HELDENSAGEN
Reading edition
De Welandsage
Er was een koning in Zweden, die Nijdhod heette. Twee zonen had hij, en ene dochter, wier naam Bodwild was.
Ook leefden daar terzelfder tijd drie tooverkundige bergbewoners. Zij waren broeders. De oudste heette Slagfid, de tweede Egil en de derde Weland. Zij waren gewoon op sneeuwschoenen te loopen, en maakten jacht op wilde dieren.
Eens kwamen zij in Wolvendal en bouwden er zich een huis dicht bij een water, dat Wolvenmeer genoemd werd. Op zekeren dag, vroeg in den morgen, dat de drie broeders op jacht waren gegaan, kwamen over het uitgestrekte Zwartwoud meisjes uit het Zuiden gevlogen. Zij droegen helmen op het hoofd en zochten of er ook ergens werd gevochten. Toen zij niets zagen, zetten zij zich aan het strand van Wolvenmeer neder, en sponnen er de kostbare draden van het lot. Hare zwanenkleeren lagen in de nabijheid, want zij waren Walkuren. Twee van haar waren dochters van koning Lodwer: de zwaanwitte Ladgud, en Herwor, de Alwijze. De derde echter was Aalrune, de dochter van Kiar, koning van Walland.
Toen de drie broeders terugkwamen uit de bergen, en de vrouwen zagen, namen zij haar mede naar hunne woning. Egil koos Aalrune, en vleide zich aan haar blanken boezem neer; Slagfid nam de zwaanwitte Ladgud, en Herwor, de derde, omhelsde Weland. Zij bleven zeven winters lang bij elkaar. Maar in den achtsten winter voelden de vrouwen een rusteloos verlangen naar haar eigen werk, en in den negende kon niets haar weerhouden. Een groot verlangen om te zoeken waar gevochten werd dreef de helmdragende meisjes het Zwartwoud in. En toen op zekeren dag de drie broeders waren uitgegaan ter jacht, vlogen de vrouwen heen. Herwor was de laatste, die heenging, en vóór zij ging fluisterde zij, rondom zich ziende in den voorhof:
—"Wie straks uit het bosch komt zal geen blijheid beleven."
Vermoeid van de jacht keerden eindelijk de drie broeders uit het woud in hunne woning terug. Zij vonden alle zalen verlaten,—zij liepen naar buiten, liepen naar binnen, overal zoekend liepen zij rond.
Toen ging Egil naar het Oosten om Aalrune te zoeken,—naar het Zuiden ging Slagfid om te zien of hij Ladgud ook vond. Maar Weland bleef in Wolvendal, eenzaam. In fijn-gesmeede sieraden vatte hij edelsteenen, reeg aan banden van boombast ringen van goud en wachtte, hopend, dat zijn blonde Herwor zou wederkeeren.
Daar hoorde Nijdhod, de vorst van de Njaren, dat Weland eenzaam in Wolvendal was. Weldra reed hij door de stilte van den nacht met een leger krijgshaftige mannen, wier schilden en schubbige pantsers in den schijn van den manesikkel schitterden.
Bij Weland's woning stegen zij van hunne paarden en gingen in de groote hal. Daar zagen zij de aangeregen ringen, zevenhonderd in getal, die het eigendom van Weland waren. Zij trokken ze van de banden, regen ze echter weer aan elkaar, behalve een, die de mooiste was en dien Nijdhod behouden wilde. Toen verscholen zij zich in de holen en in de bosschen, die rondom de woning waren, en wachtten tot Weland komen zou.
Vermoeid van de jacht keerde deze eindelijk na een langen tocht terug. Weldra vlamde er een vroolijk vuur in het dorre hout, dat de wind gedroogd had, en ging Weland berenvleesch braden. Nadat hij ervan gegeten had, legde hij zich neer op de huid van den beer, dien hij gedood had, en telde zijn ringen. Hij miste er een, en meenend, dat Herwor dien eraf had genomen, dacht hij, dat de jonge Alwijze was teruggekeerd.
Zoo zat hij lang, wachtende tot zij zou komen, en viel eindelijk in slaap. Maar wat jammerlijk wee bracht hem het ontwaken! Harde banden bonden zijn handen, en zijn voeten waren stevig geboeid.
Toen riep hij luide:
—"Waar zijn de roovers, die mij met ruwe riemen omsnoerden en mij in harde banden gebonden hebben?"
Nijdhod, de koning, die dacht, dat Weland al dat goud had gestolen, ging naar hem toe en zeide:
—"Zeg, Weland, hoe hebt gij in Wolvendal al dat goud verworven? Want gij hebt niet, als Siegfried, een draak gedood, die schatten bewaakte, en de rotsen van den goud-rijken Rijn zijn ver van uw woning verwijderd."
Weland antwoordde den koning:
—"Kent gij Ladgud en Herwor niet, Lodwers rijke dochters, en Aalrune, die een kind van koning Kiar is? Ik had nog grootere schitterende schatten, toen ik met Alwijze zoo gelukkig was."
's Konings krijgslieden namen den gevangen Weland op en brachten hem naar het paleis van Nijdhod. De koningin, die buiten stond, zag hen aankomen en zij zeide tot zichzelf, terwijl zij naar binnen ging:
—"Het ziet er niet goed uit, voor wie daar uit het woud komt."
Nijdhod gaf den gouden ring, dien hij uit Welands woning medegenomen had, aan zijn dochter Bodwild ten geschenke. Zelf echter behield hij het scherpe zwaard dat aan Weland had toebehoord.
Toen sprak de koningin tot den koning:
—"Welands oogen schitteren als die van slangen. Zijn tanden zullen van woede wel knarsen, als hij zijn zwaard ziet en den ring herkent aan Bodwilds arm. Snijd hem de kniepezen door en laat hem zoo in Zeestad zitten!"
Dit geschiedde. Men sneed hem de pezen van de knieën door, en hij werd op een eiland gezet, dat in de nabijheid van het land lag en Zeestad heette. Daar moest hij voor den koning allerlei sieraden smeden, en niemand durfde hem te naderen als de koning alleen.
Slapeloos zat er Weland en hanteerde den hamer. Hij dacht hoe nu aan Nijdhods gordel het glanzende zwaard hing, waarvan hij de snede had geslepen zoo goed hij kon, dat hij gehard had met hamerende handen, en dat hem nu ontnomen was en nooit meer in zijn werkplaats zou worden gebracht. En hij dacht aan den roodgouden ring van zijn heerlijke Herwor,—en die nu aan Bodwilds arm blonk.
Zoo zat hij en smeedde sieraden voor Nijdhod, knarsend van woede, onmachtig tot wraak.
Maar op zekeren dag kwamen Nijdhods jeugdige zonen naar Welands werkplaats. Voorzichtig slopen zij naar binnen, openden de kist, waarin de kostbaarheden waren, en keken er in. Daar zagen zij schitterende schatten, en zij vroegen schuchter aan Weland:
—"Is al dat glinsterende echt goud?"
Weland wendde het hoofd om en zag de beide koningskinderen. Toen rijpte er plotseling een plan tot wraak, en hij zeide:
—"Kinderen, komt morgen heimelijk bij mij, dan zal ik u schatten ten geschenke geven. Maar zegt het niet aan de knechten en meiden, verbergt voor iedereen, dat gij bij mij waart."
Den volgenden morgen, al heel vroeg, zeide het oudste van de kinderen tot het andere:
—"Kom, laten wij gauw naar het goud gaan kijken." Nieuwsgierig gingen zij naar Welands werkplaats, slopen voorzichtig naar binnen, openden de kist, waarin de kostbaarheden waren, en keken er in.
Toen, met een hevigen slag, sloeg hun Weland het hoofd af en verborg hun voeten onder den haard. Maar hun schedels zette hij in zilver en zond ze aan Nijdhod, maakte van hun oogen edelsteenen, voor de sluwe moeder een schitterend geschenk, en smeedde uit de tanden van haar twee broeders een blinkend sieraad voor Bodwilds borst.
Korten tijd daarna gebeurde het, dat de gouden ring, waarmede Bodwild pronkte, brak. Zij nam de beide stukken, ging er mede naar Weland, en zeide:
—"Weland, wilt gij mijn ring weer maken? Aan u alleen durf ik zeggen, dat hij gebroken is."
Weland antwoordde haar:
—"Ik zal uw gouden ring zóó maken, dat hij uw vader nog sierlijker schijnt, en dat uw moeder hem veel mooier zal vinden. Gij zelf zult zeggen: hij is weer even goed."
Overweldigd door het vele bier, dat Weland haar deed drinken, viel Bodwild weldra, dicht tegen hem aan, in slaap.
Toen juichte Weland:
—"Nu heb ik alle wandaden gewroken, behalve één. Maar ik zal mij nog wel hoog verheffen boven de schurken, die mijn pezen doorsneden."
Heftig begon hij te hameren en smeedde zich vleugels. En toen Bodwild wakker werd, ging zij weenende heen van haar verleider, bevend voor haars vaders wraak, en bang, dat Weland zou ontvluchten.
Koning Nijdhod had langen tijd tevergeefs op zijn zonen gewacht. Hij lag op een bank in de groote zaal van zijn paleis, en peinsde. De koningin stond buiten, en zoodra zij hem zag, ging zij tot hem, zette zich naast hem neder en zeide:
—"Nijdhod, vorst der Njaren, zijt gij wakker?"
De koning antwoordde haar:
—"Altijd ben ik wakker, geen slaap sluit mijn vreugdelooze oogen. Mij kwellen zorgen na der kinderen dood. Het hamert in mijn hoofd, sinds gij mij zoo heilloos hebt geraden. Ik wil met Weland spreken."
Nijdhod stond op en ging naar Zeestad. Daar sprak hij tot Weland:
—"Antwoord mij, Weland,—wat is er gebeurd met mijn zonen, die zoo gezond mij verlieten?"
Toen zeide Weland:
—"Alles zal ik u zeggen, als gij mij zweren wilt met heilige eeden: bij de spits van uw speer, bij den rand van uw schild, bij de kiel van uw schepen, bij den rug van uw krijgsros, dat gij mijn vrouw niet zult vermoorden, dat gij mijn lief geen leed zult doen, ook niet wanneer zij aan uw huis verwant zou zijn, en mij een kind in konings zalen werd geboren.—Zoo ga dan in de werkplaats, die gij voor Weland bouwdet, en zie er de balken, die druipen van bloed. Daar sloeg ik uw kinderen met hevigen slag het hoofd af, en verborg hun voeten onder den haard. Maar hun schedels zette ik in zilver, en zond ze aan Nijdhod, maakte van hun oogen edelsteenen, voor de sluwe moeder een schitterend geschenk, en smeedde uit de tanden van haar twee broeders een blinkend sieraad van Bodwilds borst. En Bodwild zelf, uw beider eenige dochter, gaat en draagt mijn kind."
Toen sprak Nijdhod:
—"Geen woord, Weland, heeft ooit mij heftiger getroffen,—geen woord wensch ik zoo streng te straffen als dit."
Maar lachend vloog Weland de lucht in. Nijdhod stond, en staarde hem na, vernietigd van smart.
Daarop zeide de koning:
—"Dankraad, gij wiens raad ik zoo dikwijls dankend aanvaardde, ga, en ontbied de blonde Bodwild hier. Ik wil haar verhooren."
Toen Bodwild gekomen was, zeide de koning:
—"Is het waarheid, Bodwild, wat Weland mij zeide? Waart gij te zamen met hem?"
En Bodwild sprak:
—"Het is waarheid, koning, wat Weland u zeide. Wij waren te zamen, alleen. Ach, had ik toch nooit dat nooduur beleefd! Maar ik deed het ontwetend, deed het onwillend, ik kon niet weerstaan, kon Weland niet weren."
Helgi, Zwaardwachts zoon
Koning Zwaardwacht had drie vrouwen. De eerste heette Alfheld, wier zoon Hedin was; de tweede heette Zeerit, wier zoon Schemerling was; de derde heette Zinrood en haar zoon was Sluimerling.
Koning Zwaardwacht had gezworen, dat hij de schoonste vrouw zou trouwen, die hij vinden kon. Eens vernam hij, dat koning Slaapner een zeer schoone dochter had, wier naam Sieglinde was. Atli, den zoon van een zijner edelen, die Idmond heette, zond hij uit om de hand van Sieglinde te vragen.
Een winter lang verbleef deze edelman met zijn volgelingen aan koning Slaapners hof. Glanswolk echter, een hoveling van den koning, die de verpleger van Sieglinde was, en zelf eene dochter had, die Alof heette, raadde zijn koning aan Sieglinde niet aan Atli mede te geven. Toen ging Atli heen.
Maar voor hij heenging stond hij op zekeren dag voor een boschje lage boomen. Daar zat een vogel in de takken, en deze had gehoord, dat Atli's volgelingen de vrouwen van Zwaardwacht de mooiste vonden. Toen zeide de vogel:
—"Hebt gij Sieglinde, Slaapners dochter, wel gezien, dat gij de vrouwen van Zwaardwacht nu nog mooi kunt vinden?"
Atli vroeg den vogel, of deze hem helpen wilde Sieglinde voor zijn koning te verwerven. De vogel beloofde het hem, wanneer hij in ruil voor zijn diensten rijke geschenken krijgen zou. Maar toch moest Atli zonder Sieglinde wederkeeren.
Zoodra hij in zijn eigen land, dat Glasland heette, aangekomen was, vroeg de koning hem welke tijding hij medebracht. Atli zeide, dat hij alle moeite gedaan had, die mogelijk was,—verhaalde den koning van zijn afmattenden tocht over de barre bergen, hoe zij bij ebbe door gevaarlijke rotsspleten aan zee waren gegaan, en dat tenslotte toch nog Slaapners dochter was geweigerd.
De koning verlangde, dat zij nogmaals heen zouden gaan, en hij ging zelf mede.
Toen zij boven op de bergen gekomen waren, en Slaapners land, dat Svabaland heette, konden overzien, zagen zij daar hoogopslaande vlammen en warrelende stofwolken, die door rennende paarden opgeworpen werden. De koning reed van de bergen naar beneden, en vestigde zijn nachtverblijf aan een breede rivier. Atli hield de wacht, en stak de rivier over. Daar, aan den anderen oever, vond hij een huis, waarvoor een groote vogel zat, die er de wacht moest houden, maar ingeslapen was. Atli schoot den vogel dood, ging het huis binnen en vond daar Sieglinde, de koningsdochter, en Alof, de dochter van den edelman. Deze edelman had zich in een arend veranderd, en hij was de vogel, die door Atli gedood werd, en hij had de beide meisjes met zijn tooverkunst voor de legers beschermd. Want Roodwolk, een koning uit den omtrek, die ook naar Sieglinde gedongen had, was het land van den Svaba-koning binnengevallen, had hem verslagen, en zijn rijk geplunderd en in brand gestoken.
Toen nam koning Zwaardwacht Sieglinde tot vrouw, en Atli behield Alof voor zich.
Zwaardwacht en Sieglinde kregen een flinken, krachtigen zoon. Maar spreken kon hij niet, en men gaf hem ook geen naam.
Eens echter, dat deze op een heuvel stond, zag hij negen Walkuren over de wolken rijden. Een van dezen, Svaba genaamd, die de dochter was van koning Euling, sprak tot hem:
—"Helgi, gij zult eens over heel het gebied en over alle burchten van dit schitterende Glasland regeeren."
De koningszoon zag tot haar op, en toen hij het meisje gezien had kon hij spreken. En hij zeide:
—"Schitterend meisje, wat wilt gij mij nog meer geven, behalve dien naam? Wenscht gij mij nog meer in uw groet? Ik neem dien naam niet zonder u."
Svaba, de Walkure, antwoordde hem:
—"Zes en veertig zwaarden zie ik in Zegehout staan. Maar één daarvan is het beste van allen. Aan het gevest is een ring, moed in de snede, op de spits schittert verschrikking, in het staal steekt een bloeddrinkende draak. Het zwaard, dat met goud is beslagen, slaat alle schilden stuk, en het trilt als de staart van een giftslang."
Toen reed Svaba heen. Helgi echter ging naar zijn vader Zwaardwacht, en zeide:
—"Koning Zwaardwacht, gij zijt wel beroemd als aanvoerder van vele legers, maar gij laat de vlammen vreten in het land van vorsten, die u nooit iets hebben misdaan. Roodwolk regeert over de burchten, die aan onze verwanten behoorden, en hij heerscht ongestoord over het eigendom van de dooden."
Zwaardwacht antwoordde hem, dat hij hem een leger zou geven, als hij er mede wilde uitrukken om den vader van zijn moeder te wreken.
Helgi zocht het zwaard, dat Svaba hem gewezen had, rukte met Atli uit, velde Roodwolk neer en volbracht nog menige heldendaad.
Op een van zijn vele tochten versloeg Helgi ook den reus Haat, die boven op een berg zat, aan den oever van de zee. Helgi en Atli legden toen hunne schepen in de Haatfjord vast. Atli zou gedurende het eerste gedeelte van den nacht de wacht betrekken, en terwijl hij op den hoogen voorsteven van het grootste schip stond en uitzag, kwam Ringgerd, de dochter van den gedooden reus, op de rotsen en sprak tot hem:
—"Welke helden zijn er in de Haatfjord gekomen? Schilden staan als tenten op uw schip: gij schijnt dus geen vrees te kennen. Hoe heet uw koning, en wie zijt gij?"
Atli antwoordde de heks:
—"Helgi heet de koning. Gij kunt zijn schip toch niet beschadigen, want het is rondom met ijzer beslagen. Ik ben Atli. En ik haat alle heksen, en vele malen heb ik, op den voorsteven staande, nachtspoken vernietigd. Hoe heet gij, heks?"
De heks zeide hem:
—"Ringgerd heet ik, de dochter van Haat. Mijn vader heeft zich menige bruid uit de burchten genomen, voor Helgi hem doodde. Want hij was de machtigste onder de reuzen."
Atli wist, dat het haar plan was de schepen te vernietigen, als zij er ongemerkt dichtbij kon komen, of wel, afwachtend onder het water, ze om te werpen en zoo te doen zinken. Ringgerd, woedend, dat Atli haar voornemen kende, riep uit:
—"Helgi, word wakker. Betaal boete voor den val van mijn vader. Laat mij maar een nacht naast u slapen, dan zal uw wandaad wel gewroken zijn."
Helgi werd wakker van haar stem, die huilde als de storm, en hij zeide haar:
—"Lodhin, de woudreus, zal u wel temmen,—want voor een mensch zijt gij niet goed genoeg. Bij wilde bergbewoners hoort ge thuis."
Ringgerd antwoordde hem:
—"Gij zoudt wel liever het blonde meisje hebben, dat de haven voor u veilig heeft gemaakt. Hier zag ik ze aan land gaan,—zij is het geweest, die mij de macht heeft ontnomen, om uw bende in het verderf te storten."
Toen Helgi van het blonde meisje hoorde spreken, dacht hij aan Svaba, de Walkure, en hij vroeg:
—"Zeg, Ringgerd, was zij alleen, toen zij mijn schepen redde, of stonden anderen haar bij?"
Ringgerd zeide:
—"Er waren drie rijen meisjes, maar voorop reed er een in helderen glans en zij droeg op het hoofd een helm. Van de waaiende manen harer paarden droppelde dauw in het dal en woei de regen over de wouden. Dat gaf vruchtbaarheid aan de velden,—en ik vloekte ze."
Terwijl Ringgerd zoo sprak, was de zon opgekomen, die alle nachtelijke spoken doodt. Helgi en Atli lachten, en spraken tot Ringgerd:
—"Ringgerd, zie naar het Oosten, zie hoe ik u ten doode toe trof. Nu is de vaart voor ons veilig,—blijf gij daar nu staan in de haven, als een bespottelijke steenen gedenkzuil."
Helgi groeide op en werd een roemrijk krijgsman en machtig koning. Hij ging naar koning Euling en vroeg hem zijn dochter Svaba tot vrouw. Helgi en Svaba beloofden elkander trouw, en zij hielden zeer veel van elkander. Svaba echter bleef bij haar vader, terwijl Helgi verre krijgstochten ondernam. En Svaba was Walkure.
Hedin, de broeder van Helgi, was in Noorwegen bij zijn vader Zwaardwacht. Op zekeren avond, dat hij eenzaam uit het woud naar huis terugkeerde, ontmoette hij eene toovervrouw, die op een wolf reed en slangen als teugels gebruikte. Deze bood aan Hedin haar bescherming aan, doch Hedin weigerde. Toen riep de vrouw verontwaardigd:
—"Dat zult gij bij den Bragidronk ontgelden!"
's Avonds, toen Hedin met andere helden te zamen zat aan het groote drinkgelag, dat Bragidronk genoemd wordt, verzekerde de een dìt, en een ander dàt te zullen doen. Luidruchtig roemden zij allen bizondere heldendaden te zullen volbrengen. Hedin legde een gelofte af, dat hij Svaba, die de dochter van Euling en de bruid van zijn broeder was, tot zijn vrouw zou maken.
Maar den volgenden morgen had Hedin zulk een groot berouw over wat hij beloofd had, dat hij over de woeste wegen naar het Zuiden ging en zocht, totdat hij zijn broeder Helgi had gevonden.
Zoodra deze hem zag, zeide hij tot Hedin:
—"Wees welkom, Hedin,—brengt gij goede berichten uit Noorwegen mede? Waarom verliet gij uw land en zijt gij gekomen om mij te zoeken?"
Hedin verhaalde alles wat er dien avond gebeurd was en hij zeide:
—"Aan een groote gruweldaad ben ik schuldig, broeder. Bij den Bragidronk heb ik de koningsdochter, uw bruid, tot vrouw gekozen."
Toen zeide Helgi:
—"Beschuldig u niet. Misschien kan wat gij drinkend beloofd hebt, nog wel eens worden vervuld. Een held heeft mij naar een eiland ten strijde gedaagd en na drie nachten zal ik er heen gaan. Ik weet niet of ik ooit zal wederkeeren,—maar als ik val, loopt het lot u misschien ten goede."
Helgi sprak aldus, omdat hij een voorgevoel had van zijn dood, en omdat hij vermoedde, dat zijn eigen beschermgeesten hem verlaten en Hedin hadden opgezocht, toen hij die vrouw op een wolf zag rijden.
De koning, die Helgi tot den strijd had uitgedaagd, heette Alf. Deze was de zoon van Roodwolk, en hij wilde zijn vader wreken. Als plaats voor den strijd had hij Zegeveld uitgekozen.
Toen Helgi na drie nachten daarheen ging, sprak hij tot zichzelf:
—"De vrouw, die op den wolf reed en mijn broeder haar bescherming aanbood, wist het wel: Sieglinde's zoon zal op Zegeveld verslagen worden."
Daar ontstond toen een hevig gevecht, waarin Helgi doodelijk gewond werd. Hij zond een dienaar tot Svaba, om haar te zeggen, dat hij haar spreken wilde. De dienaar ging tot Svaba en zeide tot haar:
—"Helgi heeft mij hierheen gezonden, om u te zeggen, dat de held u nog zien wil voor hij sterven zal."
Svaba vroeg verschrokken:
—"Wat overkwam dan mijn Helgi? Welk leed moet ik beleven. Heeft de zee hem verzwolgen, of trof hem het zwaard? Vervloekt zij de man, die hem verwondde!"
De dienaar antwoordde:
—"Vroeg in den morgen viel de vorst, die de edelste was op de aarde. Alf heeft hem verslagen."
Svaba ging naar de plaats, waar Helgi lag. Toen deze haar komen zag, zeide hij tot haar:
—"Svaba, wij zien elkander voor het laatst in ons leven. Uit vele wonden vloeit mijn bloed,—het scherpe zwaard heeft mij zoo dicht bij het hart getroffen. Luister geliefde,—neen, ween nu niet,—vervul dezen wensch: neem Hedin tot u, heb Hedin lief, maak zoo den jongen held gelukkig."
Doch Svaba antwoordde hem:
—"Weet gij nog wel, mijn Helgi, wat ik u beloofd heb, toen gij mij uw gouden ringen gaaft? Nooit zou ik na den val van mijn vorst nog een anderen held omhelzen."
Toen sprak Hedin, de broeder van den gestorven Helgi, tot Svaba:
—"Svaba, geef mij een kus, tot groet. Want ik ga, en nooit zal ik wederkeeren naar mijn land, nooit zal ik weerzien mijn glanzende bergen, vóór ik Zwaardwachts zoon heb gewroken, die de edelste was op de aarde."
Helgi, die Honding doodde
In overoude tijden, toen adelaren zongen en levenverwekkend water uit den hoogen hemel viel, baarde Borghilde, de vrouw van koning Siegmond, in den koningsburcht van Braland een zoon.
Daar naderden in den nacht de Nornen om de draden van het lot te spannen voor het koninklijke kind. Heel zijn leven omringden zij met roem en eer. Zij sponnen het geheele land in een net van gouden draden, maakten ze vast midden onder de volle maan, wierpen de einden uit naar het Oosten en naar het Westen en bonden één draad naar het Noorden, die nimmer breken mocht.
Hoog in de boomen sprak toen een raaf tot de andere:
—"Zie, daar is Siegmonds zoon geboren. Nog geen zonnedag is hij oud en reeds staat hij daar als een sterke strijder en glanzen zijn oogen van oorlogsverlangen. Daar breken vreugdevolle dagen voor ons aan!"
Siegmond en Borghilde hoorden die woorden, en op dat oogenblik beklemde hen de angst om wat er wel met hun kind kon gebeuren. Het volk echter, dat het koningskind zag, verheugde zich zeer. Want het bemerkte, welk een machtige held er was geboren. En ook het volk verwachtte een vreugdevollen tijd.
De koning gaf zijn zoon frisch groen van de boomen als een teeken, dat hij hem eens het geheele land in bezit geven zou. Hij noemde hem Helgi, naar Helgi, Zwaardwachts zoon, en schonk hem, behalve vele burchten, het vreeselijke zwaard, dat Doodsdraak heette.
Hagel, een van koning Siegmonds edelen, werd aangewezen om den knaap op te voeden.
Nu was er voortdurend groote strijd tusschen koning Siegmond, wiens geslacht de Welsingen of Wolvingen heette, en koning Honding, den machtige, die over het land regeerde, dat Hondland genoemd werd. Deze moedige krijgsman had vele zonen, die met hem uittrokken ten strijde, en beide koningen doodden velen van elkanders helden.
Eens ging Helgi heimelijk naar de krijgslieden van koning Honding, om allerlei tijding te vernemen. Toen hij er eenigen tijd gebleven was, en veel gezien en gehoord had, keerde hij weer naar zijn land terug. Maar onderweg ontmoette hij een herdersknaap, die in het land van Honding woonde, en hij zeide tot deze:
—"Zeg aan Heming, Hondings zoon, dat Helgi gezien heeft, hoe er een man gedood werd, die gevangen was genomen, en dien Honding voor Hamal hield. Ik, Helgi, was er bij toen het gebeurde, in een grauw gewaad gekleed.
Hamal nu was de zoon van Hagel. Zoodra koning Honding hoorde wat de herdersknaap vertelde, zond hij mannen uit naar Hagel om Helgi te halen. Deze kon zich slechts redden door meisjeskleeren aan te trekken en den molen te draaien. Hondings mannen zochten Helgi, maar vonden hem niet. Toen zeide een van dezen:
—"Wat kijkt Hagels dienstmaagd helder uit de oogen! De steenen knarsen, de molen kraakt. Dat is zeker niet het kind van een knecht,—dat kon wel een koning zijn, die daar het koren maalt. Mij dunkt, dat die hand veeleer het zwaard moest houden, dan de stang van een molen."
Hagel antwoordde:
—"Het is geen wonder, dat heel de molen zoo davert: daar staat een koningsdochter te malen. Eens reed zij over hooge wolken en wilde strijden als een held. Maar Helgi heeft haar gevangen genomen en hier gebracht."
De jonge Helgi groeide op als een eik. En hij behoefde niet lang te wachten, tot hij ten strijde mocht trekken. Want toen hij vijftien jaren oud was, gaf zijn vader hem vele schepen, en vergezeld van een menigte helden ondernam Helgi zijn eersten tocht. Hij versloeg den sterken Honding, voer geruimen tijd over de zee, en kwam op een strand, waar hij een groote slachting onder vijanden aanrichtte.
Terwijl hij, na den slag, met zijn helden uitrustte op het strand, en rauw vleesch at, kwam Siegrune, de dochter van koning Hagen, naar de schepen van Helgi. Siegrune reed over de wolken, want zij was Walkure. En zij zeide tot Helgi:
—"Van wien zijn de schepen, die daar op de wilde golven liggen? Waar behooren al deze helden thuis? Waarheen wilt gij nog verder zeilen?"
Helgi antwoordde haar:
—"Het zijn Hamal's schepen, die daar op de wilde golven liggen. Het eiland in de zee is ons tehuis, en naar het Oosten willen wij verder zeilen."
Siegrune vroeg nu, hoe Helgi's pantser zoo met bloed werd bevlekt, en waar hij de vogels van de Oorlogsmeisjes gevoed had. Helgi vertelde haar toen van zijn strijd, maar noemde zijn naam niet, noch dien van de helden, welke hij doodde.
Toen zeide Siegrune:
—"Helgi zijt ge,—en toen Honding viel door uw zwaard, was ik niet ver verwijderd. Vroeger zag ik u al, toen gij op den bloederigen voorsteven van uw schip stondt, en het schuim van de ijskoude golven u om de leden spatte. Wil de held zich voor mij verborgen houden? Maar Hagens dochter zal hem uit honderden herkennen!"
Niet lang daarna eischten Hondings zonen van Helgi geld en schatten als verzoening voor den dood van hun vader en als betaling voor de vele rijkdommen, die Helgi hun ontroofd had. Koning Helgi echter was niet van plan hun iets te betalen: wel zou hij een onweer van grauwe speren en wolken van krijgshelden over Hondings land heenzenden. En zoo geschiedde.
Bij de Vlammenbergen kwamen de helden samen ten strijde. Terwijl daar de hongerige oorlogshond huilend over het veld rondholde, gebeurde het, dat Hadubrant, de zoon van een machtigen koning, die Grijswolk heette en op Schildhoogte woonde, op een bijeenkomst van koningen zijn verlangen te kennen gaf met Siegrune, Hagens dochter, te trouwen. En koning Hagen gaf zijn toestemming.
Toen Siegrune dit vernam, reed zij met Walkuren over landen en zeeën om Helgi te zoeken. Zij vond hem, toen deze, op Arasteen zittend, uitrustte van den geweldigen strijd, waarin hij Alf en Eyolf en Zwaardwacht en Hoogwacht gedood had, en heel het geslacht van Honding had uitgeroeid.
Vuur vloeide over de Vlammenbergen, bliksems brandden door de lucht: dat waren de helmen van de wolkenmeisjes, dat waren haar pantsers, met bloed bevlekt, dat waren haar speren, die stralen spoten.
Zoo kwam Siegrune tot Helgi.
Zoodra deze de schitterende meisjes gezien had, vroeg hij haar of zij gekomen waren om dezen nacht met de helden feest te vieren. De meisjes waren over deze vraag zeer verontwaardigd en sloegen heftig op hare schilden.
Siegrune echter, hoog gezeten op haar oorlogshengst, gebood haar te bedaren en zij zeide tot Helgi:
—"Wat meent gij? Wij hebben wel andere dingen te doen, dan met helden bier te drinken."
Toen viel zij Helgi om den hals en kuste hem en zeide:
—"Helgi, hoor. Hagen, mijn vader, wil mij verloven met Hadubrant, Grijswolks grimmigen zoon. Voor heel het leger heeft hij gezegd mij aan hem te zullen geven, maar ik verlang een anderen man. Ik vrees de woede van mijn vrienden, omdat ik de wensch van mijn vader weerstreef, en omdat ik aan Hadubrant deed weten, dat hij mij even onverschillig is als het kind van een kat. Hadubrant zal nu wel spoedig komen. Ach, Helgi, daagt gij hem uit ten strijde, of—ontroof hem de bruid."
Helgi had Siegrune zeer lief. En deze bekende, dat zij ook hem beminde, dat zij hem alleen liefhad, reeds vóór zij hem zag.
Toen sprak Helgi tot haar:
—"Siegrune, wees niet bevreesd voor de woede van Hagen en voor de bedreigingen van uw bloedverwanten. Gij zijt nu mijn mooie meisje, heb daarom geen angst voor den geweldigen Hadubrant. Want ik zal met hem strijden."
Toen zond Helgi boden uit over landen en zeeën om uit verren omtrek de krijgslieden op te roepen, en hij gaf hun overvloedig geld mede om onder de helden en hun zonen te verdeelen.
Al spoedig kwamen van alle kanten honderden mannen op van goud schitterende schepen aan. Helgi vroeg of men de schepen en de mannen geteld had. Maar de zoon van een koning zeide:
—"Het zou lang duren eer alle schepen geteld waren, die volbemand met krijgers in de Pijlsond liggen. Er zijn zeker twaalfhonderd moedige mannen,—maar in Hoogland staan er nog wel de helft meer. Zij allen zijn klaar om den koning te volgen. Hevig zal er gevochten worden!"
Toen de morgen aangebroken was, de tenten op de schepen waren neergehaald, en alle helden ontwaakt waren, werden de zeilen aan de knarsende katrollen geheschen. Men roeide de schepen buiten de haven met zulk een kracht, dat de randen der schilden rammelend tegen elkander stieten, en op de open zee gekomen, zeilde de geheele vloot als een vlucht vlugge vogels weg van het land.
Spoedig echter stak een hevige storm op. Hooggaande golven sloegen luid tegen den boeg van de schepen, zooals de branding tegen bergen beukt, en heel de zee was een dreigende deining. Toen liet Helgi de zeilen strijken van de hooge masten, maar boven op de wolken verscheen Siegrune, bedaarde den storm en het woelende water en redde de schepen van den koning, toen zij dicht bij Rotsenland gekomen waren.
Rustig zeilde de vloot door den avond verder en naderde Schildhoogte,
Daar zaten op een berg de zonen van Grijswolk en zagen hoe de schepen recht op hun land aanhielden. Goentmond, een van hen, sprong op zijn paard en rende den berg af naar het strand, om te zien wat er gebeurde. Juist toen hij daar aankwam, streken de Welsingen de zeilen en Goentmond sprak tot hen:
—"Welke vorst is met die vloot en dat vele volk hierheen gekomen om strijd te brengen in ons land?"
Binder, een van de helden, die op Helgi's schip waren meegekomen, bond een rood schild met gouden rand aan den mast vast. Hij woonde aan het strand van de zee en was gewoon zelfs tegen den hevigsten storm op te spreken. Daarom sprak hij nu met zeer luide stem tot Goentmond:
—"Wanneer gij vanavond de varkens voert en de kudde naar de etensbakken brengt, zeg dan aan uw volk, dat uit het Oosten de Welsingen zijn gekomen, met grooten lust om te vechten."
Goentmond echter vroeg:
—"Maar wie is de koning, die de vloot geleidt en het oorlogsteeken op zijn voorsteven heeft gestoken?
Een roode glans van vechtlust schijnt er om de krijgers."
Goentmond was zeer verheugd, toen hij hoorde, dat koning Helgi gekomen was, want hij wist wel, dat er dan hevig zou worden gevochten. Binder echter hoonde hem, en ook Goentmond antwoordde met smaadvolle woorden. Zij scholden elkander uit, tot Helgi zich er tusschen mengde en zeide:
—"U beiden past het met het zwaard te strijden, en niet met vinnige woorden te twisten: zóó uit zich de haat van helden niet. Ik zelf ben den zonen van Grijswolk niet goed gezind, maar een man moet de waarheid spreken, en daarom zij het openlijk gezegd: zij hebben eens in Slangenland voldoende bewezen hoe moedig zij de zwaarden zwaaien kunnen. Moeielijk zou men heldhaftiger mannen kunnen vinden."
Er werd bepaald, dat men bij Wolfsteen zou samenkomen ten strijde, en Goentmond reed met de tijding heen.
Toen de zonen van Grijswolk voor den burcht van hun vader kwamen, stond Hadubrant buiten, de helm op het hoofd. Zoodra hij hen zag, riep hij hun uit de verte al tegemoet:
—"Wat is er gaande? Gij ziet er uit als geesten!" Goentmond vertelde hem, dat er een groote vloot aan het strand was gekomen, dat vijftien legerscharen aan land waren gegaan, terwijl er nog zevenduizend mannen aan boord van de schepen waren, en dat Helgi uitdaagde tot den strijd.
Toen sprak Hadubrant:
—"Zend ijlings boden op snelle paarden over heel den omtrek uit,—roep uit alle omliggende landen de koningen en helden bij elkaar. Geen man, die het zwaard kan hanteeren, blijve in huis! Roep Hagen en Atli en den ouden Alf. Zeg, dat allen op de kampplaats komen. Wij zullen dien Welsingen wel weerstand bieden!"
De zonen van Grijswolk verzamelden een zeer groot leger. Hierbij voegden zich nog vele vreemde helden, en onder dezen waren Hagen, de vader van Siegrune, en zijn zonen Bragi en Band.
Een verschrikkelijke strijd ontstond er toen bij Wolfsteen. Helgi, die Honding eens doodde, was overal de eerste in het gevecht. Waar helden streden stormde hij heen, zwaaide zijn breede zwaard, en te midden van de luid schallende stooten der speren daalde uit den hoogen hemel Siegrune neer, het in den strijd bedreven meisje, en beschermde Helgi.
Het was een verschrikkelijke strijd, waarin alle zonen van Grijswolk vielen, en al hun voornaamste helden werden gedood, behalve Band, de zoon van Hagen, die zich aan de Welsingen onderwierp en eeden aflegde van trouw.
Toen de strijd geëindigd was en de raven over het slagveld vlogen en rondom de vele lijken fladderden, die overal lagen verspreid, kwam ook Siegrune op de bloederige kampplaats, en bleef bij den doodelijk getroffen Hadubrant staan. En zij zeide:
—"Hadubrant, nooit zal Siegrune van den Liefdesberg tot u nederdalen. Uw leven is ten einde, en de Doodsgodin gaat over het veld en grijpt Grijswolks zonen,—allen."
Toen ging zij verder en kwam tot Helgi. En zij zeide tot hem:
—"Heil u, Helgi. Gij moogt u verheugen, gij lieveling van den Zonnegod. Den grimmigen Hadubrant hebt gij verslagen: nu zijt gij heer over beiden, over roode ringen en over het rijke meisje, mij. Neem het kind van Hagen in uw koningshallen, heerlijke held, en behoud mij voor u, want de strijd is ten einde."
Helgi sprak tot haar:
—"De strijd is ten einde, maar de Nornen beschikken het lot. Bij Wolfsteen vielen Bragi en Hagen, door mijn zwaard geslagen. Sterkader stortte neer en de uitdagende Gylfi, wiens lichaam nog vocht toen zijn hoofd was gevallen. Lijken van vele helden liggen rondom op de kampplaats, en het waren, meisje, uw verwanten. De strijd is ten einde, maar het helpt u niet. Want het is uw bestemming sterke helden ten strijde te drijven,—en ten doode."
Toen weende Siegrune zeer. Helgi echter zeide tot haar:
—"Kom, Siegrune, wees sterk, gij hebt ons geholpen, en helden vreezen toch niet voor den strijd."
Siegrune echter weende, en snikkende sprak zij:
—"Ach, kon ik de dooden weer ten leven wekken, en toch eeuwig blijven bij u."
Helgi nam Siegrune tot zich, en zij waren zeer gelukkig en hadden zonen.
Helgi echter werd niet oud. Want Band, de zoon van Hagen, droeg een offer aan Wodan op en smeekte hem om wraak voor den dood van zijn vader. En Wodan leende hem zijn speer. Op zekeren dag nu vond Band zijn zwager Helgi in een groot bosch, dat Bandland heette. Daar doorstak hij Helgi met de speer.
Toen reed Band naar den Liefdesberg om aan Siegrune de tijding van Helgi's dood te brengen. En hij zeide tot haar:
—"Het is een groot verdriet voor mij, zuster, u het leed mede te deelen, dat ik u aandoen moest. In Bandland viel dezen morgen de edelste held, die ooit op aarde geleefd heeft."
Siegrune antwoordde:
—"Als vloeken vallen op u neer alle eeden, waarmede gij aan Helgi trouw hebt gezworen: bij den vlammenden lichtboog van den regen en bij de harde rotsen van de zee. Stil zal het schip staan, waarop gij zult varen, hoe hevig de wind ook waaien moge. Het paard, dat gij berijdt, sta pal, als de vijand u op de vlucht vervolgt. Stomp worde het zwaard, dat uw hand zal zwaaien, tenzij het blikseme tegen uw eigen hoofd. Wanneer ge als een wolf in het wilde woud, huilend van honger, rond zoudt sluipen tot uw tong de koude lijken likte,—dan ware mijn doode Helgi gewroken."
Band echter sprak tot haar:
—"Het schijnt, dat uw zinnen geschokt zijn, zuster. Waarom wenscht gij uw broeder zooveel onheil toe? Wodan was het, die u zulk een jammer aandeed, Wodan, die twistrunen onder verwanten wierp. Kom, ik bied u roode ringen en uitgestrekte landstreken aan. De helft van mijn rijk zal ik u geven, aan u en uw zonen, opdat gij leven kunt als een vorstin."
Siegrune echter weigerde alles wat Band haar aanbood, en was zeer bedroefd. Want haar Helgi was een hoog verheven held geweest. Zulk een hevigen schrik sloeg hij al zijn vijanden om de leden, als een wolf, die te midden van de geiten verschijnt: in wilde vlucht rennen zij van de rotsen. Hoog boven allen stak haar Helgi uit, zooals een esch uitsteekt boven doornestruiken, of zooals een vlugge reebok springt hoog boven alle dieren, dat zijn gewei, met dauw bedekt, tot in de wolken schittert.
Een hooge grafheuvel werd over Helgi geworpen. Op zekeren avond ging de dienstmaagd van Siegrune naar dezen heuvel, en zij zag daar, hoe ook Helgi zelf met vele mannen naar den heuvel reed. De dienstmaagd stond versteld en zeide:
—"Bedriegen mij mijn oogen? Zijn het schimmen, die ik zie? Is dat de godenondergang? Daar draven de dooden, zij rennen op hun oorlogsrossen. Keeren helden dan terug?"
Helgi sprak tot haar:
—"U bedriegen niet uw oogen, en het zijn geen schimmen, die gij ziet. Dit is geen godenondergang. Wel draven hier de dooden en rennen op hun oorlogsrossen. Maar helden keeren niet terug."
De dienstmaagd ging naar huis en verhaalde aan Siegrune wat zij gezien had. En zij zeide:
—"Siegrune, blijf niet langer op den Liefdesberg zitten, als gij uw held wilt zien. De grafheuvel heeft zich geopend en Helgi keerde terug. Hij vraagt u of gij komen wilt om zijn bloedende wonden te verbinden."
Siegrune ging naar den heuvel, waar Helgi was, en zeide tot hem:
—"Ik ben zoo blij, dat ik weer bij u ben, als Wodans hongerige raven, die op bedauwde landen lijken vinden. Laat mij u kussen, mijn levenlooze koning. Helgi, wat zijn uw haren nat van vochtigen dauw,—wat is uw borst met bloed beloopen,—wat zijn uw handen koud, mijn held. Zeg mij toch hoe ik u kan wreken."
Helgi antwoordde haar:
—"Het is uw werk, Siegrune, dat Helgi zou koud is en zoo met bloed beloopen. In slapelooze nachten weent gij heete tranen,—die druipen als bloederige droppels op mijn borst. Wij kunnen nog wel ooit kostbare dranken drinken, al ging ons leven ook verloren, maar niemand moet ons beklagen, al ziet hij ook de borst met wonden overdekt. Nu echter is het heil gekomen, want de bruid kwam tot den gestorvene in het graf."
Siegrune bereidde toen een ligplaats in den grafheuvel en zeide tot Helgi:
—"Zie, Helgi, hier heb ik een ligplaats bereid, en wil ik in uwe doode armen rusten."
Helgi en Siegrune omheldsden elkander en zij legden zich in den grafheuvel neer. Toen zeide de doode:
—"Ik mag aan niets meer wanhopen, nu gij aan de borst van den doode rust. Het is nu tijd om over de bloedroode wegen te rijden. Want ik moet in het Westen van den wolkenhemel zijn, eer de haan van Walhalla de helden wekt."
Toen reed Helgi heen en kwam in Walhalla. Wodan bood hem aan om alles gelijkelijk met hem te deelen, en de held droeg Honding op voor de paarden te zorgen en de zwijnen te hoeden, en hij liet hem al het minderwaardige werk doen.
Siegrune echter ging terug naar haar woning. Den volgenden avond zond zij haar dienstmaagd wederom uit, om de wacht bij den grafheuvel te houden. Maar Helgi kwam niet weder.
Kort daarna stierf ook Siegrune van het vele verdriet, dat zij dragen moest.
In oude tijden geloofde men, dat menschen ooit wedergeboren werden, maar nu wordt dit bijgeloof genoemd. Van Helgi en Siegrune verhaalt men ook, dat zij wedergeboren werden, en dat hij Helgi, Hartingdooder, genoemd werd, en zij Kara, dochter van Halfdan, zooals het in de Karaliederen is bezongen. En zij was Walkure.
De Siegfriedsage
Siegmond, uit het Welsingen-geslacht, was koning in Frankenland, en hij had een zoon, die Binder heette. Borghilde, de vrouw van Siegmond, had een broeder en diens naam was Goenther. Binder en Goenther beminden echter dezelfde vrouw, en daarom sloeg Binder hem dood. Toen Binder thuis kwam beval Borghilde hem weer heen te gaan, want hij was haar stiefzoon. Siegmond echter bood haar genoegdoening aan in geld, en hiermede was zij tevreden.
Bij het doodsmaal echter, dat aangericht werd, reikte Borghilde den drank rond. Zij nam een grooten hoorn vol gift en bracht deze aan Binder. Toen Binder echter in den hoorn zag, bemerkte hij dat er gift in was, en hij zeide tot Siegmond:
—"Bah, die drank is troebel."
Siegmond nam den hoorn en dronk hem leeg. Want Siegmond was gevrijwaard tegen de werking van gift, zoowel inwendig als uitwendig. Zijn zonen echter konden vergift slechts uitwendig, aan de huid verdragen. Borghilde bracht nu een nieuwen hoorn en verzocht Binder te drinken. En het geschiedde evenals eerst. Ten derde male bracht zij hem een hoorn, en bedreigde hem wanneer hij niet drinken wilde. Binder echter sprak tot Siegmond:
—"Bah, die drank is troebel."
Siegmond antwoordde hem:
—"Laat uw baard eens proeven."
Toen dronk Binder en was weldra dood. Siegmond nam hem op en droeg hem in zijn armen heel ver weg, totdat hij aan een ondiepe, smalle zeeëngte kwam. Daar lag een klein schip aan den oever, en op het schip stond een man. Deze bood aan om Siegmond over de zeeëngte te brengen. Toen Siegmond echter het lijk in het schip had gelegd was het schip geheel geladen. De man zeide toen, dat Siegmond maar vooruit moest gaan, en tegelijk stiet hij het schip van den oever en was spoedig verdwenen.
Die man nu was Wodan, Doodengod.
Siegmond verstootte Borghilde, verliet het land, dat Denenland heette en waar hij lang geweest was, en ging zuidwaarts naar een rijk, dat hij in Frankenland bezat. Daar nam hij Jerdis tot vrouw, en zij kregen een zoon, dien zij Siegfried noemden. Koning Siegmond viel in een gevecht met de zonen van Honding, en Jerdis trouwde toen met Alf, den zoon van koning Helperik. En bij dezen bracht Siegfried zijn jeugd door.
Siegmond en al zijn zonen waren mannen, die boven de anderen uitmuntten door kracht en grootte en verstand en allerlei bekwaamheid. Siegfried echter was de allervoortreffelijkste, en de oude sagen zeggen van hem, dat hij verreweg de voornaamste van alle heirkoningen was.
Bij koning Helperik nu, waar Siegfried was, kwam zeer dikwijls een zekere Regin, de zoon van Reidmar.
Deze Regin was zeer sluw en geslepen en ervaren in vele dingen, en zoo klein van gestalte als een dwerg. Regin ging zeer veel met Siegfried om en leerde hem allerlei kundigheden. Hij vertelde hem veel van zijn voorouders, en verhaalde hem op zekeren dag ook, wat er gebeurde, toen Wodan, Henir en Loge eens gekomen waren bij de beek van Andwari, waarin zeer vele visschen zwommen.
Andwari was een dwerg, die de gestalte van een snoek had aangenomen, en zijn voedsel in het water vond. Regin nu had twee broeders, van wie de een Fafner heette en de andere Otter. Deze laatste ging dikwijls in de beek van Andwari en zwom er als een otter rond.
Eens had Otter een zalm gevangen en zat met gesloten oogen aan den oever om de visch op te eten. Loge, die juist met Wodan en Henir aankwam, zag hem en wierp hem met een steen en doodde hem. De goden waren zeer verheugd en trokken Otter de huid af. Toen gingen zij verder en kwamen aan de woning van Reidmar. Zij vroegen hem gastvrijheid, en toonden hem den buit, dien zij gemaakt hadden. Reidmar echter, en zijn zonen Fafner en Regin, grepen hen vast, dreigden hen te dooden, en eischten als losprijs voor hun leven, dat zij de geheele huid van den otter met goud zouden vullen, en ook geheel met goud bedekken zouden. Toen zonden de goden Loge uit om goud te halen. Deze ging naar een watergodin en vroeg haar een net ter leen. Toen hij dit gekregen had, ging hij naar de beek van Andwari en wierp het net uit om den snoek te vangen. En de snoek zwom in het net.
Loge zeide tot de visch:
—"Welk schitterend vischje schiet daar zoo snel door den stroom en is in mijn val geloopen? Kom, ik wil het goud wel eens zoeken, dat zulk een helder licht in uw water verspreidt."
Andwari antwoordde hem:
—"Ik heet Andwari en ik ben de zoon van watergod Oïn. Lang geleden noodzaakte mij het noodlot altijd in het water te leven."
Loge echter wist wel, dat Andwari een booze dwerg was, die het goud uit het water had gestolen en het nu als een visch bewaakte. En hij zeide:
—"Zoo, zoo, Andwari. Maar als uw leven u lief is, moet gij mij eens zeggen welke straf een sterveling krijgt, die liegt."
Andwari sprak:
—"Stervelingen worden in Hellestroom zwaar gestraft: hun valsche gezegden sleepen deze gevolgen na zich."
Loge nu nam al het goud, dat Andwari bezat. Maar deze wilde een ring achter houden. Loge echter nam hem ook deze af. Toen kroop de dwerg onder een steen en zeide:
—"Vervloekt zij de schat. De broeder zal zijn broeder dooden, en verderf zal komen over iederen held, wiens hand dien ring ooit aanraakt."
Loge ging met het goud naar de goden, en dezen vulden er de huid van Otter mede op, en legden er goud overheen om haar te bedekken. Nadat dit geschied was, kwam Reidmar dichterbij en bemerkte, dat er nog een haar van de lippen onbedekt was. Toen moest Wodan ook den Andwari-ring van den vinger nemen om het haar te bedekken.
Loge zeide tot Reidmar:
"Nu behoort u al het goud, en het is een groote losprijs voor ons leven. Maar het zal u en uw zonen geen zegen verschaffen;—den dood zal het u beiden brengen."
Reidmar antwoordde hem:
—"Niet als een gunst hebt gij dit goud gegeven, maar als betaling. Wist ik echter, dat gij het wildet vervloeken, dan hadt gij uw leven niet zoo gemakkelijk gered."
Loge echter zeide:
—"En meer onheilen weet ik. Maar de helden zijn nog niet geboren, die om dit goud zullen strijden."
Reidmar sprak:
—"Ik ben van plan dit goud te behouden zoolang ik leef. En uw vervloeking vrees ik niet. Ga nu maar heen."
Zoodra echter de goden waren heengegaan, eischten Rafner en Regin, dat Reidmar ook hun een gedeelte van het goud zou geven. Maar Reidmar zeide:
—"Neen."
Fafner echter nam een zwaard en bracht zijn vader een vreeselijke wonde toe, terwijl hij sliep. Toen riep Reidmar zijn dochters en zeide:
"Nu is het gedaan. Deze misdaad eischt groote…"
De oudste dochter antwoordde hem:
—"De misdaad van mijn broeder,—ach, de dood van mijn vader,—kan een meisje dat wreken?"
Reidmar zeide tot haar:
—"Vrouw, als ge geen koningszoon kunt baren, baar dan een meisje,—geef haar een man,—daar komt de dood,—hun zoon, misschien, zal wraak…"
Toen Reidmar dit gezegd had, stierf hij, en Fafner nam al het goud voor zich. Ook Regin eischte er een deel van op, maar Fafner zeide:
—"Neen."
Regin ging naar zijn zuster en vroeg haar, hoe hij in het bezit zou komen van wat hem toebehoorde. Zijn zuster sprak tot hem:
—"Vraag uwen broeder vriendelijk uw deel te mogen ontvangen, en zeg hem, dat hij zich beter moet gedragen. Het past u niet met getrokken zwaard het goud van Fafner op te eischen."
Dit en vele andere verhalen vertelde Regin aan Siegfried, als hij bij hem kwam.
Op zekeren dag, dat Siegfried,—zooals hij dikwijls deed—was uitgegaan om in het woud wilde dieren te jagen, kwam hij bij het huis van Regin, dat midden in het bosch lag, en werd er gastvrij ontvangen.
Regin had nog niets gekregen van al het goud, dat Fafner bij den dood van zijn vader medegenomen had, en hij zinde nog steeds op middelen om zijn deel machtig te worden.
Siegfried nu kwam bij Regin en bleef bij hem wonen. Regin vertelde hem, dat Fafner de gedaante van een draak had aangenomen en in een hol op Gnitaheide lag. Daar had hij zich den schrikhelm op het hoofd gezet, die alle levende wezens vervulde van angst, en beschermde zoo zijn schatten.
Regin smeedde voor Siegfried een zwaard, dat Gram heette. Dit zwaard was zoo scherp, dat, wanneer men het in den Rijn stak en een vlok wol in den stroom wierp, de vlok, zoowel als het water, in tweeën gesneden werd. Met dit zwaard sloeg Siegfried ook Regins aanbeeld doormidden.
Dwerg Regin wist, dat Siegfried een geweldige held was en daarom spoorde hij hem aan Fafner te bevechten. Siegfried echter wilde dat niet doen, en zeide tot Regin:
—"Wat zouden de Hondingen lachen, die mijn vader hebben gedood, wanneer ik, de held, eerder werd gedreven om goud te bemachtigen, dan om mijn vader te wreken."
Toen ging Siegfried naar koning Helperik en verkreeg een groote menigte schepen en heel veel krijgsvolk om zijn vader te wreken. Zij voeren uit, maar op zee overviel hen een hevige storm, en zij werden naar een rotsachtig land gedreven. Boven op de rotsen stond een man, die slechts één oog had en wiens haren woeien in den wind. De man zeide:
—"Wie rijdt daar op waterrossen over de hooge golven heen? Gij zult tegen den storm niet bestand zijn."
Regin nu was met Siegfried uitgevaren en hij sprak tot den man:
—"Wij zijn hier met Siegfried en worden door den storm in den dood gedreven. De branding bruist over de boorden der schepen,—onze waterrossen vallen neer. Wie vraagt dat?"
De man, die Wodan was, antwoordde:
—"Men noemt mij Waterloeier. En in iederen strijd geef ik den raven te eten. Noem den man op de bergen maar Gavengever of Veelgedaante. Ik zal u een gunstige vaart verleenen."
Zij voeren dan naar den oever en namen den man aan boord. Toen bedaarde de storm. Siegfried zeide tot den man:
—"Waterloeier, zeg mij, want gij weet alles, wat is bij goden en menschen een teeken van geluk? Welk teeken voorspelt de overwinning, wanneer men ten strijde trekt?"
Waterloeier-Wodan antwoordde en sprak:
—"Vele teekenen voorspellen overwinning, als de menschen ze maar kenden. Een ieder, die wapenen draagt, mag veel vertrouwen hebben, wanneer hij door zwarte raven nagevlogen wordt. Als gij uitgaat voor een verren tocht en gij ontmoet op uwen weg twee roemverlangende helden, is ook dit een gunstig teeken. Een derde teeken is dit: gij hoort in een esscheboschje wilde wolven huilen, en zie!—zij rennen voor u uit; dan is uw zegepraal over helden zeker. Bij den laten schijn van de zinkende zon zal nooit iemand den strijd aanbinden, want slechts hij, die ziet, zal overwinnen. Aan een groot gevaar zoudt gij u blootstellen zoodra gij uitglijdt, wanneer gij ten strijde trekt; dan zijt gij van booze geesten omringd, die verlangen, dat gij gewond wordt. Wie verstandig is verzorgt zich echter goed: hij kamt en wascht zich en neemt een maaltijd 's morgens, want waar hij 's avonds is kan niemand weten: ook zonder voorteekens kan men vallen."
Daarna ontstond er een groote strijd tegen de Hondingen. Onkruid, een der zonen van Honding, en drie van zijn broeders vielen in dat gevecht.
Na den strijd sprak Regin:
—"Wat heeft Siegfried de vijanden van zijn vader vinnig in het vleesch gebeten! Daar is geen held zoo geweldig als hij, geen, die den grond ooit feller rood heeft geverfd, en grooter vreugde aan de raven gaf!"
Toen Siegfried weer in zijn land was teruggekeerd, spoorde Regin hem opnieuw aan Fafner te bevechten.
Siegfried en Regin gingen dan naar Gnitaheide, en Siegfried reed op zijn paard, dat Grani heette. Zij vonden het spoor van Fafner daar, waar deze gewoonlijk naar het water kroop. Siegfried groef er een grooten kuil, en daalde daarin af.
Toen de draak uit zijn hol kwam en giftigwalmend vuur uitbraakte, dat boven op het hoofd van Siegfried viel, verschool Regin zich in een boschje, dat daar dichtbij was. Siegfried echter wachtte den draak af, en toen deze over den kuil heenkroop, stiet hij hem het zwaard in het hart. Fafner kromde zich en sloeg heftig met zijn staart. Siegfried sprong uit den kuil, en nu zagen zij elkander. Toen sprak de draak:
—"O held, jonge held, welke sterveling gaf u het leven, uit welken stam kwaamt gij voort? Gij hebt uw zwaard in Fafners bloed geverfd, uw staal steekt in mijn hart."
Siegfried echter wilde zijn naam niet noemen. Want de menschen uit die dagen meenden, dat er groote macht uitging van het woord eens stervende, wanneer deze zijn vijand met name vervloekte. En Siegfried zeide:
—"Wonderkind heet ik, en ik ben geheel anders als andere menschen. Ik heb geen vader en ik heb geen moeder, en ik ben altijd alleen met mijzelf."
Fafner antwoordde, dat hij dan wel door een wonder moest geboren zijn, wanneer hij, zooals toch alle andere stervelingen, geen vader had. Toen lachte Siegfried en zeide:—"Dom gedrocht, dat niet eens weet wie ik ben en uit welken stam gesproten! Siegfried heet ik, ik ben Siegmonds zoon. Weet gij nu wiens wapen u doodde?"
En Fafner zeide:
—"Koene knaap met de schitterende oogen,—een verheven geslacht bracht u dan voort. Maar wie haalde u over mijn leven te belagen, en waarom liet gij u overhalen?"
Siegfried antwoordde den draak:
—"Mij haalde over mijn moedige hart, en mijn hand werd door mijn scherpe zwaard geholpen. Iemand, die van jongs af laf is geweest, komt er niet toe te gaan strijden."
Toen sprak Fafner:
—"Wees niet overmoedig, held, want ook de Nornen weven het net van uw noodlot. Wees gewaarschuwd en laat af van mijn glinsterende goud en mijn gloedroode ringen, want eenmaal zullen zij u dooden."
Siegfried echter spotte met dien raad en zeide, dat hij toch al het goud uit het hol zou halen. Toen antwoordde de draak:
—"Ik droeg den schrikhelm op het hoofd en weerstond de heele wereld. Ik meende, dat ik allen meester was en dat geen vijand mij durfde belagen. Gloeiend gif braakte ik uit, als ik lag op mijn glinsterende leger, waar ik het goud van mijn vader Reidmar bewaarde. Regin echter heeft mij verraden,—Regin verraadt ook u, ons beiden brengt hij den dood."
Nadat Fafner dit gezegd had, stierf hij. Siegfried veegde het bloed van zijn zwaard, en Regin kwam uit zijn schuilhoek te voorschijn. De dwerg zeide:
—"Hei, Siegfried, heil! U is de zege, gij zijt van alle wereldbewoners de eenige zonder vrees. Zingend reinigt gij uw zwaard aan de struiken. Toch was het mijn broeder, dien gij ombracht,—ofschoon niet geheel tegen mijn verlangen."
Regin ging naar Fafner, sneed hem met het zwaard, dat Vechtvlam heette, het hart uit het lijf en dronk van het bloed, dat uit de wonde vloeide. Daarna sprak hij tot Siegfried:—"Ik ga wat slapen,—braadt gij dan ondertusschen Fafners hart. Wanneer ik wakker word zal ik dat wildbraad eten."
Siegfried nam het hart van Fafner en braadde het aan een speer. Toen hij dacht, dat het genoeg doorbraden was, en zag hoe het bloed er overheen schuimde, raakte hij het met den vinger aan om te voelen of het al gaar was. Hij brandde zich echter en stak den vinger in den mond. Zoodra echter Fafners hartebloed de tong van Siegfried had aangeraakt, verstond hij de taal van de vogels. Hij hoorde ze in de boomen zingen en luisterde naar wat een zeide:
"Daar zit Siegfried nu met bloed bevlekt en braadt het hart van Fafner. En daar ligt Regin en overlegt bij zichzelf, hoe hij den held zal dooden. Siegfried moest dien dwerg het hoofd afhouwen, dan ware hij zelf meester van Fafners schatten."
Een tweede vogel zong en zeide:
—"Ja, voorzichtig zou het zijn, wanneer hij uw raad opvolgde en Regins lijk aan de raven gaf. Want mij dunkt het zeer onverstandig een van de broeders vrij te laten, nu hij den ander doodde. Regin, die aan verraad ligt te denken, is hem zeer vijandig: het ware dom dien dwerg te sparen."
Niet lang daarna kwam Regin terug en vroeg of Fafners hart al gaar was. Siegfried echter sloeg den dwerg het hoofd af, at zelf het hart van Fafner op en dronk daarbij beider bloed, van Regin en van Fafner. Toen zongen de vogels weer in de boomen en Siegfried luisterde naar wat een zeide. De vogel zong:
—"Hei, Siegfried! Koningen kennen geen vrees. Neem uit het hol alle roode ringen van Fafner en rijd over groene wegen naar Gibich's land. De koning heeft er een mooie dochter, die met Siegfried trouwen zal. Maar op Doodendierberg zie ik een burcht,—daar slaapt, gedekt door een helm, een vrouw van wondervolle schoonheid, die eens op gevleugelde rossen ten strijde reed. Machtige helden hebben daar vloeiend vuur als een schrikaanjagende beschutting om haar heengeslagen. Maar tegen der Nornen wil zal geen koningszoon haar slaap verstoren."
Siegfried volgde het spoor van Fafner en reed naar het hol. Dit stond open en de deuren en de stijlen waren van ijzer. Ook alle huisraad was van ijzer en de goudschat lag onder den grond begraven. Siegfried vond zooveel goud, dat hij er twee kisten mee vullen kon. Ook nam hij den schrikhelm en het gouden pantser en het zwaard, dat Ruischer heette, en vele kostbaarheden, en laadde alles op Grani, zijn paard. En Grani wilde niet vooruitgaan vóór Siegfried zelf het op den rug was gestegen.
Toen reed Siegfried naar het Zuiden, en kwam in het land der Gibichungen aan den Rijn. Hij sloot daar een verbond van bloedbroederschap met de koningszonen Goenther en Hagen, en trouwde met hun zuster Goedroen. Daarna reed hij met Goenther en Hagen en vele mannen uit om Brunhilde te werven, die boven op een berg in een burcht woonde, welke geheel met vuur was omgeven. En dit was geschied toen Wodan haar straffen wilde. Want eens waren twee koningen met elkander in strijd gewikkeld. De een heette Helmgoenther en deze was reeds oud. Maar hij was een zeer dappere held, en Wodan had hem de overwinning beloofd. De andere heette Agnar en was de broeder van Hada en niemand wilde zich met hem inlaten. Zegebrengster nu beminde Agnar, en zij stelde zich met hare acht zwanenzusters in dienst van den koning. En zij waren Walkuren. Zegebrengster doodde Helmgoenther in den strijd, en Wodan werd daarover zeer vertoornd. Hij doodde Agnar en hij zeide aan Zegebrengster, dat zij niet meer de overwinning in den strijd zou bevechten en dat zij slapen zou en dat zij moest trouwen met den held, die haar wekte. Toen bad zij tot Wodan en zeide:
—"Ik zweer, dat ik slechts met den held zal trouwen, die de vrees niet kent."
Daarop stak Wodan haar met den tooverdoorn in slaap, en legde haar op den berg. En hij sloeg roode en gele vlammen als schilden om haar heen, en hij zeide, dat zij slechts gewekt zou worden door den held, die de vrees niet kende.
Toen Siegfried en Goenther en Hagen dan bij den berg aangekomen waren, waarop Brunhilde was, zagen zij een burcht met een gouden dak, en vuur brandde er rondom, en boven op den burcht stond een standaard. Goenther reed op het paard, dat Goti heette, en Hagen reed op Holkvir. Goenther gaf zijn paard de sporen, en dreef het tegen het vuur in. Maar het paard week schichtig terug. Toen zeide Siegfried:
—"Waarom wijkt gij terug, Goenther?"
Deze antwoordde:
—"Mijn hengst wil niet tegen het vuur in springen."
Goenther verzocht aan Siegfried hem Grani te geven.
Siegfried sprak tot hem:
—"Die kunt gij krijgen."
Goenther reed opnieuw tot het vuur, maar Grani wilde niet verder gaan. Goenther kon niet door het vuur heen rijden. Daarop verwisselden Siegfried en Goenther van gedaante. Siegfried steeg op zijn paard, nam zijn zwaard Gram in de hand en bond zich gouden sporen aan de voeten.
Hevig begon het vuur te loeien, en de aarde beefde. Hoog tegen den hemel laaiden de vlammen op, en weinig helden zouden het wagen daar tegen in te rijden. Siegfried echter gaf Grani een wenk met het zwaard, als bliksems schitterden de teugels, die Regin eens bezeten had, en Siegfried reed door het vuur.
Toen hij door het vuur gereden was en dichterbij was gekomen, zag hij een schildburcht, en hij ging er binnen en hij zag een man, die in volle wapenrusting lag en sliep. Siegfried nam hem den helm van het hoofd en zag dat het eene vrouw was. Haar pantser was zoo stevig, alsof het was vastgegroeid. Siegfried sneed het open met zijn zwaard Gram, van den hals naar beneden en langs de beide armen en trok haar het pantser uit. En zij ontwaakte en richtte zich op, en zij zag Siegfried en zeide:
—"Wie doorsneed mijn pantser, wie verbrak mijn slaap, wie verscheurde mijn tooverboeien?"
Siegfried-Goenther antwoordde haar:
—"Ik ben Goenther, de zoon van Gibich, en gij zijt bestemd om mijn vrouw te worden, want ik reed door het vuur."
Toen zeide Brunhilde:
—"Lang heb ik geslapen, zoolang als menschen lijden. Dat wilde Wodan, en ik kon mijn tooverslaap niet verbreken."
Siegfried zette zich naast haar neder en vroeg haar naam. En zij zeide:
—"Gegroet gij dag, gij allen, lichtewezens. Gegroet gij nacht en aarde, dochter van nacht. Zie op ons neer met goedgunstige oogen, en verhoor onze beden om geluk. Gegroet gij Asen en Asinnen, allen, gegroet gij aarde, die ons voedt. Geef ons kennis en wijsheid en altijd wel-doende handen."
Brunhilde noemde zich Zegebrengster en zij was Walkure, en wie haar op het slagveld leerden kennen noemden haar Helmhilde. Zij verhaalde aan Siegfried-Goenther, waarom Wodan haar op den berg in slaap had gebracht, en toen zij dit verhaald had, zeide de held tot haar:
—"Menige heldendaad hebt gij volbracht. Denk nu aan uw belofte, dat gij zoudt medegaan met den held, die door het vuur zou rijden."
Hij stond recht-op en hij steunde op de greep van zijn zwaard. Brunhilde echter zat op haar zetel, zooals een zwaan op een golf zit, en zij hield een zwaard in de hand. Toen zij de woorden van Siegfried-Goenther hoorde, zag zij in, dat dit een herkenningsteeken was, en zij stond op en groette hem vriendelijk en leerde hem zeer veel wijsheid.
Hij bleef drie nachten bij haar, en zij bestegen hetzelfde bed. Siegfried echter trok het zwaard Gram uit de scheede en legde het scherpe staal tusschen hen beiden in.
En hij kuste haar niet, en nam haar niet in zijn armen, en hij lag naast haar, zooals een kind naast moeder ligt.
Brunhilde sprak tot hem:
—"Goenther, wat moet dat beteekenen?"
Siegfried-Goenther antwoordde haar:
—"Er is bepaald, dat ik aldus mijn bruiloft zal vieren, of anders sterven zal."
Toen nam hij een ring van haar aan, en gaf haar een ring, dien Fafner had bezeten. En hij reed terug door het vuur naar Goenther, en toen hij bij hem gekomen was verwisselde hij met hem van gedaante. Daarna reden zij weder naar het land van koning Gibich en Brunhilde werd er de vrouw van Goenther.
Op zekeren dag gingen Goedroen en Brunhilde naar de rivier om te baden. Brunhilde nu waagde zich het verste in den stroom. Toen vroeg Goedroen haar wat dat beduiden moest. Brunhilde antwoordde:
—"Waarom zou ik mij hierin wel aan u gelijk stellen en in al het andere niet? Mij dunkt, dat mijn vader veel machtiger was dan de uwe, en dat mijn man zeer veel heldendaden deed, en door het vuur is gereden. Uw man echter was knecht bij koning Helperik."
Goedroen was zeer vertoornd en zeide:
—"Gij zoudt wijzer doen te zwijgen, dan mijn man te beleedigen. Iedere man meent, dat niemand op de wereld zoo voortreffelijk is als hij,—maar u past het niet mijn man te beleedigen, want hij is uw eerste echtgenoot, en hij doodde Fafner en reed door het vuur, waar gij dacht koning Goenther te zien. En hij lag naast u op uw bed en hij nam u een ring van den vinger en dien ring kunt gij hier herkennen."
Brunhilde zag den ring, dien Goedroen aan de hand droeg, en zij herkende hem. Toen verbleekte zij alsof zij dood was, en ging heen en zeide heel den avond geen woord meer, en zij zat buiten.
Daar klaagde zij:
—"Ik wil Siegfried, het heldenkind, in de armen hebben,—of anders wil ik dood. Goedroen behoort aan hem en ik ben van Goenther. Een booze Norn schiep die eeuwige ellende."
Toen Goedroen met Siegfried ter ruste was gegaan en deze zijn mooie vrouw omhelsde, ging Brunhilde vol gramschap in de duisternis van den avond op de windkoele bergen. En zij sprak in zichzelf:
—"Zonder vreugde dwaal ik rond, en als ik vermoeid ben moet ik zonder vrienden rusten."
Goenther ging uit om haar te zoeken, en toen hij haar gevonden had vroeg hij haar, welke droefheid haar drukte, en of hij haar ook helpen kon.
Brunhilde zeide tot hem:
—"Goenther, mij en mijn land zult gij weldra verliezen. Ik vind hier geen vreugde meer, ik wil wederkeeren waar ik vroeger was, naar mijn verwanten en stamgenooten. Daar wil ik verblijven en mijn leven verslapen,—als gij Siegfried niet doodt en u zelf verheft tot heer over allen."
Goenther antwoordde haar:
—"Denkt gij aan moord, Brunhilde, denkt gij aan zulke daden? Zeg mij wat Siegfried u misdeed, dat gij zijn hartebloed wilt vergieten."
Brunhilde sprak tot hem:
—"Siegfried heeft mij trouw gezworen en zijn belofte gebroken, toen hij alle eeden beschermen moest. En u bedroog Siegfried ook. Want hij heeft eens in mijn bed gelegen, en ik wil niet twee mannen hebben in hetzelfde huis en het zal Siegfried den dood kosten, of u, of mij, want hij heeft alles aan Goedroen gezegd, en zij heeft het mij verweten."
De koning ging met gebogen hoofd rond, en hij wist niet wat hij doen moest. Hij wist niet of hij moest kiezen tusschen datgene, wat de eer van hem vroeg, of datgene wat hem voordeel kon brengen. Moest hij zich van Siegfried ontdoen, wetende wat hij in den Welsing zou verliezen? Maar het ware ook niet gelukkig als zijn vrouw zijn vorstenzaal zou verlaten. Goenther overlegde zeer lang bij zichzelf en riep tenslotte zijn vertrouwden Hagen en vroeg hem om raad. Hagen zeide tot hem:
—"Het past ons niet om eenmaal gedane beloften van trouw met het zwaard te verbreken. En er zijn geen gelukkiger menschen, zoolang wij over het volk regeeren en Siegfried bij ons is. En als wij nog meerdere kinderen kregen, zou er geen machtiger geslacht op de wereld leven: dan waren wij zelfs tegen de goden opgewassen. Brunhilde heeft u uit haat opgezet om onheil te bewerken. Zij misgunt aan Goedroen haar gelukkig huwelijk en wil daarom ook uw geluk verstoren."
Goenther echter wilde liever zijn leven dan Brunhilde verliezen, die hij het meeste van allen beminde. En hij besloot zijn eer te wreken en Siegfried te dooden.
Toen zeiden zij onder elkander:
—"Laten wij Gottorm aansporen tot den moord. Onze jongste broeder heeft weinig verstand en hij was niet bij ons, toen wij bloedbroederschap sloten met Siegfried."
Den volgenden dag braadden eenigen van hen wolvenvleesch, en anderen stukken van slangen, en zij gaven Gottorm dien kost te eten, vóór zij het waagden den held het leven te belagen.
Toen gingen zij op de jacht en Siegfried doodde vele dieren. Terwijl zij rustten bij een bron en Siegfried in het gras lag, kwam Gottorm tot hem en doorstak hem met een speer. Doodelijk gewond verhief zich de held en slingerde zijn schild naar Gottorm, die neerviel en dood was. Toen zeide Siegfried:
—"Ik weet wel hoe dit gebeurd is: Brunhilde draagt van alles de schuld. Van alle mannen hield zij van mij het meeste, maar tegen Goenther misdeed ik nooit. Ik heb mijn heilige eeden gehouden, al noemt men mij ook den man van zijn vrouw."
Toen stierf Siegfried. En een raaf in de boomen riep tot een andere raaf:
—"In Goenther's mannen zal Atli zijn zwaarden verven en op die wreedaards hun beloftebreuk wreken."
En Goenther hoorde die woorden.
Buiten voor den burcht stond Goedroen en verwachtte Siegfried van de jacht. Uit het woud rende Grani, en Goedroen verschrok zeer, toen zij het paard zag wederkeeren zonder Siegfried. Met vochtige wangen ondervroeg zij het paard, doch Grani boog het hoofd: het wist wel, dat Siegfried niet meer in leven was.
Daar stormden uit het bosch de paarden der moordenaren, tot bloedens toe gestoken door de scherpe sporen en druipend van zweet, en kwamen bij Goedroen.
Eerst stond zij in bangen twijfel vóór zij den koning vroeg, waarom haar held niet medegekomen was. Toen sprak zij:
—"Waar is Siegfried gebleven, dat al mijn vrienden vooruit gereden zijn?" De koning nu boog het hoofd en zweeg. Hagen echter zeide tot haar:
—"Aan de overzijde van den stroom ligt iemand, die Gottorm doodde en als maal aan de wolven gaf. Daar in het Zuiden kunt gij Siegfried vinden, gij kunt er het vroolijke geschreeuw hooren van raven en arenden en wolven rondom het lijk van uw geliefde. Wij hebben Siegfried met het zwaard gedood, en zijn grauwe hengst zal altijd het hoofd laten hangen om den dooden vorst."
Goedroen gaf een luiden gil en sloeg de handen in elkaar, dat de bekers langs de wanden beefden en de ganzen in den hof antwoord gaven. En toen Brunhilde dezen jammergil hoorde, lachtte zij van ganscher harte.
Goedroen sprak tot Hagen:
—"Hagen, hoe kunt gij mij zoo het onheil melden, dat aan al mijn vreugde een einde maakt? O, rukten de raven u het hart uit het lijf, scheurden zij het verder van u weg, dan de wereld groot is."
Hagen sprak tot haar:
—"Goedroen, het zou u nog grooter onheil berokkenen, als de raven mij het hart uit het lijf rukten."
Toen zeide Goedroen:
—"Zoo verheven was Siegfried boven Gibichs zonen, als een boom boven het gras, als een volwassen hert onder kleinwild, als gloeiend goud tusschen het grauwe zilver. Broeders misgunden mij zulk een vriend, die alle anderen overtrof. Zij konden niet slapen, niet strijden van nijd, vóór Siegfried gedood was."
Toen kwamen er mannen, die droegen Siegfrieds lijk. Zij droegen het op goudomrande schilden en brachten het in Goedroens zaal.
Des avonds zaten de koningszonen bij elkander, en dronken veel en voerden vroolijke gesprekken. En Brunhilde was bij hen.
In haar zaal echter zat Goedroen bij Siegfrieds lijk. Zij weende niet en sloeg niet de handen in elkaar en weeklaagde niet zooals andere vrouwen. Zij waakte bij Siegfried en was vol van smart. Wanneer er wolven op haar aangevlogen waren en vlammen om haar heengeslagen waren,—wolven en vlammen zouden haar liever zijn geweest. Zij zat bij Siegfrieds lijk en wilde wel sterven, en zij was zoo vol gramschap, dat zij opvliegen wilde,—maar weenen kon Goedroen niet.
Naast Goedroen zaten de allerhoogste edelvrouwen, en een ieder sprak over het leed, dat zij ooit hadden beleefd.
De eene zeide:
—"Ik ben wel de ongelukkigste onder de menschen, want in Zuidland roofde mij de strijd zeven zonen en hun vader weg. Met mijn vader en moeder en vier van mijn broeders speelde de storm een spel op de golven,—het schip sloeg aan stukken en ik was getuige van aller ondergang. Dat alles trof mij in denzelfden zomer, en niemand troostte mij."
Goedroen zat, vol gramschap om Siegfrieds dood en gedrukt onder het leed, bij het lijk van haar geliefde,—maar weenen kon Goedroen niet.
Toen zeide een tweede van de vrouwen:
—"Ik heb nog veel feller leed te beklagen. Want als gevangene werd ik door vijandelijke legers medegevoerd. In het vreemde land moest ik een edelvrouw elken morgen met sieraden kleeden en haar schoeisel binden. En zij plaagde mij, omdat zij mijn schoonheid benijdde, en sloeg mij vaak met vele slagen."
Goedroen zat, vol gramschap om Siegfrieds dood en gedrukt onder het leed, bij het lijk van haar geliefde,—maar weenen kon Goedroen niet.
Toen sprak Goudrand, de dochter van een koning:
—"Gij kunt een jonge vrouw het leed niet verzachten."
Goudrand sloeg het kleed terug, dat Siegfrieds lijk bedekte en legde het hoofd op Goedroens knieën en zeide:
—"Zie, dat is uw geliefde. Omhels hem nu en kus zijn lippen, alsof de koning nog in leven was."
Goedroen zag op en aanschouwde het hoofd van haar man, dat met bloed was bedekt, en zijn lichtende oogen, die waren gebroken en zijn borst, die door het sterke staal doorstooten was.
Toen zonk zij neer in de kussens, haar haren vielen los om haar heen en haar wangen kleurden. En Goedroen weende. Een regen van tranen stroomde in haar schoot en de ganzen in den hof gaven antwoord op haar klachten.
En Goedroen zeide:
—"Zoo hoog stond Siegfried boven Gibichs zonen als een boom boven het gras, en als een edelsteen in een hoofdband gevlochten schitterde hij boven de edelen. Ook mij achtten de volgelingen van den held hooger dan de Walkuren van Wodan. Nu ben ik jammerlijk neergeworpen aan Siegfrieds lijk, zooals het loover wordt neergeworpen door den storm. Altijd zal ik in onvervuld verlangen leven,—dat is de misdaad van de Gibichungen, die hun zuster zulk een smart aandeden. Gij, Goenther, zult nooit van het goud genieten, uw ringen zullen u het leven rooven, zooals gij Siegfried deedt na verbreking van al uw beloften. Dan zal de vreugde in dit vorstenhuis niet zoo groot zijn, als eens, toen mijn Siegfried Grani het zadel oplegde en met u uitreed om Brunhilde,—vervloekt zij die vrouw!—te werven."
Bij den ingang van de zaal stond Brunhilde en omklemde den deurstijl. Haar oogen gloeiden en zij knarste op de tanden, toen zij de wonden van Siegfried zag. En zij zeide:
—"Nooit zal ik dien aanblik vergeten. Van al die smarten draagt het goud de schuld, waarvan ik den gloed gezien heb rondom den bezitter van den drakenschat. Wel moet ik dien rit nu rijkelijk boeten."
Toen ging Brunhilde naar het nachtvertrek van Goenther. Goenther echter was wakker,—hij woelde met de voeten en hij dacht aan de woorden, die een raaf in de boomen riep tot een andere raaf, toen Siegfried gedood was.
Den volgenden morgen ontwaakte Brunhilde zeer vroeg en zij zeide tot Goenther:
—"Ik zal u het leed verhalen dat gebeuren gaat, al houdt gij mij ook tegen. Verschrikkelijke dingen, Goenther, zag ik in mijn slaap; allen in de zaal waren gestorven en ik lag in het graf. Maar gij, o koning, waart in boeien geslagen en vreugdeloos werdt gij naar het vijandelijke leger gesleept. Heel het geslacht der Nevelingen gaat ten gronde, omdat gij eeden verbreekt. Gij dacht er niet aan, Goenther, dat gij uw bloed met het bloed van Siegfried tot een verbond hebt vermengd en gij hebt het hem slecht beloond, dat hij de dapperste was van allen. Dat toonde hij eens, toen hij uitgereden was om mij te werven, en hij de belofte, die hij u deed, zoo trouw heeft gehouden. Want toen legde de heerlijke held zijn schitterende zwaard tusschen ons beiden,—in het vuur is het staal gehard en het is van binnen met gif doortrokken."
De mannen waren bij elkander gekomen en zij zwegen, toen zij deze woorden hoorden. Zij begrepen de vrouw niet, die zoo droevig de daad besprak, welke zij lachend had aangeraden. En Brunhilde zeide:
—"Goenther, reeds lang geleden hebt gij schuld op u geladen, toen ik nog jong en zonder zorgen in den burcht van mijn broeder Atli was, en er mijn groote schatten bewaarde. Gij kwaamt op hengsten naar onzen berg gereden, maar geen van u begeerde ik als man. Wat had de werving der Gibichungen voor waarde? Ik verlangde den held, die reed op Grani's goudbeladen rug. Hoe hoog verheven gij u ook acht, niemand is met hem te vergelijken. Maar Atli bedreigde mij in het geheim: niets van wat mij toebehoorde zou ik behouden, geen goud en geen land en niets van de sieraden, die mij als kind waren geschonken, zoolang ik ongetrouwd zou zijn. En ik dacht, dat gij door het vuur kwaamt gereden, dat gij deze heldendaad volbracht. Maar het goud van Siegfried ware mij liever geweest, en hem beminde ik het meeste van allen. Nu zal Atli, mijn broeder, alles verkrijgen, zoodra hij mijn dood verneemt. Een vrouw is met mijn verloofde getrouwd, maar ik zal voor dien smaad voldoening verkrijgen."
Toen ging Brunhilde heen en verdeelde al haar goud, zooals een vrouw doet, die wil sterven. Goenther echter kwam tot haar en sloeg zijn armen om haar hals, en allen trachtten haar tot kalmte te bewegen. Goenther zeide tot Hagen:
—"Laat al onze mannen in de zaal te zamen komen, wij moeten trachten de vrouw van den dood te weerhouden, want de nood is groot."
Hagen echter antwoordde hem:
—"Houd haar niet terug van dien langen tocht, en moge zij nooit herboren worden! Haar moeder gaf haar het leven om leed te verduren, en het geluk van veel mannen te verstoren."
Brunhilde zat in een gouden pantser gekleed, en zij overzag haar dienstknechten en dienstmaagden, die met gouden halssnoeren en prachtige sluiers en kostbare gewaden waren getooid en met haar wilden sterven.
Toen bracht zij zich een doodelijke wonde toe, en zeide tot Goenther:
—"Zet u hier neder, en luister naar wat ik u zeggen zal. Uw bedrog heeft mij tot den dood gedrongen, en mijn leven ging zonder vreugde heen. Maar al ga ik nu weg uit de wereld,—uw schip is nog niet in veilige haven. Goedroen zal zich spoedig verzoenen. Bij koning Alf zal zij haar dooden man nog droevig gedenken, maar dan zal zij eene dochter baren, die schitterender is dan de zonnestralen, en lichter dan de dag: de blanke Zwaanhilde. Een man zult gij haar dan geven, dat huwelijk zal velen leed berokkenen, en geen vreugde zal zij kennen als Atli's vrouw. En gij zult Ortroen tot vrouw begeeren, en heimelijk zult gij elkander beminnen, omdat Atli uw liefde niet wil. Zij zal u beminnen, zooals ik het doen moest, aan ons werd dat geluk niet gegund. Maar Atli zal zich wreed op u wreken, en gij wordt naar een slangengraf gesleept. Spoedig zal ook Atli sterven, door de grimmige Goedroen getroffen met het staal. Het ware beter geweest, als zij haar eersten man in den dood was gevolgd,—maar haar geest gelijkt den mijne niet. Wat ik u zeg, weet ik goed,—door mijn schuld zal zij het leven niet verliezen—golven zullen haar dragen in Jonaker's land. En onder zijn zonen zal zij er strijd doen ontbranden,—Zwaanhilde, de dochter van Siegfried en van haar,—de nakomelingen van Siegfried worden vernietigd—allen,—groot zal Goedroens droefheid zijn.
Goenther, ik zou u nog meer kunnen zeggen, gaf een God mij tot spreken den tijd. Ik verwar mijn woorden,—mijn wonden gloeien,—ik zei u de waarheid,—ik zal het achterlaten zooals ik zei."
Toen stierf Brunhilde.
En zij stapelden een hoogen brandstapel op voor Siegfried en Brunhilde. En er was plaats voor allen, die kwamen om met hen te sterven. Zij behingen den brandstapel met schilden en kleeden en lijkwaden, en legden het lichaam van Siegfried daar boven op. Zij plaatsten naast den duitschen koning Brunhildes dienaren, die gouden kettingen droegen om den hals, twee dienaren aan zijn hoofd en twee aan zijn voeten, en zij plaatsten er twee honden en twee havikken bij. En dicht naast den held legden zij Brunhilde, en tusschen hen in legden zij het scherpe zwaard, dat met ringen versierd was, en dat tusschen hen in had gelegen, toen zij beiden hetzelfde bed bestegen en toen men hen noemde man en vrouw. Vijf maagden volgden hen, en acht van Brunhilde's dienaren, allen van edel geslacht, en die allen met haar opgegroeid waren.
En toen staken zij den brand in de stapels.
Siegfried en Brunhilde's vaart uit de wereld was niet armoedig. Haar lijkstoet volgde dien van Siegfried en de met ringen versierde poort van de doodenzaal viel den held niet op de hielen. Zij gingen te zamen naar binnen, Siegfried en Brunhilde. En Brunhilde zeide:
—"Lang nog zullen er mannen en vrouwen leven om te lijden. Maar eeuwig zullen wij samen zijn, Siegfried en ik."
Goedroen
Hagen en Goenther namen na den dood van Siegfried en Brunhilde al het goud, dat aan Fafner had toebehoord en zij verborgen het in den Rijn.
Toen ontstond er oneenigheid tusschen de Gibichungen en Atli, die de broeder van Brunhilde was. Atli wilde een gedeelte van het goud hebben, dat aan Brunhilde had toebehoord, en hij gaf den Gibichungen de schuld van den dood zijner zuster. Zij kwamen echter overeen, dat Goedroen aan Atli ten huwelijk zou worden gegeven.
Goedroen nu had na den dood van Siegfried de bergen van den Rijn verlaten, en kwam na vijf dagen in het Noorden op den burcht van Alf aan. Daar bleef zij zeven zomers bij Thora, die de dochter was van den Denenkoning Hakon.
Om Goedroen haar gramschap te doen vergeten weefde Thora in kleeden de voorstellingen van duitsche koningszalen en deensche schepen, en van heldenspelen en roode schilden en van gewapende heldenscharen. Zij weefden beiden den uittocht van Siegmond's goudsnavelige schepen, en zijn strijd tegen Siggeir in het Zuidelijke land.
Grimhilde, de moeder van Goedroen, kwam met vele langbaardige mannen, die roode wapenrokken en vergulde pantsers en metalen helmen droegen, en zwaarden hadden aan hun gordelband. Zij kwamen als koningen in het land waar Goedroen verbleef, en zij brachten kostbare geschenken mede, en spraken goedige woorden om haar te troosten in het groote leed, dat zij droeg.
Drie vorsten bogen voor haar neer. Toen bood Grimhilde haar een beker vol kouden bitteren drank aan. Deze drank was gebrouwen uit de kracht van de aarde en de zilte zee en zonnestralen, en er waren allerlei kruiden in en veldgewassen en ingewanden van offerdieren en zwijnenlever. Rondom op den beker waren allerlei teekenen gegrift en rood er in gebrand: de lange slang van de heide en een dierenmuil en korenaren.
Grimhilde sprak tot haar dochter:
—"Goedroen, al het goud zal ik u geven, dat u toekomt na uws vaders dood, en den burcht en de ringen en heel het heir van koning Lodver en de dienstmaagden van Boedli, Brunhilde's vader, die loovertjes in goudstof weven. Want alleen zult gij heerschen over de schatten des konings,—als Atli's vrouw. Zoek geen vergelding meer voor Siegfrieds dood en wees goed en gelukkig, dan zult gij zonen baren, alsof Siegmond en Siegfried nog leefden."
Goedroen echter antwoordde haar:
—"Ik wil niet goed zijn en niet gelukkig, Grimhilde, en ik wil geen man gelukkig maken, sinds de raven en de wolven vochten om Siegfrieds bloed. Nooit zou ik Brunhildes broeder nemen, en het past mij niet den zoon van Boedli kinderen te baren uit innigen bond."
Grimhilde sprak tot haar:
—"Hij is de edelste en de eerste onder de vorsten, Goedroen. Neem hem tot man. Eens zal de ouderdom tot u komen,—gij zult dan alleen zijn, wanneer gij hem niet neemt."
Goedroen antwoordde en zeide:
—"Moeder, laat het toch om zoo ijverig den man uit dat onheilsgeslacht mij aan te prijzen. Hij zal slechts jammer over Goenther brengen, en hij zal Hagen het hart uitrukken. Geen rust zou ik kennen, voor ik dien koning van het leven beroofde."
Vol afschuw hoorde Grimhilde de woorden, die haar zonen onheil voorspelden en verderf aan haar gansche geslacht.
Goedroen nam nu den beker, dien Grimhilde haar nogmaals aanbood, en zij dronk hem leeg terwijl zij zeide:
—"Door bloedverwanten word ik gedrongen. Nooit zou Atli mij geluk aanbrengen, en als hij mijn broeders krenkte, zou het niet tot heil van zijn kinderen zijn."
Toen Goedroen gedronken had, was zij Siegfried en al haar leed vergeten, en zij wilde met Atli trouwen.
Spoedig stegen allen te paard, en de vreemde vrouwen werden in wagens geholpen. Zoo reden zij de eerste week door Noordland heen, trokken de tweede week over de zee en drongen de derde week het bergland in. De wachters openden de poort van den burcht, en allen reden er binnen.
Daar woonden Atli en Goedroen te zamen, en hunne zonen heetten Erp en Eitel.
Eens zond Atli gezanten naar het land der Gibichungen, om Goenther en Hagen uit te noodigen op zijn burcht. Want Atli wilde nu ook een gedeelte van het goud hebben, dat Siegfried nagelaten had. Ook had Atli gehoord, dat er een geheime liefde bestond tusschen zijn zuster Ortroen en Goenther. Atli was hierover zeer vertoornd en hij wilde de Gibichungen dooden.
Goedroen echter had gehoord hoe het moordplan werd besproken. Vol zorgen om haar broeders te redden zon zij op listen. Zij gaf aan de gezanten een gouden ring mede, waaromheen zij een wolvenhaar gewonden had. En in takken sneed zij runenteekens, en ook deze gaf zij als waarschuwing mede. Vleugel echter, een der gezanten, vervalschte de runen vóór hij ze afgaf.
Eens in een nacht, toen de gezanten vertrokken waren, schrok Goedroen plotseling wakker. Want zij was in grooten angst om haar broeders, en zij had een voorgevoel, dat hun iets overkomen zou. Atli sprak tot haar:
—"Ook ik werd plotseling gewekt door waarschuwende geesten. Ik droomde van mijn doodsvaart. Ik zag hoe gij, Goedroen, mij met een dolk gruwzaam doorboordet. Wat zou dat beduiden?"
Goedroen antwoordde hem:
—"Van dolken droomen wijst op vuur en de toorn van een vrouw op groote vreugde. Misschien moet ik u eens een wonde uitbranden om uw leed te verlichten."
Atli zeide tot haar:
—"Er vlogen valken van mijn vuist naar Hella, uitgehongerd. En ik droomde, dat ik hun harten at, die schuimden van bloed en bereid waren met honig. Twee lammeren rukten zich los uit mijn hand en blaattenklagend. Hun vleesch was bedorven, maar ik moest het eten."
Goedroen sprak:
—"Er zullen mannen komen, en den lammeren den kop afhakken. Na weinige nachten zal het gebeuren, kort voor den morgen, en zij zullen een maal voor den koning bereiden."
Goedroen bleef wakker, en mijmerde over de daad waarvan zij het plan maakte.
Toen de gezanten bij Goenther gekomen waren, zetten zij zich rondom den haard op de zetels, en zij dronken het zoete bier. Knievlug, die de voornaamste van de gasten was, zat op den hoogen zetel en hij zeide tot Goenther:
—"Atli zond mij op het brieschende paard door het onbekende donkere woud om u, Goenther, uit te noodigen met Hagen te komen naar zijn burcht, ten einde Atli te bezoeken. Zet met ringen versierde helmen op het hoofd, want strijdhelmen kunt gij uitkiezen bij hem, zooveel gij wilt, en gladde speerstangen en met goud versierde zadels en speerspitsen en brieschende paarden. Met schallende speren en vergulde schepen zal Atli u helpen, om de Gnitaheide met hare vele schatten te veroveren en de steden van Danpar en het beroemde bosch, dat de menschen Zwartwoud noemen."
Goenther wendde het hoofd tot Hagen en zeide:
—"Wat raadt gij aan te doen? Ik geloof niet, dat er op Gnitaheide meer goud te vinden is dan wij bezitten, en wij hebben zeven zalen vol zwaarden, en elk zwaard heeft een gouden greep. Ik weet dat mijn paard het beste is en mijn zwaard het scherpste, en dat mijn helm en mijn schild, die uit de hallen van koning Kiar stammen, de schitterendste van alle zijn."
Hagen antwoordde hem, voor anderen onhoorbaar:
—"Wat denkt gij, dat de vrouw ons wilde zeggen, toen zij ons een ring zond met een wolvenhaar omwonden? Ik denk, dat zij ons waarschuwen wilde: om den ring vond ik een wolvenhaar gewikkeld: als wij uitrijden naar Atli rijden wij naar wolven heen."
Geen van Goenthers bloedverwanten spoorde hem aan, en geen enkele van zijn vertrouwde raadslieden, noch een der machtigen uit het land raadde hem aan naar Atli te rijden. Zooals het een koning past sprak Goenther vol moed luide door de drinkhal:
—"Ik ga! Schenker, sta op en laat de dienaren gouden schalen vol drank aan de gasten geven."
De vrouw van Hagen kwam in de zaal om de gasten te begroeten, en ook de vrouw van Goenther kwam en zorgde voor hen. Meisjes droegen mede binnen en er werden vele hoornen leeggedronken, totdat allen verzadigd waren. Toen zocht een ieder zijn legerstede op.
De vrouw van Hagen was zeer verstandig. Zij kende runen lezen en in den schijn van het haardvuur las zij de runen, die Goedroen in de takken gesneden had. Deze waren echter zeer moeielijk te ontraadselen, en nadenkend ging zij met Hagen naar bed. Zij droomde, en tegen den morgen werd zij wakker en zeide tot Hagen:
—"Wilt gij van huis gaan Hagen? Luister naar mijn raad en ga ditmaal niet. Uit de runen van uw zuster heb ik gezien, dat zij u niet tot dien tocht heeft uitgenoodigd, het verwondert mij alleen, dat zij zoo raadselachtige runen sneed. Want zoo heeft zij ze ingesneden als stak voor u beiden de dood er onder, wanneer gij met vertrouwen naar Atli gaat. Een runenteeken liet zij uit, of een ander heeft het bedorven. Ik geloof dat het u slecht vergaan zal, Hagen. Ik droomde, dat er een beer binnenkwam, die de stutten van de zaal omstootte en ons allen wegdroeg in zijn muil."
Hagen echter antwoordde haar:
—"Dat zal storm beteekenen, en de wintersneeuw hebt gij voor een ijsbeer gehouden."
Zijn vrouw sprak wederom tot Hagen:
"Een arend vloog rond door de zaal en van zijn vleugels droop het bloed. Mij dunkt, dat is Atli."
Daarop zeide Hagen:
—"Wij slachtten veel vee, en dan druipt er veel bloed. Gij hebt van arenden gedroomd, maar het zijn ossen."
Toen zwegen beiden. Maar ook de vrouw van Goenther was ontwaakt, en zij zeide tot hem:
—"Ik zag u aan een galg hangen om verslonden te worden door slangen en gij waart nog in leven,—het wereldeinde was nabij,—wat moet dat beduiden? Dwars door uw pantser stak bloedig staal in uw borst, en rondom u huilden de wolven."
Goenther antwoordde haar:
—"De klank van speren werd wolvengehuil."
Zijn vrouw echter zeide:
—"Een stroom stortte zich in de zaal, en overstroomde de zetels, en u beiden wierp hij van de voeten en het water spaarde niets. Dat moet iets beteekenen. En in volle wapenrusting reden doodsvrouwen naar den koningsburcht, en zij riepen om u, en uw beschermgeesten waren verdwenen."
Goenther stond op en sprak:
—"Gij komt te laat,—ik besloot te gaan, en ik ga. De oude grauwe wolven zullen de schatten der Nevelingen bewaren als Goenther verloren gaat,—beren zullen met scherpe tanden de mannen verscheuren, als Goenther niet wederkeert."
Toen reden Goenther en Hagen met weinige mannen heen, maar vele dappere helden geleidden hen tot buiten de poort van den Nevelingenburcht. Daar zeide een zoon van Hagen, die niet verder medeging:
—"Veel geluk op uw reis. Maar weest op uw hoede waarheen uw hart u lokt."
Vol moed lieten zij toen hun brieschende paarden door het onbekende donkere woud draven. Heel Hunnenland daverde, toen de helden daar reden, en de paarden met zweepslagen door het groene bosch heendreven.
Zij kwamen in het land van Atli en zagen de diepe insnijdingen in de tinnen van den burcht, waar Boedli's strijders op stonden. De zaal van dat Zuidervolk was met banken omgeven en rondom stonden er schilden, rand aan rand. In de hal dronk Atli wijn met zijn makkers, en buiten stonden er wachters, en zij zagen uit of Goenther ook kwam om met luid schallende speren den strijd te beginnen tegen den koning.
Weldra zag Goedroen haar broeders naar de zaal komen, en zij zeide:
—"Goenther, gij zijt verraden. Wat wilt gij beginnen, held, tegen de rampzalige listen der Hunnen? Ga spoedig heen uit de hallen. Gij hadt beter gedaan, broeder, wanneer gij in pantsers gekomen waart, dan zoo, met ringen versierde helmen op het hoofd dragend, ten einde Arli te bezoeken. Het ware beter, wanneer gij dagen lang in het zadel gezeten hadt en gereden waart door de felle zon, en geesten liet klagen bij kille lijken, en vechtenden Hunnenvrouwen smaad hadt bereid, en Atli naar een slangengraf gesleept hadt, waarin gij nu wordt geworpen."
Goenther antwoordde:
—"Nu is het te laat om de Nevelingen bij elkander te roepen, het is te ver om mijn mannen tot het gevecht te halen, de onverschrokken helden van den roodrotsigen Rijn."
Toen kwamen de mannen van Atli te voorschijn, en zij riepen:
—"Het was reeds lang besloten uw leven te belagen."
Tevergeefs trachtte Goedroen den vrede te bewaren, en allen riepen:
—"Neen."
Ook vroeg zij aan haar zonen, dat zij den Nevelingen het leven zouden redden, maar deze zeiden:
—"Neen."
Toen ontstond er een groote strijd, waarin alle Nevelingen gedood werden, behalve Goenther en Hagen, en waarin ook velen van Atli's mannen vielen.
Zij namen Goenther gevangen en bonden hem in stevige boeien. Hagen echter sloeg zeven mannen neer en stiet den achtste in een brandend vuur: zoo trachtte hij nog zijn broeder te redden.
Daarop vroegen Atli's mannen aan Goenther, of hij zijn leven koopen wilde met Fafners goud. Goenther echter zeide,—en hij geloofde niet, dat het gebeuren kon—:
—"Als men Hagen het hart uit het lijf snijdt en het bloederig op mijn hand legt, zal ik mijn leven met Fafners goud afkoopen."
Toen sneden Atli's mannen Hialli, den kok van den koning, het hart uit het lijf en legden het bloederig op een schotel en boden het Goenther aan. Deze echter zeide:
—"Dat is het hart van den laffen Hialli, het gelijkt niet op het hart van den dapperen Hagen: het beeft te zeer nu het op den schotel ligt, en het beefde nog meer in zijn borst."
Toen sneden Atli's mannen Hagen, den koenen krijgsman, het hart uit het lijf. En Hagen lachte zoo luid, dat heel de wereld het hoorde. En zij legden het bloederig op een schotel en boden het Goenther aan.
Deze zeide:
—"Dit is het hart van den dapperen Hagen, het gelijkt niet op het hart van den laffen Hialli: het beeft slechts weinig, nu het op den schotel ligt, en het beefde nog minder in zijn borst. Moge gij, Atli, zoo ver uit het oog van de menschen verdwijnen, als Fafners goud van u verwijderd blijft. Hagen is dood, nu ken ik alleen slechts de plaats, waar het goud ligt. Zoolang wij haar beiden kenden, vreesde ik, dat zij ooit verraden werd,—nu ik alleen ben vrees ik niet meer. De Rijn zal het veel omvochten goud bewaren, dat de Nevelingen van de goden gekregen hebben: in het water schitteren de roode strijdringen beter dan aan de armen van een Hunnenkind."
Daarop zeide Atli:
—"Brengt den wagen voor,—de gevangene is gebonden."
Koning Atli steeg op zijn paard, en deed Goenther met gewapende mannen omringen. Daar kwam Goedroen op de rumoerige binnenplaats van den burcht,—zij bedwong hare tranen,—en zeide:
—"Atli, het moge u gaan naar de wijze waarop gij de eeden houdt, die gij eens aan Goenther hebt gezworen bij de zon in het Zuiden, bij de bergen van Wodan, bij het huis en de ringen van Uller."
Toen sleepten brieschende paarden Goenther, den heer der schatten, in den dood. Levend wierpen de krijgsknechten hem in een groeve, die wemelde van slangen. Maar Goenther sloeg grimmig in de harpesnaren en de slangen sliepen in. Eén slang echter bleef wakker en kroop naar Goenther en stak den held diep in het hart.