Note 15 — SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ. DE LAGERE KLASSEN VAN HET DIERENRIJK.
H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation
Ik heb zoo even medegedeeld, dat het mannetje van Gelasimus zijn opzichtige kleuren niet verkrijgt, vóór hij volwassen en ongeveer voor de voortplanting geschikt is. Dit schijnt ten opzichte der vele merkwaardige verschillen in maaksel tusschen de beide seksen in de geheele klasse de algemeene regel te zijn. Wij zullen later zien, dat de zelfde wet in het geheele onder-rijk der Gewervelde Dieren (Vertebrata) doorgaat, en in alle gevallen is het bij uitnemendheid kenmerkend voor alle eigenschappen die door seksueele teeltkeus zijn verkregen. Fritz Müller15 geeft eenige sterk sprekende voorbeelden van deze wet; zoo verkrijgt het mannetje van de zeevloo (Orchestia) zijn groote tangen, welke geheel anders zijn samengesteld dan die van het wijfje, niet, voordat hij nagenoeg volgroeid is; zoolang hij jong is, gelijken zijn tangen op die van het wijfje. Evenzoo bezit het mannetje van Brachyscelus, gelijk alle andere Vlookreeften (Amphipoda), een paar achterste sprieten; bij het wijfje, en dit is een zeer buitengewone omstandigheid, ontbreken zij, en eveneens bij het mannetje, voordat het volwassen is. (6)