Note 13 — SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ. DE LAGERE KLASSEN VAN HET DIERENRIJK.
H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation
Ten opzichte van de kleur, die bij dieren die tot de hoogere klassen behooren, zoo dikwijls bij beide seksen verschilt, kent de heer Spence Bate hiervan geen enkel sterk sprekend voorbeeld bij de Britsche Schaaldieren. In sommige gevallen verschilt echter het wijfje eenigszins in tint met het mannetje; maar de heer Bate houdt dit verschil voor gering genoeg om te kunnen worden verklaard door hun verschillende levenswijze, zooals doordat het mannetje meer rondloopt en derhalve meer aan het licht blootgesteld is. Bij een merkwaardige krab van Borneo, die sponsen bewoont, kon de heer Bate altijd de beide seksen van elkander onderscheiden, doordat de opperhuid van het mannetje minder afgeschaafd was. Dr. Power trachtte de seksen van de soorten die Mauritius bewonen, door haar kleur te onderscheiden; maar het mislukte hem voortdurend, behalve bij een enkele soort van steurkrab (Squilla, waarschijnlijk Squilla stylifera), van welke het mannetje wordt beschreven, als „fraai blauwachtig groen”, met sommige aanhangsels kersrood, terwijl het wijfje bruin en grijs bewolkt is, en de roode deelen bij haar „veel minder levendig zijn dan bij het mannetje.”13 In dit geval mogen wij vermoeden, dat er seksueele teeltkeus in het spel is geweest. Bij Saphirina (een den oceaan bewonend geslacht van Entomostraca, en daarom laag op de ladder) zijn de mannetjes voorzien van kleine schilden of op cellen gelijkende lichamen, die schoone veranderende kleuren vertoonen; deze ontbreken bij de wijfjes en in ééne soort bij beide seksen.14 Het zou echter zeer overijld zijn, hieruit te besluiten, dat deze organen uitsluitend dienen om het wijfje te bekoren. Bij het wijfje van een Braziliaansche soort van strandkrab (Gelasimus) is, naar Fritz Müller mij mededeelt, het geheele lichaam bijna effen grijsachtig bruin. Bij het mannetje is het achterste deel van het kop-borststuk (cephalothorax) zuiver wit, en het voorste prachtig groen, in donkerbruin overgaande; en het is merkwaardig, dat deze kleuren vatbaar zijn, in weinige minuten te veranderen,—waarbij het wit vuil groen, of zelfs zwart wordt, en het groen „veel van zijn schoonheid verliest.” De mannetjes zijn blijkbaar veel talrijker dan de wijfjes Het verdient inzonderheid opmerking, dat zij hun schitterende kleuren niet verkrijgen vóór zij volwassen zijn. Zij verschillen ook van de wijfjes door de meerdere grootte hunner knijpers. Bij sommige soorten van het geslacht, waarschijnlijk bij alle, leven de seksen paarsgewijze en bewonen het zelfde hol. Het zijn ook, zooals wij zagen, zeer verstandige dieren. Op deze verschillende gronden is het zeer waarschijnlijk, dat bij deze soort het mannetje zijn fraaie kleuren heeft verkregen om het wijfje te bekoren of op te wekken.