Het Pascha, (continued 2)
Reading edition
VIJFDE EN LAATSTE DEEL.
FAMA, of 't blazende gerucht. 't Heer-leger Israëls (dat God zelfs[383] had geleid Onder zijn vleug'len uit de Egyptsche dienstbaarheid, Dat God 's voorging in een vierige colomme En 's daags in eene wolk) Farao wederomme Had eindlijk achterhaald, en met zijn oorlogs-heer Omringd tusschen 't gebergt en tusschen 't roode Meer, Dat, met de zonne kwam de duisternis verrassen, Zich spiegelde verbaasd in zoo veel harrenassen, In zoo veel ijzer-blaauw; dies riepen zij: 't en helpt[384], Wij blijven samen hier in droefheid overstelpt, Wij zijn besloten van 't gebergte en van de baren, Van zoo veel oorlogs-volk en toegeruste scharen: Ha, Amrams zonen snoô! die ons zoo onbedocht[385] Vervoerd hierop een graf en kerk-hof hebt gebrocht: O, zalig waren wij, in arbeid en in slaven, Eer in Egypteland gestorven en begraven: Verraders van den rei[386] en 't leger der Hebreên, Een ieder wreek' zich zelf en worp'[387] den eersten steen! Gelijk de reizigers (als in de azure golven Van eenen waterberg bedekt wordt en bedolven Het vlottig schip, wanneer zich Boreas verheft, En 't golvig driftig[388] hout met groene baren treft) Den schipper dreigen vast, zoo voor de stuure[389] winden Hij 't opgeblazen zeil wil strijken noch ontbinden: De een met een bleek gelaat naar 't leven vast de dood Afschildert, de ander klaagt, dat in Thetydis schoot Hij vindt zijn duister tombe, en de ander dat zijn leven Ontijdelijk hij moet den baren overgeven, Dat ondertusschen heeft den zeeman, al ontrust, Genoeg te doen, eer hij d'een stilt en d'ander sust;— Zoo ook in dezen storm de Israëlietsche hoeders Aaron en Mozes beid' vertroosten hun gebroeders, En roepen: "makkers denkt, dat uwen koning leeft, Die midden in 's doods nood de zijne 't leven geeft, 't Is eenen vasten grond en twijfelt niet zoo wanker[390], Vest uw geloove op hem, en worpt der hopen[391] anker Op Gods almachtigheid, die 't steil gebergte kan Tot dalen platten, en verdroogen d'ocean: Den jongsten toont, hoe hun den Hemel is te goede, En slaat, met zijne doode en levendige roede, Het woeste baargeplots, dat zich verdeelet stuur, En wederzijden maakt een roô robijnen muur, Een schutsel van kristal, en nemet zijn afscheidsel Zoo wijd, dat midden[392] blijft een guldig zand-plaveisel, Een droogen vloer geschelpt, waar op dees leidsliên voor 't Gansch leger volgen doen hun stappen op het spoor. O zeldzaam wonderwerk! wie zal ik best gelijken Israël, die zoo haast een plaatse vindt om wijken, Als bij de watervloed, die stroomig opgehoopt Een leger[393] diepte vindt en snellijken verloopt! Terwijlen dus d' Hebreên (spijt 't wezen[394] der naturen) Vast dweerssen[395] deze straat van kristalijne muren, Roep de een: "de zee is droog, en 't water even vocht Hangt, ik en weet niet hoe, tot boven in de locht!" En d' ander krijst: "wats dit? 't Roô meer schijnt opgeblazen, Thetys siert heur paruik in deze spiegelglazen: Waar toe met schepen meer gevloten over 't nat, Wanneer men doorgaans[396] vindt zulk eenen droogen pad? Waar toe dient doch 't kompas en de opgespannen zeilen, Of't grondloos[397] dieplood, om de diepten met te peilen?" Dus in verwondering treedt vast 't heerleger voort, En vindet zich droogs voets van de een op de ander boord Behouden op het strand; dies Farao verbolgen Verkiest den zelfden pad, om fluks hun te achtervolgen Met al zijn wapentuig, met al zijn krijgs geweld, En is naauw in 't gebied van 't zandig zeeusche[398] veld, Of den Hebreeuschen God beginnet zich te belgen, Die om hun in een graf te zamen te verzwelgen, Een slinksch[399] onweder van den hemel nederworpt, Dat 't slibberig gebergt weêr in zijn holte slorpt, Dat ieder over hoofd en hals in 't diepste sobbelt[400], En komen door 't gegolf eens eindling[401] opgebobbeld, Met eiselijk[402] geschreeuw, half levende en half dood: De dooden zijn alreê meer als der golven vloot[403]: De een roept: "Osiri, o! helpt mij te boven klemmen[404]!" En de ander: "help, Isis! opdat ik 't mag ontzwemmen!" De een is met 't harnas zwaar gezonken in den grond, De een houdt zich aan de koets, of aan de wielen rond, En de ander al verbaasd, om boven 't water wakker Nog 't hoofd te houden op, grijpt zijnen naasten makker, En zinken beidegaêr; de zee, die altijd woelt, Wat nog te boven drijft voorts in den afgrond spoelt. De prince van den Nijl, die, in zijn koetse deftig, Werd voortgetrokken van sneeuwwitte hengsten heftig, Vervloekt de troebel zee, de golven zout gezwind[405], Den Hemel en de lucht, de bliksems en de wind, En om ontijdlijk nog de bleeke dood te ontvlieden, Durft hij den dullen[406] storm 't hoofd even dapper bieden, En stijgt de baren op, en krijschet: "of gij schuimt, Voor dezen gaffel spits den weg naar 't strand opruimt, Ik ben Neptunus zelf, de God van deze stranden; Ontziet mijn blaauwe spriet met drie gescherpte tanden: Gij bruischt, gij zwalpt, en krielt; ziet, wie[407] gij rebelleert! Ik ben't, die op het diep van uwen stroom laveert." Den Oceaan en past op[408] vloeken noch op schelden, Zijn dreigementen dweers[409] en mogen hier niet gelden; Na dat hij zevenmaal met 't woest getuimel vocht[410], Zijn voorhoofd heeft gebergd ten wolken in de locht, En weder zevenmaal gedaald is in de vesten Van't grondelooze diep, hem eindelijk ten lesten De vochtigheid verzwaart, ja alle hoop berooft, En in heur grimmigheid delft over hals en hoofd. Ik geef te denken voorts, de Hebreên, die 't aanzagen, Hoe hunnen vijand lag zoo korteling[411] verslagen, Hoe God zoo lichtelijk den pratten hoogen moed Farao's had gedempt vertreden onder voet, Of niet een ieders tong, van vrolijkheid ontsprongen, Den driemaal hoogen lof des Hemels heeft gezongen, Als zij aanschouwden, vrij van 's konings wreedheid straf Dat hun verlossing werd Farao tot een graf, Diens korten ondergang, diens droevig treurspel even En onverzienste[412] dood hun strekte tot den leven. De winden en het meer goedjonstig[413] wierpen ruit[414] De Egyptsche wapening[415] weêr aan den oever uit, Wierp harnas, schild en zwaard juist den Hebreên in handen, Daar zij eerst werden met[416] gedreigd van hun vijanden. Dit heb ik zelf gezien, dit heb ik zelf gehoord, En deel 't een ieder voor de zuiver waarheid voort; Veel wijder als men ziet zon, maan en sterren blinken, Zal ik dees nieuwe maar met mijne tromp[417] doen klinken. (Binnen).
HYMNE OF LOFZANG. VAN DE ISRAËLIETSCHE REI. Nu zingt, nu speelt, nu reit en danst, Nu looft den Heer der Heeren, Die ons met de overhand bekranst, Vlecht hem een kroon van eeren; Hij is, die al de banden van Ons slavernije breken kan, En onzen rouw in vrolijkheid verkeeren. De Heer gedenkt aan zijn verbond Over zijn uitverkoren, Looft Hem met ziele, tong en mond, Die Israël staat voren[418], Die Jacobs huis, in dienstbaarheid, Onder zijn schaduwe bespreidt[419], Prijst zijnen naam, en wilt nu vreugd oorboren[420]. Hij is de God van Abraham, Isak en Jacob machtig, Die nu tot koning zalft den stam, Den stamme Juda krachtig, Die ons naar 't zoet beloofde land Geleidet door zijn sterke hand, Om[421] heerschen int land Canaän eendrachtig. In 't land, daar melk en honig vloeit, Daar de Jordaan beneven Stroomt, die uit zoo veel beekskens groeit Van 't steil gebergt verheven: Daar, als de baren van der zee Of 't zand der stranden, nu alreê, 't Zaad Israëls doet zijn vijanden beven. Looft dezen krijgsheld onvervaard, Die paarden, ros en wagen, 't Gewapend heer met schild en zwaard Heeft mannelijk verslagen, Met den verstokten koning trotsch; Bouwt op dees klip en sterke rots, Die niet en zwicht voor stormen en zee-vlagen. Den rood-scharlaken mantel breid[422] Van 't roode meer hij scheurde, En heeft guld-zandig geplaveid Een effen straat, waar deur de Hebreên ontweken hun misval, Tusschen twee muren van kristal, Daar Farao den laatsten zucht betreurde[423]. Farao, die ons op de hiel Vervolgde met zijn scharen, 't Zee-water stormig overviel Met 't zwalpen van de baren; Die 't voorhoofd bergden int gestert[424], In den afgrond vernederd werd: Speelt 's Heeren lof op harpen en op snaren. Farao's wimpelen ontdaan En zag men niet meer zwieren, Noch 't bloedzeil van zijn oorlogs vaan, Noch al zijn roô banieren; Zijn wapens en geslepen staal Zonk met zijn rusting altemaal: Wilt hem op 't plat van zijn altaren vieren. Bouwt al uw hoop op dezen steen, Bouwt uw geloove vaste Op den monarche der Hebreên, Die Farao verraste, Die des tyrans voornemens schort, Den hoogmoed van hun vleugels kort, En met zijn sterke schouders ons ontlastte. In koper, steen, noch ijzer hard Alleen niet dees weldaden En prent, maar schrijft ook in uw hart Gods goedheid vol genaden, Die ons 's doods muile heeft ontrukt: Groen palm en myrtetakken plukt, Kroont, siert, en vlecht uw hoofd met lauwer-bladen!
MOZES doet zijn offerande en spreekt: Dwijl Israël ontrukt is uit zijn slaafsche banden, Zoo stijg' ten hemelwaart ons harte met gesmook Van dezen altaar, als een liefelijken rook, Ontvangt o Heer! ontvangt dees heilige offeranden! Ontvangt dees offerand tot een dankbarig teiken[425], Of schoon de teêre mensch mets anders wedergeeft, Dan 't gene hij (eilaas!) van u ontvangen heeft, Zijn zwakke sterflijkheid niet[426] hoogers mag bereiken. Gij zijt de volheid zelf, de spruitende fonteine, Die overvloeit van 't goede; o mensch! die niet en hebt Iet goeds, als tgeen gij uit dees zuiver borne[427] schept, En zijt niet van u zelf als stof en asch onreine! Wat offert gij den Heer? niet anders als den lof der Oprechter[428] lippen vroom voor zijn weldadigheid, 't Welk God veel meer behaagt als bok, stier, kalf of geit; Een dankbaar hart is hem den aangenaamsten offer. 't Is God, die 't al uit Niet heeft door zijn woord geschapen, Die 't wonderlijk geheel gegeven heeft den eisch, Gewelfd, gebouwd, gesierd gelijk een schoon paleis, De stieren hooren hem, de kalveren en schapen. Niets is er zoo gering, of 't is van hem gevloten, Hij hevet[429] al gemaakt;—o, groot is uwen lof! Die 't al hebt rijkelijk gebouwet[430] zonder stof, Zoo gij in uwen raad verholen[431] hadt besloten. Heer! dit bekennen wij nog eenmaal met verlangen, Wat wij op den altaar in vier en vlammen rood Ontsteken, is gevloeid uit uwen milden schoot, Ja, hebben ziel en lijf van u, o God! ontvangen. Den offer komt u toe, die[432], Heer! verteert tot asschen! Neemt, dat u toebehoort: den altaar toebereid Alleene zij 't bewijs van onze dankbaarheid, Dat gij ons aanschijn van de tranen hebt gewasschen. Dat ons gemoed u viert inwendig na den geeste, En dat ons harte brandt, gelijk als in 's vuurs gloed Op 't heilige gesteent ons offerande doet, En dat wij we wet betrachten aldermeeste. Zoo dikwijls als het bloed der bokken zal besprengen Des altaars hooge plat, zal ik gedenken aan[433] Hoe wij de straffe hand uws engels zijn ontgaan, Waar door gij tzamen ons woudt uit Egypten brengen. Ik zal gedenken, hoe, om Faraos verdinsten[434], Al de eerstelingen van geheel Egypteland Van menschen en van vee, door uwe sterke hand Geslagen werden, van den meesten tot den minsten. En hoe gij ons verlost hebt uit de tyrannye Van dezen koning, die, om zijn hardnekkigheid, Met zijnen hoogmoed nu in 't meer begraven leît, Waar door wij zijn ontboeid van al ons slavernye. O Heer! bereidt den weg, en trekt nog voor ons henen, Gelijk gij tot nog toe gedaan hebt goedertier, Des daags in eene wolk, 's nachts in een vlammig vier, Waar in gij mij ook zijt op Sinaï verschenen. Versaagt[435] voor onze komst de stoute Filistijnen, Kwetst hunnen preutschen[436] moed! o Heer, blijft onzen borcht En onzen schild, op dat wij mogen onbezorgd Geraken door de dorre Arabische woestijnen. Op dat wij eindelijk eens mogen triumfeeren In 't land van Canaän, en dat wij uwe wet, Uw offeranden daar, rein, zuiver, onbesmet, En ons beloft voldoen, tot uws naams prijs en eeren. (Binnen). KOOR. 's Hemels goedheid, die voorhenen Ons voorvaders heeft beschenen, Is hier op 't tooneel herspeeld, En naar 't leven afgebeeld. Tijd noch de vergetenissen Hoort[437] uit ons gemoed te wisschen Dees weldaden overgroot, Neêrgedaald uit 's Hemels schoot. Doch wanneer wij zien veel milder, Wat den goddelijken schilder Hier met naakt afconterfeit, Raakt dit in vergetelheid, En vertoont zich veel geringer, Wanneer ons dit met den vinger Wijst op 't ware wezen blij Van dees hemel-schilderij: Op een grooter weldaad leerlijk, Die door Jezum Christum heerlijk Ons zoo rijkelijk beschijnt, Dat de schaduwe verdwijnt: Want wanneer de zonne luistert[438], 't Manen-zilver werd verduisterd, 't Bleekste voor het helderst zwijkt[439], 't Minste voor het meeste wijkt; Om den zin hier van te mellen[440] D' een wij tegens d'ander stellen: Nu, het rijk Egypten is Of beteekent duisternis, Daar in zware slavernije Jacob, onder d' heerschappije Faraonis, met geklag Droevelijk in boeyen lag: Maar door 't goddelijk verweere[441] Werden zij, door 't roode meere, Saam verlost uit dees spelonk, Als den Farao verzonk Met zijn schilden en zijn zwaarden, Met zijn ruiters, volk en paarden: Even lagen wij verstrikt, Leelijk in ons bloed verstikt, Onder Satan, Hel en zonden, In 's doods banden vastgebonden, Maar door 's levens klaar fontein, Onzen Zaligmaker rein, Als Hij in het laatst der dagen Aan het kruise werd geslagen, Werden wij, door zijn bloed rood, Vrij van zond', Hel, Duivel, dood, Door zijn goedheid vol genaden Afgewasschen ons misdaden: Niet verlost, als Jacob, bloot[442] Van een tijdelijke dood: Maar door dezen Samson leeuwig Vrij van d' Helsche pijnen eeuwig, Van Gods onverganklijk wee, Van het zwaard, dat uit der scheê Boven 't hoofd ons dreigde grammig, Met den brand des afgronds vlammig. Israël trok al gelijk Naar een aardsch verganklijk rijk, Dat maar voor een tijd mocht bloeyen, Maar, na ons gebroken boeyen[443], Ons de Heere roept tot hem; In het nieuw Jeruzalem, Loopt dan, ijverig genegen, Hebben wij door Christum kregen[444] Eenen weg gebaand en plat Naar de schoone hemel-stad. Daar dood, ziekte, strijd noch tranen Gelijk over der Jordanen[445] Ons meer zal ontmoeten wreed, Als 't den Isralieten deed. Die zoo vlijtig hun[446] bewezen In het uiterlijke wezen, Ook om slachten 't zuiver Lam, 't Welk terstond een einde nam, Als den godlijken Messias (Daar den anderen Helias Zijn verkoren Jongers vroed Op wees met den vinger zoet, Alder schatten kleinoodkoffer), Toen die kwam en zijnen offer, Als hoog-priester, dede spâ Op den berg Calvaria; Toen hij tegens Satan kampten, Alle priester-dienst en ampten Eindden met het Paasschen-feest, Als de Joden jaarlijks meest Posten, dorpels nog bestreken Met 's Lams bloede, tot een teeken Hoe hun God bevrijdde weerd[447] Voor den slaanden Engels zweerd. Voorspel, 't welk ons leert ten besten, Hoe dat in den alderlesten Dag der dagen, in 't gericht, Voor Gods toornig aangezicht, Jezus Christus ons zal vrijden Door zijn heilig bitter lijden, En, met 't rood onschuldig kleid[448] Van zijn droeve sterflijkheid, Ons onrein melaatsche vlekken Voor des Heeren aanschijn dekken. Eet dan geestelijker wijs Nog dit Lam, der zielen spijs, Met een bitter sausse spijtig; Ware Israëlieten vlijtig, Laat de kracht van zijne dood U nog zijn een hemels-brood! Weest omgordt, en staat alreede Om te wand'len na den vrede, Met den staf, alzoo 't behoort, Van des Heeren heilig Woord Opgeschort, omgord op vordel[449] Met der liefden band en gordel. Ook aanmerkt hier algemeen Dees twee leids-liên der Hebreên: Mozes (onbespraakt voor Farons Aanschijn) hoeft des priesters Aronsv Reden-rijke tonge vocht[450]: Doch geen van dees beiden mocht Isak brengen eindelijken In Canaäns koninkrijken: Onder welke schorsse duikt Als men dezen bast ontluikt[451], De onvolkomen zwakheid teder Van der wet te korten leeder[452], Om in 't hemelsch vaderland Op te stijgen uit den brand, Uit den brand der zielen zweerdig[453], Uit Gods toornigheid rechtveerdig, Daar ons Christus, als gezeîd, Heeft behouden uitgeleid. Want in Christo woont bekwamig Zelf de volheid Gods lichamig, 't Evangelische verbond Vloeyet uit zijns wijsheids mond, Der genaden fontein-ader[454], Ons verbidder, bij den Vader. Israël vertrok op hoop, Maar voor ons heeft al den loop Christus 't hoofd van zijne benden Lang te voren gaan vol-enden, En met 't kruis getriomfeerd Boven Hemelen en eerd'[455]. Laat dit plaatse bij u grijpen, Laat dit godlijk zaaisel rijpen, Zoo zal te uwaarts 's Hemels gonst Vloeyen UIT LEVENDER JONST[456].