← Table of contents
De baanwachter

SLOT

Reading edition

Des anderendaags in den morgen scheen het te Bolderhout kermis te zijn. De dorpelingen in hun zondagsgewaad wandelden opgeruimd over de markt en op den grooten steenweg. Uit de vensters veler huizen stak eene wapperende vlag, en de baan naar den barreel van den ijzeren weg was van weerszijden beplant met mastboomkens, aan elkander verbonden door festoenen van loof en bloemen.

Bij den uitgang der gemeente naar de stad verhief zich een windmolen op eenen heuvel. Daarboven stond de veldwachter met eene brandende lont in de hand, terwijl aan den voet van den molenberg de leden der muziekmaatschappij zich met hunne speeltuigen gereed hielden om een vroolijk deuntje aan te heffen.

Een man was er, die over en weder draafde, van den eenen hoop tot den anderen, en elkeen bevelen scheen te geven, als ware hij hier de overste geweest. Het was Jacob, de hovenier van den notaris. Nu liep hij, als door ongeduld gejaagd, den heuvel op, sprak in aller haast met den veldwachter en keek dan over den steenweg in het veld.

Hij had eenigen tijd reeds daar gestaan en zijn ongeduld door morren lucht gegeven, toen hij eensklaps uitriep:

"Mannen, vrienden, hoera! Opgepast, daar zijn ze!"

De veldwachter blies op zijne lont; de muzikanten brachten hunne speeltuigen aan de lippen.

Wie werd hier dan afgewacht? Een nieuwe burgemeester? De gouverneur? De koning?

In de verte kwam eene opene koets als een bankwagen, met twee paarden bespannen, op stillen draf aangereden. Voor zooveel men zien kon, zaten daarin twee mannen, twee vrouwen en eenige kinderen.

Ongetwijfeld waren dit de personen, welke men te Bolderhout plechtig wilde inhalen; want de krielende menigte begon zich bij den ingang des dorps op te hoopen en de lucht met blij geschater te vervullen.

De koets naderde.

Daar ontsnapte den verschietenden dorpelingen een angstkreet. Boven op den molenberg donderde het kanon driemaal, en de muziek begon de vroolijke aria van onzen zoeten Gretry: "Waar kan men beter zijn dan bij zijn beste vrienden?"

Rondom de koets liepen honderden menschen te zamen met de wemelende handen opgeheven of de hoeden zwaaiende, terwijl de lucht weergalmde onder de kreten:

"Leve Jan Verhelst! Welkom, hoera, hoera!"

Wat Frederic Vereecken ook poogde om den baanwachter in het rijtuig te doen blijven, deze wilde er niet in toestemmen. Hij had zijnen vriend Jacob gezien; hij had wat verder den schoolmeester bemerkt, en zijn hart snakte om hen aan den hals te vliegen en hun zijnen dank voor hunne beproefde trouw te betuigen. Zijne vrouw, zijne moeder en zijne kinderen stapten na hem uit de koets. Iedereen wilde hun de handen drukken, iedereen betuigde hun achting en vriendschap, en degenen, die het meest op hen waren verbitterd geweest, hieven de luidruchtigste gelukwenschen aan.

De kreten: "Leve Jan Verhelst! Leve Mie-Wanna!" ontstonden elke minuut opnieuw, en waar hun oudste zoontje voorbijging, riepen zijne schoolmakkers:

"Leve Sander! Leve Sander! hoera! hoera!"

De baanwachter was door de eer, die hem werd aangedaan, en door de bewijzen van vriendschap, waarmede men hem en zijn huisgezin overlaadde, zoo diep ontroerd, dat hij niet meer kon spreken en op zijne beenen wankelde.

Nu trad hij in den weg naar zijne barreelen. Dan begon eerst zijn hart met onstuimig geweld te kloppen. Frederic Vereecken had hem in de stad de blijde tijding gebracht, dat hij in zijnen post als barreelwachter was hersteld. Hij zou dus weder in den waggon wonen, in zijn lief hoveken wandelen en op zijne streep gronds arbeiden! Niets was veranderd in zijn leven, dan dat de toekomst zijner kinderen was verzekerd en hij geene slagen van het lot meer te duchten had.

De muziek speelde een trippelenden marsch, alhoewel men langzaam voortging.

Daar bulderde het kanon weder driemaal, toen Jan Verhelst, door Frederic en door den schoolmeester geleid, vóór den waggon geraakte.

Het gezicht zijner nederige woning moest het gemoed des baanwachters geweldig schokken; want terwijl de muziek weder het aria "Waar kan men beter zijn" had aangeheven en honderd en honderden monden "Hoera, hoera! Leve Jan Verhelst!" schreeuwden, meende hij den voet op de trap van den waggon te zetten, maar zonk half bezwijmd op de knieën en riep met de bevende handen ten hemel: "Dank, dank voor zooveel geluk, o genadige God!"

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings