Note 6 — SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE VOGELS.—VERVOLG.
H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation
White van Selborne, die het geval van den uil mededeelt, voegt er bij, dat hij een man heeft gekend, die, daar hij geloofde, dat de patrijzen, als zij waren gepaard, door het vechten der mannetjes werden verontrust, hen placht dood te schieten; en hoewel hij het zelfde wijfje verscheidene malen weduwe had gemaakt, was zij altijd spoedig van een nieuwen gezel voorzien. Deze zelfde natuuronderzoeker beval de musschen dood te schieten, die de muurzwaluwen van haar nesten beroofden; maar degeen die overbleef, „hetzij het een mannetje of een wijfje was, verkreeg dadelijk een gezel, en dat verscheidene malen achtereen.” Ik zou hier soortgelijke gevallen kunnen bijvoegen, betrekking hebbende op den vink, den nachtegaal en het roodstaartje. Ten opzichte van den laatsten vogel (Phoenicura ruticilla) merkt de schrijver op, dat hij in geenen deele algemeen was in den omtrek, en hij geeft veel verwondering er over te kennen, dat het op de eieren zittende wijfje zoo spoedig met goeden uitslag bekend kon maken, dat zij weduwe was. De heer Jenner Weir heeft mij een bijna gelijksoortig geval medegedeeld: te Blackheath ziet of hoort hij nimmer den zang van den wilden goudvink, en toch kwam gewoonlijk, wanneer een zijner in kooien opgesloten mannetjes was gestorven, een wild mannetje in den loop van weinige dagen en ging bij het weduwe geworden wijfje zitten, wier loktoon verre van luid is. Ik zal slechts één ander feit mededeelen op autoriteit van dezen zelfden waarnemer; van een paar spreeuwen (Sturnus vulgaris) werd er één in den morgen doodgeschoten; ’s middags was een nieuwe gezel gevonden; deze werd wederom doodgeschoten; maar vóór den nacht was het paar volledig, zoodat de troostelooze weduwe of weduwnaar gedurende den zelfden dag driemaal werd vertroost. De heer Engleheart meldt mij ook, dat hij gedurende verscheidene jaren gewoon was één van een paar spreeuwen dood te schieten, die in een gat in een huis te Blackheath hun nest bouwden; maar het verlies werd dadelijk hersteld. Gedurende één jaargetijde hield hij er aanteekening van en vond, dat hij vijf-en-dertig vogels van het zelfde nest had doodgeschoten; deze bestonden zoowel uit mannetjes als uit wijfjes, maar in welke verhouding kan hij niet zeggen; desniettemin werden na al deze vernieling nog jongen opgekweekt.6