten, de papegaai relde: „help, help, roof, roof.” Op dat oogenblik sprong de oude in de kamer terug, terwijl zij de gouden vaas op den arm droeg en met een afgrijselijk gebaar woest rondkreet: „Ter zege! — ter zege! — zonen — doodt de groene slang! Komt, kinderen. Komt!”
Het was Anselmus als hoorde hij een diep steunen, als hoorde hij Serpentina’s stem. Toen greep ontzetting en wanhoop hem aan. — Hij spande al zijn krachten in, met een geweld of zijn zenuwen en aderen bersten moesten, stiet hij tegen het kristal — daar voer een snijdende toon door het vertrek en de archivaris stond in de deuropening in zijn schitterenden, damasten slaaprok: „Hei, ho! gespuis, dwaas spooksel — heksenmaaksel — hier — vooruit!” Zoo donderde hij. Toen richtten zich de zwarte haren van de oude als stekels op, haar gloeiend-roode oogen glansden vol hellevuur en terwijl zij de puntige tanden in den wijden muil vast opeen beet siste zij: „flink, flink er op los maar, vooruit, vooruit,” en lachte blerrend vol hoon en spot en drukte de gouden vaas vast tegen zich aan en wierp daaruit handenvol glinsteraarde op den archivaris, doch zoodra de aarde den slaaprok raakte, verwerd zij tot neervallende bloemen. Toen flakkerden en vlamden de lelieën van den slaaprok op en de archivaris slingerde de vurig knetter-brandende bloemen naar de heks, die huilde van pijn; doch als zij in de hoogte sprong en het perkamenten harnas schudde, doofden de lelies en vielen tot asch ineen. „Flink aangepakt, jongen,” krijschte de oude en de kater schoot door de lucht en stoof voort naar de deur boven den archivaris, doch de grijze papegaai fladderde hem tegen en greep hem met den krommen snavel in den nek, dat vurig-rood bloed eruit sprong, terwijl Serpentina’s stem riep: „Gered, gered.” De oude wierp zich in opperste woede en wanhoop op den archivaris, de vaas liet zij achter zich en wilde hem in een openspreiding van de lange vingers der dorre handen omklauwen, doch deze rukte haastig den slaaprok af en slingerde die der oude tegen. Toen sisten en spatten en bruisten blauwe knettervlammen uit de perkamenten bladen en de oude wentelde zich in smartgehuil; zij trachtte steeds weer aarde uit de vaas te grijpen, steeds meer perkamenten bladen uit de boeken te bemachtigen, om de flakkerende vlammen te verstikken, want als het haar gelukte zich met aarde of perkamentbladen te bestrooien, doofde het vuur. Doch nu schoten als uit het innerlijk van den archivaris hel-brandende, sissende stralen op de oude neer. „Vooruit, vooruit, dood en verderf, — den Salamander de zege!” daverde de stem van den archivaris door het vertrek en honderden bliksems slingerden zich in kringen van vuur om de krijschende oude. Grommend en stuivend vlogen de kater en de papegaai in woedenden strijd rond, tot eindelijk de papegaai den kater met zijn krachtige vlerken naar den grond sloeg en terwijl hij hem met de klauwen doorspietste en bedwong, zoodat hij in den angst des doods schrikbaarlijk huilde en steunde, reet hij hem met den scherpen snavel de gloeiende oogen uit, dat brandend schuim er in stralen uitspoot. — Een dikke walm welde op, daar waar de neergestorte oude onder den slaaprok lag; haar gehuil, haar doordringend, ontzettend smartgekrijt verklonk in wijde verte. De rook, die zich met doordringenden stank verspreidde, vervloog, de archivaris hief den slaaprok op en daaronder lag een smerige beetwortel. „Hooggeachte Heer Archivaris, hier breng ik u den overwonnen vijand,” sprak de papegaai, terwijl hij archivaris Lindhorst in zijn snavel een zwarte haar overreikte. „Uitstekend, mijn beste,” antwoordde de archivaris, „hier ligt ook mijn overwonnen vijandin, wees zoo goed om nu ook voor het overige te zorgen; vandaag nog schenk ik u als kleine tegemoetkoming zes kokosnoten en een nieuwen bril, want ik zie, dat die schandelijke kater uw glazen gebroken heeft.” „Mijn leven lang zal ik u dienen, hooggeëerde vriend en beschermer!” gaf de papegaai hoogst-voldaan terug, nam den beetwortel in den snavel en fladderde daarmede het raam uit, dat door archivaris Lindhorst geopend was. Deze greep de gouden vaas en riep krachtiglijk: „Serpentina, Serpentina!” — En toen nu de student Anselmus hoogelijk verblijd over den ondergang der verachtelijke vrouw, die hem in het verderf gestort had, den archivaris aanzag, was het wederom de koninklijk-hooge gestalte van den geestenvorst, die hem met onbeschrijflijke goedheid en waardigheid beschouwde. — „Anselmus,” sprak de Koning der geesten, „niet gij, doch slechts een vijandig beginsel, dat vernielend in uw innerlijk trachtte door te dringen en u met uzelf in tweespalt te brengen, was oorzaak van uw ongeloof. — Gij hebt uw trouw bewezen, wees vrij en leef gelukkig.” Een schicht doorschoot Anselmus’ gemoed, de heerlijke drieklank der kristallen klokjes weerklonk sterker en machtiger, dan hij ooit had gehoord — het sidderde door zijn nerven en diepste roerselen — en steeds zwellender daverde het accoord door het vertrek, het kristal, dat Anselmus omsloten hield, sprong en hij wierp zich in de armen der lieflijke, liefste Serpentina.
ELFDE NACHTWAAK
Conrector Paulmann’s misnoegen over de in zijn gezin uitgebroken verdwazing. — Hoe griffier Heerbrand hofraad werd en bij het vinnigste vriesweder met lage schoenen en zijden kousen rondliep. — Veronica’s bekentenissen. — Een verloving bij de dampende soepterrine.
aar vertel mij toch eens, mijn beste griffier! hoe die vermaledeide punch ons gisteren zoo naar het hoofd kon stijgen en tot allerlei bokkesprongen kon aanzetten?” — Aldus sprak conrector Paulmann toen hij den anderen morgen het vertrek betrad, dat nog vol gebroken scherven lag en in welks midden de ongelukzalige pruik, ontleed in haar oorspronkelijke bestanddeelen, in de punch ronddreef.

Toen de student Anselmus de deur uitgestormd was, laveerden en waggelden conrector Paulmann en griffier Heerbrand door het vertrek, schreeuwend als bezetenen en liepen met de hoofden tegen elkaar, totdat Fransje haar duizeligen vader met veel moeite te bed bracht en de griffier in diepe uitputting op de sofa zakte, die Veronica, in het slaapvertrek gevlucht, had verlaten. Griffier Heerbrand had zijn blauwen zakdoek om het hoofd gewikkeld, hij zag er mat en melancoliek uit en steunde: „Och, beste conrector, niet de punch, die Mejuffer Veronica voortreffelijk heeft toebereid, neen! maar alleen die vervloekte student is de schuld van al die onbetamelijkheid. U begrijpt toch, dat hij al lang mente captus18 was? En u weet toch ook wel, dat waanzin aanstekelijk is? — Eén dwaas maakt er vele; dit is — vergeef mij — een oud spreekwoord; in ’t bijzonder, wanneer men een glaasje gedronken heeft, geraakt men licht tot dwaasheden, men manoeuvreert onwillekeurig mede en komt tot het verrichten van de bewegingen, die de krankzinnige vleugelman voordoet. Wilt gij wel gelooven, conrector, dat ik nog duizel, als ik aan den grijzen papegaai denk?” — „Kom, kom,” viel de conrector hem in de rede, „kunsten! — dat was immers het oude, kleine factotum van den archivaris, dat een grijzen mantel had omgeslagen en naar den student Anselmus zocht.” — „Dat kan wel,” hernam de griffier Heerbrand, „maar ik moet bekennen, dat het mij allerellendigst te moede is; heel den langen nacht heb ik zulk vreemd georgel en gepijp gehoord.” — „Dat ben ik geweest,” antwoordde de conrector, „want ik snork erg.” — „Nu, dat kan dan wel,” ging de griffier verder, — „maar conrector, conrector, niet zonder reden was ik er gisteren op uit om ons eenig vermaak te verschaffen — doch Anselmus heeft alles bedorven — gij wéét niet — o conrector, conrector!” Griffier Heerbrand sprong van de sofa af, rukte den doek van het hoofd, omarmde den conrector, drukte hem vurig de hand, riep nog een keer op hartroerenden toon: „o conrector, conrector!” en stormde, terwijl hij hoed en stok greep, heen. „Anselmus komt niet meer over mijn drempel,” sprak conrector Paulmann in zichzelf, „want ik begrijp nu, dat hij met zijn hardnekkigen inwendigen waanzin de beste menschen van hun weinigje verstand berooft; de griffier is er nu ook aan koud — zelf heb ik mij tot dusver nog staande gehouden, maar de duivel, die gisteren in den roes al zoo krachtig aanklopte, zou ten slotte wel kunnen inbreken en dan vrij spel hebben. — Dus, apage Satanas!19 — weg met Anselmus!” — Veronica was diep nadenkend geworden, geen woord sprak zij, slechts glimlachte zij bijwijlen op vreemde wijze en bleef liefst alleen. „Dat heeft Anselmus ook op zijn geweten,” zeide de conrector in volheid van toorn, „het is maar goed, dat hij zich in ’t geheel niet laat zien, ik weet wel, dat hij bevreesd is voor mij — Anselmus, en daarom komt hij niet hierheen.” Overluid sprak conrector Paulmann dit laatste en Veronica, die er juist bij was, sprongen de tranen uit de oogen, terwijl zij zuchtte: „Ach, hoe zou Anselmus hier ook kunnen komen, die is toch al lang in de glazen flesch opgesloten.” „Hein, wat?” riep conrector Paulmann. „O God, o God, die bazelt ook al als de griffier, daar komt ook spoedig een uitbarsting. O, vervloekte, ellendige Anselmus!” — Hij stoof in éénen door naar Dr. Eckstein, die glimlachte en weer zeide: „Zoo, zoo.” Hij schreef echter niets voor, doch voegde onder het weggaan aan het weinige, dat hij geuit had nog toe: „Zenuwtoevallen! — moet vanzelf overgaan — in de lucht brengen — gaan wandelen — verstrooiïng — schouwburg — zondagskind — zusters van Praag — zal vanzelf overgaan!”
„Zoo spraakzaam is de dokter zelden,” dacht conrector Paulmann, „hij is zuiver breedsprakig.” — Verscheidene dagen, weken en maanden waren verloopen, sedert Anselmus verdwenen was, doch ook griffier Heerbrand liet zich niet zien, tot op 4 Februari, toen betrad hij in een nieuw costuum van het fijnste laken, in lage schoenen en zijden kousen — ondanks den strengen vorst — met een grooten ruiker levende bloemen in de hand, des middags op slag van twaalven het vertrek van conrector Paulmann, die niet weinig verbaasd was over zijn uitgedosten vriend. Plechtiglijk schreed griffier Heerbrand op conrector Paulmann toe, omarmde hem met uitgezochte hoffelijkheid en sprak toen: „Heden, op den geboortedag van uwe lieve, geachte dochter, mejuffer Veronica, zal ik zonder omwegen alles zeggen, wat mij al lang op het hart lag. Destijds, op dien rampzaligen avond, toen ik de ingrediënten voor den noodlottigen punch in de zakken van mijn overjas medebracht, was het mijn voornemen, u een blijde tijding te brengen en den vreugdevollen dag vroolijk te vieren, want toen reeds wist ik, dat ik hofraad was geworden, voor welke rangsverhooging ik thans het brevet cum nomine et sigillo principis heb ontvangen en in den zak draag. Doch gij, geachte conrector,” ging de nieuwe hofraad voort, „eerst gij kunt de kroon op mijn geluk zetten. Reeds lang bemin ik in stilte mejuffer Veronica en ik mag mij beroemen op menigen vriendelijken blik, dien zij mij toewierp en die mij duidelijk toonde, dat zij mij zeker niet ongenegen is. Om kort te gaan, geachte conrector! — ik, hofraad Heerbrand, vraag u om de hand van uwe beminnelijke dochter, mejuffer Veronica, die ik, mits gij u niet daartegen verzet, spoedig in eigen huis hoop binnen te leiden.” — Vol verbazing sloeg conrector Paulmann de handen te zamen en riep: „Zoo, zoo, zoo — mijnheer de griff — hofraad, wil ik zeggen, wie had dat kunnen denken! — Ja, als Veronica u waarlijk bemint, heb ik er niets tegen; wellicht is haar zwaarmoedigheid van den laatsten tijd slechts aan heimelijke genegenheid voor u toe te schrijven, geachte hofraad! zulke kuren komen voor.”
In dit oogenblik kwam Veronica binnen, vaal en ontrust, zooals zij in den laatsten tijd altijd was. Toen ging hofraad Heerbrand naar haar toe, bracht in goed gekozen bewoordingen haar geboortedag in herinnering en overhandigde haar den geurigen ruiker alsook een klein pakketje, waaruit haar bij het openen een paar schitterende oorhangers tegenstraalden. Een vluchtig, vliegend rood tintte haar wangen, warmer blonken haar oogen en zij riep uit: „Ach, God, dat zijn dezelfde oorbellen, die ik voor verscheidene weken al droeg en waaraan ik mij zoo verlustigde.” — „Hoe kan dat dan,” viel hofraad Heerbrand haar wat ontsteld en gekwetst in de rede, „want ik heb dit sieraad eerst sedert een uur in de Schlossgasse schandeduur gekocht?” — Doch Veronica luisterde daar niet naar, maar stond al voor den spiegel, om te zien, hoe het kleinood, dat zij reeds in de kleine oortjes had gehangen, haar sierde. Conrector Paulmann deed haar met verdeftigd gelaat op ernstigen toon kond van de rangsverhooging huns vriends Heerbrand en van zijn aanzoek. Veronica zag den hofraad met doordringenden blik aan, zeggende: „Reeds lang wist ik, dat gij mij huwen wildet — Het zij zoo — ik geef u mijn hart en hand, maar tegelijk moet ik u — u beiden namelijk, mijn vader en verloofde, velerlei bekennen, dat mijn geest en gemoed drukt — juist nu, al zou daarbij de soep koud worden, die Fransje, zooals ik zie, juist ter tafel brengt.” Zonder het antwoord van den conrector of den hofraad af te wachten, ofschoon de woorden hun zichtbaar op de lippen lagen, ging Veronica verder: „Dit kunt gij gelooven, beste vader! dat ik Anselmus van ganscher harte liefhad en toen griffier Heerbrand, die thans zelf hofraad geworden is, verzekerde, dat Anselmus het best zoover brengen kon, besloot ik, dat hij en geen ander, mijn man zou worden. Toen scheen het echter, alsof vreemde vijandelijke wezens hem mij ontrukken wilden en ik nam mijn toevlucht tot de oude Lize, die destijds mijn voedster was, doch nu een vroede vrouw, een machtige toovenares is. Zij beloofde mij hulp te zullen verleenen en mij Anselmus ganschelijk over te leveren. In het middernachtelijk uur bij de dag-en-nachtevening gingen wij naar den Kruisweg, waar zij de helsche geesten bezwoer en met behulp van den zwarten kater wisten wij een kleinen metalen spiegel te vervaardigen, waarin ik — daarbij mijn gedachten op Anselmus richtend — slechts behoefde te zien, om hem naar geest en gemoed geheel te beheerschen. — Doch thans heb ik diep berouw over dit alles en zweer ik alle duivelskunsten af. De Salamander heeft over de oude gezegevierd, ik hoorde haar noodgeschrei, doch er was geen hulp mogelijk; zoodra zij als beetwortel door den papegaai verslonden werd, brak mijn metalen spiegel met een snijdenden toon.” Veronica haalde de beide stukken van den gebroken spiegel en een haarlok uit het naaidoosje en terwijl zij beiden aan den hofraad Heerbrand overhandigde, zeide zij verder nog: „Neem gij, geliefde hofraad, de stukken van den spiegel en werp die hedennacht van de Elbebrug en wel van de plaats, waar het kruis staat, in de rivier, die daar niet is toegevroren; de lok moet gij echter op uwe trouwe borst bewaren. Nogmaals zweer ik alle satanskunsten af en van harte gun ik Anselmus zijn geluk, hem, die thans met de Groene Slang is verbonden, welke veel mooier en rijker is, dan ik. Ik zal u, beminde hofraad, eeren en liefhebben als een rechtschapen vrouw.” — „O, God, o God!” — riep conrector Paulmann smartelijk, „zij is waanzinnig, zij is waanzinnig, nooit kan zij de vrouw van een hofraad worden.” — „Niets daarvan,” viel hofraad Heerbrand in, „ik weet heel goed, dat mejuffer Veronica eenige genegenheid voor dien verwenschten Anselmus heeft gekoesterd en het is mogelijk, dat zij zich wellicht in een zekere overspanning tot de wijze vrouw gewend heeft, die, naar ik begrijp, geen andere kan zijn, dan de kaartlegster en koffiekijkster van de Zwarte Poort — ik meen de oude Rauerin. Nu valt het weliswaar niet te ontkennen, dat er werkelijk geheime kunsten bestaan, die maar al te sterk op de menschen hun invloed oefenen — in de klassieken leest men er al van — doch alles wat mejuffer Veronica over de zegepraal van den Salamander en de verbintenis van Anselmus met de Groene Slang gezegd heeft, is toch zeker maar een dichterlijke allegorie — als het ware een gedicht, waarin zij het afscheid van den student bezong.” „Gij moogt het houden, waarvoor gij wilt, beste hofraad!” kwam Veronica ertusschen „desnoods voor een allerdwaasten droom.” „Dat zal ik in geen geval doen,” gaf hofraad Heerbrand terug, „want ik weet te goed, hoe Anselmus ook door ongekende machten is bevangen, die hem tot allerlei dwaze verrichtingen prikkelen en drijven.” Toen kon conrector Paulmann het niet langer verkroppen en hij barstte uit „Houdt op, houdt in Godsnaam op, hebben wij dan soms weer teveel van dien verdoemden punch gedronken of oefent Anselmus’ waanzin ook op ons invloed uit? Mijnheer de hofraad, ik zal maar aannemen, dat het de liefde is, die ulieden door het brein spookt en dat gaat in het huwelijk wel over, want anders zou ik moeten vreezen, dat ook gij eenigszins door waanzin bevangen waart en mij dan bezorgd maken vanwege de afstammelingen, die de kwaal der ouders konden erven. — Kom, thans geef ik mijn vaderlijken zegen op de goede verbintenis en sta toe, dat gij elkander als bruid en bruidegom kust.” Dit geschiedde onverwijld en zoo was, voor de opgebrachte soep koud werd, de verloving formeel gesloten. Weinige weken daarna zat de vrouw van hofraad Heerbrand waarlijk, zooals zij zich vroeger reeds in de verbeelding gezien had, in den erker van een prachtig huis op de Nieuwmarkt en keek glimlachend neder op de saletjonkers, die in ’t voorbijgaan met lorgnetbeweeg naar boven zagen en zeiden: „Wat een goddelijke vrouw is toch die van hofraad Heerbrand!” —
TWAALFDE NACHTWAAK
Tijding van het riddergoed, dat Anselmus als schoonzoon van Archivaris Lindhorst betrok en hoe hij daar met Serpentina leeft. Besluit.
, hoe ik in het diepst van mijn gemoedsinnerlijk het hooge geluk medegevoelde van den student Anselmus, die in innigste verbintenis met de beminnelijke Serpentina, thans was heengegaan naar het van geheimenis vervulde, wonderlijke rijk, dat hij als het vaderland herkende, waarnaar zijn van vreemde voorgevoelens overvolle borst zoo lang reeds had gesmacht. Maar alle streven, om u, goedgunstige lezer, de prachten, waardoor Anselmus omgeven was, ook maar flauw in woorden af te beelden, bleef tevergeefs. Met weerzin onderging ik de matheid van elk beeldend woord. Ik gevoelde mij bekneld in de armoede van het kleinzielig gewoonteleven, ik werd krank van kwellende misnoegdheid, als één die droomt sloop ik rond. Kortom, ik geraakte in den toestand van den student Anselmus, dien ik u, genegen lezer, in de vierde nachtwaak beschreef. Ik verkniesde mij, als ik de elf nachtwaken, die ik zonder ongeval ter wereld gebracht had, doorliep en daarbij dacht, dat het mij wel nooit vergund zou zijn, er de twaalfde als sluitsteen aan toe te voegen, want zoo dikwijls ik mij ter nachttijd nederzette, om het werk te voltooien, was het, als hielden bijzonder boosaardige geesten (wellicht waren het verwanten — misschien wel germain-neven van de gedoode heks) mij een blinkend gepolijst stuk metaal voor, waarin ik mijn Zelf zag, mat, nachtbleek en melancholiek, gelijk de griffier Heerbrand na den punch-roes. — Dan wierp ik de pen maar neder en ging haastig te bed, om tenminste van den gelukkigen Anselmus en de bekoorlijke Serpentina te droomen. Dit had reeds verscheidene dagen en nachten geduurd, toen ik eindelijk geheel onverwachts een mededeeling van archivaris Lindhorst ontving, waarin hij mij het volgende schreef:

Gij hebt, weledelgeboren Heer, zooals mij is bekend geworden, de vreemde ervaringen van mijn beminden schoonzoon, den voormaligen student, thans dichter Anselmus, in elf nachtwaken beschreven en kwelt u er thans zeer mede, om in de twaalfde en laatste nachtwaak iets van zijn gelukkige leven in Atlantis te verhalen, waarheen hij met mijn dochter, naar het aardige riddergoed, dat ik daar bezit, is vertrokken. Ofschoon het mij niet zoo aangenaam is, dat gij mijn eigenlijke wezen voor de lezerswereld hebt opengelegd, daar mij dit misschien in mijn betrekking als geheim-archivaris aan duizenderlei onaangenaamheden zal blootstellen en zelfs in de corporatie wel tot de strijdvraag aanleiding zal geven: in hoeverre een Vuurgeest zich in rechten en wettig aansprakelijk als staatsdienaar door den eed verbinden kan en tot op welke hoogte hem in het algemeen gewichtige aangelegenheden kunnen toevertrouwd worden, daar volgens Gabalis en Swedenborg elementairgeesten in geenen deele te vertrouwen zijn — ofschoon mijn beste vrienden thans mijn omarming mijden zullen, uit vrees, dat ik in plotsen overmoed eens wat bliksemen mocht en hun den haartooi of den Zondagschen jas bederven zou — niettegenstaande dit alles, herzeg ik, wil ik u, WelEd.Geboren Heer, toch bij de voltooiing van het werk behulpzaam zijn, aangezien daarin veel goeds over mij en mijn lieve, gehuwde dochter (was ik de beide anderen ook maar kwijt) vervat is. Indien u dus de twaalfde nachtwaak wilt schrijven, daal dan voor den drommel uw vijf trappen af, verlaat uw vertrekje en kom tot mij. In het blauwe palmboomenvertrek, dat gij reeds kent, zult gij het noodige schrijfgerei vinden en met weinige woorden zult gij den lezers dan kunnen verhalen, wat gij gezien hebt; dit zal hun welkomer zijn, dan de langwijlige beschrijving van een leven, dat gij toch maar van hooren-zeggen kent.
Met achting,
Uw WelEd.Geborens dw.
Salamander Lindhorst.
p.t.20 Koninkl. Arch. in bijzonderen Dienst.
„Dit weliswaar wat ongelikte, maar toch vriendelijk bedoelde schrijven van archivaris Lindhorst was mij hoogst aangenaam. Wel scheen het zeker, dat de wonderlijke oude van de vreemde wijze, waarop mij de lotgevallen van zijn schoonzoon ter kennis waren gekomen — en die ik, zelf tot geheimhouding verplicht, zelfs u, goedgunstige lezer, verzwijgen moest —, volkomen op de hoogte was, doch hij had dit niet zoo kwalijk opgenomen, als ik had moeten vreezen. Zelfs bood hij mij de behulpzame hand, om mijn werk te voltooien en daaruit durfde ik met recht besluiten, hoe hij het in den grond der zaak gaarne zag, dat zijn wonderbaarlijk bestaan in de geestenwereld door de pers bekend werd. Het is wel mogelijk, dacht ik, dat hij zelf daaruit de hoop put, zooveel te eerder zijn beide overgebleven dochters aan den man te brengen, want allicht valt er een vonkje in de borst van dezen of genen jongeling, dat het verlangen naar de Groene Slang ontsteekt, welke hij dan in het vlierboschje op Hemelvaartsdag zoeken gaat en vindt. Uit het leed, dat Anselmus getroffen had, toen hij in de glazen flesch werd gebannen, zal hij dan waarschuwing putten, zich voor elken twijfel, voor ieder ongeloof zeer ernstig te hoeden. Met het slaan van elven doofde ik mijn studeerlamp en ging behoedzaam naar archivaris Lindhorst, die mij reeds in het voorhuis wachtte. „Zijt gij daar, zeer geachte Heer, welaan, het doet mij genoegen, dat gij mijn goede bedoelingen niet miskent — wilt u maar binnenkomen.” — En tegelijk leidde hij mij door den van verblindenden glans vervulden tuin naar het azuurblauwe vertrek, waarin ik de violette schrijftafel ontwaarde, waaraan Anselmus had gewerkt. — Archivaris Lindhorst verdween, doch verscheen dadelijk weer met een prachtigen gouden bokaal in de hand, waaruit een blauwe vlam hoog opknetterde. „Hier,” sprak hij, breng ik u den lievelingsdrank van uw vriend, den kapelmeester Johannes Kreisler.21 — Dit is brandende arak, waarin ik wat suiker heb gedaan. Drink een weinig daaruit, dadelijk zal ik mij van mijn slaaprok ontdoen, èn tot eigen vermaak èn ook om, terwijl gij daar zit te kijken en te schrijven, van uw geacht gezelschap te genieten, in den bokaal op en neder gaan. „Geheel zooals u wilt, geachte Heer archivaris,” gaf ik ten antwoord, maar als ik van den drank zal gebruiken, zult gij toch niet.... „Wees maar niet bezorgd, mijn beste,” riep de archivaris, wierp snel zijn slaaprok af, stapte tot mijn niet geringe verbazing in den bokaal en verdween in de vlammen. — Zonder blooheid proefde ik, terwijl ik zacht de vlam wegademde van den drank; hij was prachtig! —
„Roeren zich daar in suizeling teeder en met ruischen de smaragdene blaadren der palmboomen, als gestreeld door den adem des morgenwinds? Opkomend uit den slaap heffen zij zich en bewegen en fluisteren geheimzinnig van de wonderen, die zalige harptonen als uit verre verte verkonden. — Van de wanden zinkt het azuur en golft als een geurigen damp op en neder, doch verblindende stralen doorschieten den damp, die zich als in kinderlijk-juichende blijheid wentelt en draait en opstijgt tot de onmetelijke hoogte, welke boven de palmboomen zich welft. — En steeds verblindender hoopt straal op straal zich, tot in hellen zonneglans de onafzienbare wering opdoemt, binnen dewelke ik Anselmus aanschouw. Gloeiende hyacinthen en tulpen en rozen heffen haar schoone hoofden en heur geuren zeggen den Gelukzalige in lieflijke klanken: „Woon, o woon met ons, geliefde, gij, die ons verstaat — ons geuren is het zachte-smachten der liefde — wij minnen u en behooren u eeuwiglijk! — De goudene stralen branden in felle tonen: vuur zijn wij, door de liefde ontstoken. — De geur is het stille smachten, doch het verlangen is vuur; wonen wij dan niet in uw borst? Wij zijn toch deel van u!” Nu ritselen en ruischen de donkere bosschages — de hooge boomen: „Kom tot òns! Gelukzalige — Beminde! — Het verlangen is vuur, doch hoop onze koele schaduw! liefkoozend suizelen wij om uw hoofd, want gij verstaat ons, omdat de liefde uw boezem bewoont.” Bronnen en beekjes borrelen en klateren: „Beminde, ga niet zoo snel voorbij, zie in ons kristal, — uw beeld leeft in ons, minnend bewaren wij het, want gij hebt ons verstaan!” — In jubileerende koren zingen en kwetteren kleine bonte vogelen. „Hoor naar ons, hoor naar ons, wij zijn de vreugde, de zaligheid, de verrukking der liefde!” — Doch smachtend ziet Anselmus uit naar den heerlijken tempel, die zich ver in de verte verheft. Boomen schijnen de kunstige zuilen en de kapiteelen en kroonlijsten, acanthusbladeren, die door wondervolle windingen en figuren een luisterrijke versiering vormen. Anselmus schrijdt op den tempel toe, met innerlijke vervoering beschouwt hij het bonte marmer, de vreemdaardig bemoste treden. „O neen,” roept hij als in een overvloeiïng van verrukking, „zij kan niet ver meer zijn!” Daar treedt in hooge schoonheid en rankheid Serpentina uit het binnenste van den tempel; zij draagt de gouden vaas, waaruit een heerlijke lelie is ontsproten. De onzegbare vervoering van het eindeloos verlangen brandt in de bezaligende oogen; zoo ziet zij Anselmus aan, zeggende: „Mijn geliefde! de lelie heeft haar kelk ontsloten — het hoogste is vervuld, kan er een zaligheid zijn, die de onze nabij komt?” Anselmus omvat haar met de vurigheid van het hevigst verlangen — met stralende vlammen brandt de lelie boven zijn hoofd. En luider roeren zich boomen en bosschages, klaarder en vreugderijker juichen de bronnen — vogels — allerlei bonte insecten dansen in duizellucht — een jubileerend gewoel in de lucht — in de wateren — op aarde viert liefde feest.
„Alom schichten bliksems lichtend door de bosschages — diamanten zien als vonkende oogen uit de aarde! — hooge springbeken stralen uit de bronnen — vreemde reuken waaien met ruischenden vleugelslag over — het zijn de geesten der elementen, die de lelie huldigen en Anselmus’ geluk verkonden. — Daar heft Anselmus het hoofd als door de glansstraling eener verheerlijking omstroomd. — Zijn het blikken? — Zijn het woorden? — is het een zingen? — Duidelijk klinkt het: „Serpentina, het geloof aan u, de liefde heeft mij de ziel der natuur ontsloten! De lelie bracht gij mij, die uit het goud, uit de oerkracht der aarde kiemde, nog aleer Phosphorus de gedachte ontstak, — zij is het begrip van de heilige harmonie aller wezens en door dit begrip zal ik eeuwiglijk leven in opperst geluk. Ja, ik hoogbegenadigde heb het Allerhoogste verstaan — eeuwiglijk zal ik u minnen, Serpentina, — nimmer verbleeken de gouden stralen der lelie, want eeuwig als Geloof en Liefde is het Begrip.” —
„Het visioen, waarin ik Anselmus waarachtiglijk op zijn riddergoed in Atlantis aanschouwde, dankte ik louter aan de Kunst van den Vuurgeest en een verrukking was het, toen ik het — nadat alles als in nevel gevloden was — op het papier ter violette tafel, keuriglijk en oogenschijnlijk door mij zelf nedergeschreven, wedervond. — Doch nu werd ik door beten van smart gekweld en vaneengereten. O gij gelukkige Anselmus, die daar den druk des dagelijkschen levens hebt afgeworpen en in liefde tot de bekoorlijke Serpentina krachtig uw vleugels uitslaat en nu in geluk en vreugde woont op uw riddergoed in Atlantis! Dan ik, arme! — weldra — in weinige minuten zal ik zelfs uit deze heerlijke zaal, die nog làng geen riddergoed in Atlantis is, verplaatst zijn naar mijn dakkamertje, de armtierigheden van het kommervolle leven bevangen mijn geest en mijn blik wordt door opeenhooping van ellende als door dichten nevel omhuld, zoodat ik wel nooit de lelie aanschouwen zal!”
Toen klopte archivaris Lindhorst mij zacht op den schouder en zeide: „Sst, sst, mijn beste, zóó moogt gij niet klagen! — Zijt gij dan zooeven niet zelf in Atlantis geweest en ligt daar voor u niet minstens een bekoorlijke meierij als dichterlijke bezitting van uw geestesinnerlijk? Wat is Anselmus’ zaligheid in wezen anders dan het leven in de schoonheid, waaraan zich de heilige harmonie van al het bestaande als opperste geheimenis der Natuur openbaart?”