Note 16 — SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ. DE LAGERE KLASSEN VAN HET DIERENRIJK.
H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation
Klasse der Arachnida (Spinnen).—De mannetjes zijn dikwijls donkerder, maar soms ook lichter dan de wijfjes, zooals men kan zien in het prachtige werk van den heer Blackwall.16 Bij sommige soorten verschillen de beide seksen sterk van elkander in kleur; zoo is het wijfje van Sparassus smaragdulus dof groen, terwijl het achterlijf van het mannetje schoon geel is, met drie overlangsche strepen van rijk rood. Bij sommige soorten van krabspinnen (Thomisus) gelijken de seksen nauwkeurig op elkander; bij andere verschillen zij zeer, zoo zijn bij Thomisus citreus de pooten en het lichaam van het wijfje bleek-geel of groen, terwijl de voorste pooten van het mannetje roodachtig bruin zijn; bij T. floricolens zijn de pooten van het wijfje bleekgroen, terwijl die van het mannetje zeer in het oog loopende ringen van verschillende kleur vertoonen. Talrijke dergelijke gevallen zouden kunnen worden gegeven uit de geslachten Epeira, Nephila, Philodromus, Theridion, Linyphia, enz. Het is dikwijls moeilijk te zeggen, welke der beide seksen het meest afwijkt van de gewone kleur van het geslacht waartoe de soort behoort; maar de heer Blackwall denkt, dat het over het algemeen het mannetje is. Canestrini17 merkt op, dat in zekere geslachten de soortsbepaling bij de mannetjes gemakkelijk, doch bij de wijfjes hoogst moeilijk is. De heer Blackwall deelt mij mede, dat de seksen in haar jeugd gewoonlijk op elkander gelijken; en beide ondergaan dikwijls groote veranderingen in kleur bij haar opeenvolgende ververvellingen, vóór zij volwassen zijn. Zoo gelijkt het mannetje van den bovengenoemden Sparassus eerst op het wijfje, en verkrijgt zijn bijzondere kleuren pas, als het omstreeks volwassen is. Spinnen bezitten scherpe zintuigen en vertoonen veel verstand. Gelijk algemeen bekend is, toonen de wijfjes dikwijls de sterkste liefde voor haar eieren, die zij, in een zijden web omsloten, bij zich dragen. De mannetjes zoeken vurig naar de wijfjes, en Canestrini en anderen hebben gezien, dat zij om het bezit daarvan vochten. De zelfde schrijver zegt, dat de paring der beide seksen bij ongeveer twintig soorten is waargenomen; en hij verzekert stellig, dat het wijfje sommige van de mannetjes die haar het hof maken, weigert, hen met open kaken bedreigt en ten laatste na veel aarzeling het uitverkoren mannetje aanneemt. Op deze verschillende gronden mogen wij met eenig vertrouwen aannemen, dat de goed uitgedrukte verschillen in kleur tusschen de seksen van sommige soorten het resultaat van seksueele teeltkeus zijn, hoewel de beste soort van bewijs, het pronken van het mannetje met zijn versierselen, hier ontbreekt. Wegens de uiterst groote variabiliteit van kleur bij het mannetje van sommige soorten, bijvoorbeeld van Theridion lineatum, schijnt het, dat deze seksueele kenmerken van de mannetjes tot dusver niet zeer bestendig zijn geworden. Canestrini leidt het zelfde besluit af uit het feit, dat de mannetjes van sommige soorten twee vormen vertoonen, die van elkander verschillen in de grootte en lengte der kaken; en dit herinnert ons aan de bovenvermelde gevallen van dimorphische schaaldieren.