← Table of contents
De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 2 (van 2)

Note 8 — SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE ZOOGDIEREN.—VERVOLG

H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation

Hier rijst een opmerkelijke zwarigheid op. Indien wij aannemen, dat gekleurde vlekken en strepen als een versiering zijn verkregen, hoe komt het dan, dat zoo vele thans levende soorten van herten, de afstammelingen van een oorspronkelijk gevlekt dier, en alle soorten van zwijnen en tapirs, de afstammelingen van een oorspronkelijk gestreept dier, in hun volwassen toestand hun vroegere versierselen hebben verloren? Op deze vraag kan ik geen bevredigend antwoord geven. Wij kunnen bijna zeker zijn, dat de vlekken en strepen bij de voorouders van onze bestaande soorten op volwassen of omtrent volwassen leeftijd verdwenen, zoodat zij door de jongen en, volgens de wet van overerving op overeenkomstige leeftijden, door de jongen van alle volgende geslachten werden behouden. Het kan voor den leeuw en de puma, wegens de open natuur van de plaatsen waar zij zich gewoonlijk ophouden, een groot voordeel zijn geweest om hun strepen te hebben verloren, en zoo minder in het oog loopend voor hun prooi te zijn geworden; en indien de opeenvolgende afwijkingen waardoor dit doel werd bereikt, vrij laat in het leven plaats hadden gegrepen, zouden de jongen hun strepen hebben behouden, gelijk wij weten, dat werkelijk het geval is. Wat Herten, Zwijnen en Tapirs aangaat, heeft Fritz Müller mij het vermoeden medegedeeld, dat deze dieren door de verwijdering door natuurlijke teeltkeus van hun vlekken en strepen minder gemakkelijk door hun vijanden zouden zijn gezien; en zij zouden deze bescherming vooral noodig hebben gehad, zoodra de Verscheurende Dieren (Carnivora) gedurende de Tertiaire perioden in grootte en aantal toenamen. Dit mag de ware verklaring zijn; maar het is toch tamelijk vreemd, dat de jongen niet even goed zouden zijn beschermd, en nog vreemder dat bij sommige soorten de volwassenen hun vlekken, hetzij gedeeltelijk of geheel, gedurende een deel van het jaar zouden hebben behouden. Wij weten, hoewel wij de oorzaak niet kunnen verklaren, dat als de gewone ezel afwijkt en roodachtig bruin, grijs of zwart wordt, de strepen op de schouders en zelfs op den rug dikwijls verdwijnen.44 Zeer weinig paarden, behalve bruin gekleurde, vertoonen strepen op eenig deel van hun lichamen, en toch hebben wij goeden grond om te gelooven, dat het oorspronkelijke paard op de pooten en den rug, en waarschijnlijk op de schouders was gestreept.45 Daarom kan het verdwijnen van de vlekken en strepen bij de volwassenen van onze thans levende Herten, Zwijnen en Tapirs het gevolg zijn van een algemeene verandering van de kleur van hun vacht; maar of deze verandering door seksueele of natuurlijke teeltkeus werd teweeggebracht, dan of zij het gevolg was van de directe werking der levensvoorwaarden of van de eene of andere onbekende oorzaak, is onmogelijk te beslissen. Een door den heer Sclater gemaakte opmerking geeft een goed voorbeeld van onze onwetendheid ten opzichte van de wetten die het verschijnen of verdwijnen van strepen regelen; de soorten van het ezelgeslacht (Asinus), die het vasteland van Azië bewonen, bezitten geen strepen, en missen zelfs de kruisstreep op den schouder, terwijl die welke Afrika bewonen, opzichtig zijn gestreept, met gedeeltelijke uitzondering van Asinus taeniopus die alleen de kruisstreep op den schouder en gewoonlijk ook eenige onduidelijke dwarsstrepen op de pooten bezit; en deze soort bewoont de omstreeks daar tusschen in liggende streek Opper-Egypte en Abessinië.46 (8)

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings